Zaak T‑196/03
European Federation for Cosmetic Ingredients (EFfCI)
tegen
Europees Parlement en Raad van de Europese Unie
„Kennelijke niet-ontvankelijkheid – Begrip verzoeker die individueel is geraakt – EESV – Lopende overeenkomsten – Intellectuele-eigendomsrechten”
Beschikking van het Gerecht (Derde kamer) van 10 december 2004
Samenvatting van de beschikking
1. Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke of rechtspersonen – Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken – Normatieve handeling – Richtlijn
(Art. 230, vierde alinea, EG en 249 EG)
2. Beroep tot nietigverklaring – Beroep ingesteld door Europees economisch samenwerkingsverband – Ontvankelijkheid – Voorwaarden
(Art. 230, vierde alinea, EG; verordening nr. 2137/85 van de Raad)
3. Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke of rechtspersonen – Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken – Richtlijn betreffende onderlinge aanpassing van wetgevingen van lidstaten inzake cosmetische producten – Beroep ingesteld door Europees economisch samenwerkingsverband van verenigingen van ondernemingen die chemische producten vervaardigen – Niet-ontvankelijkheid
(Art. 230, vierde alinea, EG; richtlijn 2003/15 van het Europees Parlement en de Raad)
4. Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke of rechtspersonen – Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken – Richtlijn betreffende onderlinge aanpassing van wetgevingen van lidstaten inzake cosmetische producten – Handeling die bepaalde marktdeelnemers rechtstreeks en/of individueel kan raken wegens vóór inwerkingtreding ervan gesloten overeenkomsten – Voorwaarden
(Art. 230, vierde alinea, EG; richtlijn 2003/15 van het Europees Parlement en de Raad)
5. Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke of rechtspersonen – Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken – Beroep ingesteld door vereniging van ondernemingen die heeft deelgenomen aan procedure tot vaststelling van handeling – Ontvankelijkheid – Voorwaarden
(Art. 230, vierde alinea, EG)
6. Europese Gemeenschappen – Rechterlijk toezicht op wettigheid van handelingen van instellingen – Handelingen van algemene strekking – Verplichting van nationale rechter om nationale procedurevoorschriften aldus toe te passen dat wettigheid van gemeenschapshandelingen van algemene strekking kan worden betwist – Inleiding van beroep tot nietigverklaring voor gemeenschapsrechter indien nationale procedurevoorschriften onoverkomelijke hindernis vormen – Uitgesloten
(Art. 230, vierde alinea, EG)
1. Hoewel artikel 230, vierde alinea, EG niet uitdrukkelijk spreekt over de ontvankelijkheid van door particulieren ingestelde beroepen tot nietigverklaring van een richtlijn, volstaat dat op zich niet om dergelijke beroepen niet-ontvankelijk te verklaren. Bovendien kunnen de gemeenschapsinstellingen de door die verdragsbepaling aan particulieren geboden rechtsbescherming niet eenvoudig door de keuze van de vorm van de handeling uitsluiten. Dat de bestreden handeling naar de aard ervan een algemene strekking heeft, en geen beschikking in de zin van artikel 249 EG is, sluit op zich dus nog niet uit dat een particulier daartegen beroep tot nietigverklaring kan instellen.
(cf. punten 34, 37)
2. De ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring ingesteld door een vereniging die is opgericht om de gezamenlijke belangen van een groep justitiabelen te behartigen, hangt ervan af – wanneer zij geen eigen belang heeft bij het instellen van dit beroep – of de leden van deze vereniging dit beroep individueel hadden kunnen instellen. Deze regel moet ook gelden voor een Europees economisch samenwerkingsverband (EESV), dat in de zin van artikel 3 van verordening nr. 2137/85 tot instelling van EESV’s alleen tot doel heeft de economische werkzaamheid van zijn leden te vergemakkelijken of te ontwikkelen, zodat deze aldus hun eigen resultaten kunnen verbeteren; het heeft voor hen dus alleen een ondersteunende functie.
(cf. punt 43)
3. Het beroep tot nietigverklaring ingesteld door een Europees economisch samenwerkingsverband van twee verenigingen van ondernemingen die chemische producten vervaardigen, tegen richtlijn 2003/15 tot wijziging van richtlijn 76/768 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten, is niet-ontvankelijk.
De desastreuze gevolgen die de bij deze richtlijn ingevoerde verboden en de daarin gegeven toestemming om op etiketten te vermelden dat geen dierproeven zijn verricht, zullen hebben voor de concurrentiepositie van de ondernemingen die worden vertegenwoordigd door de betrokken verenigingen, karakteriseren hen namelijk niet ten opzichte van andere ondernemingen die niet aan de cosmeticasector leveren, of die zich tot deze markt beperken maar hun ingrediënten niet op dieren testen of geen stoffen gebruiken die als kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting zijn ingedeeld. Dienaangaande volstaat de omstandigheid dat bepaalde marktdeelnemers door een handeling van algemene strekking economisch sterker worden getroffen dan hun concurrenten, namelijk niet om aan te nemen dat zij door die handeling individueel worden geraakt.
Bovendien brengt de omstandigheid dat dezelfde ondernemingen in bepaalde landen de belangrijkste van de sector zijn, niet mee dat zij dienen te worden beschouwd als behorend tot een kring van marktdeelnemers die aan de hand van de kenmerken van de betrokken producten of van de door hen ontplooide economische activiteiten individualiseerbaar en identificeerbaar zijn, daar een handelsactiviteit in beginsel kan worden uitgeoefend door iedere willekeurige onderneming, die zich feitelijk of potentieel in dezelfde situatie als die van die marktdeelnemers kan bevinden.
Evenmin kan het bestaan van rechtsbescherming voor de knowhow, zoals een octrooi, en voor de zakengeheimen van de ondernemingen die worden vertegenwoordigd door de leden van het verzoekende verband, hen karakteriseren ten opzichte van alle andere producenten van chemische producten die door richtlijn 2003/15 worden geraakt. Enerzijds kunnen deze producenten de genoemde bescherming evenzeer inroepen voor zichzelf, want de productie en het in de handel brengen van producten vindt dikwijls plaats onder bescherming van intellectuele-eigendomsrechten. Anderzijds identificeert ieder octrooi weliswaar het product dat het beschermt, doch verhindert deze richtlijn niet het gebruik van een specifiek octrooi, zodat een eventuele aantasting van intellectuele-eigendomsrechten alleen het gevolg is van de niet persoonsgebonden omstandigheid van de productie van stoffen voor gebruik in de cosmetica-industrie.
(cf. punten 46‑47, 49, 57)
4. Opdat een beroep op contractuele verplichtingen kan leiden tot de ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring van een normatieve handeling als richtlijn 2003/15 tot wijziging van richtlijn 76/768 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten, is krachtens artikel 230, vierde alinea, EG in de eerste plaats vereist dat de instellingen krachtens een hogere rechtsregel dan de betrokken handeling specifiek rekening behoorden te houden met de situatie van de verzoekende ondernemingen ten opzichte van die van elke andere door deze handeling geraakte persoon. In de tweede plaats moeten deze ondernemingen betrokken zijn bij reeds afgesloten overeenkomsten waarvan de uitvoering, die was voorzien tijdens de geldigheidsduur van de bestreden handeling, geheel of gedeeltelijk wordt verhinderd.
(cf. punt 53)
5. Al kan het feit dat een vereniging van ondernemingen een rol heeft gespeeld in de procedure die tot de vaststelling van een handeling van algemene strekking heeft geleid, grond opleveren voor de ontvankelijkheid van een door deze vereniging ingesteld beroep tot nietigverklaring van een dergelijke handeling, zelfs wanneer de leden van die vereniging niet rechtstreeks en individueel door die handeling worden geraakt, kan het feit dat een persoon vrijwillig heeft deelgenomen aan de voorbereiding van een handeling van wetgevende aard in het kader van een procedure die niet in de medewerking van particulieren voorziet, hem, anders dan in het geval van deelneming aan een procedure die in een dergelijke medewerking voorziet, geen recht van beroep tegen deze handeling verlenen.
(cf. punten 63‑65)
6. Behalve dat het de taak van de lidstaten is te voorzien in een stelsel van rechtsmiddelen en procedures dat de eerbiediging van het recht op een effectieve bescherming in rechte verzekert, en eventuele leemten in de Verdragen in dat opzicht aan te vullen, kan een uitlegging van de ontvankelijkheidsregels van artikel 230 EG, volgens welke de gemeenschapsrechter een beroep tot nietigverklaring ontvankelijk moet verklaren wanneer hij na een concreet onderzoek van de nationale procesregels vaststelt dat deze regels een particulier niet toestaan een beroep in te stellen waarmee hij de geldigheid van de betwiste gemeenschapshandeling kan aanvechten, niet worden aanvaard. In een dergelijk stelsel zou de communautaire rechter immers in elk concreet geval het nationale procesrecht moeten onderzoeken en uitleggen, hetgeen de grenzen van zijn bevoegdheid in het kader van het toezicht op de wettigheid van de gemeenschapshandelingen te buiten zou gaan.
(cf. punt 70)
BESCHIKKING VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer)
10 december 2004 (*)
„Kennelijke niet-ontvankelijkheid – Begrip individueel geraakte verzoeker – EESV – Lopende overeenkomsten – Intellectuele-eigendomsrechten”
In zaak T‑196/03,
European Federation for Cosmetic Ingredients (EFfCI), gevestigd te Brussel (België), vertegenwoordigd door K. Van Maldegem en C. Mereu, advocaten,
verzoekster,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door J. L. Rufas Quintana, M. Moore en K. Bradley als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
en
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door E. Karlsson en M. C. Giorgi Fort als gemachtigden,
verweerders,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van:
– artikel 1, lid 2, van richtlijn 2003/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 februari 2003 tot wijziging van richtlijn 76/768/EEG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten (PB L 66, blz. 26), voorzover hierbij een nieuw artikel 4 bis, leden 2 en 2.1, en een nieuw artikel 4 ter in richtlijn 76/768 wordt ingevoegd,
– artikel 1, lid 5, van richtlijn 2003/15, voorzover hierbij een nieuwe alinea in artikel 6, lid 3, van richtlijn 76/768 wordt ingevoegd,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: J. Azizi, kamerpresident, M. Jaeger en F. Dehousse, rechters,
griffier: H. Jung,
de navolgende
Beschikking
Juridisch, feitelijk en procedureel kader
1 Vóór de vaststelling van de bestreden handeling was artikel 4, lid 1, van richtlijn 76/768/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten (PB L 262, blz. 169)
– aangevuld bij richtlijn 93/35/EEG van de Raad van 14 juni 1993 tot zesde wijziging van richtlijn 76/768 (PB L 151, blz. 32), die daaraan een punt i heeft toegevoegd,
– terwijl dit laatste zelf laatstelijk is gewijzigd bij richtlijn 2000/41/EG van de Commissie van 19 juni 2000 tot hernieuwd uitstel van de ingangsdatum voor het verbod op dierproeven met ingrediënten of combinaties van ingrediënten van cosmetische producten (PB L 145, blz. 25).
Artikel 4, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 76/768 bepaalde als gevolg daarvan:
„Onverminderd hun algemene verplichtingen welke voortvloeien uit artikel 2, verbieden de lidstaten het in de handel brengen van cosmetische producten bevattende:
[...]
i) ingrediënten of combinaties van ingrediënten die na 30 juni 2002 op dieren zijn beproefd ten einde aan deze richtlijn te voldoen.”
2 Eveneens vóór de vaststelling van de bestreden handeling was richtlijn 76/768
– bij artikel 1 van richtlijn 88/667/EEG van de Raad van 21 december 1988 houdende vierde wijziging van richtlijn 76/768 (PB L 382, blz. 46) aangevuld met een artikel 6, lid 3,
– was dit laatste artikel aangevuld bij artikel 1, punt 9, van richtlijn 93/35.
Als gevolg daarvan bepaalde artikel 6, lid 3, van richtlijn 76/768:
„De lidstaten treffen alle nodige maatregelen om te waarborgen dat bij het etiketteren, het ten verkoop aanbieden van en het maken van reclame voor cosmetische producten de tekst, de benamingen, merken en afbeeldingen of andere al dan niet figuratieve tekens niet worden gebruikt om aan deze producten kenmerken toe te schrijven die deze niet bezitten. Bovendien moet bij iedere verwijzing naar dierproeven duidelijk worden aangegeven of de uitgevoerde proeven het eindproduct en/of de ingrediënten daarvan betroffen.”
3 Op 27 februari 2003 hebben het Europees Parlement en de Raad richtlijn 2003/15/EG tot wijziging van richtlijn 76/768 vastgesteld (PB L 66, blz. 26).
4 Artikel 1 van richtlijn 2003/15 luidt:
„Richtlijn 76/768/EEG wordt als volgt gewijzigd:
[...]
