Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
1. Kort geding - Opschorting van tenuitvoerlegging - Voorwaarden - Spoedeisendheid - Ernstige en onherstelbare schade - Bewijslast - Zuiver geldelijke schade - Bevriezing van tegoeden van natuurlijk persoon in kader van strijd tegen terrorisme
(Art. 242 EG; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2; verordening nr. 2580/2001 van de Raad)
2. Kort geding - Opschorting van tenuitvoerlegging - Voorlopige maatregelen - Voorwaarden - Spoedeisendheid - Morele schade die in kort geding niet beter kan worden hersteld dan in hoofdzaak - Geen
(Art. 242 EG en 243 EG; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2; verordening nr. 2580/2001 van de Raad)
Samenvatting
$$1. De spoedeisendheid van een verzoek in kort geding moet worden getoetst aan de vraag, of een voorlopige beslissing noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade voor de partij die om de voorlopige maatregel verzoekt. Het is deze partij die moet bewijzen, dat zij niet op de uitspraak in de hoofdzaak kan wachten zonder een dergelijke schade te lijden. Zuiver geldelijke schade kan in beginsel niet als onherstelbaar of zelfs maar moeilijk herstelbaar worden beschouwd, omdat er later steeds een financiële vergoeding voor kan worden geboden. De kortgedingrechter dient evenwel aan de hand van de bijzondere omstandigheden van het concrete geval na te gaan of niet-toekenning van de gevraagde voorlopige maatregelen de verzoeker ernstige en onmiddellijke schade kan berokkenen die door geen latere beslissing kan worden hersteld.
In het geval van een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van een maatregel tot bevriezing van de tegoeden van een natuurlijk persoon, die in het kader van de strijd tegen het terrorisme is getroffen, moet de kortgedingrechter zich ervan vergewissen, dat de verzoeker over de middelen beschikt ter bestrijding van alle uitgaven die noodzakelijk zijn om tot het moment van de beslissing in de hoofdzaak in zijn eigen basisbehoeften en die van zijn gezin te voorzien.
( cf. punten 27, 29-31 )
2. Hoewel niet valt uit te sluiten dat door de verlening van de gevorderde voorlopige maatregelen de door een verzoeker aangevoerde morele schade, die is ontstaan doordat zijn naam is opgenomen in een besluit inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten in het kader van de strijd tegen het terrorisme, althans gedeeltelijk zou kunnen worden hersteld, kan een dergelijke verlening echter in zoverre niet meer bewerken dan later een eventuele nietigverklaring van dat besluit aan het einde van de procedure in de hoofdzaak zou doen. Aangezien de procedure in kort geding niet tot doel heeft herstel van schade te verzekeren, maar de volle werking van het arrest ten gronde te waarborgen, is in dat geval aan de voorwaarde van spoedeisendheid niet voldaan.
( cf. punt 41 )
Partijen
In zaak T-47/03 R,
Jose Maria Sison, wonende te Utrecht (Nederland), vertegenwoordigd door J. Fermon, A. Comte, H. E. Schultz, D. Gurses, T. Olsson en J. Lamchek, advocaten,
verzoeker,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M. Vitsentzatos en M. Bishop als gemachtigden,
verweerder,
betreffende een verzoek, ten eerste, om de tenuitvoerlegging van besluit 2002/974/EG van de Raad van 12 december 2002 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van besluit 2002/848/EG (PB L 337, blz. 85), op te schorten, voorzover verzoekers naam daarin staat, ten tweede, om de Raad te gelasten verzoekers naam niet op te nemen in enig nieuw besluit tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001, en, ten derde, om de Raad te gelasten alle lidstaten ervan op de hoogte te stellen dat de jegens verzoeker getroffen beperkende maatregelen elke rechtsgrondslag ontberen,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
Toepasselijke bepalingen en feiten
1 Artikel 2 van verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme (PB L 344, blz. 70), bepaalt:
1. Tenzij toegestaan uit hoofde van de artikelen 5 en 6:
a) worden alle tegoeden, andere financiële activa en economische middelen die in het bezit zijn van, eigendom zijn van of gehouden worden door een in de lijst in artikel 2, lid 3, bedoelde natuurlijk persoon of rechtspersoon, groep of entiteit, bevroren;
b) worden aan of ten behoeve van een in de lijst in artikel 2, lid 3, bedoelde natuurlijke of rechtspersoon, groep of entiteit noch direct noch indirect tegoeden, andere financiële activa en economische middelen ter beschikking gesteld.
[...]
3. De Raad stelt de lijst vast van personen, groepen en entiteiten waarop deze verordening van toepassing is, en evalueert en wijzigt deze met eenparigheid van stemmen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 1, leden 4, 5 en 6, van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB. Deze lijst behelst:
i) natuurlijke personen die een terroristische daad plegen, pogen te plegen, daaraan deelnemen of het plegen van deze daden vergemakkelijken;
ii) rechtspersonen, groepen of entiteiten die een terroristische daad plegen, pogen te plegen, daaraan deelnemen of het plegen van deze daden vergemakkelijken;
iii) rechtspersonen, groepen of entiteiten die eigendom zijn van of gecontroleerd worden door een of meer natuurlijke of rechtspersonen, groepen of entiteiten als bedoeld in de punten i) en ii);
iv) natuurlijke of rechtspersonen, groepen of entiteiten die optreden namens of in opdracht van een of meer natuurlijke of rechtspersonen, groepen of entiteiten als bedoeld in de punten i) en ii)."
2 Artikel 5, leden 2 en 3, van verordening nr. 2580/2001 luidt:
2. De in de bijlage opgenomen bevoegde instanties van de lidstaten kunnen specifieke machtigingen verlenen, onder door hen passend geachte voorwaarden, ter voorkoming van de financiering van terroristische daden, voor
1) het gebruik van bevroren tegoeden voor de dekking van essentiële menselijke behoeften van een in de lijst van artikel 2, lid 3, vermeld natuurlijk persoon of een lid van diens gezin, met inbegrip van betalingen voor levensmiddelen, geneesmiddelen, de huur of de hypotheeklening voor de gezinswoning en vergoedingen en kosten voor geneeskundige behandeling van gezinsleden binnen de Gemeenschap;
2) betalingen van bevroren rekeningen voor de volgende doeleinden:
a) betaling van belastingen, verplichte verzekeringspremies en vergoedingen voor openbare nutsdiensten zoals gas, water, elektriciteit en telecommunicatie binnen de Gemeenschap;
b) betaling van lasten verschuldigd aan een financiële instelling binnen de Gemeenschap voor het aanhouden van rekeningen;
3) betalingen aan een in de lijst van artikel 2, lid 3, vermelde persoon, entiteit of lichaam, die voortvloeien uit contracten, overeenkomsten of verplichtingen die zijn gesloten of aangegaan voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening, mits deze betalingen geschieden op een bevroren rekening binnen de Gemeenschap.
3. Verzoeken om machtiging worden gericht aan de bevoegde instantie van de lidstaat op wiens grondgebied de tegoeden, andere financiële activa of andere economische middelen zijn bevroren."
3 Bovendien is in artikel 6 van verordening nr. 2580/2001 bepaald:
1. Niettegenstaande de bepalingen van artikel 2 en met het oog op de bescherming van de belangen van de Gemeenschap, waartoe ook de belangen van haar burgers en ingezetenen behoren, kunnen de bevoegde instanties van een lidstaat, na overleg met de overige lidstaten, de Raad en de Commissie overeenkomstig lid 2, specifieke machtigingen verlenen om:
- bevroren tegoeden, andere financiële activa of andere economische middelen vrij te geven;
- tegoeden, andere financiële activa of andere economische middelen ter beschikking te stellen van een in de lijst van artikel 2, lid 3, vermelde persoon, entiteit of lichaam;
- deze persoon, deze entiteit of dit lichaam financiële diensten te verstrekken."
4 Met betrekking tot de in artikel 5 van verordening nr. 2580/2001 bedoelde bevoegde instanties verwijst de bij die verordening gevoegde lijst voor Nederland naar het Ministerie van Financiën".
5 Op 28 oktober 2002 heeft de Raad besluit 2002/848/EG tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening nr. 2580/2001 en tot intrekking van besluit 2002/460/EG (PB L 295, blz. 12), vastgesteld. Artikel 1 van besluit 2002/848 bepaalde als volgt:
De in artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 bedoelde lijst ziet er als volgt uit:
1. PERSONEN
[...]
9) SISON, José Maria (alias Armando Liwanag, alias Joma, hoofd van de NPA), geboren op 8.2.1939 in Cabugao, Filipijnen
2. GROEPEN EN ENTITEITEN
[...]
13) New People's Army (NPA), Filipijnen, onderhoudt banden met Sison José Maria C. (alias Armando Liwanag, alias Joma, hoofd van de NPA)
[...]"
6 Op 12 december 2002 heeft de Raad besluit 2002/974/EG vastgesteld, tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 en tot intrekking van besluit 2002/848/EG (PB L 337, blz. 85). Artikel 1 van besluit 2002/974 (hierna: bestreden besluit") luidde:
De in artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 bedoelde lijst ziet er als volgt uit:
1. PERSONEN
[...]
25) SISON, Jose Maria (alias Armando Liwanag, alias Joma, hoofd van de NPA), geboren op 8.2.1939 in Cabugao, Filipijnen
[...]
2. GROEPEN EN ENTITEITEN
[...]
14) New People's Army (NPA), Filipijnen, onderhoudt banden met Sison Jose Maria C. (alias Armando Liwanag, alias Joma, hoofd van de NPA)
[...]"
Procesverloop
7 Bij op 6 februari 2003 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoeker krachtens artikel 230, vierde alinea, EG beroep tot nietigverklaring van het bestreden besluit ingesteld tegen de Raad en de Commissie.
8 Bij op 28 februari 2003 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft verzoeker tegen dezelfde instellingen een verzoek ingediend, ten eerste, om de tenuitvoerlegging van artikel 1, punt 1, sub 25, en punt 2, sub 14, van het bestreden besluit op te schorten, voorzover verzoekers naam daarin staat, ten tweede, om de Raad en de Commissie te gelasten zijn naam niet op te nemen in enig nieuw besluit tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 en, ten derde, om de Raad en de Commissie te gelasten alle lidstaten ervan op de hoogte te stellen dat de jegens hem getroffen beperkende maatregelen elke rechtsgrondslag ontberen.
9 De Commissie en de Raad hebben op 11 maart 2003 schriftelijke opmerkingen over het verzoek in kort geding ingediend.
10 De Commissie heeft op dezelfde dag tegen het beroep in de hoofdzaak een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.
11 Partijen zijn gehoord in hun mondelinge toelichtingen op de hoorzitting die op 26 maart 2003 voor de president van het Gerecht is gehouden. Tijdens die hoorzitting heeft de president verzoeker een termijn van zeven dagen verleend om te kennen te geven of hij het tegen de Commissie gerichte verzoek om voorlopige maatregelen wenste te handhaven.
12 Op 1 april 2003 heeft verzoeker ter griffie van het Gerecht drie aanvullende documenten neergelegd alsmede een verzoek tot doorhaling op de rol van het tegen de Commissie gerichte verzoek om voorlopige maatregelen.
13 Op 22 en 23 april 2003 hebben respectievelijk de Commissie de Raad hun opmerkingen over het verzoek tot doorhaling ingediend.
14 Bij beschikking van de president van het Gerecht van 7 mei 2003 is het tegen de Commissie gerichte verzoek om voorlopige maatregelen doorgehaald.
In rechte
15 Krachtens de gecombineerde bepalingen van de artikelen 242 EG en 243 EG, enerzijds, en artikel 225, lid 1, EG, anderzijds, kan het Gerecht, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de uitvoering van de bestreden handeling of de noodzakelijke voorlopige maatregelen gelasten.
16 Volgens artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moeten verzoeken tot verkrijging van voorlopige maatregelen een duidelijke omschrijving bevatten van de omstandigheden waaruit het spoedeisend karakter van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregelen waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomen (fumus boni juris). Deze voorwaarden zijn cumulatief, zodat het verzoek om dergelijke maatregelen moet worden afgewezen, wanneer aan een ervan niet is voldaan [beschikking president Hof van 14 oktober 1996, SCK en FNK/Commissie, C-268/96 P(R), Jurispr. blz. I-4971, punt 30, en beschikking president Gerecht van 7 mei 2002, Aden e.a./Raad en Commissie, T-306/01 R, Jurispr. blz. II-2387, punt 39]. De kortgedingrechter weegt in voorkomend geval ook de betrokken belangen tegen elkaar af (beschikking president Hof van 23 februari 2001, Oostenrijk/Raad, C-445/00 R, Jurispr. blz. I-1461, punt 73).
17 De gevraagde maatregelen moeten bovendien overeenkomstig artikel 107, leden 3 en 4, van het Reglement voor de procesvoering voorlopig zijn in die zin, dat zij de rechtsvragen of feitelijke vragen in geding niet prejudiciëren, noch de gevolgen van de later in de hoofdzaak te nemen beslissing bij voorbaat ongedaan maken [beschikking president Hof van 19 juli 1995, Commissie/Atlantic Container Line e.a., C-149/95 P(R), Jurispr. blz. I-2165, punt 22, en beschikking Aden e.a./Raad en Commissie, reeds aangehaald, punt 41].
18 In casu moet volgens de kortgedingrechter om te beginnen worden onderzocht of aan de voorwaarde van spoedeisendheid is voldaan.
Argumenten van partijen
19 Volgens verzoeker is aan de voorwaarde van spoedeisendheid voldaan.
20 In de eerste plaats zou hij geldelijke schade lijden, aangezien zijn financiële middelen op grond van de vaststelling van het bestreden besluit zijn bevroren en hem overeenkomstig artikel 2 van verordening nr. 2580/2001 geen tegoeden, financiële activa of economische middelen ter beschikking worden gesteld.
21 In dit verband verklaart verzoeker dat op 13 augustus 2002 het Nederlandse Ministerie van Financiën de bevriezing heeft gelast van de postbankrekening waarvan hij met zijn vrouw houder is, alsmede de intrekking van de sociale bijstand die hij van de sociale diensten ontving, en van de Nederlandse asielzoekerstoelage. Bovendien heeft de gemeente Utrecht, waar verzoeker woonde, hem bij brief van 10 september 2002 laten weten dat zij de door hem ontvangen sociale bijstand, zijn ziektekostenverzekering en zijn WA-verzekering stopzette, en heeft zij hem gelast de op zijn naam door de plaatselijke autoriteiten gehuurde woning te verlaten. Hoewel de gemeente Utrecht op 9 oktober 2002 aankondigde dat hem sociale bijstand ter hoogte van 201,93 euro zou worden verstrekt en dat zijn ziektekostenverzekering en zijn WA verzekering om humanitaire redenen zouden worden hervat, is aan verzoeker bij een brief van de gemeente Utrecht van 13 december 2002 meegedeeld dat na een besluit van het Nederlandse Ministerie van Financiën de door hem ontvangen sociale bijstand en zijn verzekeringen in de toekomst niet meer zouden worden betaald.
22 Verzoeker stelt dat hij door de bevriezing van de postbankrekening, waarvan hij met zijn vrouw houder is, en de intrekking van de sociale bijstand niet meer in de eerste levensbehoeften kan voorzien. De maatregelen van de Nederlandse autoriteiten staan ook in de weg aan de betaling van de bedragen die verzoeker als schrijver van boeken, artikelen, docent, spreker en erfgenaam van de nalatenschap van zijn ouders toekomen. Ten slotte beletten die maatregelen de betaling van schadevergoeding ten bedrage van 750 000 USD die de rechthebbenden van Ferdinand E. Marcos op grond van een uitspraak van een District Court van de Verenigde Staten van 1997 aan verzoeker verschuldigd zijn. Hij stelt bovendien dat de Nederlandse autoriteiten hebben geweigerd hem een werkvergunning te verlenen.
23 Met betrekking tot de mogelijkheid de bevoegde nationale instantie om een machtiging te verzoeken om zijn bevroren tegoeden vrij te geven overeenkomstig artikel 5 van verordening nr. 2580/2001, merkt verzoeker op dat die mogelijkheid geen doeltreffende oplossing is en volledig afhangt van de discretionaire bevoegdheid van de nationale instanties. Bovendien voert verzoeker ter hoorzitting aan dat overeenkomstig artikel 6 van verordening nr. 2580/2001 een verzoek aan het Ministerie van Financiën was gericht, maar dat dit Ministerie het bij een besluit van 7 maart 2003 had afgewezen.
24 In de tweede plaats is verzoeker van mening dat bovenbedoelde financiële beperkingen, samen met het voor hem geldende verscherpte toezicht, de beperkingen van zijn bewegingsvrijheid en het feit dat hij als terrorist" te boek staat en als zodanig in de publieke opinie is gebrandmerkt, een onmenselijke of vernederende behandeling vormen in de zin van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en bij hem gevoelens van morele en emotionele ontreddering teweegbrengen. Daardoor worden bovendien zijn persoonlijke veiligheid en lichamelijke integriteit bedreigd.
25 Dat hij als terrorist" te boek staat, brengt in het bijzonder zijn rol als voornaamste politieke adviseur van het National Democratic Front of the Philippines (hierna: NDFP") in gevaar. In die hoedanigheid was verzoeker een sleutelfiguur in de vredesonderhandelingen tussen de NDFP en de Filipijnse regering, ondertekende hij als waarnemer" alle voornaamste bilaterale akkoorden die sedert 1992 tussen die twee partijen zijn gesloten. Verzoeker wijst erop dat die vredesonderhandelingen de volledige steun van het Europees Parlement hebben gekregen (resoluties van het Europees Parlement nrs. B4-0601, 0645 en 0686/97 van 17 juli 1997 en nrs. B4-1096, 1106, 1147, 1158 en 1160/98 van 14 januari 1999).
26 De Raad stelt dat verzoeker niet heeft aangetoond dat hij ernstige en onherstelbare schade zou lijden, indien vóór de uitspraak van een beslissing in de hoofdzaak geen voorlopige maatregelen werden verleend. Verder moeten de door verzoeker gevraagde maatregelen worden afgewezen, omdat zij de gevolgen van de in de hoofdzaak te nemen beslissing ongedaan zouden maken.
Beoordeling door de kortgedingrechter
27 Het is vaste rechtspraak, dat de spoedeisendheid van een verzoek in kort geding moet worden getoetst aan de vraag, of een voorlopige beslissing noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade voor de partij die om de voorlopige maatregel verzoekt. Het is deze partij die moet bewijzen, dat zij niet op de uitspraak in de hoofdzaak kan wachten zonder een dergelijke schade te lijden (beschikking president Hof van 12 oktober 2000, Griekenland/Commissie, C-278/00 R, Jurispr. blz. I-8787, punt 14; beschikking president Gerecht van 15 juli 1998, Prayon-Rupel/Commissie, T-73/98 R, Jurispr. blz. II-2769, punt 36, en beschikking Aden e.a./Raad en Commissie, reeds aangehaald, punt 89).
28 De door verzoeker in de onderhavige zaak gestelde schade is enerzijds materieel, anderzijds moreel.
29 Wat de door verzoeker gestelde materiële schade betreft, is het vaste rechtspraak, dat zuiver financiële schade in beginsel niet als onherstelbaar of zelfs maar moeilijk herstelbaar kan worden beschouwd, omdat er later steeds een geldelijke vergoeding voor kan worden geboden (beschikking president Derde kamer Hof van 3 juli 1984, De Compte/Parlement, 141/84 R, Jurispr. blz. 2575, punt 4; beschikking president Gerecht van 29 september 1993, Hogan/Hof van Justitie, T-497/93 R II, Jurispr. blz. II-1005, punt 17, en beschikking Aden e.a./Raad en Commissie, reeds aangehaald, punt 92).
30 De kortgedingrechter dient evenwel aan de hand van de bijzondere omstandigheden van het concrete geval na te gaan of niet-toekenning van de gevraagde voorlopige maatregelen de verzoeker ernstige en onmiddellijke schade kan veroorzaken die door geen latere beslissing kan worden hersteld.
31 In een context als die van de onderhavige zaak moet de kortgedingrechter zich ervan vergewissen, dat de verzoeker over de middelen beschikt ter bestrijding van alle uitgaven die noodzakelijk zijn om tot het moment van de beslissing in de hoofdzaak in zijn eigen basisbehoeften en die van zijn gezin te voorzien (zie in die zin beschikking Aden e.a./Raad en Commissie, reeds aangehaald, punt 94).
32 In casu kan worden volstaan met vast te stellen dat volgens artikel 5 van verordening nr. 2580/2001 de bevoegde instanties van de lidstaten specifieke machtigingen kunnen verlenen, onder door hen passend geachte voorwaarden ter voorkoming van de financiering van terroristische daden, voor in het bijzonder het gebruik van bevroren tegoeden voor de dekking van essentiële menselijke behoeften van een [...] natuurlijk persoon of een lid van diens gezin, met inbegrip van betalingen voor levensmiddelen, geneesmiddelen, de huur of de hypotheeklening voor de gezinswoning en vergoedingen en kosten voor geneeskundige behandeling van gezinsleden binnen de Gemeenschap". Een dergelijke machtiging kan ook worden verleend voor betaling van belastingen, verplichte verzekeringspremies en vergoedingen voor openbare nutsdiensten zoals gas, water, elektriciteit en telecommunicatie binnen de Gemeenschap [...]".
33 Krachtens artikel 6 van verordening nr. 2580/2001 kunnen voorts de bevoegde instanties van een lidstaat, na overleg met de overige lidstaten, de Raad en de Commissie, specifieke machtigingen verlenen om bevroren tegoeden, andere financiële activa of andere economische middelen vrij te geven, tegoeden, andere financiële activa of andere economische middelen ter beschikking te stellen van een persoon, entiteit of lichaam, dan wel deze persoon, deze entiteit of dit lichaam financiële diensten te verstrekken.
34 Uit de artikelen 5 en 6 van verordening nr. 2580/2001 volgt dus duidelijk dat die verordening verzoeker niet automatisch en definitief de mogelijkheid ontneemt om toegang tot zijn bevroren tegoeden te hebben of sociale bijstand te ontvangen, mits volgens de bevoegde nationale instanties, in casu het Nederlandse Ministerie van Financiën, verzoeker en zijn gezin voldoen aan de in die bepalingen gestelde voorwaarden en de daarin voorgeschreven procedures worden gevolgd.
35 Bijgevolg kan verzoeker de in wezen met het onderhavige verzoek om voorlopige maatregelen gevraagde financiële middelen verkrijgen door een verzoek aan de nationale instanties te richten.
36 Aan die conclusie kan niet worden afgedaan door het feit dat het Nederlandse Ministerie van Financiën op 7 maart 2003 heeft besloten, het door verzoeker krachtens artikel 6 van verordening nr. 2580/2001 ingediende verzoek om een machtiging af te wijzen.
37 Zonder dat behoeft te worden onderzocht om welke redenen het Nederlandse Ministerie van Financiën in dat besluit van 7 maart 2003 heeft aangenomen dat verzoeker niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 6 van verordening nr. 2580/2001, kan worden volstaan met vast te stellen dat verzoeker naar Nederlands recht de beschikking heeft over nationale rechtsmiddelen waarmee hij tegen dat besluit kan opkomen. Verzoeker heeft dat tijdens de hoorzitting duidelijk erkend. Bovendien heeft verzoeker blijkens de op 1 april 2003 ter griffie van het Gerecht neergelegde documenten op 25 maart 2003 bij de arrondissementsrechtbank te Utrecht een verzoek tot voorlopige voorzieningen ingediend, dat ertoe strekt dat het Ministerie van Financiën wordt bevolen tegoeden, andere financiële activa of andere economische middelen ter beschikking van verzoeker te stellen overeenkomstig artikel 6 van verordening nr. 2580/2001. Voorts heeft verzoeker bij brief van 20 maart 2003 tegen het besluit van het Ministerie van Financiën van 7 maart 2003 een bezwaarschrift ingediend.
38 Ook moet worden opgemerkt dat verzoeker geen bewijs heeft geleverd dat een besluit van het Nederlandse Ministerie van Financiën, waarbij het vrijgeven van verzoekers tegoeden overeenkomstig artikel 5 van verordening nr. 2580/2001 wordt toegestaan, niet volstaat om ervoor te zorgen dat in zijn basisbehoeften en in die van zijn gezin wordt voorzien totdat op de hoofdzaak is beslist. In dit verband volgt uit het door verzoeker aan het Gerecht overgelegde dossier niet, dat het Ministerie van Financiën heeft geweigerd een machtiging krachtens artikel 5 te verlenen, en, belangrijker nog, ook niet dat een eventueel verzoek om die machtiging te verkrijgen is ingediend. De op 1 april 2003 ter griffie van het Gerecht neergelegde documenten tonen in feite aan dat verzoeker enkel om een machtiging krachtens artikel 6 van verordening nr. 2580/2001 heeft verzocht.
39 In het licht van die omstandigheden heeft verzoeker blijkbaar niet duidelijk gemaakt, dat de mogelijkheid om een machtiging van de nationale instanties krachtens de artikelen 5 en 6 van verordening nr. 2580/2001 te verkrijgen en de nationale rechtsmiddelen die het Nederlandse recht hem biedt om zich tegen door de nationale instanties krachtens die bepalingen genomen besluiten te verzetten, het hem niet mogelijk zouden maken om ernstige en onherstelbare schade af te wenden (zie naar analogie beschikkingen president Hof van 6 februari 1986, Deufil/Commissie, 310/85 R, Jurispr. blz. 537, punt 22, en 15 juni 1987, België/Commissie, 142/87 R, Jurispr. blz. 2589, punt 26; beschikkingen president Gerecht van 6 december 1996, Stadt Mainz/Commissie, T-155/96 R, Jurispr. blz. II-1655, punt 25, en 3 december 2002, Neue Erba Lautex/Commissie, T-181/02 R, Jurispr. blz. II-5081, punt 109). De door verzoeker geleden materiële schade, gesteld dat zij komt vast te staan, vloeit dus niet rechtstreeks voort uit de vaststelling van het bestreden besluit.
40 De door verzoeker gestelde morele schade bestaat in een beweerdelijke aantasting van zijn reputatie en zijn menselijke waardigheid, waardoor hij naar zijn mening wordt gestigmatiseerd en hem moreel en emotioneel leed wordt berokkend, alsmede zijn persoonlijke veiligheid en lichamelijke integriteit worden bedreigd. Verzoeker stelt bovendien dat de aantasting van zijn reputatie zijn rol als voornaamste politieke adviseur van de NDFP in het kader van de vredesonderhandelingen met de Filipijnse regering ernstig in gevaar zou brengen.
41 Hoewel niet valt uit te sluiten dat de aangevoerde morele schade door de verlening van de gevorderde voorlopige maatregelen althans gedeeltelijk hersteld zou kunnen worden, moet toch worden vastgesteld, dat een dergelijke verlening in zoverre niet meer kan bewerken dan later een eventuele nietigverklaring van die verordening aan het einde van de procedure in de hoofdzaak zou doen (beschikking Aden e.a./Raad en Commissie, reeds aangehaald, punt 117, en de aldaar aangehaalde rechtspraak). Waar de procedure in kort geding niet tot doel heeft herstel van schade te verzekeren, maar de volle werking van het arrest ten gronde te waarborgen, moet met betrekking tot de morele schade worden geconcludeerd, dat aan de voorwaarde van spoedeisendheid niet is voldaan.
42 Bovendien heeft verzoeker met betrekking tot het beweerdelijke gevaar voor zijn persoonlijke veiligheid en lichamelijke integriteit niet aangetoond dat een dergelijk gevaar - zo het al werkelijk bestaat - noodzakelijkerwijs zou voortvloeien uit de vermelding van zijn naam in het bestreden besluit, en heeft hij ook niet aangetoond dat dit gevaar door de verwijdering van zijn naam uit dat besluit zou worden afgewend.
43 Bijgevolg is in casu aan de voorwaarde van spoedeisendheid niet voldaan.
44 Gelet op een en ander, moet worden vastgesteld, dat het onderhavige verzoek in kort geding moet worden afgewezen, zonder dat behoeft te worden onderzocht of aan de andere voorwaarden voor toekenning van de gevraagde maatregelen is voldaan.
Dictum
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
beschikt:
1) Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.
2) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Full & Egal Universal Law Academy