ARREST VAN HET GERECHT (Enkelvoudige kamer)
van 29 juni 2004
Zaak T‑188/03
Joëlle Hivonnet
tegen
Raad van de Europese Unie
„Ambtenaren – Schooltoelage – Criteria voor toekenning – Lager onderwijs – Kleuterschool”
Volledige Franse tekst II - 0000
Betreft: Beroep strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de Raad houdende weigering om verzoekster de schooltoelage toe kennen voor de schooljaren 1999/2000 en 2000/2001, gedurende welke haar dochter de kleuterschool bezocht, en houdende toekenning bij wijze van uitzondering van een dergelijke toelage voor het kleuterschooljaar 2001/2002, alsmede tot toekenning bij wijze van schadevergoeding van de moratoire interessen over de met deze toelagen overeenkomende bedragen en tot vergoeding van de immateriële schade die verzoekster als gevolg van dat besluit heeft geleden.
Beslissing: Het beroep wordt verworpen. Elk der partijen zal de eigen kosten dragen.
Samenvatting
1. Ambtenaren – Beroep – Bezwarend besluit – Begrip – Toekenning van schooltoelage bij wijze van uitzondering – Daarvan uitgesloten
(Ambtenarenstatuut, art. 91, lid 1)
2. Ambtenaren – Bezoldiging – Gezinstoelagen – Schooltoelage – Voorwaarden – Bezoeken van instelling voor lager onderwijs – Definitie van begrip „lager onderwijs”
(Ambtenarenstatuut, bijlage VII, art. 3)
3. Ambtenaren – Bezoldiging – Recht op moratoire interessen – Voorwaarden
1. Ingevolge artikel 91, lid 1, van het Statuut kan alleen beroep worden ingesteld tegen bezwarende besluiten en zijn alleen besluiten die de rechtspositie van de betrokkenen onmiddellijk en rechtstreeks kunnen aantasten, bezwarend.
De toekenning, bij wijze van uitzondering, van een schooltoelage aan een ambtenaar vormt niet de basis voor enig huidig besluit dat de rechten van die ambtenaar beperkt. Slechts wanneer die uitzondering hem later zou worden tegengeworpen als grondslag voor een weigering zou er jegens de betrokkene sprake zijn van een bezwarend besluit.
(cf. punt 16)
Referentie: Hof 21 januari 1987, Stroghili/Rekenkamer, 204/85, Jurispr. blz. 389, punten 6 en 11
2. Wat de definitie betreft van het begrip lager onderwijs in de zin van artikel 3 van bijlage VII bij het Statuut, kan de benaming die het nationale recht aan het door een school gegeven onderwijs geeft geen doorslaggevend criterium voor die bepaling vormen, zelfs al kan het een relevante aanwijzing voor de aard van dat onderwijs zijn.
Bij gebreke van enig statutair criterium voor de definitie van dit begrip, moet echter worden gekeken naar de aard van het gegeven onderwijs zoals dat door de nationale autoriteiten wordt gedefinieerd.
(cf. punten 28 en 29)
Referentie: Gerecht 3 december 1991, Boessen/ESC, T‑10/90 en T‑31/90, Jurispr. blz. II‑1365, punten 30‑34
3. Een verplichting om moratoire interessen te betalen over de uitbetaling, aan een ambtenaar, van het bedrag van zijn bezoldiging en de bijkomende toelagen is slechts denkbaar wanneer het bedrag van de hoofdvordering vaststaat, althans op grond van vaststaande objectieve gegevens kan worden bepaald. Voorts kan er een verplichting tot betaling van vertragingsrente ontstaan wanneer de vaststelling van het bedrag van de salarisschuld zonder goede gronden wordt vertraagd.
(cf. punt 45)
Referentie: Hof 30 september 1986, Delhez/Commissie, 264/83, Jurispr. blz. 2749, punten 20 en 23
Full & Egal Universal Law Academy