2) de volgende artikelen worden ingevoegd:
‚Artikel 4 bis
1. Onverminderd de algemene verplichtingen van artikel 2 verbieden de lidstaten:
a) het in de handel brengen van cosmetische producten, wanneer er, om aan de voorschriften van deze richtlijn te voldoen, voor de eindsamenstelling daarvan een dierproef is verricht volgens een andere methode dan een alternatieve methode, nadat die alternatieve methode op communautair niveau al was gevalideerd en aangenomen naar behoren rekening houdend met de ontwikkeling van de validering binnen de OESO;
b) het in de handel brengen van cosmetische producten die ingrediënten of combinaties van ingrediënten bevatten waarvoor, om aan de voorschriften van deze richtlijn te voldoen, een dierproef is verricht volgens een andere methode dan een alternatieve methode, nadat die alternatieve methode op communautair niveau al was gevalideerd en aangenomen naar behoren rekening houdend met de ontwikkeling van de validering binnen de OESO;
c) het verrichten van dierproeven met cosmetische eindproducten op hun grondgebied, om aan de voorschriften van deze richtlijn te voldoen;
d) het verrichten van dierproeven met ingrediënten of combinaties van ingrediënten op hun grondgebied, om aan de voorschriften van deze richtlijn te voldoen, uiterlijk op de datum waarop die proeven dienen te zijn vervangen door één of meer gevalideerde alternatieve methoden die zijn genoemd in bijlage V van richtlijn 67/548/EEG van de Raad van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen, of in bijlage IX van deze richtlijn.
De Commissie stelt uiterlijk op 11 september 2004 de inhoud van bijlage IX vast volgens de procedure bedoeld in artikel 10, lid 2, en na raadpleging van het Wetenschappelijk Comité voor cosmetische producten en voor consumenten bestemde niet-voedingsproducten (WCCNVP).
2. De Commissie stelt na raadpleging van het WCCNVP en van het Europees Centrum voor de validatie van alternatieve methoden (CEVMA), en met de nodige inachtneming van de ontwikkeling van de validering binnen de OESO, tijdschema’s op voor de toepassing van lid 1, [sub] a, b en d, met inbegrip van termijnen voor de geleidelijke afschaffing van de verschillende proeven. De tijdschema’s worden uiterlijk op 11 september 2004 ter beschikking gesteld van het publiek en toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad. De termijn voor de toepassing wordt beperkt tot ten hoogste zes jaar wat betreft lid 1, [sub] a, b en d, na de inwerkingtreding van richtlijn 2003/15/EG.
2.1. Voor de proeven in verband met toxiciteit bij herhaalde toediening, toxiciteit met betrekking tot de voortplanting en toxicokinetiek, waarvoor momenteel nog geen alternatieven worden ontwikkeld, wordt de termijn voor de toepassing van lid 1, [sub] a en b, beperkt tot ten hoogste tien jaar na de inwerkingtreding van richtlijn 2003/15/EG.
[...]
Artikel 4 ter
Het gebruik in cosmetische producten van stoffen die als kankerverwekkend, mutageen of vergiftig voor de voortplanting zijn ingedeeld in categorie 1, 2 of 3 van bijlage 1 van richtlijn 67/548/EEG, wordt verboden. De Commissie neemt daartoe de nodige maatregelen overeenkomstig de procedure van artikel 10, lid 2. Een stof die in categorie 3 is ingedeeld, mag in cosmetische producten worden gebruikt, indien zij door het WCCNVP werd beoordeeld en voor gebruik in cosmetische producten werd aanvaard.’
[...]
5) de laatste zin van artikel 6, lid 3, wordt geschrapt en de volgende alinea wordt ingevoegd:
‚Bovendien mag de fabrikant of degene die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen in de Gemeenschap van het cosmetische product, op de verpakking van het product of op enig document, bord, etiket, wikkel of manchet dat bij het product is gevoegd of daarnaar verwijst, alleen dan erop wijzen dat het product niet op dieren is getest, wanneer de fabrikant en zijn leveranciers geen dierproeven hebben uitgevoerd of laten uitvoeren met het eindproduct, het prototype daarvan of enig ingrediënt daarvan, en evenmin ingrediënten hebben aangewend die door anderen op dieren zijn getest met het doel nieuwe cosmetische producten te ontwikkelen. De richtsnoeren worden volgens de procedure van artikel 10, lid 2, aangenomen en in het Publicatieblad van de Europese Unie gepubliceerd. Het Europees Parlement ontvangt afschriften van de aan het comité voorgelegde ontwerpmaatregelen.’
[...]”
5 Verzoekster is een Europees economisch samenwerkingsverband (EESV) van twee verenigingen van ondernemingen die chemische producten vervaardigen.
6 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 3 juni 2003, heeft verzoekster het onderhavige beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van richtlijn 2003/15 ingesteld.
7 Bij afzonderlijke akten, neergelegd ter griffie van het Gerecht op respectievelijk 17 juli en 14 augustus 2003, hebben verweerders twee excepties van niet-ontvankelijkheid opgeworpen krachtens artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. Verzoekster heeft op 29 september 2003 haar opmerkingen over deze excepties ingediend.
Conclusies van partijen
8 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
– het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, subsidiair, de excepties van niet-ontvankelijkheid te voegen met de hoofdzaak;
– artikel 1 van richtlijn 2003/15 nietig te verklaren voorzover daarbij in richtlijn 76/768 artikel 4 bis, leden 2 en 2.1, en artikel 4 ter worden ingevoegd en aan artikel 6, lid 3, van die richtlijn een nieuwe alinea wordt toegevoegd;
– verweerders te verwijzen in de kosten.
9 De Raad van de Europese Unie en het Europees Parlement concluderen dat het het Gerecht behage:
– het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
– verzoekster te verwijzen in de kosten.
De procedure
1. Voeging van de excepties van niet-ontvankelijkheid met de hoofdzaak
Argumenten van partijen
10 De Raad en het Parlement verzoeken het Gerecht overeenkomstig artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, uitspraak te doen over de ontvankelijkheid van het beroep zonder op de zaak ten gronde in te gaan.
11 Verzoekster vraagt het Gerecht daarentegen „de zaak ten gronde te beoordelen alvorens uitspraak te doen over de ontvankelijkheid, subsidiair, elke beslissing daarover te voegen met de hoofdzaak”. De European Federation for Cosmetic Ingredients (EFfCI) stelt dat „de onderhavige zaak een uiterst complex rechtsgebied betreft, waarin [haar] rechtspositie [...] nauw verbonden is met de onderliggende materiële rechtsvragen”. Van deze complexiteit getuigt ook de onjuiste weergave van de in het verzoekschrift aangevoerde middelen, die het Parlement in zijn exceptie van niet-ontvankelijkheid geeft. Het Gerecht zou de zaak ten gronde derhalve „vóór of tegelijk met de vraag van de ontvankelijkheid” moeten behandelen. De EFfCI voegt eraan toe dat artikel 114, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering uitdrukkelijk voorziet in deze mogelijkheid. Overigens is het arrest van het Gerecht van 1 december 1999, Boehringer/Raad en Commissie (T‑125/96 en T‑152/96, Jurispr. blz. II‑3427), daarvan een voorbeeld.
Beoordeling door het Gerecht
12 Volgens artikel 114, lid 4, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering heeft het Gerecht de keus om uitspraak te doen over de door een partij overeenkomstig artikel 114, lid 1, opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid, dan wel deze te voegen met de zaak ten gronde.
13 Uit het arrest van het Hof van 26 februari 2002, Raad/Boehringer (C‑23/00 P, Jurispr. blz. I‑1873, punt 52) blijkt dat het aan het Gerecht is te beoordelen wat het belang van een goede rechtsbedeling in de omstandigheden van het geval gebiedt. Zo kon het Gerecht er in die zaak om redenen van proceseconomie bij wijze van uitzondering voor kiezen om de wettigheid van één van de bestreden handelingen te beoordelen alvorens uitspraak te doen over de ontvankelijkheid van het eerste van de twee gevoegde beroepen (arrest Boehringer/Raad en Commissie, reeds aangehaald).
14 Van dergelijke redenen van proceseconomie lijkt in het onderhavige geval geen sprake. Integendeel, het argument van de EFfCI dat het beroep uiterst complexe rechtsvragen opwerpt, nodigt uit tot het vermijden van een beoordeling ten gronde indien de eventuele niet-ontvankelijkheid van het beroep dat mogelijk maakt. In dit verband faalt het argument, dat deze complexiteit en de onmogelijkheid om onmiddellijk over de niet-ontvankelijkheid van het beroep uitspraak te doen, voortvloeien uit het feit dat het Parlement de middelen in het verzoekschrift verkeerd heeft begrepen. De excepties van niet-ontvankelijkheid van het Parlement zijn niet gebaseerd op de manier waarop het deze middelen heeft begrepen, zodat de manier waarop het ze opvat, ook al is die verkeerd, een voeging met de hoofdzaak niet noodzakelijk maakt.
15 De stelling van de EFfCI kan onder deze omstandigheden niet worden aanvaard. Het beroep tot nietigverklaring kan immers niet worden omgevormd tot een eenvoudige juridische consultatie over de wettigheid van de bestreden richtlijn zonder de doelstelling van artikel 230 EG te doorkruisen.
16 Derhalve dient overeenkomstig artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering uitspraak te worden gedaan over de niet-ontvankelijkheid zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan.
17 Voorts geschiedt volgens artikel 114, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering de verdere behandeling mondeling, tenzij het Gerecht anders beslist. In casu acht het Gerecht zich na bestudering van het dossier voldoende voorgelicht om zonder mondelinge behandeling op de verzoeken van verweerders te beslissen.
2. Het verzoek om vertrouwelijke behandeling
18 Op 29 september 2003 heeft de EFfCI op grond van artikel 116, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering verzocht om vertrouwelijke behandeling van bepaalde stukken.
19 Blijkens deze bepaling is de vertrouwelijke behandeling verbonden met een interventie. Aangezien er in het onderhavige geval geen sprake is van een interventie, is het verzoek voorbarig. Over dit punt hoeft dan ook niet te worden beslist.
De niet-ontvankelijkheid van het beroep
1. De argumenten van partijen
20 Verweerders zijn van mening dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat de litigieuze bepalingen verzoekster niet individueel raken in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG.
21 Volgens hen kan uit het feit dat de door verzoekster vertegenwoordigde ondernemingen door de bestreden handeling economisch sterker worden getroffen dan andere, niet de conclusie worden getrokken dat deze handeling verzoekster individueel raakt. Die ondernemingen worden namelijk niet uit hoofde van bepaalde bijzondere hoedanigheden getroffen.
22 Verder betogen verweerders dat het Hof in zijn arrest van 18 mei 1994, Codorníu/Raad (C‑309/89, Jurispr. blz. I‑1853) niet heeft beslist dat een persoon reeds „individueel geraakt” wordt omdat zijn intellectuele-eigendomsrechten door de litigieuze maatregel worden aangetast. Volgens hen heeft het het beroep veeleer daarom ontvankelijk verklaard, omdat de onderneming Codorníu werd geconfronteerd met een regeling die de benaming „crémant” reserveerde voor bepaalde Franse en Luxemburgse wijnbouwers, dat wil zeggen een afgebakende kring van producenten, terwijl diezelfde benaming haar geregistreerde handelsmerk was. Het feit dat de EFfCI de belangen vertegenwoordigt en verdedigt van een groot aantal vennootschappen die octrooien houden op grond waarvan zij bij de vervaardiging van cosmetische producten gebruikte stoffen in de handel brengen, is daarentegen onvoldoende onderscheidend. Van de meeste cosmetische producten valt de samenstelling immers onder de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten.
23 Bovendien zou de voorwaarde van individuele geraaktheid zinledig worden, indien die voorwaarde kon worden vervuld door een hele bedrijfstak te vertegenwoordigen.
24 Tot slot, aldus verweerders, hebben volgens de rechtspraak de lidstaten de taak om bij de uitvoering van bepalingen van gemeenschapsrecht de volledige en effectieve rechtsbescherming te verzekeren waarop de verzoeker aanspraak heeft.
25 De EFfCI stelt daarentegen dat zij ten opzichte van iedere andere marktdeelnemer individueel wordt geraakt, omdat de handelsactiviteiten van de producenten van ingrediënten die bij de samenstelling van cosmetica worden gebruikt, bijzonder worden getroffen door het verbod om producten op de markt te brengen die op dieren zijn beproefd of die stoffen bevatten die als kankerverwekkend, mutageen of vergiftig voor de voortplanting zijn gekwalificeerd (hierna: „KMV-stoffen”).
26 De bestreden bepalingen verbieden om, ten eerste, dierproeven te verrichten met chemische stoffen die worden gebruikt bij de productie van cosmetische producten, en, ten tweede, op deze wijze geteste cosmetische eindproducten of stoffen die bij de samenstelling ervan worden gebruikt, in de handel te brengen. Deze verboden zijn zelfs van toepassing wanneer de dierproeven zijn verricht om aan andere regelingen te voldoen. Volgens de EFfCI heeft dat gevolgen voor haar concurrentiepositie, omdat de door haar vertegenwoordigde ondernemingen worden benadeeld ten opzichte van andere ondernemingen die niet in de cosmeticasector werkzaam zijn of die ingrediënten op de markt brengen die uitsluitend in deze bedrijfstak worden gebruikt maar niet op dieren zijn getest. De benadeling is het gevolg van het feit dat de bij de EFfCI aangesloten ondernemingen een veelheid aan activiteiten ontplooien. Zij moeten derhalve tevens voldoen aan andere wettelijke vereisten die dierproeven noodzakelijk maken. De gevolgen van deze verboden zijn volgens verzoekster des te groter omdat innovatie onontbeerlijk is voor de handhaving van de concurrentiepositie van cosmeticaondernemingen. Deze hebben voortdurend nieuwe chemische stoffen nodig „die, om te voldoen aan de richtlijn betreffende gevaarlijke stoffen, moeten worden onderworpen aan uitgebreide dierproeven”.
27 De EFfCI betoogt vervolgens dat „de [tweede] bestreden maatregel duidelijk invloed heeft op [haar] rechtspositie [...] voorzover zij niet langer gebruik zal kunnen maken van de KMV-stoffen van de categorieën 1, 2 of 3 bij de samenstelling van cosmetische producten. Ook hier produceren de vennootschappen die lid zijn [...] thans chemische stoffen die binnen deze categorieën vallen, en leveren deze aan de cosmetica-industrie”.
28 Volgens de EFfCI raakt de derde bestreden maatregel de bij haar aangesloten vennootschappen, voorzover deze de producenten van cosmetische producten toestaat een etiket te gebruiken waarop wordt aangegeven dat bij de ontwikkeling van het cosmetische product en de ingrediënten die het bevat, geen dierproeven zijn verricht. Omdat vrijwel alle chemische stoffen op dieren zijn beproefd en het vele jaren zal duren voordat alternatieve methoden beschikbaar zullen zijn, zullen de ondernemingen waarvan zij de belangen verdedigt, zich na de inwerkingtreding van de bestreden richtlijn slechts zelden erop kunnen beroepen dat er geen dierproeven zijn verricht. De betrokken ondernemingen worden aldus benadeeld ten opzichte van andere marktdeelnemers die voordeel kunnen hebben van een dergelijke aanduiding. Zij zullen bovendien „een concurrentienadeel [ondervinden] ten opzichte van andere cosmeticaproducenten die gebruik maken van een misleidend etiket waarop wordt aangegeven dat geen dierproeven zijn uitgevoerd”.
29 De EFfCI stelt verder dat de bij haar aangesloten ondernemingen worden geïndividualiseerd door de octrooien waarvan zij houdster zijn. Volgens haar geven deze octrooien hen immers het exclusieve recht op het gebruik en het in de handel brengen van de producten die eronder vallen. Dat recht, zo stelt verzoekster, geniet een soortgelijke bijzondere bescherming als die waarnaar het Hof in zijn arrest van 24 juni 1986, AKZO Chemie/Commissie (53/85, Jurispr. blz. 1965) heeft verwezen. De betrokken richtlijn zal negatieve gevolgen hebben voor de voordelen die de producenten van de octrooibescherming kunnen hebben. Onder verwijzing naar het arrest Codorníu/Raad, reeds aangehaald, benadrukt de EFfCI dat het recht om de producten die het resultaat zijn van uitvindingen die vóór de vaststelling van de betrokken richtlijn zijn gedaan, exclusief in de handel te brengen, gelijk is aan het recht dat de vennootschap Codorníu bezat door de inschrijving van het handelsmerk „crémant” en op grond waarvan haar beroep ontvankelijk was verklaard.
30 Verzoekster stelt tevens dat de vennootschappen waarvan zij de belangen vertegenwoordigt, in bepaalde gevallen worden gedwongen verplichtingen uit eerder met afnemers afgesloten overeenkomsten niet na te komen, hetgeen zware verliezen voor de partijen bij deze overeenkomsten meebrengt op het gebied van het wederzijds vertrouwen en de marktaandelen.
31 Verzoekster beroept zich verder op het feit dat zij „heeft deelgenomen aan de administratieve procedure door wetenschappelijke gegevens te verstrekken en door opmerkingen in te dienen gedurende de gehele procedure van totstandkoming” van de betrokken richtlijn. Volgens haar geniet zij ook bijzondere bescherming op grond van artikel 13 van richtlijn 76/768, dat vereist dat belanghebbende partijen op de hoogte worden gesteld van de precieze redenen van „iedere op grond van deze richtlijn genomen afzonderlijke maatregel welke een beperking of verbod van het in de handel brengen van cosmetische producten inhoudt”.
32 Tot slot betoogt verzoekster dat „het vermogen [...] om haar intellectuele-eigendomsrechten (octrooi) te beschermen en om haar producten volgens de bestaande gemeenschapswetgeving (rechten van de verdediging) te verdedigen, een rechtsbeginsel van hogere rang is, dat onder alle omstandigheden moet worden geëerbiedigd wanneer individuele rechten en vrijheden op het spel staan”. Dit rechtsbeginsel „volgt uit de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden [(EVRM), ondertekend te Rome op 4 november 1950]”.
2. Beoordeling door het Gerecht
Algemene opmerkingen
33 Volgens artikel 230, vierde alinea, EG kan „iedere natuurlijke of rechtspersoon [...] beroep instellen tegen de tot hem gerichte beschikkingen, alsmede tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raken”.
34 Hoewel artikel 230, vierde alinea, EG niet uitdrukkelijk spreekt over de ontvankelijkheid van door particulieren ingestelde beroepen tot nietigverklaring van een richtlijn, volstaat dat volgens de rechtspraak op zich niet om dergelijke beroepen niet-ontvankelijk te verklaren (arrest Gerecht van 17 juni 1998, UEAPME/Raad, T‑135/96, Jurispr. blz. II‑2335, punt 63; beschikkingen Gerecht van 10 september 2002, Japan Tobacco en JT International/Parlement en Raad, T‑223/01, Jurispr. blz. II‑3259, punt 28, en 6 mei 2003, Vannieuwenhuyze-Morin/Parlement en Raad, T‑321/02, Jurispr. blz. II‑1997, punt 21). Bovendien kunnen de gemeenschapsinstellingen de door die verdragsbepaling aan particulieren geboden rechtsbescherming niet eenvoudig door de keuze van de vorm van de handeling uitsluiten (beschikkingen Gerecht van 14 januari 2002, Association contre l’heure d’été/Parlement en Raad, T‑84/01, Jurispr. blz. II‑99, punt 23, Japan Tobacco en JT International/Parlement en Raad, reeds aangehaald, punt 28, en Vannieuwenhuyze-Morin/Parlement en Raad, reeds aangehaald, punt 21). Derhalve dient te worden nagegaan of de betrokken richtlijn verzoekster „rechtstreeks en individueel” raakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG.
35 Gelet op de cumulatieve aard van deze twee voorwaarden, zal het Gerecht eerst toetsen of verzoekster individueel wordt geraakt, aangezien het in geval van een ontkennend antwoord overbodig is te onderzoeken, of de betrokken richtlijn haar rechtstreeks raakt.
De voorwaarde dat de verzoeker individueel wordt geraakt
36 In casu wordt niet betwist dat de artikelen 4 bis en 4 ter en artikel 6, lid 3, tweede alinea, die bij de litigieuze bepalingen in richtlijn 76/768 zijn ingelast, in algemene bewoordingen zijn gesteld. Deze bepalingen zijn van toepassing op objectief omschreven situaties en brengen rechtsgevolgen mee ten aanzien van ondernemingen die stoffen produceren die worden gebruikt bij de vervaardiging van cosmetica, dat wil zeggen een algemeen en abstract omschreven groep rechtspersonen.
37 Dat de bestreden handeling een algemene strekking heeft en geen beschikking in de zin van artikel 249 EG is, sluit op zich evenwel nog niet uit dat een particulier daartegen beroep tot nietigverklaring kan instellen (arrest Hof in de zaak Codorníu/Raad, reeds aangehaald, punt 19, en arrest Hof van 22 november 2001, Antillean Rice Mills/Raad, C‑451/98, Jurispr. blz. I‑8949, punt 49; beschikking Gerecht in de zaak Japan Tobacco en JT International/Parlement en Raad, reeds aangehaald, punt 29, en beschikking Gerecht van 21 maart 2003, Établissements Toulorge/Parlement en Raad, T‑167/02, Jurispr. blz. II‑1111, punt 26).
38 Onder bepaalde omstandigheden kan immers zelfs een normatieve handeling die op alle betrokken marktdeelnemers van toepassing is, sommigen van hen individueel raken en derhalve ten opzichte van hen beschikkingskarakter bezitten (arrest Hof van 16 mei 1991, Extramet Industrie/Raad, C‑358/89, Jurispr. blz. I‑2501, punt 13, en arrest Codorníu/Raad, reeds aangehaald, punt 19; beschikking Japan Tobacco en JT International/Parlement en Raad, reeds aangehaald, punt 29). Dat is het geval wanneer de betrokken handeling hen treft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat van een beschikking (arresten Hof van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, Jurispr. blz. 205, en 1 april 2004, Commissie/Jégo-Quéré, C‑263/02 P, Jurispr. blz. I‑3425, punt 45).
39 Derhalve moet worden nagegaan of deze voorwaarden op grond van de gegevens in het dossier in casu vervuld kunnen worden geacht.
40 In de eerste plaats rijst de vraag, wat de gevolgen voor de ontvankelijkheid van het beroep kunnen zijn van het feit dat de EFfCI een EESV is.
41 Volgens vaste rechtspraak van het Hof wordt een vereniging, als vertegenwoordigster van een groep marktdeelnemers, niet individueel geraakt door een handeling die de algemene belangen van deze groep treft (arresten Hof van 14 december 1962, Confédération nationale des producteurs de fruits et légumes e.a./Raad, 16/62 en 17/62, Jurispr. blz. 943; 18 maart 1975, Union syndicale e.a./Raad, 72/74, Jurispr. blz. 401; 28 oktober 1982, Groupement des agences de voyages/Commissie, 135/81, Jurispr. blz. 3799, en 10 juli 1986, DEFI/Commissie, 282/85, Jurispr. blz. 2469; beschikking Hof van 5 november 1986, UFADE/Raad en Commissie, 117/86, Jurispr. blz. 3255; beschikking Gerecht van 28 oktober 1993, FRSEA en FNSEA/Raad, T‑476/93, Jurispr. blz. II‑1187, punt 25, en arrest Gerecht van 6 juli 1995, AITEC e.a./Commissie, T‑447/93 tot en met T‑449/93, Jurispr. blz. II‑1971, punt 54).
42 Desalniettemin kan het beroep van een vereniging in ten minste drie situaties ontvankelijk zijn:
– wanneer een wettelijke bepaling uitdrukkelijk een aantal procedurele bevoegdheden aan beroepsverenigingen toekent;
– wanneer de vereniging de belangen vertegenwoordigt van ondernemingen die zelf bevoegd zouden zijn beroep in te stellen;
– wanneer de vereniging wordt geïndividualiseerd wegens een aantasting van haar eigen belangen als vereniging, met name doordat haar positie als onderhandelingspartner door de voor nietigverklaring voorgedragen handeling is aangetast (beschikking Gerecht van 23 november 1999, UPA/Raad, T‑173/98, Jurispr. blz. II‑3357, punt 47).
43 Daaruit volgt dat de ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring van een vereniging die is opgericht om de gezamenlijke belangen van een groep justitiabelen te behartigen, ervan afhangt, wanneer zij geen eigen belang heeft bij het instellen van dit beroep, of haar leden dit individueel hadden kunnen instellen. Deze regel moet ook gelden voor een EESV. Blijkens artikel 3 van verordening (EEG) nr. 2137/85 van de Raad van 25 juli 1985 tot instelling van Europese economische samenwerkingsverbanden (EESV) (PB L 199, blz. 1) heeft een dergelijk samenwerkingsverband immers enkel tot doel de economische werkzaamheid van zijn leden te vergemakkelijken of te ontwikkelen, zodat deze aldus hun eigen resultaten kunnen verbeteren; het heeft voor hen dus enkel een ondersteunende functie.
44 Derhalve dient te worden beoordeeld of de leden van verzoekster individueel worden geraakt door de bestreden handeling.
45 Het Gerecht merkt dienaangaande op dat de leden van verzoekster zelf ondernemersverenigingen zijn. Derhalve hangt de vraag, of deze verenigingen in het onderhavige beroep ontvankelijk zouden zijn geweest, op haar beurt overeenkomstig de in punt 42 aangehaalde rechtspraak af van het bestaan van bijzondere omstandigheden dan wel van de vraag, of de aangesloten ondernemingen individueel worden geraakt door de bestreden handeling.
De vraag of de ondernemingen in de sector individueel zijn geraakt
– Gevolgen van de betrokken richtlijn voor de concurrentiepositie van de ondernemingen in de sector
46 De EFfCI wijst op de desastreuze gevolgen die de bij richtlijn 2003/15 ingevoerde verboden en de daarin gegeven toestemming om op etiketten te vermelden dat geen dierproeven zijn verricht, zullen hebben voor de concurrentiepositie van de ondernemingen die worden vertegenwoordigd door de twee verenigingen die bij de EFfCI zijn aangesloten.
47 Dit karakteriseert hen echter niet ten opzichte van andere ondernemingen die niet aan de cosmeticasector leveren of die zich tot deze markt beperken, maar hun ingrediënten niet op dieren testen of geen KMV-stoffen gebruiken. De omstandigheid dat bepaalde marktdeelnemers door een handeling economisch sterker worden getroffen dan hun concurrenten, volstaat immers niet om hen door die behandeling individueel geraakt te achten (beschikking Gerecht van 15 september 1999, Van Parys e.a./Commissie, T‑11/99, Jurispr. blz. II‑2653, punten 50 en 51).
48 Bovendien zouden de betrokken ondernemingen alleen worden geraakt uit hoofde van hun objectieve hoedanigheid van ondernemingen die stoffen produceren die zowel door cosmeticaondernemingen als door andere ondernemingen worden gebruikt, op soortgelijke wijze als elke andere marktdeelnemer die zich in de Europese Gemeenschap in dezelfde situatie bevindt (zie in die zin beschikkingen Gerecht van 25 juni 1998, Sofivo e.a./Raad, T‑14/97 en T‑15/97, Jurispr. blz. II‑2601, punt 37, en 15 januari 2004, Valenergol/Raad, T‑393/03, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 19).
49 Bovendien brengt de omstandigheid dat de betrokken ondernemingen in bepaalde landen de belangrijkste van de sector zijn, niet mee dat zij zouden zijn te beschouwen als behorend tot een kring van marktdeelnemers die aan de hand van de kenmerken van de betrokken producten of de door hen ontplooide economische activiteiten individualiseerbaar en identificeerbaar zijn. Een handelsactiviteit kan immers in beginsel worden uitgeoefend door iedere willekeurige onderneming, die zich feitelijk of potentieel in dezelfde situatie als die van die marktdeelnemers kan bevinden (arrest Hof van 17 januari 1985, Piraiki-Patraiki e.a./Commissie, 11/82, Jurispr. blz. 207, punten 12 tot en met 14).
50 Tot slot kan het Gerecht geen rekening houden met de omstandigheid dat de ondernemingen die lid zijn van de door verzoekster vertegenwoordigde verenigingen, een concurrentienadeel zouden ondervinden doordat zij zouden kunnen worden geconfronteerd met andere cosmeticaproducenten die gebruik maken van „misleidende etikettering”. Dit betoog berust op een loutere, niet bewezen veronderstelling dat marktdeelnemers hun wettelijke verplichtingen niet zullen eerbiedigen. Zelfs al werd deze veronderstelling bevestigd, dan zou dat verzoekster niet ontheffen van het vereiste van vervulling van de in artikel 230, vierde alinea, EG vastgelegde ontvankelijkheidsvoorwaarden.
51 Derhalve dient te worden nagegaan of er in het onderhavige geval andere omstandigheden zijn die de bij de EFfCI aangesloten ondernemingen karakteriseren.
– Het bestaan van contractuele verplichtingen
52 Onder verwijzing naar het arrest van het Hof in de zaak Piraiki-Patraiki e.a./Commissie, reeds aangehaald, en het arrest van 26 juni 1990, Sofrimport/Commissie (C‑152/88, Jurispr. blz. I‑2477) stelt verzoekster dat het verbod op dierproeven en KMV-stoffen de ondernemingen die lid zijn van de verenigingen die zij vertegenwoordigt, dwingt om verplichtingen uit eerder met afnemers afgesloten overeenkomsten niet na te komen, waardoor zij het risico lopen aanzienlijke economische schade te lijden.
53 Zoals het Gerecht in zijn beschikking Établissements Toulorge/Parlement en Raad (reeds aangehaald, punt 64) evenwel reeds heeft opgemerkt, is het Hof in elk van deze zaken nagegaan of was aangetoond dat er sprake was van bepaalde bijzondere eigenschappen of van een feitelijke situatie die verzoekers ten opzichte van iedere andere persoon karakteriseerde en hen dus op dezelfde wijze als een adressaat van een beschikking individualiseerde. Meer specifiek volgt uit deze arresten en het arrest van het Hof van 10 april 2003, Commissie/Nederlandse Antillen (C‑142/00 P, Jurispr. blz. I‑3483) dat aan twee cumulatieve voorwaarden moet zijn voldaan voordat een beroep op contractuele verplichtingen kan leiden tot de ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring. Ten eerste is vereist dat de instellingen krachtens een hogere rechtsregel dan de betrokken normatieve handeling specifiek rekening behoorden te houden met de situatie van verzoekers ten opzichte van die van elke andere door deze handeling geraakte persoon. Ten tweede moeten de verzoekende ondernemingen betrokken zijn bij reeds afgesloten overeenkomsten waarvan de uitvoering, die was voorzien tijdens de geldigheidsduur van de litigieuze maatregel, geheel of gedeeltelijk wordt verhinderd.
54 In casu noemt verzoekster in de eerste plaats geen enkele dwingende bepaling van hogere rang dan de betrokken richtlijn, op grond waarvan het Parlement en de Raad rekening hadden moeten houden met de negatieve gevolgen die deze zou kunnen hebben voor de economische situatie van de ondernemingen die lid zijn van de verenigingen die zij vertegenwoordigt.
55 Ten tweede heeft zij geenszins het bestaan aangetoond van op geldige wijze afgesloten overeenkomsten waarvan de uitvoering als gevolg van de vaststelling en de inwerkingtreding van de bestreden handeling onmogelijk zal worden.
– De invloed van intellectuele-eigendomsrechten
56 De EFfCI stelt verder dat haar leden worden geïndividualiseerd door de specifieke aard van de rechten die voortvloeien uit de octrooien waarvan zij houder zijn, aangezien deze octrooien hen volgens haar het exclusieve recht op het gebruik en het in de handel brengen van de eronder vallende producten verlenen.
57 Het bestaan van rechtsbescherming voor de knowhow en de zakengeheimen van de ondernemingen die worden vertegenwoordigd door de leden van de EFfCI, kan hen echter niet karakteriseren ten opzichte van alle andere producenten van chemische producten die door de betrokken richtlijn worden geraakt. Deze producenten kunnen de genoemde bescherming evenzeer inroepen, voor zichzelf, want de productie en het in de handel brengen van producten vindt dikwijls plaats onder bescherming van intellectuele-eigendomsrechten. Bovendien, al identificeert ieder octrooi het product dat het beschermt, verhindert de betrokken richtlijn niet het gebruik van een specifiek octrooi, zodat een eventuele aantasting van intellectuele-eigendomsrechten enkel het gevolg is van de niet persoonsgebonden omstandigheid van de productie van stoffen voor gebruik in de cosmetica-industrie.
58 In dit opzicht verschilt de onderhavige zaak van de situatie die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Codorníu/Raad, reeds aangehaald. De in die zaak aan de orde gestelde regeling reserveerde de benaming „crémant” voor een bepaalde kring producenten, hoewel de verzoekende onderneming dezelfde benaming als handelsmerk had ingeschreven en deze reeds lange tijd vóór de vaststelling van de litigieuze verordening had gebruikt. Zij bevond zich dus in een positie die haar duidelijk onderscheidde van alle andere marktdeelnemers. Meer dan het abstracte genot van een intellectueel eigendomsrecht was het de specifieke aard van de door dat recht beschermde benaming, die de bestreden handeling als het ware had „onteigend”, die heeft geleid tot de beslissing in het arrest Codorníu/Raad. De in deze zaak aan de orde gestelde richtlijn heeft daarentegen niet tot doel een specifiek intellectueel eigendomsrecht te reserveren voor bepaalde marktdeelnemers ten nadele van de door verzoekster vertegenwoordigde ondernemingen.
59 De EFfCI beroept zich desalniettemin op het feit dat zij de belangen verdedigt van verenigingen waarvan de leden vennootschappen zijn die houder zijn van octrooien die tegen derden kunnen worden ingeroepen en knowhow beschermen die is verkregen door onophoudelijke inspanningen om te innoveren, die onmisbaar zijn voor het behoud van hun concurrentiepositie.
60 Naar het oordeel van het Gerecht kan de noodzaak van innovatie om concurrerend te blijven, in een markteconomie de betrokken ondernemingen niet individualiseren. Ten slotte onderscheidt het feit dat octrooien tegen derden kunnen worden ingeroepen, de beschermde rechten niet, tenminste niet in het onderhavige geval, ten opzichte van andere rechten die marktdeelnemers gewoonlijk genieten en die dezelfde werking hebben. Deze handhavingsmogelijkheid onderscheidt de marktdeelnemers die houder zijn van octrooien, dan ook niet van andere marktdeelnemers.
61 Uit het voorgaande volgt dat de ondernemingen waarvan verzoekster de belangen verdedigt, niet individueel worden geraakt door de litigieuze bepalingen van richtlijn 2003/15.
62 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de overweging in het arrest AKZO Chemie/Commissie (reeds aangehaald, punt 28), dat „aan zakengeheimen een heel bijzondere bescherming [wordt] gewaarborgd”. De bescherming waarnaar dit arrest verwijst, heeft immers betrekking op de niet-openbaarmaking van geheimen in het kader van het mededingingsbeleid overeenkomstig artikel 19, lid 3, en artikel 21, lid 2, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, 13, blz. 204). Wat de ontvankelijkheid van het beroep betreft, kan hieruit niets worden afgeleid met betrekking tot de voorwaarde dat de verzoeker individueel moet zijn geraakt. Anders dan verzoekster stelt, kan derhalve niet op grond van het arrest AKZO Chemie/Commissie worden geconcludeerd dat eenieder die houder is van een intellectueel eigendomsrecht, individueel wordt geraakt door een normatieve bepaling die dat recht kan aantasten.
Het bestaan van bijzondere procedurele rechten
– Aan de kant van verzoekster
63 Volgens de rechtspraak kunnen bijzondere omstandigheden grond opleveren voor de ontvankelijkheid van een door een vereniging ingesteld beroep tot nietigverklaring van een handeling van algemene strekking, zelfs wanneer de leden van die vereniging niet rechtstreeks en individueel door die handeling worden geraakt. Dat is met name het geval wanneer de vereniging een rol heeft gespeeld in de procedure die tot de vaststelling van deze handeling heeft geleid (beschikking Gerecht van 2 april 2004, Gonnelli en AIFO/Commissie, T‑231/02, Jurispr. blz. II‑1051).
64 Verzoekster betoogt dienaangaande dat zij heeft deelgenomen aan de procedure die heeft geleid tot de totstandkoming van de betrokken richtlijn, door wetenschappelijke gegevens te verstrekken en haar standpunt over de besproken vraagstukken naar voren te brengen.
65 Het feit dat een persoon vrijwillig heeft deelgenomen aan de voorbereiding van een handeling van wetgevende aard in het kader van een procedure die niet in de medewerking van particulieren voorziet, kan hem, in tegenstelling tot de deelneming aan een procedure die in een dergelijke medewerking voorziet, echter geen recht van beroep tegen deze handeling verlenen (beschikking Hof van 23 november 1995, Asocarne/Raad, C‑10/95 P, Jurispr. blz. I‑4149).
66 Bovendien verleende artikel 13 van richtlijn 76/768, waarop verzoekster zich beroept, haar niet het recht om deel te nemen aan de totstandbrenging van de bestreden handeling. Het regelt enkel de kennisgeving achteraf aan ondernemingen die belang hebben bij de op grond van de richtlijn genomen afzonderlijke maatregelen.
67 Aangezien de EFfCI tot staving van haar betoog geen andere bepalingen aanhaalt, dient te worden geconcludeerd dat haar optreden informeel is gebleven en de ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring niet kan rechtvaardigen.
– Aan de kant van de verenigingen die lid zijn van verzoekster, of de ondernemingen waaruit deze bestaan
68 Dienaangaande volstaat de vaststelling dat verzoekster niet heeft gesteld dat de verenigingen die er lid van zijn, of de ondernemingen die daarbij zijn aangesloten, bijzondere procedurele rechten genieten.
Effectieve rechtsbescherming
69 De EFfCI ontleent een laatste argument aan de eisen van een effectieve rechtsbescherming.
70 Hierbij brengt het Gerecht in herinnering dat het de taak van de lidstaten is te voorzien in een stelsel van rechtsmiddelen en procedures dat de eerbiediging van het recht op een effectieve rechtsbescherming verzekert, en eventuele leemten in de Verdragen in dat opzicht aan te vullen. Bovendien kan een uitlegging van de ontvankelijkheidsregels van artikel 230 EG, volgens welke de gemeenschapsrechter een beroep tot nietigverklaring ontvankelijk moet verklaren wanneer hij na een concreet onderzoek van de nationale procesregels vaststelt dat deze regels een particulier niet toestaan een beroep in te stellen waarmee hij de geldigheid van de betwiste gemeenschapshandeling kan aanvechten, volgens de rechtspraak van het Hof niet worden aanvaard. „In een dergelijk stelsel zou de communautaire rechter immers in elk concreet geval het nationale procesrecht moeten onderzoeken en uitleggen, hetgeen de grenzen van zijn bevoegdheid in het kader van het toezicht op de wettigheid van de gemeenschapshandelingen te buiten zou gaan” (arrest Hof van 25 juli 2002, Unión de Pequeños Agricultores/Raad, C‑50/00 P, Jurispr. blz. I‑6677, punt 43, en arrest Commissie/Jégo-Quéré, reeds aangehaald, punt 33). Dit is zeker het geval in een zaak als de onderhavige, waarin de verzoeker niet stelt dat het nationale recht geen rechtsmiddelen kent waarmee de nationale rechter de geldigheid van de bestreden richtlijn aan de orde kan stellen (beschikking Établissements Toulorge/Parlement en Raad, reeds aangehaald, punt 61).
Conclusie
71 Uit het voorgaande volgt dat verzoekster niet individueel wordt geraakt door de litigieuze bepalingen. Het beroep moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard, zonder dat behoeft te worden ingegaan op de voorwaarde dat de verzoeker rechtstreeks moet worden geraakt door de bestreden handeling, of op de overige door verweerders opgeworpen excepties van niet-ontvankelijkheid.
Kosten
72 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van verweerders in de kosten worden verwezen.
Het Gerecht van eerste aanleg (Derde kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) Verzoekster zal haar eigen kosten en die van verweerders dragen.
Luxemburg, 10 december 2004.
De griffier
De president van de Derde kamer
H. Jung
J. Azizi
* Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy