Zaak T‑265/03
Helm Düngemittel GmbH
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Voedselhulp – Gedeeltelijke inhouding van leveringszekerheid – Verzoek om terugbetaling van ingehouden bedrag – Arbitragebeding – Beroep tot nietigverklaring – Niet-ontvankelijkheid”
Beschikking van het Gerecht (Derde kamer) van 9 juni 2005
Samenvatting van de beschikking
1. Beroep tot nietigverklaring – Beroep dat in werkelijkheid geschil inzake overeenkomst betreft – Op basis van verordening en niet van overeenkomst vastgestelde handeling – Geen invloed op contractuele aard van geschil – Onbevoegdheid van gemeenschapsrechter – Niet-ontvankelijkheid
(Art. 225 EG, 230 EG, 238 EG, 240 EG en 249 EG)
2. Beroep tot nietigverklaring – Beroep tegen beschikking die slechts bevestiging van eerdere beschikking is – Niet-ontvankelijkheid
(Art. 230 EG)
1. Handelingen van instellingen die zijn verricht in een zuiver contractuele context waarmee zij onlosmakelijk zijn verbonden, behoren naar hun aard niet tot de in artikel 249 EG bedoelde handelingen die vatbaar zijn voor nietigverklaring door de gemeenschapsrechter krachtens artikel 230 EG. De contractuele aard van het geschil kan niet worden ontkend alleen omdat de bestreden handeling op basis van een verordening en niet van een overeenkomst is vastgesteld, wanneer de inhoud van deze verordening deel uitmaakt van de contractuele clausules tussen de partijen bij het geding.
Ingevolge artikel 225 EG juncto artikel 238 EG is het Gerecht slechts krachtens een arbitragebeding bevoegd uitspraak te doen in geschillen van contractuele aard, die door natuurlijke of rechtspersonen bij hem worden aangebracht. Anders zou het zijn rechtsprekende bevoegdheid uitbreiden tot andere geschillen dan die welke ingevolge artikel 240 EG exclusief tot zijn kennisneming behoren, terwijl die bepaling de gewone bevoegdheid inzake geschillen waarbij de Gemeenschap partij is, aan de nationale rechterlijke instanties voorbehoudt.
(cf. punten 39‑40, 53, 58)
2. Een handeling die een zuivere bevestiging van een eerdere handeling is, kan niet worden aangevochten op grond van artikel 230 EG, zodat een beroep daartegen niet-ontvankelijk is.
(cf. punt 62)
BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Derde kamer)
9 juni 2005 (*)
„Voedselhulp – Gedeeltelijke inhouding van leveringszekerheid – Verzoek om terugbetaling van ingehouden bedrag – Arbitragebeding – Beroep tot nietigverklaring – Niet-ontvankelijkheid”
In zaak T‑265/03,
Helm Düngemittel GmbH, gevestigd te Hamburg (Duitsland), vertegenwoordigd door W. Waschmann, advocaat,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Berscheid en M. Niejahr als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van de beweerdelijk in een brief van de Commissie van 23 mei 2003 vervatte beschikking betreffende inhouding van een gedeelte van de door verzoekster gestelde leveringszekerheid wegens te late levering van meststoffen in het kader van voedselhulp aan Noord-Korea ter uitvoering van verordening (EG) nr. 2519/97 van de Commissie van 16 december 1997 tot vaststelling van algemene voorschriften op grond van verordening (EG) nr. 1292/96 van de Raad voor de beschikbaarstelling van als communautaire voedselhulp te leveren producten (PB L 346, blz. 23),
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: M. Jaeger, kamerpresident, J. Azizi en E. Cremona, rechters,
griffier: H. Jung,
de navolgende
Beschikking
Rechtskader
1 Artikel 10 van verordening (EG) Nr. 2519/97 van de Commissie van 16 december 1997 tot vaststelling van algemene voorschriften op grond van verordening (EG) nr. 1292/96 van de Raad voor de beschikbaarstelling van als communautaire voedselhulp te leveren producten (PB L 346, blz. 23) bepaalt:
„1. De leverancier komt zijn verplichtingen na overeenkomstig de in het aanbestedingsbestek bepaalde voorwaarden en onder naleving van de in deze verordening bedoelde verbintenissen, met inbegrip van die welke uit zijn offerte voortvloeien.
De leverancier wordt geacht van alle toepasselijke algemene en bijzondere voorwaarden kennis te hebben genomen en deze te hebben aanvaard.
2. Om te waarborgen dat hij zijn verplichtingen zal nakomen, verstrekt de leverancier binnen tien werkdagen na de mededeling van de gunning van de levering de Commissie een leveringszekerheid [...]”
2 Artikel 18 van verordening nr. 2519/97, betreffende de voorwaarden voor betaling en voor de vrijgave van de zekerheden, luidt:
„1. Het aan de leverancier te betalen bedrag beloopt maximaal dat van de offerte, in voorkomend geval vermeerderd met de in artikel 19 bedoelde kosten respectievelijk verminderd met de in lid 3 bedoelde refacties, de in artikel 22, lid 8, bedoelde inhoudingen, bijkomende controlekosten zoals bedoeld in de artikelen 12 tot en met 16 of de kosten die uit de in artikel 13, lid 4, bedoelde maatregelen voortvloeien.
[...]
5. Uitkering van het te betalen bedrag geschiedt op een in twee exemplaren ingediend verzoek van de leverancier.
Bij het verzoek om betaling van het totale bedrag, respectievelijk het saldo worden de volgende documenten gevoegd:
a) een voor het gevraagde bedrag opgemaakte factuur,
b) het origineel van het overname‑, respectievelijk van het leveringscertificaat,
c) een afschrift van de definitieve gelijkvormigheidsverklaring;
[...]”
3 Artikel 22 van verordening nr. 2519/97 bepaalt:
„4. Behoudens in gevallen van overmacht worden in de volgende gevallen op de leveringszekerheid gecumuleerde partiële inhoudingen toegepast, onverminderd de toepassing van lid 8:
[...]
c) ten belope van 0,2 % van de waarde van de buiten de termijn geleverde hoeveelheden, per dag vertraging, of in voorkomend geval en mits zulks in het aanbestedingsbericht is bepaald, 0,1 % per dag voortijdige levering.
De onder a) en c) vermelde inhoudingen worden niet toegepast wanneer de vastgestelde manco’s niet aan de leverancier zijn toe te schrijven.
[...]
8. De Commissie trekt de bedragen van de in toepassing van de leden 4, 5 en 6 te verrichten inhoudingen op zekerheden af van het uiteindelijk te betalen bedrag. De leverings‑ of de voorschotgarantie wordt dan gelijktijdig en volledig vrijgegeven.”
4 Artikel 23 van verordening nr. 2519/97 luidt:
„De Commissie beoordeelt de gevallen van overmacht die de oorzaak van niet-levering of van niet-naleving van een van de verplichtingen van de leverancier kunnen vormen.
De kosten in verband met een door de Commissie erkend geval van overmacht worden door de Commissie gedragen.”
5 Artikel 24 van verordening nr. 2519/97 bepaalt:
„Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is bevoegd om te oordelen over ieder geschil in verband met de uitvoering, de niet-uitvoering of de uitlegging van de voorschriften betreffende leveringen die overeenkomstig deze verordening geschieden.”
6 Artikel 25 van verordening nr. 2519/97 bepaalt:
„Voor elke niet in deze verordening geregelde aangelegenheid is Belgisch recht van toepassing.”
Feiten
7 Op 30 maart 2001 heeft de Commissie onder referentie EUROPEAID/112402/C/S/KP een aanbestedingsbericht gepubliceerd voor de levering van kunstmeststof (ureum 46 % N) aan Noord-Korea. De uiterste leveringsdatum was 18 mei 2001.
8 Op 17 april 2001 heeft verzoekster de Commissie haar offerte gezonden, waarin zij aanbood 30 398 Mt ureum in China aan te kopen.
9 Op 18 april 2001 heeft de Commissie de opdracht gegund aan verzoekster, die op 24 april 2001 in China 30 398 Mt ureum heeft besteld.
10 Op 25 april 2001 heeft verzoekster de Commissie meegedeeld dat zij slechts 10 000 Mt ureum in China kon kopen, en voorgesteld de resterende 20 398 Mt ureum in Egypte aan te kopen.
11 Bij brief van 27 april 2001 heeft de Commissie verzoeksters voorstel aanvaard, erop wijzend dat de contractuele leveringstermijn voor de 30 398 Mt ureum in acht moest worden genomen.
12 Op 14 mei 2001 heeft verzoekster de Commissie meegedeeld dat het uit China afkomstige ureum niet binnen de gestelde termijn kon worden geleverd, en verzocht om verlenging van de leveringstermijn. Bovendien deelde zij de Commissie mee dat zij de uit Egypte afkomstige hoeveelheden evenmin binnen de termijn kon leveren, en de leveringsdatum zodra mogelijk zou meedelen.
13 Uiteindelijk is het ureum uit China met 16 dagen vertraging en dat uit Egypte met 44 dagen vertraging geleverd.
14 Op 2 augustus 2001 heeft de controleorganisatie Bureau Veritas de in artikel 18, lid 5, van verordening nr. 2519/97 voorgeschreven definitieve gelijkvormigheidsverklaring afgegeven. Daarin werden de leveringsdatum van het ureum uit China (3 juni 2001) en die van het ureum uit Egypte (1 juli 2001) vermeld. Tot slot werd gezegd:
„De onderhavige levering is op de datum van inspectie in overeenstemming met de EG-specificaties, met uitzondering van de voormelde afwijzingen wat de leveringsdatum en de kwaliteit betreft.”
15 Op 6 augustus 2001 heeft verzoekster de Commissie verzocht om betaling van een totaalbedrag van 4 999 863,04 EUR, zonder hierbij rekening te houden met de overschrijding van de leveringstermijn.
16 De Commissie heeft 0,2 % van de waarde van de te laat geleverde hoeveelheden per dag vertraging ingehouden. Het bedrag waarvan verzoekster om betaling verzocht, werd dus verminderd met 346 221,20 EUR (53 581 EUR wegens 16 dagen vertraging bij de levering van de 10 180 Mt ureum uit China, en 292 640,20 EUR wegens 44 dagen vertraging bij de levering van de 20 218 Mt ureum uit Egypte). Begin oktober 2001 is het verschil aan verzoekster betaald.
17 Bij faxbericht van 1 november 2001 heeft verzoekster de Commissie verzocht om betaling van het ingehouden bedrag, waarbij zij stelde dat de overschrijding van de leveringstermijn te wijten was aan overmacht.
18 Bij faxbericht van 21 december 2001 heeft de Commissie verzoeksters verzoek afgewezen.
19 Bij brief van 22 maart 2002 heeft verzoekster de Commissie verzocht haar besluit te heroverwegen en haar het gevraagde bedrag te betalen. Bij brief van 16 september 2002 heeft de Commissie dit andermaal geweigerd.
20 Bij brief van 25 oktober 2002 heeft verzoekster de Commissie nogmaals verzocht om betaling van het betrokken bedrag.
21 Bij brief van 23 mei 2003 (hierna: „bestreden handeling”) heeft de Commissie haar aanvankelijke standpunt gehandhaafd en verzoeksters verzoek afgewezen.
Procesverloop en conclusies van partijen
22 Bij op 23 juli 2003 ter griffie neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
23 Bij brief van 20 december 2004 heeft het Gerecht verzoekster een schriftelijke vraag gesteld bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang in de zin in artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. Verzoekster werd hierbij gevraagd haar standpunt over bepaalde opmerkingen van de Commissie inzake de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep te preciseren.
24 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
– de bestreden handeling nietig te verklaren;
– de Commissie te verwijzen in de kosten.
25 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
– het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
– subsidiair, het beroep ongegrond te verklaren;
– verzoekster in de kosten te verwijzen.
26 In haar antwoord op de vraag van het Gerecht heeft verzoekster subsidiair verzocht de Commissie te veroordelen tot betaling van een bedrag van 346 221,20 EUR, vermeerderd met rente overeenkomstig artikel 18, lid 7, van verordening nr. 2519/97, en dienaangaande verwezen naar al hetgeen zij feitelijk en rechtens heeft gesteld in haar verzoekschrift en repliek.
De ontvankelijkheid
27 Volgens artikel 113 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht met inachtneming van het bepaalde in artikel 114, leden 3 en 4, van dit Reglement, in iedere stand van het geding, zelfs ambtshalve, middelen van niet-ontvankelijkheid die van openbare orde zijn, in behandeling nemen, waaronder de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van een beroep in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG (beschikkingen Gerecht van 8 juli 1999, Area Cova e.a./Raad en Commissie, T‑12/96, Jurispr. blz. II‑2301, punt 21, en 13 juli 2004, Comunidad Autónoma de Andalucía/Commissie, T‑29/03, Jurispr. blz. II‑2923, punt 22). Volgens artikel 114, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering geschiedt de verdere behandeling mondeling, tenzij het Gerecht anders beslist.
28 In casu acht het Gerecht zich door de stukken voldoende ingelicht om zonder mondelinge behandeling te kunnen beslissen.
Argumenten van partijen
29 Volgens de Commissie is het beroep niet-ontvankelijk omdat de brief van 23 mei 2003 geen voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG is.
30 Volgens de Commissie is de bestreden handeling een zuiver contractuele en niet een eenzijdige handeling als bedoeld in artikel 249 EG, waarvan overeenkomstig artikel 230, vierde alinea, EG nietigverklaring door de gemeenschapsrechter kan worden gevorderd (beschikkingen Gerecht van 3 oktober 1997, Mutual Aid Administration Services/Commissie, T‑186/96, Jurispr. blz. II‑1633, punten 49‑50; 9 januari 2001, Innova/Commissie, T‑149/00, Jurispr. blz. II‑1, punt 28, en 25 november 2003, IAMA Consulting/Commissie, T‑85/01, Jurispr. blz. II‑4973).
31 Dienaangaande stelt de Commissie dat verzoekster krachtens het arbitragebeding in artikel 24 van verordening nr. 2519/97 een vordering tot betaling van het door de Commissie ingehouden bedrag van 346 221,20 EUR had moeten instellen om een uitvoerbaar arrest overeenkomstig de artikelen 244 EG en 256 EG te verkrijgen.
32 Subsidiair stelt de Commissie dat de bestreden handeling hoe dan ook geen voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG is, aangezien zij slechts strekt tot bevestiging van een eerdere handeling die niet tijdig is aangevochten.
33 Bovendien stelt de Commissie dat het door verzoekster in haar antwoord op de schriftelijke vraag van het Gerecht ingediende nieuwe subsidiaire verzoek niet-ontvankelijk is. Haars inziens is dit nieuwe verzoek te laat ingediend en dus niet-ontvankelijk.
34 Volgens verzoekster is haar beroep ontvankelijk aangezien de brief van 23 mei 2003 een voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG is.
35 Dienaangaande stelt zij dat het contractuele karakter van de betrekkingen tussen haar en de Commissie niet in de weg staat aan een beroep tot nietigverklaring (arresten Hof van 12 december 1990, Vandemoortele/Commissie, C‑172/89, Jurispr. blz. I‑4677, en 21 maart 1991, Haniel Spedition/Commissie, C‑226/89, Jurispr. blz. I‑1599).
36 Bovendien hoeft volgens verzoekster geen vordering tot betaling te worden ingesteld, aangezien de tenuitvoerlegging van het eventuele arrest van het Gerecht waarbij haar conclusies tot nietigverklaring worden toegewezen, de verplichting tot betaling van het ingehouden bedrag meebrengt voor de Commissie.
37 Ten slotte merkt verzoekster op dat, anders dan in de zaken die hebben geleid tot de beschikkingen Mutual Aid Administration Services/Commissie en Innova/Commissie, punt 30 hierboven, artikel 24 van verordening nr. 2519/97 in casu uitdrukkelijk in de bevoegdheid van de gemeenschapsrechter voorziet.
Beoordeling door het Gerecht
38 Zoals herhaaldelijk is vastgesteld, kent artikel 230 EG de gemeenschapsrechter een uitsluitende bevoegdheid toe tot toetsing van de rechtmatigheid van de in artikel 249 bedoelde handelingen die de instellingen onder de in het Verdrag gestelde voorwaarden verrichten (zie beschikking Gerecht van 10 mei 2004, Musée Grévin/Commissie, T‑314/03 en T‑378/03, Jurispr. blz. II‑1421, punt 63, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
39 Handelingen van instellingen die zijn verricht in een zuiver contractuele context waarmee zij onlosmakelijk zijn verbonden, behoren daarentegen naar hun aard niet tot de in artikel 249 EG bedoelde handelingen (beschikkingen Gerecht van 10 juli 2002, Comitato organizzatore del convegno internazionale/Commissie, T‑387/00, Jurispr. blz. II‑3031, punt 39; IAMA Consulting/Commissie, aangehaald in punt 30 hierboven, punt 53, en Musée Grévin/Commissie, aangehaald in punt 38 hierboven, punt 64).
40 Blijkens de rechtspraak is het Gerecht ingevolge artikel 225 EG juncto artikel 238 EG slechts krachtens een arbitragebeding bevoegd uitspraak te doen in geschillen van contractuele aard, die door natuurlijke of rechtspersonen bij hem worden aangebracht. Anders zou het zijn rechtsprekende bevoegdheid uitbreiden tot andere geschillen dan die welke ingevolge artikel 240 EG exclusief tot zijn kennisneming behoren, terwijl die bepaling de gewone bevoegdheid inzake geschillen waarbij de Gemeenschap partij is, aan de nationale rechterlijke instanties voorbehoudt (zie beschikking Musée Grévin/Commissie, aangehaald in punt 38 hierboven, punt 65, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
41 Gelet op het voorgaande dient te worden nagegaan of de bestreden handeling van contractuele aard is.
42 Blijkens de gemeenschapsregeling betreffende het voedselhulpbeleid en het beheer van de voedselhulp wordt de voedselhulp op contractuele basis verstrekt (arrest Hof van 11 februari 1993, Cebag/Commissie, C‑142/91, Jurispr. blz. I‑553, punt 11). Volgens artikel 24, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 1292/96 van de Raad van 27 juni 1996 betreffende het voedselhulpbeleid en het beheer van de voedselhulp en van de specifieke acties ter ondersteuning van de voedselzekerheid (PB, L 166, blz. 1) bepaalt de Commissie namelijk „de voorwaarden voor de levering en uitvoering van de hulp, en met name:
– de algemene clausules die op de begunstigden van toepassing zijn;
– het inleiden van de procedures voor beschikbaarstelling en levering van de producten en de uitvoering van de andere acties, alsmede het afsluiten van de desbetreffende contracten”.
43 In casu stelt het Gerecht vast dat verordening nr. 2519/97 de algemene voorschriften voor de beschikbaarstelling van als communautaire voedselhulp te leveren producten vermeldt, in het bijzonder de algemene voorschriften voor levering, de procedures voor het plaatsen van opdrachten, de in het aanbestedingsbericht te vermelden posten, alsook de rechten en plichten van de leverancier. De bijzondere voorschriften volgens welke een specifieke beschikbaarstelling van producten moet plaatsvinden, zoals die betreffende het beschikbaar te stellen product alsook betreffende de kwaliteit en hoeveelheid ervan, de prijs en de leveringstermijn worden in het aanbestedingsbericht vastgesteld.
44 Blijkens het dossier heeft de Commissie een voedselhulpactie ten behoeve van Noord-Korea uitgeschreven, bestaande in de levering van een bepaalde hoeveelheid meststoffen. Na de indiening van haar offerte is deze opdracht aan verzoekster gegund, die aanvaard heeft deze uit te voeren overeenkomstig de voorwaarden van het aanbestedingsbericht en verordening nr. 2519/97.
45 Als gevolg van de aanbesteding van de Commissie en de aanvaarding van de betrokken leveringsopdracht door verzoekster zijn de bepalingen van verordening nr. 2519/97 en de voorwaarden van het aanbestedingsbericht deel gaan uitmaken van een leveringsovereenkomst tussen de twee partijen bij het onderhavige geschil.
46 De contractuele aard van de betrekkingen tussen partijen volgt ook uit artikel 24 van verordening nr. 2519/97, dat het Gerecht bij uitsluiting bevoegd verklaart om te oordelen over ieder geschil in verband met de uitvoering, de niet-uitvoering of de uitlegging van de voorschriften betreffende leveringen die overeenkomstig deze verordening geschieden. Deze bepaling moet worden beschouwd als een arbitragebeding in de zin van artikel 238 EG (arrest Gerecht van 19 september 2001, Lecureur/Commissie, T‑26/00, Jurispr. blz. II‑2623, punt 39).
47 Voorts is het onderhavige geschil van contractuele aard, omdat de betrokken inhouding, zoals overigens verzoekster ook toegeeft, op artikel 22, lid 4, van verordening nr. 2519/97 is gebaseerd, dat deel uitmaakt van de clausules van de overeenkomst die de betrekkingen tussen partijen regelt.
48 De bestreden handeling, die de inhouding van een bedrag van 346 221,20 EUR betreft, vormt namelijk de sanctie voor de niet-uitvoering van een van verzoeksters contractuele verplichtingen, en in het bijzonder voor de te late levering van het betrokken product.
49 Wat dit aangaat, is beslist dat de handeling waarbij de Commissie weigert de door verzoekster gevraagde volledige vervoerprijs te betalen, van contractuele aard is, daar zij niet los kan worden gezien van de verplichting van de Commissie de vervoerder de prijs te betalen die de tegenprestatie van het verrichte vervoer vormt (beschikking Mutual Aid Administration Services/Commissie, aangehaald in punt 30 hierboven, punt 49).
50 Zo ook moet in casu worden geoordeeld dat de bestreden handeling niet los kan worden gezien van de contractuele verhouding tussen de partijen bij het onderhavige geschil en dus niet kan worden beschouwd als een handeling in de zin van artikel 249 EG, die vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230 EG.
51 Ondanks de contractuele aard van het onderhavige geschil en van de bestreden handeling heeft verzoekster evenwel geen vordering krachtens artikel 238 EG ingesteld bij het Gerecht, maar een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230 EG.
52 Zij kwalificeert haar vordering immers als een beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 230 EG en verzoekt de bestreden handeling, waarbij de Commissie verzoekster kennis heeft gegeven van de inhouding van het litigieuze bedrag wegens vertraging bij de levering van het product, onrechtmatig en dus nietig te verklaren.
53 Zoals reeds vermeld, behoren handelingen als de onderhavige, verricht in een zuiver contractuele context waarmee zij onlosmakelijk zijn verbonden, reeds naar hun aard niet tot de in artikel 249 EG bedoelde handelingen die vatbaar zijn voor nietigverklaring door de gemeenschapsrechter krachtens artikel 230 EG.
54 Het is juist dat het Gerecht in zaken waarin bij hem beroep tot nietigverklaring was ingesteld hoewel het geschil eigenlijk van contractuele aard was, bereid is geweest het beroep te herkwalificeren (arrest Gerecht Lecureur/Commissie, aangehaald in punt 46 hierboven, punt 38). In casu acht het Gerecht een dergelijke herkwalificatie niet aangewezen. Enerzijds heeft verzoekster, zoals blijkt uit punt 9 van de repliek, er uitdrukkelijk van afgezien betaling te vorderen krachtens artikel 238 EG. Zij acht een dergelijke vordering in casu namelijk niet noodzakelijk, omdat de Commissie hoe dan ook verplicht is haar het gevraagde bedrag te betalen ter uitvoering van een eventueel arrest waarbij haar conclusies tot nietigverklaring worden toegewezen.
55 Het Gerecht is evenwel van oordeel dat de door verzoekster om haar moverende redenen gemaakte keuze geen wijziging kan brengen in de ontvankelijkheidsvoorwaarden van het beroep tot nietigverklaring zoals die in het Verdrag zijn bepaald.
56 Anderzijds heeft verzoekster zich in punt 10 van de repliek ook beroepen op artikel 24 van verordening nr. 2519/97 en op het daarin vervatte arbitragebeding om de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep tot nietigverklaring te rechtvaardigen.
57 In haar antwoord op de schriftelijke vraag van het Gerecht heeft verzoekster in punt 5 evenwel uitdrukkelijk gesteld dat het beroep tot nietigverklaring in het onderhavige geval de enig juiste rechtsgang was, en tegelijk opnieuw gesteld dat het niet nodig was betaling krachtens artikel 238 EG te vorderen. In punt 2 van haar antwoord op de schriftelijke vraag van het Gerecht heeft zij gesteld dat artikel 24 van verordening nr. 2519/97 de beroepsmogelijkheden van het Verdrag niet beperkt en in het bijzonder niet de instelling van een beroep tot nietigverklaring uitsluit.
58 In de punten 4 tot en met 8 van haar antwoord op de schriftelijke vraag van het Gerecht heeft verzoekster eraan toegevoegd dat de bestreden handeling, anders dan in de zaken die aanleiding hebben gegeven tot de beschikkingen Mutual Aid Administration Services/Commissie en Innova/Commissie, aangehaald in punt 30 hierboven, op basis van het afgeleide gemeenschapsrecht is vastgesteld; in die zaken berustten de bestreden beschikkingen, afgezien van het feit dat geen sprake was van een arbitragebeding, uitsluitend op de overeenkomst tussen partijen. Artikel 230 EG, aldus verzoekster verder, vormt evenwel de rechtsgang waarin het Verdrag voorziet voor de toetsing van de rechtmatigheid van handelingen van de gemeenschapsinstellingen als die waartegen dit beroep is gericht. Dit argument kan in casu evenwel niet worden aanvaard. De contractuele aard van het onderhavige geschil kan namelijk niet worden ontkend alleen omdat de bestreden handeling op basis van een verordening en niet van een overeenkomst is vastgesteld. Er dient namelijk aan te worden herinnerd dat de inhoud van verordening nr. 2519/97 in casu deel uitmaakt van de contractuele clausules tussen de partijen bij het onderhavige geding.
59 In haar antwoord op de schriftelijke vraag van het Gerecht heeft verzoekster ten slotte nog subsidiair gevorderd, de Commissie te veroordelen tot de betaling van een bedrag van 346 221,20 EUR. In ditzelfde antwoord heeft zij evenwel, zoals reeds vermeld (zie de punten 57 en 58), ook uitdrukkelijk erop aangedrongen haar beroep als een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230 EG te beschouwen. In deze omstandigheden acht het Gerecht het niet mogelijk om verzoeksters vordering tot nietigverklaring waarmee zij in het verzoekschrift het voorwerp van het onderhavige geschil heeft afgebakend jegens de Commissie en het Gerecht, te herkwalificeren in de zin van de in punt 54 hierboven aangehaalde rechtspraak.
60 Verzoeksters subsidiaire vordering in haar antwoord op de vraag van het Gerecht, de Commissie te veroordelen tot betaling van 346 221,20 EUR, vormt namelijk een nieuwe vordering die het voorwerp van het geschil zoals vastgelegd in het verzoekschrift uitbreidt, niet voldoet aan de vereisten van artikel 44, lid 1, juncto 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering en derhalve niet-ontvankelijk is (zie arresten Gerecht van 12 juli 2001, Banatrading/Raad, T‑3/99, Jurispr. blz. II‑2123, punt 29, en 11 januari 2002, Biret & Cie/Raad, T‑210/00, Jurispr. blz. II‑47, punt 49, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
61 Ten overvloede merkt het Gerecht op dat zelfs wanneer – wat niet het geval is – de bestreden handeling als een voor beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 230, tweede alinea, EG vatbare handeling zou zijn te beschouwen, dit beroep hoe dan ook niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De bestreden handeling bevestigt namelijk alleen de afwijzing van verzoeksters verzoek door de Commissie op 21 december 2001, waartegen verzoekster op 22 maart 2002 en 25 oktober 2002 bezwaar heeft gemaakt, dat door de Commissie op 16 september 2002 en 23 mei 2003 andermaal is afgewezen (zie punten 16‑21 hierboven).
62 Volgens vaste rechtspraak kan een handeling die een zuivere bevestiging van een eerdere handeling is, niet worden aangevochten zodat een beroep daartegen niet-ontvankelijk is (zie arresten Hof van 25 oktober 1977, Metro/Commissie, 26/76, Jurispr. blz. 1875, punt 4; en 5 mei 1998, Verenigd Koninkrijk/Commissie, C‑180/96, Jurispr. blz. I‑2265, punten 27 en 28; beschikking Gerecht van 10 juni 1998, Cementir/Commissie, T‑116/95, Jurispr. blz. II‑2261, punt 19, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
63 In casu wordt in de bestreden handeling geweigerd verzoekster het bedrag van 346 221,20 EUR te betalen, dat is ingehouden op het door verzoekster gevraagde totaalbedrag, zonder dat het standpunt van de Commissie in haar faxbericht van 21 december 2001 wordt gewijzigd. De bestreden handeling bevestigt namelijk alleen dit faxbericht van 21 december 2001. Het onderhavige beroep is dus hoe dan ook niet-ontvankelijk.
64 Gelet op de voorgaande overwegingen moet het onderhavige beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
65 Voor het overige staat het verzoekster vrij een beroep krachtens artikel 238 EG in te stellen bij het Gerecht, onverminderd de vraag of een dergelijk beroep gegrond is.
Kosten
66 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten, voorzover dit is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij conform de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Verzoekster wordt verwezen in de kosten.
Luxemburg, 9 juni 2005.
De griffier
De president van de Derde kamer
H. Jung
M. Jaeger
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy