Zaak T‑252/03
Fédération nationale de l’industrie et des commerces en gros des viandes (FNICGV)
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Mededinging – Beschikking waarbij inbreuk op artikel 81 EG wordt vastgesteld – Rundvleesmarkt – Beroep tot nietigverklaring – Volledige rechtsmacht – Beroepstermijn – Tardieve instelling – Niet-ontvankelijkheid”
Beschikking van het Gerecht (Vijfde kamer) van 9 november 2004
Samenvatting van de beschikking
Hof van Justitie – Gerecht van eerste aanleg – Volledige rechtsmacht – Uitoefening in kader van beroep tot nietigverklaring – Ontbreken van autonoom beroep waarin gemeenschapsrechter volledige rechtsmacht heeft
(Art. 229 EG, 230, vijfde alinea, EG en 231 EG; verordening nr. 17 van de Raad, art. 17)
Het Verdrag kent geen „beroep waarin de gemeenschapsrechter volledige rechtsmacht heeft” als autonoom beroep. Artikel 229 EG bepaalt slechts dat de krachtens de bepalingen van het Verdrag vastgestelde verordeningen de gemeenschapsrechters volledige rechtsmacht kunnen verlenen met betrekking tot de sancties welke in die verordeningen zijn opgenomen.
Verschillende verordeningen hebben de gemeenschapsrechters op basis van artikel 229 EG volledige rechtsmacht inzake sancties verleend. In het bijzonder bepaalt artikel 17 van verordening nr. 17: „Het Hof van Justitie heeft volledige rechtsmacht in de zin van artikel [229 EG] ter zake van beroep tegen beschikkingen van de Commissie waarin een geldboete of dwangsom wordt vastgesteld [...]”. Het Gerecht is in het kader van de hem bij artikel 229 EG en artikel 17 van verordening nr. 17 verleende volledige rechtsmacht bevoegd om te beoordelen of de hoogte van de geldboeten passend is. In het kader van zijn volledige rechtsmacht kan de gemeenschapsrechter namelijk niet alleen de bestreden beschikking nietig verklaren, zoals bepaald in artikel 231 EG, maar ook de bij deze beschikking opgelegde sanctie wijzigen.
De gemeenschapsrechter kan deze volledige rechtsmacht evenwel slechts uitoefenen in het kader van de toetsing van handelingen van de gemeenschapsinstellingen, meer bepaald in het kader van het beroep tot nietigverklaring. Artikel 229 EG strekt namelijk enkel tot uitbreiding van de bevoegdheden van de gemeenschapsrechter in het kader van het in artikel 230 EG bedoelde beroep. Derhalve omvat of behelst een beroep waarin de gemeenschapsrechter wordt verzocht zijn volledige rechtsmacht uit te oefenen met betrekking tot een beschikking die een sanctie oplegt, noodzakelijkerwijs een verzoek tot volledige of gedeeltelijke nietigverklaring van deze beschikking. Bijgevolg moet dit beroep met inachtneming van de termijn van artikel 230, vijfde alinea, EG worden ingesteld.
(cf. punten 22‑25)
BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)
9 november 2004 (*)
„Mededinging – Beschikking die overtreding van artikel 81 EG vaststelt – Rundvleesmarkt – Beroep tot nietigverklaring – Volledige rechtsmacht – Beroepstermijn – Tardieve instelling – Niet-ontvankelijkheid”
In zaak T‑252/03,
Fédération nationale de l’industrie en des commerces en gros des viandes (FNICGV), gevestigd te Parijs (Frankrijk), vertegenwoordigd door P. Abegg en E. Prigent, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
ondersteund door
Franse Republiek, vertegenwoordigd door R. Abraham, G. de Bergues en F. Million als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Oliver en F. Lelièvre als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van de geldboete die verzoekster is opgelegd bij artikel 3 van beschikking 2003/600/EG van de Commissie van 2 april 2003 betreffende een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag (Zaak COMP/C.38.279/F3 – Frans rundvlees) (PB L 209, blz. 12), subsidiair, tot verlaging van het bedrag van deze geldboete,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer)
samengesteld als volgt: P. Lindh, kamerpresident, R. Garcia-Valdecasas en J. D. Cooke, rechters,
griffier: H. Jung,
de navolgende
Beschikking
Rechtskader
1 Ingevolge artikel 225, lid 1, EG en artikel 230 EG gaat het Gerecht de wettigheid na van onder meer de beschikkingen van de Commissie en is het te dien einde bevoegd uitspraak te doen inzake elk – met name door iedere natuurlijke of rechtspersoon, adressaat van deze beschikking, ingesteld – beroep wegens onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van het EG-verdrag of van enige uitvoeringsregeling daarvan, dan wel wegens misbruik van bevoegdheid.
2 Volgens artikel 230, vijfde alinea, EG moet het beroep tot nietigverklaring worden ingesteld binnen twee maanden te rekenen vanaf de dag van kennisgeving van de bestreden beschikking aan de verzoeker. Volgens artikel 102, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht worden de procestermijnen verlengd met een forfaitaire termijn van tien dagen wegens afstand.
3 Krachtens artikel 229 EG kunnen „[d]e door het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk, alsmede de door de Raad krachtens de bepalingen van het [EG]-Verdrag vastgestelde verordeningen [...] aan het Hof van Justitie volledige rechtsmacht verlenen wat betreft de sancties welke in die verordeningen zijn opgenomen.”
4 Artikel 17 van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81] en [82] van het Verdrag (PB 1962, 13, blz. 204) luidt: „Het Hof van Justitie heeft volledige rechtsmacht in de zin van artikel [229 EG] ter zake van beroep tegen beschikkingen van de Commissie waarin een geldboete of dwangsom wordt vastgesteld; het kan de opgelegde geldboete of dwangsom intrekken, verlagen of verhogen.”
Feiten
5 Bij beschikking 2003/600/EG van 2 april 2003 betreffende een procedure op grond van artikel 81 van het EG Verdrag (zaak COMP/C.38.279/F3 – Frans rundvlees) (PB L 209, blz. 12; hierna: „litigieuze beschikking”) heeft de Commissie vastgesteld dat verzoekster; een Franse vereniging van rundvleesslachterijen, inbreuk had gemaakt op artikel 81, lid 1, EG door tezamen met andere organisaties van de Franse rundvleessector overeenkomsten te sluiten met het doel de rundvleesinvoer in Frankrijk op te schorten en een minimumprijs voor bepaalde soorten rundvlees vast te stellen (artikel 1 van de litigieuze beschikking). De aan verzoekster opgelegde geldboete bedraagt 720 000 EUR (artikel 3 van de litigieuze beschikking).
Procesverloop en conclusies van partijen
6 Bij verzoekschrift, op 7 juli 2003 neergelegd ter griffie van het Gerecht, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
7 Bij op dezelfde dag ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft verzoekster in kort geding verzocht om opschorting van enerzijds de tenuitvoerlegging van de litigieuze beschikking, en anderzijds de verplichting een bankgarantie te stellen om onmiddellijke invordering van de opgelegde geldboete te voorkomen.
8 Op 17 juli 2003 heeft de Commissie een exceptie van niet-ontvankelijkheid tegen het beroep in de hoofdzaak en het verzoek in kort geding opgeworpen.
9 Op 18 juli 2003 heeft verzoekster haar opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid ingediend.
10 Op 7 oktober 2003 heeft de Franse Republiek verzocht om toelating tot tussenkomst ter ondersteuning van de conclusies van verzoekster. De president van de Vijfde kamer van het Gerecht heeft bij beschikking van 20 november 2003 de Franse Republiek tot interventie toegelaten. De Franse Republiek heeft op 23 december 2003 een memorie in interventie ingediend.
11 Bij beschikking van de president van het Gerecht van 21 januari 2004 is het verzoek in kort geding afgewezen.
12 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
– de exceptie van niet-ontvankelijkheid te verwerpen;
– primair, de haar bij de litigieuze beschikking opgelegde geldboete nietig te verklaren;
– subsidiair, het bedrag van deze geldboete fors te verminderen;
– de Commissie te verwijzen in de kosten.
13 De Franse Republiek, die ter ondersteuning van verzoekster intervenieert, concludeert dat het het Gerecht behage:
– de litigieuze beschikking nietig te verklaren;
– de Commissie te verwijzen in de kosten.
14 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage, het beroep kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren.
De ontvankelijkheid
Argumenten van partijen
15 Volgens de Commissie is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk aangezien het is ingesteld na het verstrijken van de beroepstermijn van twee maanden en 10 dagen, bepaald in artikel 230, vijfde alinea, EG juncto artikel 102, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering.
16 Volgens verzoekster is haar beroep tegen de litigieuze beschikking een „beroep waarin de gemeenschapsrechter volledige rechtsmacht heeft” in de zin van artikel 229 EG. Met haar beroep betwist zij namelijk niet de inbreuk of de sanctieoplegging. Zij betwist alleen de opgelegde geldboete, die zij ongepast en overdreven acht. Dienaangaande stelt verzoekster dat voor het „beroep waarin de gemeenschapsrechter volledige rechtsmacht heeft” geen beroepstermijn geldt.
Beoordeling door het Gerecht
17 Volgens artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, indien een partij erom verzoekt, onder de in de leden 3 en 4 van dit artikel gestelde voorwaarden uitspraak doen over de niet-ontvankelijkheid zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan. In casu acht het Gerecht zich door de stukken van het dossier voldoende ingelicht om te beslissen zonder de mondelinge behandeling voort te zetten of op de zaak ten gronde in te gaan.
18 Verzoekster stelt in wezen dat haar beroep is gebaseerd op artikel 229 EG. Het zou dientengevolge niet zijn onderworpen aan de in artikel 230, vijfde alinea, EG op straffe van verval van recht geldende beroepstermijn van twee maanden, die alleen zou gelden voor beroepen tot nietigverklaring in de zin van artikel 230 EG.
19 Dit betoog kan niet slagen.
20 Krachtens artikel 220 EG verzekeren het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg, in het kader van hun respectieve bevoegdheden, de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van het Verdrag.
21 Artikel 225, lid 1, EG, in de versie van het Verdrag van Nice, somt de beroepen op waarvoor het Gerecht bevoegd is. Artikel 229 EG wordt hierin niet genoemd, doch wel uitdrukkelijk de artikelen 230 EG (beroep tot nietigverklaring), 232 EG (beroep wegens nalaten), 235 EG (beroep tot schadevergoeding), 236 EG (beroep in ambtenarenzaken) en 238 EG (beroep op basis van arbitragebedingen in door de Gemeenschap of voor haar rekening gesloten overeenkomsten). Artikel 229 EG wordt dus niet vermeld onder de categorieën beroepen waarvoor het Gerecht bevoegd is.
22 Anders dan verzoekster stelt, kent het Verdrag geen „beroep waarin de gemeenschapsrechter volledige rechtsmacht heeft” als autonoom beroep. Artikel 229 EG bepaalt slechts dat de krachtens de bepalingen van het EG-Verdrag vastgestelde verordeningen de gemeenschapsrechters volledige rechtsmacht kunnen verlenen wat betreft de sancties welke in die verordeningen zijn opgenomen.
23 Verschillende verordeningen hebben de gemeenschapsrechters op basis van artikel 229 EG volledige rechtsmacht inzake sancties verleend. In het bijzonder bepaalt artikel 17 van verordening nr. 17: „Het Hof van Justitie heeft volledige rechtsmacht in de zin van artikel [229 EG] ter zake van beroep tegen beschikkingen van de Commissie waarin een geldboete of dwangsom wordt vastgesteld [...]”.
24 Het Gerecht is in het kader van de hem bij artikel 229 EG en artikel 17 van verordening nr. 17 verleende volledige rechtsmacht bevoegd om te beoordelen of de hoogte van de geldboeten passend is (arresten Hof van 16 november 2000, KNP BT/Commissie, C‑248/98 P, Jurispr. blz. I‑9641, punt 40; Cascades/Commissie, C‑279/98 P, Jurispr. blz. I‑9693, punt 42, en Weig/Commissie, C‑280/98 P, Jurispr. blz. I‑9757, punt 41). In het kader van zijn volledige rechtsmacht kan de gemeenschapsrechter namelijk niet alleen de bestreden beschikking nietig verklaren, zoals bepaald in artikel 231 EG, maar ook de bij deze beschikking opgelegde sanctie wijzigen.
25 De gemeenschapsrechter kan deze volledige rechtsmacht evenwel slechts uitoefenen in het kader van de toetsing van handelingen van de gemeenschapsinstellingen, meer bepaald in het beroep tot nietigverklaring. Artikel 229 EG strekt namelijk enkel tot uitbreiding van de bevoegdheden van de gemeenschapsrechter in het kader van het in artikel 230 EG bedoelde beroep. Derhalve omvat of behelst een beroep waarin de gemeenschapsrechter wordt verzocht zijn volledige rechtsmacht uit te oefenen met betrekking tot een beschikking die een sanctie oplegt, noodzakelijkerwijs een verzoek tot volledige of gedeeltelijke nietigverklaring van deze beschikking. Bijgevolg moet dit beroep met inachtneming van de termijn van artikel 230, vijfde alinea, EG worden ingesteld.
26 Derhalve moet het onderhavige beroep, dat na het verstrijken van de met de termijn wegens afstand van artikel 102, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering verlengde termijn van artikel 230, vijfde alinea, EG is ingesteld, als tardief worden verworpen. Aangezien verzoekster op 10 april 2003 kennis van de litigieuze beschikking is gegeven, was deze termijn van twee maanden en 10 dagen verstreken ten tijde van de neerlegging van het verzoekschrift ter griffie van het Gerecht op 7 juli 2003.
27 Bijgevolg moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
Kosten
28 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie niet heeft geconcludeerd ten aanzien van de kosten in de hoofdzaak, zullen verzoekster en de Commissie elk hun eigen kosten dragen.
29 In de afwijzingsbeschikking van 21 januari 2004 van de president van het Gerecht is de beslissing omtrent de kosten wat de kortgedingprocedure betreft aangehouden. Daar verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de conclusie van de Commissie betreffende de kosten van de kortgedingprocedure worden verwezen in haar eigen kosten en in die van de Commissie wat deze laatste procedure betreft.
30 Krachtens artikel 87, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering zal de Franse Republiek als interveniënte haar eigen kosten dragen.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Verzoekster en de Commissie zullen elk hun eigen kosten in de hoofdzaak dragen.
3) Wat de kortgedingprocedure betreft, zal verzoekster haar eigen kosten alsook die van de Commissie dragen.
4) De Franse Republiek zal haar eigen kosten dragen.
Luxemburg, 9 november 2004.
De griffier
De president van de Vijfde kamer
H. Jung
P. Lindh
* Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy