Gevoegde zaken T‑314/03 en T‑378/03
Musée Grévin SA
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„PHARE/JOP-programma – Project voor oprichting van gezamenlijke onderneming in Polen – Communautaire financiering –Terugvordering van alle betaalde gelden – Arbitragebeding – Beroep tot nietigverklaring – Niet‑ontvankelijkheid”
Beschikking van het Gerecht (Derde kamer) van 10 mei 2004
Samenvatting van de beschikking
1. Beroep tot nietigverklaring – Beroep dat in werkelijkheid geschil inzake overeenkomst betreft – Onbevoegdheid van gemeenschapsrechter – Niet-ontvankelijkheid
(Art. 225 EG, 230 EG, 238 EG, 240 EG en 249 EG)
2. Beroep tot nietigverklaring – Beroep dat in werkelijkheid geschil inzake overeenkomst betreft – Herkwalificatie van beroep – Uitgesloten
(Art. 230 EG en 238 EG; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 44, lid 1, sub c)
1. Een beroep tot nietigverklaring van de brieven van de Commissie houdende terugvordering van de gelden die als subsidie zijn betaald in het kader van het JOP-programma, dat zelf in het kader van het PHARE-programma ten uitvoer is gelegd, is niet-ontvankelijk aangezien deze brieven vallen binnen een louter contractueel kader waarmee zij onlosmakelijk zijn verbonden, en naar hun aard niet behoren tot de in artikel 249 EG bedoelde handelingen waarvan krachtens artikel 230 EG aan de gemeenschapsrechter nietigverklaring kan worden gevraagd.
(cf. punten 85, 87)
2. Het Gerecht kan in een zaak waarin bij hem een beroep tot nietigverklaring is ingesteld terwijl het geschil in werkelijkheid een overeenkomst betreft, het beroep niet herkwalificeren, wanneer in de eerste plaats, verzoekster zelf in haar memories met zoveel woorden te kennen heeft gegeven dat het beroep niet op artikel 238 EG is gebaseerd, en zij in de tweede plaats, in strijd met wat artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering voorschrijft, zelfs geen summiere uiteenzetting heeft gegeven van een middel, argument of grief betreffende schending van het recht van de lidstaat, dat volgens het in de overeenkomst opgenomen arbitragebeding op deze overeenkomst van toepassing is.
(cf. punt 88)
BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Derde kamer)
10 mei 2004 (*)
„PHARE/JOP-programma – Project voor oprichting van gezamenlijke onderneming in Polen – Gemeenschapsfinanciering – Verzoek om terugbetaling van alle uitbetaalde middelen – Arbitragebeding – Beroep tot nietigverklaring – Niet-ontvankelijkheid”
In de gevoegde zaken T‑314/03 en T‑378/03,
Musée Grévin SA, gevestigd te Parijs (Frankrijk), vertegenwoordigd door B. Geneste en O. Davidson, advocaten,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Sack en G. Boudot als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van de brieven van de Commissie van 8 juli en 30 september 2003 aan Crédit Lyonnais, houdende terugvordering van de middelen die als subsidie aan verzoekster zijn uitbetaald in het kader van het JOP-programma, faciliteit 2,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: J. Azizi, kamerpresident, M. Jaeger en F. Dehousse, rechters,
griffier: H. Jung,
de navolgende
Beschikking
Rechtskader
1 Het communautaire PHARE-programma, dat gebaseerd is op verordening (EEG) nr. 3906/89 van de Raad van 18 december 1989 betreffende economische hulp ten gunste van de Republiek Hongarije en de Volksrepubliek Polen (PB L 375, blz. 11), zoals gewijzigd met het oog op de uitbreiding van de economische hulp tot andere landen van Midden‑ en Oost-Europa, vormt het kader van de economische hulp van de Europese Gemeenschap aan de landen van Midden‑ en Oost-Europa (hierna: „LMOE”) voor het voeren van acties ter ondersteuning van de economische en sociale hervormingen in die landen.
2 Bij de op 22 februari 1991 in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen gepubliceerde bekendmaking „Programma ter bevordering van de oprichting van gemengde ondernemingen in de [LMOE] – Blijken van belangstelling van financiële instellingen” (PB C 46, blz. 11) (hierna: „bekendmaking van 22 februari 1991”), deelde de Commissie mee dat zij had besloten in het kader van het PHARE-programma een programma ter bevordering van particuliere investeringen in de LMOE ten uitvoer te leggen door middel van de oprichting en de ontwikkeling van gemengde ondernemingen (joint ventures) tussen ondernemingen van de Europese Gemeenschap (met name kleine en middelgrote ondernemingen) en lokale partners (hierna: „JOP-programma”).
3 Volgens die bekendmaking wordt het JOP-programma beheerd door een netwerk van financiële bemiddelaars die op basis van de in de bekendmaking genoemde criteria door de Commissie worden geselecteerd (punt 1). Dit netwerk heeft als voornaamste taak het programma te bevorderen, potentiële investeerders te identificeren, de voorgestelde projecten te beoordelen en de aan de begunstigden toegekende gemeenschapsmiddelen te beheren (punt 3). Daartoe sluit de Commissie met elke geselecteerde financiële bemiddelaar een overeenkomst waarin de bepalingen betreffende de opdracht van die bemiddelaar zijn opgenomen (punt 4).
Relevante overeenkomsten
4 Op 1 februari 1996 sloten de Commissie en de financiële instelling Crédit Lyonnais (hierna: „CL”) in het kader van het JOP-programma een raamovereenkomst ter bepaling van de modaliteiten van hun samenwerking met het oog op de bevordering van investeringen in de LMOE, met name door middel van de oprichting van gezamenlijke ondernemingen.
5 Om in aanmerking te komen voor financiering van een bepaald project overeenkomstig de raamovereenkomst, moet volgens artikel 1.1 van deze overeenkomst eerst door de financiële bemiddelaar, in casu CL, een „aanvraag” worden ingediend bij de Commissie, die het project moet goedkeuren. Vervolgens moeten twee overeenkomsten worden gesloten, namelijk in de eerste plaats een specifieke overeenkomst tussen de Commissie en de financiële instelling, waarin de modaliteiten van de financiering van het project worden bepaald, en in de tweede plaats een „financieringsovereenkomst” tussen de financiële bemiddelaar en de begunstigde, waarin wordt bepaald volgens welke modaliteiten die bemiddelaar de gemeenschapsgelden voor het betrokken project namens de Commissie aan de begunstigde ter beschikking stelt.
6 Volgens artikel 3.2 van de raamovereenkomst bestaat de samenwerking in het kader van „faciliteit 2” van het programma in de financiering van (vóór‑)haalbaarheidsstudies die worden verricht alvorens wordt gestart met de voorbereidingen voor de uitvoering van het project voor de oprichting van een gezamenlijke onderneming.
7 In de artikelen 6.3.1 en 6.3.2 van de raamovereenkomst is bepaald dat, tot een bepaald maximum, 50 % van de subsidiabele kosten van vóór-haalbaarheidsstudies wordt vergoed, respectievelijk een renteloos voorschot ten bedrage van 50 % van de subsidiabele kosten van haalbaarheidsstudies wordt verstrekt. Volgens artikel 6.3.3 van de raamovereenkomst neemt de Commissie, tot een bepaald maximum, alle voor financiering in aanmerking komende kosten van de haalbaarheidsstudie voor haar rekening indien het project daadwerkelijk wordt uitgevoerd. In artikel 10.2 van de raamovereenkomst worden de subsidiabele kosten gedefinieerd.
8 Volgens artikel 7.1 van de raamovereenkomst is CL als financieel bemiddelaar belast met het beheer van de betrokken fondsen namens de Gemeenschap. Uit dien hoofde is zij met name verantwoordelijk voor alle betalingen aan of van de begunstigden.
9 Artikel 18.3 van de raamovereenkomst bepaalt dat de financiële bemiddelaar, indien de begunstigde niet de vereiste bewijsstukken betreffende het gebruik van de fondsen voor subsidiabele doeleinden overlegt, de door de Commissie voorgeschoten bedragen van de begunstigde moet terugvorderen.
10 Volgens artikel 20.1 van de raamovereenkomst is op deze overeenkomst en op de andere op enig moment tussen de Commissie en CL geldende regelingen Luxemburgs recht van toepassing. In artikel 20.2 van deze overeenkomst wordt de gemeenschapsrechter overeenkomstig artikel 238 EG bij uitsluiting bevoegd verklaard om gedingen over de geldigheid, de uitlegging of de toepassing van de overeenkomst te beslechten.
11 Op 25 juni 1996 ontving de Commissie via CL verzoeksters aanvraag om gemeenschapsfinanciering in het kader van „faciliteit 2” van het JOP-programma voor de oprichting van een gezamenlijke onderneming in Polen op het gebied van het cultureel toerisme. In die aanvraag was verzoekster als begunstigde van het project aangewezen.
12 Nadat zij de aanvraag had goedgekeurd, zond de Commissie CL op 12 november 1996 een ontwerp van een specifieke overeenkomst waarin overeenkomstig de bepalingen van de raamovereenkomst de rechten en verplichtingen van de partijen waren vastgelegd. Op 19 november 1996 ondertekende CL de specifieke overeenkomst.
13 Artikel 8 van de specifieke overeenkomst bepaalt dat de begunstigde overeenkomstig artikel 18.3 van de raamovereenkomst kan worden verplicht de gemeenschapsmiddelen terug te betalen.
14 Volgens artikel 11 van de specifieke overeenkomst is op deze overeenkomst Luxemburgs recht van toepassing en is de gemeenschapsrechter overeenkomstig artikel 238 EG bij uitsluiting bevoegd om gedingen over de geldigheid, de uitlegging of de toepassing van de overeenkomst te beslechten.
15 Op 26 november 1996 sloten CL en verzoekster een financieringsovereenkomst.
16 Volgens artikel 2 van deze financieringsovereenkomst kent CL als gemachtigde van de Commissie aan verzoekster een renteloos voorschot toe ten bedrage van maximaal 53 362 euro, welk bedrag overeenkomt met 50 % van de subsidiabele kosten van de haalbaarheidsstudie voor het betrokken project. Artikel 3.1 van deze overeenkomst bepaalt dat dit voorschot overeenkomstig de voorwaarden van de overeenkomst aan verzoekster zal worden uitbetaald in twee opeenvolgende tranches van maximaal 32 017 euro en 21 345 euro.
17 Volgens artikel 4 van de financieringsovereenkomst zijn de subsidiabele kosten de met de inschakeling van externe en interne deskundigen verband houdende kosten die verzoekster heeft gemaakt of waarvoor zij verplichtingen is aangegaan met het oog op de uitvoering van de haalbaarheidsstudie.
18 Artikel 6.2.3 van de financieringsovereenkomst bepaalt dat CL, indien de aan haar toegezonden bewijsstukken niet door haarzelf en door de Commissie worden aanvaard, of indien een subsidiabele uitgave kennelijk in geen enkele verhouding staat tot de kwaliteit en de omvang van de haalbaarheidsstudie, namens de Commissie alle dan wel een deel van de aan verzoekster ter beschikking gestelde fondsen kan terugvorderen.
19 Wanneer het voor verzoekster onmogelijk blijkt te zijn het project vóór de gestelde uiterste datum daadwerkelijk uit te voeren, kan volgens artikel 6.3 van de financieringsovereenkomst het aan haar verstrekte renteloos voorschot toch in een subsidie worden omgezet wanneer zij de haalbaarheidsstudie ter beschikking stelt van de Commissie, die dan naar eigen goeddunken over die studie kan beschikken.
20 Volgens artikel 9.1.1 van de financieringsovereenkomst verbindt verzoekster zich ertoe, de haar ter beschikking gestelde geldelijke middelen uitsluitend te gebruiken om de voor subsidie in aanmerking komende kosten te dekken. Volgens artikel 9.1.5 van de financieringsovereenkomst dient verzoekster de diensten van de Commissie in de gelegenheid te stellen, alle noodzakelijk geachte verificaties, controles en beoordelingen te verrichten, alsmede hun alle gevraagde documenten en inlichtingen te verstrekken.
21 Volgens artikel 14 van de financieringsovereenkomst is op de geldigheid, de uitlegging en de uitvoering van deze overeenkomst Luxemburgs recht van toepassing.
22 Luidens artikel 15 van de financieringsovereenkomst is „het Hof van Justitie bij uitsluiting bevoegd kennis te nemen van eventuele geschillen die in verband met de financieringsovereenkomst of de consequenties van deze overeenkomst zullen rijzen”.
De aan het geschil ten grondslag liggende feiten
23 Overeenkomstig de financieringsovereenkomst betaalde de Commissie op 20 januari 1997 een bedrag van 8 710 euro aan CL bij wijze van vergoeding van de subsidiabele kosten van de vóór‑haalbaarheidsstudie betreffende het project. Diezelfde dag betaalde zij aan CL bovendien een renteloos voorschot ten bedrage van 32 017 euro, overeenkomende met 60 % van het te haren laste komende deel van de subsidiabele kosten van de haalbaarheidsstudie.
24 Op 16 maart 1998 werd de haalbaarheidsstudie betreffende het betrokken project toegezonden aan de Commissie.
25 Op 15 december 1998 betaalde de Commissie overeenkomstig de financieringsovereenkomst een renteloos voorschot ad 16 871 euro aan CL, overeenkomende met de resterende 40 % van het te haren laste komende deel van de subsidiabele kosten van de haalbaarheidsstudie.
26 Bij brief van 14 januari 2000, die op 7 april daaraanvolgend aan CL werd toegezonden, gaf de Commissie te kennen dat zij nota had genomen van het feit dat de gezamenlijke onderneming waarop de financieringsovereenkomst betrekking had, niet was gerealiseerd, en verklaarde zij zich bereid de renteloze voorschotten die waren verstrekt om de haalbaarheidsstudie te financieren, om te zetten in een subsidie van 48 888 euro.
27 Bij faxbericht van 13 november 2002 stelde de Commissie CL ervan in kennis dat zij voornemens was een verificatie te verrichten in de kantoren van verzoekster, waarmee zij met name wilde controleren of verzoekster de in verband met de haalbaarheidsstudie gedeclareerde kosten daadwerkelijk had gemaakt dan wel daarvoor verplichtingen was aangegaan. Daartoe verzocht zij CL, zich ervan te vergewissen dat verzoekster haar in het bijzonder inzage zou verlenen in de originelen van de relevante bewijsstukken. Zij verklaarde ook dat zij, indien niet aan die eisen zou worden voldaan, zich het recht voorbehield de reeds uitbetaalde middelen terug te vorderen.
28 Op 8 november 2002 vond de genoemde verificatie in verzoeksters lokalen plaats.
29 Bij faxbericht van 13 november 2002 zond de Commissie CL de lijst van de originele bewijsstukken die zij bij de verificatie niet had kunnen inzien, en verzocht zij om overlegging van die stukken vóór 15 december 2002. Zij preciseerde dat zij, wanneer niet binnen de gestelde termijn aan dat verzoek werd voldaan, zich het recht voorbehield volledige terugbetaling te verlangen van de middelen die verzoekster in het kader van het betrokken project had ontvangen.
30 Bij brieven van 19 december 2002 en 30 januari 2003 deed verzoekster de Commissie enkele van de gevraagde documenten toekomen.
31 In een brief van 8 juli 2003 aan CL (hierna: „brief van 8 juli 2003”) gaf de Commissie te kennen dat verzoekster niet alle gevraagde bewijsstukken had overgelegd en dat zij, aangezien de subsidiabele kosten in verband met de vóór-haalbaarheidsstudie en de haalbaarheidsstudie niet met voldoende bewijsstukken waren gestaafd, niet had aangetoond dat de betrokken gemeenschapsgelden voor de in de financieringsaanvraag genoemde doeleinden waren gebruikt. Ook deelde zij CL mede, dat alle bedragen die verzoekster in het kader van „faciliteit 2” voor het betrokken project uitgekeerd had gekregen, te weten 57 598 euro plus interesten, wat neerkwam op een totaalbedrag van 77 680,97 euro, moesten worden terugbetaald. De Commissie verzocht CL om verzoekster van deze maatregel en van de redenen ervan in kennis te stellen, en deelde haar bovendien mede dat zij, zodra CL de ontvangst van de betrokken bedragen had bevestigd, haar instructies zou verstrekken betreffende de overschrijving van de terug te betalen bedragen naar de rekeningen van de Gemeenschap. Voorts preciseerde de Commissie dat, indien het betrokken bedrag niet binnen een termijn van twee maanden na haar brief zou zijn terugbetaald, CL haar in kennis moest stellen van de te nemen invorderingsmaatregelen.
32 Bij brief van 11 juli 2003 verzocht CL verzoekster, de betrokken bedragen vóór 8 september daaraanvolgend terug te betalen.
33 Bij brief van 8 september 2003 deed verzoekster de Commissie aanvullende bewijsstukken toekomen met het verzoek, op basis van die stukken haar brief van 8 juli 2003 te herzien.
34 Bij brief van 30 september 2003 (hierna: „brief van 30 september 2003”) liet de Commissie CL weten, dat zij bij haar in haar brief van 8 juli 2003 tot uitdrukking gebrachte standpunt bleef. Met name wees zij erop dat verscheidene belangrijke originele documenten niet aan haar waren overgelegd. Zij verzocht CL dan ook, de terug te betalen bedragen te innen en, voor het geval de terugbetaling niet binnen een termijn van twee maanden na die brief had plaatsgevonden, haar in kennis te stellen van de te nemen invorderingsmaatregelen.
35 Bij brief van 6 oktober 2003 verzocht CL verzoekster, de betrokken bedragen vóór 30 oktober 2003 terug te betalen.
36 Bij brief van 5 november 2003 liet CL de Commissie weten, dat zij over alle door verzoekster gerestitueerde bedragen beschikte.
Procedure en conclusies
37 Bij op 15 september 2003 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster beroep ingesteld tegen de brief van 8 juli 2003. Dit beroep is onder nummer T‑314/03 ingeschreven.
38 Bij op 18 november 2003 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster beroep ingesteld tegen de brief van 30 september 2003. Dit beroep is onder nummer T‑378/03 ingeschreven.
39 Tot staving van deze beroepen voert verzoekster een aantal gemeenschappelijke middelen aan, te weten 1) schending van artikel 1 van verordening nr. 1 van de Raad van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (PB 1958, nr. 17, blz. 385); 2) niet-inachtneming van de verjaringstermijn die is bepaald in artikel 3 van verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312, blz. 1); 3) schending van het collegialiteitsbeginsel; 4) onbevoegdheid van degene die de brieven van 8 juli en 30 september 2003 heeft ondertekend; 5) kennelijke beoordelingsfouten; 6) ontbreken van rechtsgrondslag; 7) schending van de in artikel 253 EG geformuleerde motiveringsplicht, en 8) schending van het evenredigheidsbeginsel. Tot staving van haar beroep in zaak T‑314/03 stelt verzoekster bovendien schending van het beginsel van hoor en wederhoor en van de rechten van de verdediging.
40 Bij op 18 december 2003 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft de Commissie in zaak T‑314/03 overeenkomstig artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.
41 Bij op 19 december 2003 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft de Commissie in zaak T‑378/03 overeenkomstig artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.
42 Bij beschikking van de president van de Derde kamer van het Gerecht van 20 januari 2004 zijn de zaken T‑314/03 en T‑378/03 voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling gevoegd.
43 Verzoekster heeft haar opmerkingen over de excepties van niet-ontvankelijkheid ingediend op 1 maart 2004, de datum waarop de schriftelijke behandeling ter zake van de ontvankelijkheid is beëindigd.
44 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
– de in de brieven van 8 juli en 30 september 2003 (hierna: de „bestreden brieven”) vervatte handelingen nietig te verklaren;
– de Commissie in de kosten te verwijzen.
45 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
– de beroepen niet-ontvankelijk te verklaren;
– verzoekster in de kosten te verwijzen.
In rechte
46 Volgens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, indien een partij daarom verzoekt, uitspraak doen over de niet-ontvankelijkheid zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan. Volgens lid 3 van hetzelfde artikel geschiedt de verdere behandeling mondeling, tenzij het Gerecht anders beslist.
47 In casu acht het Gerecht zich voldoende voorgelicht door de processtukken om zonder mondelinge behandeling op de vordering van de Commissie te beslissen.
Argumenten van partijen
48 De Commissie voert tot staving van haar exceptie van niet-ontvankelijkheid van de onderhavige beroepen aan, dat verzoekster zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van procedure door haar beroepen op artikel 230 EG in plaats van op artikel 238 EG te baseren.
49 Zij betoogt in wezen dat de bestreden brieven vallen binnen een contractueel kader, waarmee zij onlosmakelijk verbonden zijn, en dus niet kunnen worden gekwalificeerd als administratieve besluiten die behoren tot de in artikel 249 EG bedoelde handelingen, waarvan krachtens artikel 230, vierde alinea, EG aan de communautaire rechter nietigverklaring kan worden gevraagd (beschikkingen Gerecht van 3 oktober 1997, Mutual Aid Administration Services/Commissie, T‑186/96, Jurispr. blz. II‑1633, punten 50 en 51; 9 januari 2001, Innova/Commissie, T‑149/00, Jurispr. blz. II‑1, punt 28, en 25 november 2003, IAMA Consulting/Commissie, T‑85/01, Jurispr. blz. II‑4973, punt 53).
50 Verzoekster stelt dat zij in haar krachtens artikel 230 EG ingestelde beroepen tot nietigverklaring van de bestreden brieven kan worden ontvangen.
51 Zij beklemtoont om te beginnen dat, ook al is in elk van de drie betrokken overeenkomsten een arbitragebeding opgenomen, er geen rechtstreekse contractuele verhouding tussen haar en de Commissie bestaat. Aangezien de op een arbitragebeding gebaseerde bevoegdheid van de gemeenschapsrechter een afwijking van het gemene recht vormt en derhalve restrictief moet worden uitgelegd (arrest Hof van 18 december 1986, Commissie/Zoubek, 426/85, Jurispr. blz. 4057, punt 11), kunnen dergelijke bedingen enkel worden tegengeworpen aan de partijen bij de overeenkomsten waarin zij zijn opgenomen, en dus niet aan derden.
52 Dit betekent volgens verzoekster dat, aangezien de Commissie en zij geen partij zijn bij dezelfde overeenkomst, de in casu aan de orde zijnde arbitragebedingen niet aan haar kunnen worden tegengeworpen. De situatie in de onderhavige zaken verschilt dan ook van die welke heeft geleid tot de beschikking IAMA Consulting/Commissie (zie boven, punt 49), waarin het arbitragebeding was opgenomen in een tussen de verzoekster en de Commissie gesloten overeenkomst.
53 Ook in de beschikking Mutual Aid Administration Services/Commissie (zie boven, punt 49) lagen de feiten volgens verzoekster volledig anders dan in de onderhavige zaken, aangezien daar door een van de partijen bij een overeenkomst beroep was ingesteld tegen de andere partij, te weten de Commissie, waarmee in werkelijkheid aan het Gerecht werd gevraagd, de Commissie te veroordelen tot nakoming van haar contractuele verplichtingen. Zowel op grond van het attractieve karakter van het contractuele geschil als op grond van de exceptie van het „parallelle beroep” werd het door een der partijen bij de overeenkomst ingestelde beroep tot nietigverklaring terecht niet-ontvankelijk verklaard.
54 Met betrekking tot de beschikking Innova/Commissie (zie boven, punt 49) merkt verzoekster op, dat daarin enkel werd vastgesteld dat het Gerecht, wanneer in een overeenkomst geen arbitragebeding is opgenomen, niet bevoegd is kennis te nemen van het geschil over een besluit van de Commissie om die overeenkomst op te zeggen jegens haar contractpartner, die overeenkomstig de exceptie van het „parallelle beroep” niet op basis van artikel 230 EG nietigverklaring van dat besluit kan vorderen.
55 In deze omstandigheden is verzoekster van mening, dat wegens het ontbreken van een contractuele verhouding tussen haarzelf en de Commissie de onderhavige beroepen tot nietigverklaring ontvankelijk moeten worden geacht. De Commissie kan haar niet het verwijt maken dat zij de onderhavige beroepen niet op basis van artikel 238 EG heeft ingesteld, en tegelijkertijd stellen dat tussen hen beiden geen contractuele betrekkingen bestaan.
56 Volgens verzoekster kan op basis van artikel 230, vierde alinea, EG door een individuele verzoeker beroep worden ingesteld tegen een besluit dat „bindende rechtsgevolgen in het leven roep[t], welke de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen” (arrest Hof van 11 november 1981, IBM/Commissie, 60/81, Jurispr. blz. 2639). Zo moet volgens de rechtspraak onder meer als een voor beroep vatbare handeling worden beschouwd een nauwkeurig en ondubbelzinnig geredigeerde brief waarbij de Commissie een aanvraag om communautaire bijstand afwijst (beschikking Gerecht van 28 april 1994, Pevasa en Inpesca/Commissie, T‑452/93 en T‑453/93, Jurispr. blz. II‑229). Ook een beroep tot nietigverklaring van een beschikking tot vermindering van het totaalbedrag van een communautaire subsidie, is door de gemeenschapsrechter ontvankelijk geacht (arrest Gerecht van 7 maart 1995, Socurte e.a./Commissie, T‑432/93–T‑434/93, Jurispr. blz. II‑503).
57 Volgens verzoekster wil de Commissie met de bestreden brieven bereiken, dat alle aan haar uitgekeerde gemeenschapsmiddelen worden terugbetaald. In die brieven staat expliciet vermeld dat in het totale door verzoekster te restitueren bedrag de over de door verzoekster ontvangen gelden berekende rente is begrepen. Ook wordt daarin een termijn gesteld waarbinnen het totale bedrag moet zijn terugbetaald.
58 Hieruit volgt haars inziens dat de bestreden brieven handelingen zijn die voor haar bindende rechtsgevolgen in het leven roepen, voorzover zij haar gelasten de ontvangen middelen terug te betalen, haar verplichten tot het betalen van rente en, tot slot, haar een termijn stellen waarbinnen het bedrag moet zijn terugbetaald, bij gebreke waarvan het bedrag met dwang zal worden ingevorderd.
59 Verzoekster merkt voorts op dat, gelet op het feit dat zij haar contractuele verplichtingen ten volle is nagekomen, het betrokken terugbetalingsverzoek een verworven recht betreft. Dit verzoek is er namelijk op gericht, aan haar vermogen een voorschot te onttrekken dat haar ter financiering van een project op het gebied van regionale ontwikkeling is toegekend en dat op 14 januari 2000 door de Commissie in een definitieve subsidie is omgezet.
60 Om deze redenen is verzoekster van mening, dat zij in haar beroepen tot nietigverklaring van de bestreden brieven kan worden ontvangen.
Beoordeling door het Gerecht
61 Met haar exceptie van niet-ontvankelijkheid stelt de Commissie dat de onderhavige beroepen ten onrechte gebaseerd zijn op artikel 230 EG.
62 Volgens dit artikel gaat de gemeenschapsrechter de wettigheid na van door de instellingen vastgestelde handelingen die rechtsgevolgen jegens derden beogen.
63 Volgens vaste rechtspraak geldt deze bevoegdheid slechts ten aanzien van de in artikel 249 bedoelde handelingen die de instellingen onder de in het Verdrag gestelde voorwaarden verrichten (beschikking Innova/Commissie, zie boven punt 49, punt 28, en beschikking Gerecht van 10 juli 2002, Comitato organizzatore del convegno internazionale/Commissie, T‑387/00, Jurispr. blz. II‑3031, punt 39).
64 Handelingen van instellingen die zijn verricht in een zuiver contractuele context waarmee zij onlosmakelijk zijn verbonden, behoren daarentegen naar hun aard niet tot de in artikel 249 EG bedoelde handelingen waarvan overeenkomstig artikel 230 EG nietigverklaring door de gemeenschapsrechter kan worden gevorderd (beschikkingen Mutual Aid Administration Services/Commissie, zie boven punt 49, punten 50 en 51; Innova/Commissie, zie boven punt 49, punt 28; Comitato organizzatore del convegno internazionale/Commissie, zie boven punt 63, punt 39, en IAMA Consulting/Commissie, zie boven punt 49, punt 53).
65 Het is vaste rechtspraak dat het Gerecht ingevolge het bepaalde in artikel 225 EG juncto artikel 238 EG slechts krachtens een arbitragebeding bevoegd is uitspraak te doen in geschillen van contractuele aard, die door natuurlijke of rechtspersonen bij hem worden aangebracht. Anders zou het zijn rechtsprekende bevoegdheid uitbreiden tot andere geschillen dan die welke ingevolge artikel 240 EG exclusief tot zijn kennisneming behoren, terwijl die bepaling de gewone bevoegdheid inzake geschillen waarbij de Gemeenschap partij is, aan de nationale rechterlijke instanties voorbehoudt (beschikkingen Mutual Aid Administration Services/Commissie, zie boven punt 49, punt 47; Innova/Commissie, zie boven punt 49, punt 25, en Comitato organizzatore del convegno internazionale/Commissie, zie boven punt 63, punt 37).
66 In casu moet derhalve worden onderzocht, of de bestreden brieven moeten worden gerekend tot de in artikel 249 EG bedoelde handelingen waarvan de nietigverklaring ingevolge artikel 230 EG tot de uitsluitende bevoegdheid van de gemeenschapsrechter behoort, dan wel of zij integendeel een contractueel karakter hebben.
67 Om te beginnen moet worden vastgesteld dat de rechtsverhouding die het voorwerp van het onderhavige geding is, binnen een contractueel kader valt.
68 Verordening nr. 3906/89, zoals gewijzigd, waarop het PHARE-programma gebaseerd is, definieert namelijk enkel de algemene voorwaarden die gelden voor de communautaire economische steunverlening aan de betrokken landen. Met name stelt zij de gebieden vast waarop de maatregelen moeten worden genomen, en bepaalt zij in welke vorm de steun moeten worden verleend. De verordening bevat daarentegen geen bepaling over de algemene of bijzondere modaliteiten volgens welke elke specifieke actie door de Gemeenschap wordt gefinancierd.
69 In de mededeling van 22 februari 1991 is met zoveel woorden bepaald dat de in het kader van het JOP-programma toegekende gemeenschapsmiddelen worden beheerd door een netwerk van financiële bemiddelaars, die daartoe een „overeenkomst” sluiten met de Commissie. Volgens de mededeling moet deze overeenkomst „de bepalingen betreffende de [aan de financiële bemiddelaars verleende] opdracht” bevatten.
70 Zo hebben in casu de Commissie en CL, in haar hoedanigheid van financieel bemiddelaar, een raamovereenkomst gesloten waarin de algemene modaliteiten van hun samenwerking met het oog op de bevordering van investeringen in de LMOE, met name door middel van de oprichting van gezamenlijke ondernemingen, zijn geregeld. Volgens de raamovereenkomst vereist de uitvoering ervan met betrekking tot een bepaald project de totstandkoming van twee overeenkomsten, namelijk in de eerste plaats een specifieke overeenkomst tussen de Commissie en de financiële bemiddelaar, waarin de bijzondere modaliteiten van de financiering van dat project worden bepaald, en in de tweede plaats een financieringsovereenkomst tussen de financiële bemiddelaar en de begunstigde, in casu verzoekster, waarin wordt bepaald volgens welke modaliteiten de gemeenschapsmiddelen ter financiering van de subsidiabele kosten van het project door de namens de Commissie handelende financiële bemiddelaar aan de begunstigde ter beschikking worden gesteld. De financieringsovereenkomst verplicht verzoekster met name om de toegekende gemeenschapsmiddelen uitsluitend te gebruiken ter dekking van de voor subsidie in aanmerking komende kosten.
71 Hieruit volgt dat de betrekkingen tussen enerzijds de Commissie en CL en anderzijds CL en verzoekster kunnen worden geacht contractueel van aard te zijn, aangezien alle modaliteiten van de financiering van het betrokken project zijn vastgelegd in de overeenkomsten die zijn gesloten tussen de Commissie en CL, respectievelijk tussen CL, in haar hoedanigheid van gemachtigde van de Commissie, en verzoekster (zie in die zin arrest Hof van 11 februari 1993, Cebag/Commissie, C‑142/91, Jurispr. blz. I‑553, punten 11‑13, en arrest Gerecht van 9 oktober 2002, Hans Fuchs/Commissie, T‑134/01, Jurispr. blz. II‑3909, punten 51‑53).
72 Het bestaan van die contractuele betrekkingen wordt overigens bevestigd door de in elk van de betrokken overeenkomsten opgenomen clausule volgens welke het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is om gedingen over de geldigheid, de uitlegging of de toepassing van die overeenkomsten te beslechten. Deze clausule heeft immers redelijkerwijs enkel zin, indien er een contractuele verhouding tussen de partijen bestaat (zie in die zin arrest Hans Fuchs/Commissie, zie boven punt 71, punt 54).
73 Het voorwerp van het onderhavige geding houdt rechtstreeks verband met de in de betrokken overeenkomsten opgenomen bepalingen, aangezien het geschil betrekking heeft op de in de bestreden brieven verlangde restitutie van de gemeenschapsgelden. Zoals met name uit artikel 18.3 van de raamovereenkomst, artikel 8 van de specifieke overeenkomst en artikel 6.2.3 van de financieringsovereenkomst blijkt, is deze restitutie de sanctie op de niet-nakoming door verzoekster van haar verplichting om de haar ter beschikking gestelde middelen te gebruiken ter dekking van de voor subsidie in aanmerking komende kosten, en om dat gebruik met bewijsstukken te staven (zie in die zin beschikkingen Innova/Commissie, zie boven punt 49, punt 27, en IAMA Consulting/Commissie, zie boven punt 49, punt 44).
74 Ondanks het contractuele kader van de rechtsbetrekking die het voorwerp vormt van het onderhavige geding, moet worden vastgesteld dat de onderhavige zaken geen beroepen krachtens artikel 238 EG, maar beroepen tot nietigverklaring krachtens artikel 230 EG betreffen.
75 Dit volgt duidelijk uit de analyse van de inleidende verzoekschriften.
76 Verzoekster kwalificeert haar vorderingen immers als „beroepen tot nietigverklaring”, baseert de ontvankelijkheid ervan op artikel 230 EG en concludeert in wezen dat het Gerecht onrechtmatig en derhalve nietig verklaart de handelingen die vervat zouden zijn in de brieven van 8 juli en 30 september 2003, waarbij de Commissie haar via CL in kennis heeft gesteld van de verplichting tot terugbetaling van alle gemeenschapsgelden die zij in het kader van het betrokken project heeft ontvangen.
77 Met name beroept verzoekster zich in haar verzoekschriften nergens op artikel 238 EG of op de in de betrokken overeenkomsten opgenomen arbitrale bedingen, noch voert zij daarin enig middel of argument aan dat is ontleend aan het Luxemburgse recht, terwijl dit recht ingevolge die bedingen toch bij uitsluiting op de overeenkomsten van toepassing is. Zoals uit bovenstaand punt 39 blijkt, voert zij integendeel „middelen tot nietigverklaring” wegens schending van het gemeenschapsrecht aan, die strekken tot vaststelling dat aan de handelingen die vervat zouden zijn in de bestreden brieven, gebreken kleven die kenmerkend zijn voor bestuurshandelingen, zoals ontoereikende motivering, ontbreken van een rechtsgrondslag of kennelijke beoordelingsfouten.
78 In haar opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid heeft verzoekster bovendien met zoveel woorden bevestigd dat de onderhavige beroepen niet gebaseerd zijn op artikel 238 EG, maar uitsluitend op artikel 230 EG. Zij heeft zelfs beklemtoond dat de beroepen haars inziens niet op artikel 238 EG gebaseerd kunnen worden. De in de betrokken overeenkomsten opgenomen arbitrale bedingen kunnen haars inziens namelijk enkel worden tegengeworpen aan de partijen bij deze overeenkomsten. Volgens verzoekster bestaat er in casu echter geen contractuele verhouding tussen haarzelf en de Commissie.
79 Verzoekster verzoekt het Gerecht dus overeenkomstig artikel 230 EG om nietigverklaring van handelingen van een gemeenschapsinstelling die, hoewel zij binnen een contractuele context vallen, haars inziens niettemin van bestuursrechtelijke aard zijn.
80 De brieven van 8 juli en 30 september 2003 zijn echter geenszins handelingen van bestuursrechtelijke aard.
81 Deze brieven bevatten immers geen enkel element waaruit kan worden geconcludeerd dat de Commissie in casu heeft gehandeld met gebruikmaking van haar prerogatieven als openbaar gezag. Met deze brieven heeft de Commissie verzoekster enkel op basis van de interpretatie van de feiten en de relevante clausules van de betrokken overeenkomsten, via CL in kennis gesteld van haar verplichting tot terugbetaling van de in het kader van het betrokken project aan haar uitgekeerde gemeenschapsmiddelen. Daarmee heeft de Commissie slechts gehandeld binnen het kader van de op basis van de betrokken overeenkomsten ontstane rechten en verplichtingen, zoals deze met name voortvloeien uit artikel 18.3 van de raamovereenkomst, artikel 8 van de specifieke overeenkomst en artikel 6.2.3 van de financieringsovereenkomst, die de Commissie de mogelijkheid geven de gemeenschapsgelden van de begunstigde terug te vorderen wanneer deze nalaat de vereiste bewijsstukken betreffende het gebruik van die middelen over te leggen (zie boven, punt 73).
82 Aan deze vaststelling kan niet worden afgedaan door het feit dat de door de Commissie met het sluiten van de betrokken overeenkomsten nagestreefde doeleinden deel uitmaken van de haar in het kader van het JOP-programma opgedragen taak van algemeen belang (zie in die zin beschikking IAMA Consulting/Commissie, zie boven punt 49, punt 51).
83 Anders dan bij de toekenning van financiële steun uit de in artikel 159, eerste alinea, EG bedoelde structuurfondsen het geval is, is het terugbetalingsverzoek van de Commissie in casu niet gebaseerd op de bepalingen van een gemeenschapsverordening in de zin van artikel 249 EG, maar, zoals in bovenstaande punten 73 en 81 reeds is vastgesteld, op de in de betrokken overeenkomsten opgenomen contractuele bepalingen. Voor haar stelling dat de onderhavige beroepen ontvankelijk zijn, zoekt verzoekster dan ook ten onrechte steun bij de beginselen die het Gerecht heeft geformuleerd in het kader van beroepen tot nietigverklaring van besluiten van de Commissie inzake de toekenning van middelen uit structuurfondsen.
84 De bestreden brieven vallen dus geenszins onder de uitoefening door de Commissie van haar prerogatieven als openbaar gezag, zodat zij niet voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn (zie in die zin beschikking IAMA Consulting/Commissie, zie boven punt 49, punt 52). Overigens zij erop gewezen dat de Commissie in elk van die brieven de financiële bemiddelaar uitdrukkelijk verzoekt om, voor het geval verzoekster de door haar ontvangen gelden niet binnen de gestelde termijn zou hebben terugbetaald, haar in kennis te stellen van de te nemen invorderingsmaatregelen.
85 Uit het voorgaande volgt dat de bestreden brieven vallen binnen een louter contractueel kader, waarmee zij onlosmakelijk verbonden zijn, en dus naar hun aard niet behoren tot de in artikel 249 EG bedoelde handelingen waarvan krachtens artikel 230 EG aan de gemeenschapsrechter nietigverklaring kan worden gevraagd.
86 Aan deze conclusie kan niet worden afgedaan door de door verzoekster aangevoerde omstandigheid dat zij, teneinde haar goede verhouding met CL niet op het spel te zetten, heeft willen vermijden dat deze een conflict zou krijgen met de Commissie. Deze omstandigheid, die het gevolg is van een volledig vrije keuze die verzoekster uit opportuniteitsoverwegingen en in haar eigen belang heeft gemaakt, kan klaarblijkelijk geen wijziging brengen in het feit dat de bestreden handelingen onlosmakelijk verbonden zijn met het contractuele kader waarbinnen zij vallen, noch de aard van die handelingen zodanig wijzigen dat het Gerecht bevoegd zou zijn tot nietigverklaring krachtens artikel 230 EG.
87 Bijgevolg kunnen de onderhavige beroepen, voorzover zij strekken tot nietigverklaring, overeenkomstig artikel 230 EG, van handelingen van zuiver contractuele aard, niet ontvankelijk worden geacht.
88 Inderdaad is het Gerecht in een zaak waarin bij hem beroep tot nietigverklaring was ingesteld terwijl het geschil in werkelijkheid van contractuele aard was, bereid geweest het beroep te herkwalificeren (arrest Gerecht van 19 september 2001, Lecureur/Commissie, T‑26/00, Jurispr. blz. II‑2623, punt 38). In casu is een dergelijke herkwalificatie evenwel niet mogelijk, in de eerste plaats omdat verzoekster zelf in haar memories met zoveel woorden te kennen heeft gegeven dat de onderhavige beroepen niet op artikel 238 EG gebaseerd zijn, en in de tweede plaats omdat zij, in tegenstelling tot wat artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering voorschrijft, zelfs geen summiere uiteenzetting heeft gegeven van een middel, argument of grief betreffende schending van het Luxemburgse recht, dat ingevolge de in de betrokken overeenkomsten opgenomen arbitrale bedingen bij uitsluiting op die overeenkomsten van toepassing is.
89 Uit het voorgaande volgt derhalve dat de onderhavige beroepen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
Kosten
90 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld en de Commissie daartoe heeft geconcludeerd, dient zij in de kosten te worden verwezen.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer)
beschikt:
1) De beroepen worden niet-ontvankelijk verklaard.
2) Verzoekster wordt in de kosten verwezen.
Luxemburg, 10 mei 2004.
De griffier
De president van de Derde kamer
H. Jung
J. Azizi
* Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy