Zaak T‑108/03
Elisabeth von Pezold
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„EOGFL – Bosbouw – Beschikking houdende goedkeuring van programmeringsdocument voor plattelandsontwikkeling – Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke of rechtspersonen – Handelingen die hen individueel raken – Onbevoegdheid – Niet-ontvankelijkheid”
Beschikking van het Gerecht (Derde kamer) van 28 februari 2005
Samenvatting van de beschikking
1. Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke of rechtspersonen – Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken – Beschikking houdende goedkeuring van programmeringsdocument voor plattelandsontwikkeling – Bepaling die steun aan bosbouw beperkt – Beroep ingesteld door bosbouwer – Niet-ontvankelijkheid
(Art. 230, vierde alinea, EG)
2. Europese Gemeenschappen – Rechterlijk toezicht op wettigheid van handelingen van instellingen – Handelingen van algemene strekking – Noodzaak voor natuurlijke of rechtspersonen om via exceptie van onwettigheid of prejudiciële verwijzing geldigheid te laten beoordelen – Verplichting van lidstaten te voorzien in volledig stelsel van rechtsmiddelen om eerbiediging van recht op doeltreffende bescherming in rechte te kunnen garanderen
(Art. 230, vierde alinea, EG, 234 EG en 241EG)
3. Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke of rechtspersonen – Eventueel ontbreken van rechtsmiddelen – Geen gevolgen voor stelsel van rechtsmiddelen en voor voorwaarden voor ontvankelijkheid van beroep tot nietigverklaring – Uitlegging contra legem van voorwaarde inzake noodzaak individueel te worden geraakt – Ontoelaatbaarheid
(Art. 230, vierde alinea, EG)
1. De exploitant van een bosbouwbedrijf wordt niet individueel geraakt door een beschikking van de Commissie die op basis van het plattelandsontwikkelingsplan een door een lidstaat aan haar voorgelegd programmeringsdocument goedkeurt, en waarvan deze lidstaat de enige geadresseerde is. De bepaling die de steun aan de bosbouw beperkt, die is opgenomen in dit programmeringsdocument dat overeenkomstig artikel 44, lid 2, van verordening nr. 1257/1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie‑ en Garantiefonds voor de Landbouw door de Commissie is goedgekeurd, moet worden beschouwd als een maatregel van algemene strekking die van toepassing is op objectief bepaalde situaties en rechtsgevolgen sorteert jegens algemeen en abstract omschreven categorieën van personen. Het volstaat namelijk niet dat bepaalde marktdeelnemers door een handeling economisch sterker worden getroffen dan hun concurrenten om hen als door die handeling individueel geraakt te beschouwen. Het feit dat het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten waarop een maatregel van toepassing is, min of meer nauwkeurig kan worden bepaald, houdt geenszins in dat deze subjecten moeten worden geacht door die maatregel individueel te worden geraakt, wanneer vaststaat dat die toepassing voortvloeit uit een objectieve feitelijke of rechtssituatie die in de betrokken handeling wordt omschreven.
(cf. punten 36, 43, 45‑46, 49)
2. Het Verdrag in zijn artikelen 230 EG en 241 EG enerzijds en artikel 234 EG anderzijds heeft een volledig stelsel van rechtsmiddelen en procedures in het leven geroepen, waarbij aan de communautaire rechter het toezicht op de wettigheid van de handelingen van de instellingen is opgedragen. Volgens dit stelsel kunnen natuurlijke of rechtspersonen die wegens de ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 230, vierde alinea, EG geen rechtstreeks beroep kunnen instellen tegen gemeenschapshandelingen van algemene strekking, naar gelang van het geval de ongeldigheid van dergelijke handelingen inroepen, hetzij incidenteel voor de gemeenschapsrechter krachtens artikel 241 EG, hetzij voor de nationale rechter, die weliswaar niet bevoegd is zelf de ongeldigheid van genoemde handelingen vast te stellen, maar die ertoe kan worden gebracht daarover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof. De lidstaten moeten voorzien in een volledig stelsel van rechtsmiddelen en procedures dat de eerbiediging van het recht op effectieve bescherming in rechte kan verzekeren.
(cf. punten 51‑52)
3. Het recht op effectieve bescherming in rechte mag er niet toe leiden dat artikel 230 EG aldus wordt uitgelegd dat het beroep tot nietigverklaring ontvankelijk zou moeten worden verklaard wanneer na een concreet onderzoek door de gemeenschapsrechter van de nationale regels van procesrecht blijkt dat deze regels een particulier niet toestaan om een beroep in te stellen waarmee hij de geldigheid van de betwiste gemeenschapshandeling kan aanvechten. In een dergelijk stelsel zou de gemeenschapsrechter immers in elk concreet geval het nationale procesrecht moeten onderzoeken en uitleggen, hetgeen de grenzen van zijn bevoegdheid in het kader van het toezicht op de wettigheid van de gemeenschapshandelingen te buiten zou gaan. De door artikel 230, vierde alinea, EG gestelde voorwaarde van het individueel belang moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van het beginsel van effectieve bescherming in rechte, waarbij rekening moet worden gehouden met de uiteenlopende situaties die een verzoeker kunnen individualiseren, maar een dergelijke uitlegging mag deze voorwaarde, die uitdrukkelijk door het Verdrag wordt gesteld, niet tot een dode letter maken, omdat anders de grenzen van de door het Verdrag aan de communautaire rechter verleende bevoegdheden worden overschreden.
(cf. punten 52‑53)
BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Derde kamer)
28 februari 2005 (*)
„EOGFL – Bosbouw – Beschikking tot goedkeuring van programmeringsdocument voor plattelandsontwikkeling – Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke of rechtspersonen – Handelingen die hen individueel raken – Onbevoegdheid – Niet-ontvankelijkheid”
In zaak T‑108/03,
Elisabeth von Pezold, wonende te Pöls (Oostenrijk), vertegenwoordigd door R. von Pezold, advocaat,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Braun als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek om gedeeltelijke nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 14 juli 2000 houdende goedkeuring van het programmeringsdocument voor plattelandsontwikkeling voor de Republiek Oostenrijk 2000‑2006,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: M. Jaeger, kamerpresident, V. Tiili en O. Czúcz, rechters,
griffier: H. Jung,
de navolgende
Beschikking
Rechtskader
1 Op 17 mei 1999 heeft de Raad verordening (EG) nr. 1257/1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie‑ en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en intrekking van een aantal verordeningen (PB L 160, blz. 80) vastgesteld.
2 Hoofdstuk VIII van titel II van deze verordening preciseert de verschillende steunmaatregelen voor de bosbouw, alsook de voorwaarden voor toekenning daarvan.
3 Artikel 29, lid 1, van verordening nr. 1257/1999 bepaalt:
„De steun voor de bosbouw draagt bij tot de instandhouding en de ontwikkeling van de economische, ecologische en maatschappelijke functies van bossen in plattelandsgebieden.”
4 Volgens artikel 30, lid 1, tweede streepje, van deze verordening heeft inzonderheid „[d]e steun voor de bosbouw [...] betrekking op [...]: investeringen in bossen, in het bijzonder om de economische, ecologische of maatschappelijke waarde van die bossen te vergroten”.
5 Artikel 37, lid 1, van de verordening bepaalt:
„De steun voor plattelandsontwikkeling wordt uitsluitend toegekend voor maatregelen die in overeenstemming zijn met het gemeenschapsrecht.”
6 Artikel 37, lid 4, van verordening nr. 1257/1999 bepaalt:
„De lidstaten kunnen verdere of restrictievere voorwaarden voor de toekenning van communautaire steun voor plattelandsontwikkeling vaststellen, mits die voorwaarden coherent zijn met de in deze verordening vastgestelde doelstellingen en eisen.”
7 Artikel 39, lid 2, van deze verordening luidt:
„De door de lidstaten ingediende plannen voor plattelandsontwikkeling houden een beoordeling in van de verenigbaarheid en coherentie van de voorgenomen steunmaatregelen voor plattelandsontwikkeling en een opgave van de met het oog op die verenigbaarheid en coherentie getroffen maatregelen.”
8 Voorts bepaalt artikel 41, lid 1, van verordening nr. 1257/1999:
„De plannen voor plattelandsontwikkeling worden opgesteld op het geografische niveau dat het meest geschikt wordt geacht. Zij worden uitgewerkt door de bevoegde autoriteiten die door de lidstaat zijn aangewezen, en worden door de lidstaat bij de Commissie ingediend na raadpleging van de bevoegde autoriteiten en organisaties op het passende territoriale niveau.”
9 Ten slotte luidt artikel 44, lid 2:
„De Commissie beoordeelt de voorgestelde plannen om uit te maken of zij stroken met deze verordening. Op basis van de plannen keurt de Commissie binnen zes maanden na de indiening ervan volgens de procedure van artikel 50, lid 2, van verordening (EG) nr. 1260/1999 [van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen (PB L 161, blz. 1)] programmeringsdocumenten voor plattelandsontwikkeling goed.”
Aan het geding ten grondslag liggende feiten
10 Overeenkomstig verordening nr. 1257/1999 hebben de bevoegde Oostenrijkse autoriteiten bij de Commissie op 1 september 1999 het Österreichische Programm für die Entwicklung des ländlichen Raumes (Oostenrijks programma voor plattelandsontwikkeling; hierna: „plattelandsontwikkelingsplan”) ingediend; het beschreef met name de voor de uitvoering van het plan voorgenomen maatregelen en bevatte een volledig financieringsplan met opgave van de nationale en communautaire steunmaatregelen voor elke post van het plan en voor elke maatregel binnen de geplande posten. Na onderhandelingen met de Commissie werd bij deze op 23 juni 2000 de definitieve versie van het plan ingediend.
11 Het plan voorzag met name in punt 9. 10. 2. 1. 3, vierde streepje, in een financiële steun voor „geïntegreerde beplantings‑, beschermings‑ of onderhoudsmaatregelen”, die krachtens punt 9. 10. 2. 1. 5 werd toegekend voor een oppervlakte van maximum 20 hectare per jaar en per maatregel.
12 Op 14 juli 2000 heeft de Commissie op basis van het plattelandsontwikkelingsplan beschikking C (2002) 1973 def. vastgesteld tot goedkeuring van het programmeringsdocument voor plattelandsontwikkeling voor de Republiek Oostenrijk 2000‑2006 (niet gepubliceerd; hierna: „bestreden beschikking”), dat bij haar overeenkomstig artikel 44, lid 2, van verordening nr. 1257/1999 was ingediend.
13 Op basis van het plattelandsontwikkelingsplan hebben de Oostenrijkse autoriteiten verschillende bijzondere richtlijnen vastgesteld, waaronder de Sonderrichtlinie für die Umsetzung der „Sonstigen Maßnahmen” des Österreichischen Programms für die Entwicklung des ländlichen Raums (bijzondere richtlijn voor de uitvoering van de „andere maatregelen” van het Oostenrijkse plattelandsontwikkelingsprogramma; hierna: „bijzondere richtlijn”) die op 27 juli 2000 in werking is getreden. Punt 6. 2. 1. 4. 1 van de bijzondere richtlijn vermeldde, evenals punt 9. 10. 2. 1. 5 van het plattelandsontwikkelingsplan, dat een financiële steun voor „geïntegreerde beplantings‑, beschermings‑ of onderhoudsmaatregelen” slechts voor een oppervlakte tot maximum 20 hectare per jaar en per maatregel kon worden toegekend (hierna: „litigieuze bepaling”).
14 Op 27 april en 31 augustus 2000 heeft verzoekster, de eigenares van een bosbouwbedrijf met ongeveer 3 500 hectare bos, op basis van de bijzondere richtlijn twee steunaanvragen bij de kamer voor land‑ en bosbouw Steiermark ingediend voor de financiering van werkzaamheden van onderhoud van dicht struikgewas voor 20 respectievelijk 5 hectare.
15 Bij twee brieven van 18 oktober 2000 heeft Agrarmarkt Austria Marketing GmbH (hierna: „Agrarmarkt”), die namens en voor rekening van het Bondsministerie van land‑ en bosbouw handelde, verzoekster meegedeeld dat de betrokken steunaanvragen door de dienst bosbouw van de kamer voor landbouw van de deelstaat Steiermark na controle van de toekenningsvoorwaarden voor bedragen van 79 999,91 Oostenrijkse schilling (ATS) (5 813,82 EUR) respectievelijk 19 999,91 ATS (1 453,40 EUR) gunstig waren beoordeeld.
16 Bij brief van 18 januari 2001 heeft Agrarmarkt verzoekster erop gewezen dat de dienst bosbouw van de kamer voor landbouw van de deelstaat Steiermark haar verzocht om terugbetaling van het met de tweede financiële steun overeenkomende bedrag van 1 453,45 EUR op grond dat die steun verzoekster ten onrechte was toegekend, daar de door de litigieuze bepaling vastgestelde grens was overschreden. Agrarmarkt preciseerde bovendien dat aangezien een bedrag van 425,12 EUR reeds in mindering was gebracht op een betaling aan verzoekster op 20 december 2000 voor een project van aanleg van een bosweg, laatstgenoemde werd verzocht het restant van 1 028,33 EUR terug te betalen.
17 Op 19 november 2001 heeft verzoekster bij het Bezirksgericht Wien Innere Stadt beroep ingesteld tegen de beschikking van de Oostenrijkse autoriteiten waarbij de terugbetaling van het tweede steunbedrag werd gevorderd. Tot ondersteuning van haar beroep heeft zij met name gesteld dat de litigieuze bepaling in strijd was met verordening nr. 1257/1999 en met het communautair mededingingsrecht. In de loop van de procedure hebben de Oostenrijkse autoriteiten gesteld dat de litigieuze bepaling integrerend deel uitmaakte van het plattelandsontwikkelingsplan, die was besproken en aan een gedetailleerd onderzoek onderworpen, zodat zij door de bestreden beschikking goedgekeurd moest worden geacht.
18 In deze omstandigheden heeft verzoekster bij op 24 maart 2003 ter griffie van het Gerecht ingekomen verzoekschrift het onderhavige beroep ingesteld.
Conclusies van partijen
19 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
– de bestreden beschikking nietig te verklaren voorzover de litigieuze bepaling daarbij is goedgekeurd;
– subsidiair, vast te stellen dat de litigieuze bepaling door de genoemde beschikking niet is goedgekeurd;
– de Commissie in de kosten te verwijzen.
20 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
– het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
– subsidiair, het beroep ongegrond te verklaren;
– verzoekster in de kosten te verwijzen.
In rechte
21 Volgens artikel 113 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht kan het Gerecht met inachtneming van het bepaalde in artikel 114, leden 3 en 4, van dat Reglement in iedere stand van het geding ambtshalve middelen van niet-ontvankelijkheid die van openbare orde zijn, in behandeling nemen .
22 In casu acht het Gerecht zich voldoende ingelicht door de stukken van het dossier om uitspraak te doen zonder tot de mondelinge behandeling over te gaan.
Argumenten van partijen
23 Zonder formeel een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen, betwist de Commissie in het verweerschrift en in de dupliek de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring op grond dat verzoekster door de bestreden beschikking niet rechtstreeks en individueel wordt geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG.
24 Wat de eerste van deze voorwaarden betreft, herinnert de Commissie er om te beginnen aan dat in het geval van een aan een lidstaat gerichte beschikking een particulier volgens de rechtspraak van het Hof slechts rechtstreeks wordt geraakt wanneer de bestreden communautaire maatregel rechtstreeks gevolgen heeft voor zijn rechtspositie en aan degenen tot wie hij is gericht en die met de uitvoering ervan zijn belast, geen beoordelingsbevoegdheid laat, omdat de uitvoering zuiver automatisch en alleen op grond van de communautaire regeling gebeurt, zonder dat daarvoor nadere regels moeten worden gesteld. Zij voegt eraan toe dat hetzelfde geldt wanneer de mogelijkheid dat degenen tot wie de maatregel is gericht, geen gevolg zullen geven aan de communautaire handeling, louter theoretisch is en het buiten twijfel staat, dat zij vastbesloten zijn daaraan rechtsgevolgen te verbinden (arresten Hof van 5 mei 1998, Dreyfus/Commissie, C‑386/96 P, Jurispr. blz. I‑2309, punten 43 en 44, en Glencore Grain/Commissie, C‑404/96 P, Jurispr. blz. . I‑2435, punten 43 en 44).
25 Uit de bestreden beschikking blijkt dat zij aan de Republiek Oostenrijk was gericht, zodat verzoekster niet als geadresseerde ervan kan worden beschouwd. Volgens de Commissie is in casu niet voldaan aan voormelde voorwaarden. Zij beklemtoont dat de bestreden beschikking alleen de rechtmatigheid van de inhoud van het bij haar ingediende programmeringsdocument ten aanzien van verordening nr. 1257/1999 vaststelt. Deze vaststelling sorteert geen enkel rechtstreeks gevolg voor degene die vervolgens om steun verzoekt, gelet op de beoordelingsvrijheid waarover de lidstaat bij de uitvoering van het programma beschikt en op het feit dat de Commissie geen enkele rechtsbetrekking met deze aanvrager onderhoudt. De litigieuze bepaling stond namelijk weliswaar in punt 9. 10. 2. 1. 5 van het door de Commissie goedgekeurde plattelandsontwikkelingsplan, maar er zijn twee nationale maatregelen, namelijk de bijzondere richtlijn en het besluit van Agrarmarkt tot steunverlening, genomen voordat de betrokken goedkeuring gevolgen jegens verzoekster sorteerde.
26 De Commissie wijst er ook op dat het Hof heeft verklaard dat de goedkeuring door de Commissie van een nationaal steunprogramma niet tot gevolg had dat dit de hoedanigheid van een gemeenschapsrechtelijke handeling krijgt. Onder die omstandigheden staat het in geval van onverenigbaarheid van een steunovereenkomst met het door de Commissie goedgekeurde programma aan de nationale rechterlijke instanties hieruit naar nationaal recht de nodige gevolgen te trekken, waarbij bij de toepassing van het nationale recht rekening wordt gehouden met de relevante bepalingen van het gemeenschapsrecht (arrest Hof van 19 september 2002, Huber, C‑336/00, Jurispr. blz. I‑ 7699, punt 40). Dit geldt ook wanneer zoals in casu de steunovereenkomst verenigbaar is met het goedgekeurde programma. In casu zou verzoekster de zaak aanhangig moeten maken voor de bevoegde nationale rechter en voor laatstgenoemde de geldigheid van de litigieuze bepaling tegen de achtergrond van het nationale en het gemeenschapsrecht moeten betwisten.
27 Wat vervolgens de voorwaarde van verzoeksters individuele geraaktheid betreft, herinnert de Commissie eraan dat derden volgens de rechtspraak door een tot een andere persoon gerichte beschikking slechts individueel kunnen worden geraakt, indien deze beschikking hen betreft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie, welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortelijke wijze als de adressaat (arrest Hof van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, Jurispr. blz. 205, en beschikking Gerecht van 21 februari 1995, Associazione agricoltori della provincia di Rovogo e.a./Commissie, T‑117/94, Jurispr. blz. II‑455, punt 21). De bestreden beschikking keurt evenwel maatregelen, waaronder de litigieuze bepaling, goed die van algemene strekking zijn, van toepassing zijn op objectief bepaalde situaties en rechtsgevolgen sorteren ten opzichte van een algemeen en abstract omschreven categorie van personen.
28 In het bijzonder met betrekking tot de litigieuze bepaling wijst de Commissie erop dat zij zonder onderscheid van toepassing is op alle Oostenrijkse boseigenaren zonder dat een groep onder hen op enige wijze wordt gediscrimineerd. Verzoekster wordt door de bestreden beschikking dus slechts geraakt met betrekking tot een situatie die zij met alle andere boseigenaren deelt. Alleen de omstandigheid dat verzoekster boseigendom van grote omvang exploiteert, zodat het verschil tussen de oppervlakte van het eigendom en de oppervlakte waarvoor maximaal steun kan worden aangevraagd, groter is dan voor kleinere bedrijven, kan verzoekster niet individualiseren ten opzichte van elke andere boseigenaar.
29 Verzoekster acht het onderhavige beroep ontvankelijk. Wat in de eerste plaats de beroepstermijn betreft, stelt zij dat zij pas op 15 januari 2003 naar aanleiding van het betoog van de Oostenrijkse autoriteiten in de procedure voor het Bezirksgericht Wien Innere Stadt kennis kreeg van de bestreden beschikking. Het op 24 maart 2003 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschrift is dus binnen de termijn ingediend.
30 In de tweede plaats acht verzoekster zich door de bestreden beschikking rechtstreeks geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG, omdat daarbij, aldus de Oostenrijkse autoriteiten, de litigieuze bepaling in overeenstemming met het gemeenschapsrecht is verklaard, zodat zij jegens haar rechtstreeks in werking is getreden.
31 Dat de Republiek Oostenrijk in theorie had kunnen afzien van de uitvoering van de litigieuze bepaling na de goedkeuring door de Commissie, is in dit opzicht irrelevant. Volgens verzoekster kan de rechtstreekse werking van een beschikking tot goedkeuring van een nationale regeling niet van de willekeur van de nationale autoriteiten na het geven van deze beschikking afhangen, daar deze autoriteiten zelf de betrokken regeling hebben vastgesteld en de Commissie zelf om goedkeuring hebben verzocht. Volgens verzoekster stond het voornemen van de Republiek Oostenrijk om de goedgekeurde regeling ten uitvoer te leggen buiten alle twijfel, zodat de Republiek Oostenrijk slechts zuiver in theorie van de uitvoering van de litigieuze bepaling had kunnen afzien, in de zin van de door de Commissie aangehaalde rechtspraak (arresten Dreyfus/Commissie, punt 24 supra, punt 44, en Glencore Grain/Commissie, punt 24 supra, punt 44).
32 Bovendien wijst verzoekster erop dat de bestreden beschikking de Oostenrijkse autoriteiten geen beoordelingsvrijheid liet voor de toepassing van de bijzondere richtlijn, waarvoor geen verdere omzettingsmaatregel noodzakelijk was. Dergelijke maatregelen zijn overigens niet denkbaar, omdat naar Oostenrijks recht de steun krachtens de bijzondere richtlijn in het kader van privaatrechtelijk beheer wordt toegekend.
33 Dat heeft tot gevolg dat de op dit gebied vastgestelde besluiten tot steunverlening buiten de controle van het Verfassungsgerichtshof en het Verwaltungsgerichtshof vallen. Indien het onderhavige beroep niet-ontvankelijk was, zou verzoekster dus het door het Hof erkende fundamentele recht op effectieve rechtsbescherming worden ontzegd. Dienaangaande preciseert verzoekster ten slotte dat zij reeds in haar op 19 november 2001 bij het Bezirksgericht Wien Innere Stadt ingediende inleidende verzoekschrift had verzocht het Hof ter prejudiciële beslissing de vraag voor te leggen of een nationale bepaling waarbij de steun tot een bepaalde oppervlakte per jaar wordt begrensd, verenigbaar is met het gemeenschapsrecht. Het Bezirksgericht Wien Innere Stadt heeft geen prejudiciële vraag willen stellen. Derhalve heeft verzoekster om verval van haar rechtsvordering te voorkomen het onderhavige beroep tegen de bestreden beschikking moeten instellen. Dienaangaande is het argument van de Commissie dat de nationale rechters de verenigbaarheid van de nationale regeling met het gemeenschapsrecht moeten toetsen, irrelevant, daar deze rechters niet bevoegd zijn om zich uit te spreken over een schending van het gemeenschapsrecht door de Commissie.
34 In de derde en laatste plaats acht verzoekster zich door de bestreden beschikking individueel geraakt. Zij stelt dat haar bosbouwbedrijf na een recente herbebossing van 500 hectare, die met ongeveer 4 miljoen EUR eigen middelen werd gefinancierd, 1 250 hectare te onderhouden jonge bomen (dus meer dan een derde van de totale bosoppervlakte van het bedrijf) heeft. Bovendien was deze herbebossing noodzakelijk als gevolg van een intensieve bosexploitatie en schade door vervuiling door een genationaliseerde lokale thermische centrale op bruinkool en een genationaliseerde lokale cellulosefabriek alsook met het oog op bescherming tegen lawines en verbetering van de waterhuishouding. Zij kan het onderhoud slechts voor 120 hectare per jaar verrichten. Wegens deze ongewone omstandigheden wordt verzoekster door de bestreden beschikking individueel geraakt.
35 Verzoekster geeft toe dat de bestreden beschikking niet specifiek haar betrof. De Commissie had evenwel rekening moeten houden met het aan de Oostenrijkse autoriteiten bekende feit dat de litigieuze bepaling juist de paar bosbouwbedrijven zou treffen die in het algemeen belang aanzienlijke lasten dragen doordat zij op grote hoogte bossen onderhouden die zware rookschade ondervinden. Per jaar behoeft namelijk slechts ongeveer 5 % van het Oostenrijkse bosareaal onderhoud, zodat de litigieuze bepaling slechts een kleine groep bedrijven met een oppervlakte van meer dan 400 hectare treft.
Beoordeling door het Gerecht
De eerste conclusie, strekkende tot nietigverklaring van de bestreden beschikking
36 Vooraf dient te worden vastgesteld dat het onderhavige beroep formeel de nietigverklaring van de bestreden beschikking tot voorwerp heeft voorzover zij punt 6. 2. 1. 4. 1 van de bijzondere richtlijn goedkeurt. Evenwel dient te worden opgemerkt dat de bestreden beschikking overeenkomstig artikel 44, lid 2, van verordening nr. 1257/1999 op basis van het plattelandsontwikkelingsplan het aan de Commissie voorgelegde programmeringsdocument goedkeurt, zodat zij formeel niet kan worden beschouwd als goedkeuring van punt 6. 2. 1. 4. 1 van de bijzondere richtlijn die dit plan op nationaal niveau uitvoert. Aangezien partijen niet betwisten dat deze laatste bepaling in wezen overeenkomt met punt 9. 10. 2. 1. 5 van het plattelandsontwikkelingsplan, dient het onderhavige beroep te worden opgevat als in feite strekkende tot nietigverklaring van de bestreden beschikking, voorzover zij punt 9. 10. 2. 1. 5 van het plattelandsontwikkelingsplan goedkeurt.
37 Dienaangaande moet bovendien worden beklemtoond dat artikel 44, lid 2, van verordening nr. 1257/1999 bepaalt:
„De Commissie beoordeelt de voorgestelde plannen om uit te maken of zij stroken met deze verordening. Op basis van de plannen keurt de Commissie binnen zes maanden na de indiening ervan [...] programmeringsdocumenten voor plattelandsontwikkeling goed.”
38 Uit artikel 1 van de bestreden beschikking blijkt overigens dat de Commissie het door de Republiek Oostenrijk ingediende programmeringsdocument heeft goedgekeurd op basis van het ontwikkelingsplan waarvan de definitieve versie op 23 juni 2000 door de Republiek Oostenrijk bij de Commissie is ingediend.
39 Voor de goedkeuringsbeschikking omvat het onderzoek van de programmeringsdocumenten door de Commissie dus noodzakelijkerwijs de inhoud van het plattelandsontwikkelingsplan op basis waarvan deze documenten zijn opgesteld (zie in deze zin arrest Huber, punt 26 supra, punt 39).
40 Bovendien erkent de Commissie, op dit punt onweersproken door verzoekster, dat het plattelandsontwikkelingsplan in punt 9. 10. 2. 1. 5 de steun voor de bosbouw voor „geïntegreerde beplantings‑, beschermings‑ of onderhoudsmaatregelen” beperkt tot een oppervlakte van 20 hectare per jaar en per maatregel. De bestreden beschikking moet dus worden geacht mede de goedkeuring van deze bepaling door de Commissie te bevatten.
41 Wat de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep tot nietigverklaring betreft, gesteld al dat dit tijdig is ingesteld en verzoekster een procesbelang heeft bij een beroep tegen de bestreden beschikking, herinnert het Gerecht eraan dat volgens artikel 230, vierde alinea, EG iedere natuurlijke of rechtspersoon beroep kan instellen tegen de tot hem gerichte beschikkingen, alsmede tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raken.
42 In casu staat vast dat de bestreden beschikking alleen tot de Republiek Oostenrijk was gericht. In deze omstandigheden dient eraan te worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak derden door een tot een andere persoon gerichte beschikking slechts individueel kunnen worden geraakt indien deze beschikking hen treft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als een adressaat (arrest Plaumann/Commissie, punt 27 supra, blz. 232, en beschikking Hof van 12 december 2003, Bactria/Commissie, C‑258/02 P, Jurispr. blz. I‑15105, punt 34).
43 In casu stelt het Gerecht evenwel vast dat de bestreden beschikking betrekking heeft op de toekenning van en de vaststelling van de voorwaarden voor de financiële steun van het EOGFL voor het plattelandsontwikkelingsplan van de Republiek Oostenrijk voor de periode 2000‑2006, waarin voormelde bepaling was opgenomen. Deze door de bestreden beschikking goedgekeurde bepaling moet dus worden beschouwd als een maatregel van algemene strekking die van toepassing is op objectief bepaalde situaties en rechtsgevolgen sorteert jegens algemeen en abstract omschreven categorieën van personen.
44 Bijgevolg treft de bestreden beschikking verzoekster enkel in haar objectieve hoedanigheid van bosbouwster die in Oostenrijk werkzaam is, juist als iedere andere marktdeelnemer die zich in een gelijke situatie bevindt (zie naar analogie beschikking Associazione agricoltori della provincia di Rovigo e.a./Commissie, punt 27 supra, punten 24 en 25).
45 Wat verzoeksters argument betreft dat de betrokken maatregel haar benadeelt gelet op haar hoedanigheid van exploitant van een groot bosbouwbedrijf, dient, gesteld dat dit zo is, eraan te worden herinnerd dat niet volstaat dat bepaalde marktdeelnemers door een handeling economisch sterker worden getroffen dan hun concurrenten, om hen als door die handeling individueel geraakt te beschouwen (beschikking Gerecht van 15 september 1999, Van Parys e.a./Commissie, T‑11/99, Jurispr. blz. II‑2653, punten 50 en 51). Ook al moet worden erkend dat de bestreden beperking tot gevolg kan hebben dat verzoekster verhoudingsgewijs minder steun zou ontvangen dan de exploitanten van kleinere bosbouwbedrijven, dan nog zou er voor de andere exploitanten van bosbouwbedrijven van vergelijkbare omvang als dat van verzoekster een soortgelijk gevolg uit voortvloeien (zie naar analogie beschikking Gerecht van 2 april 2004, Gonnelli en AIFO/Commissie, T‑231/02, Jurispr. blz. II‑1051, punt 45).
46 Ook moet eveneens worden erkend dat, zoals verzoekster stelt, slechts een kleine groep bosbouwbedrijven met een oppervlakte van meer dan 400 hectare bepaalde onderhoudswerkzaamheden onder meer wegens rookschade moet uitvoeren, bovendien dient eraan te worden herinnerd dat het feit dat het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten waarop een maatregel van toepassing is, min of meer nauwkeurig bepaalbaar is, geenszins inhoudt dat deze subjecten moeten worden geacht door die maatregel individueel te worden geraakt, wanneer vaststaat dat, zoals in casu, die toepassing voortvloeit uit een objectieve feitelijke of rechtssituatie die in de betrokken handeling wordt omschreven (arrest Hof van 22 november 2001, Antillean Rice Mills/Raad, C‑451/98, Jurispr. blz. I‑8949, punt 52).
47 Ten slotte kan verzoeksters argument niet worden aanvaard dat zij door de bestreden beschikking individueel wordt geraakt aangezien de Commissie ermee rekening had moeten houden dat de betrokken bepaling juist de paar bosbouwbedrijven zou treffen die in het algemeen belang aanzienlijke lasten dragen doordat zij op grote hoogte grote bossen onderhouden die zware rookschade ondervinden.
48 Het Gerecht merkt namelijk op dat ofschoon volgens vaste rechtspraak de omstandigheid dat de Commissie op grond van specifieke bepalingen verplicht is rekening te houden met de gevolgen van de door haar voorgenomen handeling voor de situatie van bepaalde particulieren, laatstgenoemde kan individualiseren (zie in die zin arrest Hof van 26 juni 1990, Sofrimport/Commissie, C‑152/88, Jurispr. blz. I‑2477, punt 11), in casu de gemeenschapsregeling, in het bijzonder verordening nr. 1257/1999, geen enkele bepaling bevat die de Commissie verplicht, op het moment waarop zij een goedkeuringsbeschikking vaststelt, rekening te houden met de gevolgen van deze beschikking voor de rechtspositie van particulieren als verzoekster (zie naar analogie arrest Gerecht van 13 december 1995, Exporteurs in Levende Varkens e.a./Commissie, T‑481/93 en T‑484/93, Jurispr. blz. II-2941, punt 62).
49 Uit het voorgaande volgt dat verzoekster zich niet in een feitelijke situatie bevindt die haar ten opzichte van iedere andere marktdeelnemer karakteriseert, en dus niet individueel door de bestreden beschikking wordt geraakt.
50 Ten slotte stelt verzoekster dat de niet-ontvankelijkheid van het onderhavige beroep haar fundamentele recht op effectieve rechtsbescherming zou schenden.
51 Dienaangaande merkt het Gerecht op dat, zoals Hof in zijn arrest van 25 juli 2002, Unión de Pequeños Agricultores/Raad (C‑50/00 P, Jurispr. blz. I‑6677, punt 40) heeft verklaard, het EG-Verdrag in zijn artikelen 230 en 241 enerzijds en artikel 234 anderzijds een volledig stelsel van rechtsmiddelen en procedures in het leven heeft geroepen, waarbij aan de communautaire rechter het toezicht op de wettigheid van de handelingen van de instellingen is opgedragen (zie ook arrest Hof van 23 april 1986, Les Verts/Parlement, 294/83, Jurispr. blz. 1339, punt 23). Volgens dit stelsel kunnen natuurlijke of rechtspersonen die wegens de ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 230, vierde alinea, EG geen rechtstreeks beroep kunnen instellen tegen gemeenschapshandelingen van algemene strekking, naar gelang van het geval de ongeldigheid van dergelijke handelingen inroepen, hetzij incidenteel voor de gemeenschapsrechter krachtens artikel 241 EG, hetzij voor de nationale rechter, die weliswaar niet bevoegd is zelf de ongeldigheid van genoemde handelingen vast te stellen (arrest Hof van 22 oktober 1987, Foto-Frost, 314/85, Jurispr. blz. 4199, punt 20), maar die ertoe kan worden gebracht daarover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof.
52 Naast het feit dat de lidstaten in een volledig stelsel van rechtsmiddelen en procedures moeten voorzien dat de eerbiediging van het recht op effectieve rechtsbescherming kan verzekeren, heeft het Hof ook geoordeeld dat artikel 230 EG niet aldus mag worden uitgelegd dat het beroep tot nietigverklaring ontvankelijk zou moeten worden verklaard, wanneer na een concreet onderzoek door de gemeenschapsrechter van de nationale regels van procesrecht blijkt dat deze regels een particulier niet toestaan om een beroep in te stellen waarmee hij de geldigheid van de betwiste gemeenschapshandeling kan aanvechten. Een rechtstreeks beroep tot nietigverklaring bij de gemeenschapsrechter staat niet open, ook al zou na een concreet onderzoek van de nationale regels van procesrecht door deze rechter blijken dat deze regels de particulier niet toestaan om een beroep in te stellen waarmee hij de geldigheid van de betwiste gemeenschapshandeling kan aanvechten (beschikking Bactria/Commissie, punt 42 supra, punt 58). In een dergelijk stelsel zou de gemeenschapsrechter immers in elk concreet geval het nationale procesrecht moeten onderzoeken en uitleggen, hetgeen de grenzen van zijn bevoegdheid in het kader van het toezicht op de wettigheid van de gemeenschapshandelingen te buiten zou gaan (arrest Unión de Pequeños Agricultores/Raad, punt 51 supra, punt 43).
53 Ten slotte heeft het Hof hoe dan ook duidelijk verklaard (arrest Unión de Pequeños Agricultores/Raad, punt 51 supra, punt 44) dat de door artikel 230, vierde alinea, EG gestelde voorwaarde van het individueel belang, gelet op de uiteenlopende situaties die een verzoeker kunnen individualiseren, weliswaar moet worden uitgelegd in het licht van het beginsel van effectieve rechtsbescherming, maar een dergelijke uitlegging deze voorwaarde, die uitdrukkelijk door het Verdrag wordt gesteld, niet tot een dode letter mag maken, omdat anders de grenzen van de door het Verdrag aan de communautaire rechter verleende bevoegdheden zouden worden overschreden.
54 Het Gerecht kan dus verzoeksters argument niet aanvaarden dat zij bij niet-ontvankelijkverklaring van haar beroep tot nietigverklaring geen enkel middel zou hebben om haar rechten in rechte te verdedigen, voor welke bewering zij overigens geen bewijs heeft geleverd.
55 Bijgevolg doet de eis van effectieve rechtsbescherming niet af aan de conclusie dat verzoekster door de bestreden beschikking niet individueel wordt geraakt. Derhalve moet het onderhavige beroep tot nietigverklaring worden verworpen, zonder dat hoeft te worden nagegaan of verzoekster rechtstreeks wordt geraakt door de bestreden beschikking en of zij haar beroep tijdig heeft ingesteld.
De tweede conclusie, strekkende tot vaststelling dat de litigieuze bepaling door de bestreden beschikking niet is goedgekeurd
56 Met haar tweede conclusie verzoekt verzoekster het Gerecht subsidiair vast te stellen dat de litigieuze bepaling door de bestreden beschikking niet is goedgekeurd.
57 Het communautaire stelsel van geschillenbeslechting kent evenwel geen andere rechtsgang dan die voorzien in artikel 234 EG waarin de rechter uitspraak kan doen over de uitlegging van een handeling van een gemeenschapsinstelling.
58 Deze conclusie moet dus worden verworpen, aangezien het Gerecht kennelijk onbevoegd is om er kennis van te nemen.
Kosten
59 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) Verzoekster wordt verwezen in de kosten.
Luxemburg, 28 februari 2005.
De griffier
De president van de Derde kamer
H. Jung
M. Jaeger
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy