Zaak T‑357/03
Gollnisch e.a.
tegen
Europees Parlement
„Besluit van Bureau van Europees Parlement – Beroep tot nietigverklaring – Niet-ontvankelijkheid”
Beschikking van het Gerecht (Tweede kamer) van 10 januari 2005
Samenvatting van de beschikking
1. Procedure – Overlegging van adviezen van juridische diensten van gemeenschapsinstellingen aan Gerecht – Voorwaarden
2. Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke of rechtspersonen – Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken – Uitlegging contra legem van voorwaarde inzake noodzaak van individueel te worden geraakt – Ontoelaatbaarheid
(Art. 230, vierde alinea, EG)
3. Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke of rechtspersonen – Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken – Handeling van bureau van Europees Parlement houdende wijziging van voorwaarden voor gebruik van kredieten van begrotingspost door fracties en niet-ingeschreven leden – Beroep ingesteld door niet-ingeschreven leden – Niet-ontvankelijkheid
(Art. 230, vierde alinea, EG)
1. Het zou in strijd zijn met het algemeen belang, dat eist dat de instellingen gebruik kunnen maken van in volledige onafhankelijkheid gegeven adviezen van hun juridische dienst, te aanvaarden dat dergelijke interne documenten in een geding voor het Gerecht kunnen worden overgelegd door andere personen dan de diensten op wier verzoek zij zijn opgesteld, zonder toestemming van de betrokken instelling of zonder bevel van de rechterlijke instantie.
(cf. punt 34)
2. Blijkens de bewoordingen van artikel 230, vierde alinea, EG kan een natuurlijke of rechtspersoon slechts beroep tot nietigverklaring instellen tegen een handeling die niet een tot hem gerichte beschikking is, indien hij door deze handeling niet alleen rechtstreeks, maar ook individueel wordt geraakt, zodat deze bepaling niet aldus kan worden uitgelegd dat die door het Verdrag uitdrukkelijk gestelde voorwaarde een dode letter wordt, aangezien de gemeenschapsrechter daarmee de grenzen van de hem door het Verdrag verleende bevoegdheden zou overschrijden.
(cf. punt 62)
3. Andere subjecten dan de geadresseerden van een handeling kunnen alleen dan op goede gronden stellen door deze handeling individueel te worden geraakt, wanneer deze laatste hen treft uit hoofde van een bepaalde bijzondere hoedanigheid of van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen daardoor op overeenkomstige wijze individualiseert als de adressaat.
In dit verband geldt de door het bureau van het Europees Parlement vastgestelde handeling die de voorwaarden voor het gebruik van de kredieten van een begrotingspost door de fracties en de niet-ingeschreven leden wijzigt, algemeen en in de toekomst zowel voor de enen als voor de anderen. Zij raakt derhalve zowel de toekomstige fracties en niet-ingeschreven leden als diegenen die ten tijde van de vaststelling ervan deel uitmaakten van het Parlement, zodat zij geen van hen individueel raakt. De hoedanigheid van niet-ingeschreven lid kan verzoekers dus niet op overeenkomstige wijze als de adressaat van een handeling individualiseren.
(cf. punten 63, 65-66)
BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Tweede kamer)
10 januari 2005 (*)
„Besluit van het Bureau van het Europees Parlement – Beroep tot nietigverklaring – Niet-ontvankelijkheid”
In zaak T‑357/03,
Bruno Gollnisch, wonende te Limonest (Frankrijk),
Marie-France Stirbois, wonende te Villeneuve-Loubet (Frankrijk),
Carl Lang, wonende te Boulogne-Billancourt (Frankrijk),
Jean-Claude Martinez, wonende te Montpellier (Frankrijk),
Philip Claeys, wonende te Overijse (België),
Koen Dillen, wonende te Antwerpen (België),
vertegenwoordigd door W. de Saint Just, advocaat,
verzoekers,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door H. Krück en N. Lorenz als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerder,
betreffende een verzoek tot nietigverklaring van het besluit van het Bureau van het Europees Parlement van 2 juli 2003 betreffende wijziging van de regeling voor het gebruik van de kredieten van begrotingspost 3701 van de algemene begroting van de Europese Unie,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: J. Pirrung, kamerpresident, A. W. H. Meij en I. Pelikánová, rechters,
griffier: M. H. Jung,
de navolgende
Beschikking
Rechtskader en feiten
1 De veertiende druk van het reglement van het Europees Parlement, van toepassing met ingang van 1 mei 1999 (PB 1999, L 202, blz. 1), is vervangen door de vijftiende druk van het reglement van het Europees Parlement, van toepassing met ingang van 1 februari 2003 (PB 2003, L 61, blz. 1; hierna: „reglement”). De tekst van artikel 22 van het reglement is in beide versies identiek.
2 Volgens artikel 22, lid 2, van het reglement „[neemt] het Bureau [van het Parlement] besluiten van financiële, organisatorische en administratieve aard over aangelegenheden die de leden, de interne organisatie van het Parlement, zijn secretariaat en zijn organen betreffen”.
3 Post 3701 van de algemene begroting van de Europese Unie betreft secretariaatskosten, huishoudelijke uitgaven, voorlichtingsactiviteiten en uitgaven in verband met de fracties en de niet-ingeschreven leden van het Parlement. Voor het begrotingsjaar 2003 omvatte deze begrotingspost kredieten ten bedrage van 37 948 000 euro (PB 2003, L 54, blz. 1, 201, 222).
4 Op grond van artikel 22 van het reglement heeft het Bureau van het Parlement de regeling voor het gebruik van de kredieten van begrotingspost 3701 (hierna: „regeling”) vastgesteld.
5 De regeling is het onderwerp van een wijzigingsprocedure geweest, die in 2002 is ingeleid en in 2003 is voortgezet. Tijdens haar vergadering van 8 april 2003 heeft de Conferentie van voorzitters van het Parlement besloten een positief advies uit te brengen over de voorstellen tot wijziging van de regeling, deze voorstellen aan het Bureau van het Parlement voor te leggen en het Bureau te verzoeken de commissie Begrotingscontrole en de juridische dienst te raadplegen alvorens de voorstellen definitief aan te nemen. Bij nota’s van 21 en 22 mei 2003 heeft de secretaris-generaal van het Parlement de commissie Begrotingscontrole en de juridisch adviseur van het Parlement verzocht om hun respectieve advies over het voorstel tot wijziging van de regeling aan het Bureau van het Parlement te sturen. Bij nota van 16 juni 2003 heeft de commissie Begrotingscontrole de Voorzitter van het Parlement een voorlopig advies toegezonden. De juridische dienst heeft op 25 juni 2003 advies uitgebracht.
6 Bij besluit van het Bureau van het Parlement van 2 juli 2003 (hierna: „bestreden handeling”) is de regeling gewijzigd, onder voorbehoud van wijziging van het reglement van het Parlement en van andere wijzigingen die als gevolg van nieuwe consultaties nodig zouden blijken.
7 Als gevolg van de bestreden handeling is bepaling 1.1.1 van deel 1 van de regeling komen te luiden: „De onder begrotingspost 3701 ter beschikking gestelde kredieten dienen ter dekking van [...] de administratieve en huishoudelijke uitgaven van de fracties/het secretariaat van de niet-ingeschreven leden”. Voordien luidde deze bepaling:
„De in begrotingspost 3701 opgenomen kredieten dienen ter dekking van [...] de secretariaatskosten en de administratieve en huishoudelijke uitgaven van de fracties/de niet-ingeschreven leden [...].”
8 Bepaling 1.3 van deel 1 van de regeling, zoals gewijzigd bij de bestreden handeling, luidt:
„1.3.1 [...] Ingeval een niet-ingeschreven lid zich aansluit bij een fractie, zal de administratie een verslag uitbrengen over de staat van zijn uitgaven op de dag van aansluiting. In voorkomend geval worden de door het niet-ingeschreven lid niet-gebruikte kredieten overgedragen aan de betrokken fractie.
1.3.2 [...] Ingeval een niet-ingeschreven lid zijn ambt neerlegt, zal de administratie de rekeningen van het betrokken lid afsluiten, waarbij rekening wordt gehouden met verplichtingen die voordien schriftelijk zijn aangegaan.”
9 Vóór de vaststelling van de bestreden handeling was het niet-ingeschreven lid dat zich aansloot bij een fractie of zijn ambt neerlegde, op grond van bepaling 1.3 van deel 1 van de regeling verplicht om een verslag over de staat van zijn uitgaven in te dienen bij de directeur Financiën en in voorkomend geval de niet-gebruikte kredieten terug te betalen. Bovendien was bepaald dat het aftredende niet-ingeschreven lid kredieten die voor onbewezen of onregelmatige uitgaven waren gebruikt, moest terugbetalen.
10 Als gevolg van de bestreden handeling is bepaling 1.4 van deel 1 van de regeling niet meer van toepassing op de niet-ingeschreven leden. Deze bepaling, zoals gewijzigd, regelt uitsluitend voor de fracties de verantwoordelijkheid voor het gebruik van de kredieten.
11 Bij de bestreden handeling is aan bepaling 1.5 van deel 1 van de regeling een alinea toegevoegd, die als volgt luidt:
„1.5.1 Bij iedere politieke of voorlichtingsactiviteit die wordt gefinancierd met kredieten van begrotingspost 3701, moet de naam van de fractie of, in het geval van (een) niet-ingeschreven lid/leden, zijn/hun naam en het logo van het EP worden vermeld.”
12 Bepaling 1.6.1 van deel 1 van de regeling, zoals gewijzigd bij de bestreden handeling, bepaalt: „De fracties kunnen enkel met inachtneming [van bepaalde voorwaarden] bijdragen in de financiering van een Europese politieke partij”. Vóór de vaststelling van de bestreden handeling luidde deze bepaling:
„De fracties/de niet-ingeschreven leden kunnen enkel met inachtneming [van bepaalde voorwaarden] bijdragen in de financiering van een Europese politieke partij.”
13 Bepaling 1.6.2, zoals gewijzigd bij de bestreden handeling, luidt als volgt:
„De fracties/de niet-ingeschreven leden die lid zijn van een externe organisatie, kunnen deze ten laste van begrotingspost 3701 financieel steunen, in de vorm van een subsidie of contributie, ten belope van ten hoogste 5 % van de door hen uit hoofde van begrotingspost 3701 ontvangen jaarlijkse kredieten [...].”
14 Voordien luidde deze bepaling:
„De fracties/de niet-ingeschreven leden kunnen een activiteit of een externe organisatie financieel steunen, in de vorm van een subsidie of een contributie indien zij er lid van zijn, ten belope van ten hoogste 5 % van de door hen uit hoofde van begrotingspost 3701 ontvangen jaarlijkse kredieten.”
15 Bepaling 1.7 van deel 1 van de regeling, zoals gewijzigd bij de bestreden handeling, bepaalt: „Behalve het personeel dat in dienst is genomen overeenkomstig het Ambtenarenstatuut en de Regeling welke van toepassing is op andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen, kunnen de fracties personeel in dienst nemen ten laste van de kredieten van begrotingspost 3701”. Vóór de wijziging bij de bestreden handeling voorzag deze bepaling in dezelfde mogelijkheid voor de niet-ingeschreven leden.
16 De bepalingen 2.1 tot en met 2.7 van deel 1 van de regeling, waarin de regels zijn vastgelegd voor de uitvoering van de jaarbegroting van de fracties, aankopen, inventarislijsten, de boekhouding, de financiële controle en het jaarlijks verslag over het gebruik van de kredieten, zijn bij de bestreden handeling ingrijpend gewijzigd. Overigens blijkt uit de bestreden handeling dat deze bepalingen, zoals gewijzigd, niet meer van toepassing zijn op de niet-ingeschreven leden.
17 De niet-ingeschreven leden zijn thans onderworpen aan de regels van bepaling 2.9, die bij de bestreden handeling in de regeling is ingevoegd. Deze bepaling, „Specifieke regels voor de niet-ingeschreven leden”, luidt:
„2.9.1 Na overlegging van bewijsstukken en de op grond van deze regeling vereiste documenten en nadat is vastgesteld dat deze met deze regeling in overeenstemming zijn, worden de door de niet-ingeschreven leden gedane uitgaven hetzij rechtstreeks aan de leverancier betaald, hetzij zo spoedig mogelijk door de administratie vergoed. De administratie verzekert zich ervan dat:
a) de uitgaven onder de regeling vallen en niet worden gedekt door andere vergoedingen;
b) de bepalingen van de regeling zijn nageleefd;
c) het beginsel van goed financieel beheer is toegepast;
d) de uitgaven worden gestaafd door oorspronkelijke bewijsstukken (of een kopie die is gewaarmerkt door de leverancier of door elke andere autoriteit die tot waarmerking ervan bevoegd is).
De niet-ingeschreven leden kunnen op verzoek een voorschot van 10 % van de jaarlijks toegewezen kredieten krijgen.
Voor het einde van het lopende begrotingsjaar zal de administratie overgaan tot verrekening van de voorschotten die op basis van door het lid ingediende bewijsstukken zijn betaald [...].
In het kader van deze verrekening zullen uitgaven die niet zijn bewezen of niet overeenstemmen met de bepalingen van de regeling, worden geweigerd en zullen de desbetreffende kredieten binnen een termijn van drie maanden aan het Europees Parlement worden terugbetaald [...].
Het begrotingsjaar begint op 1 januari en eindigt op 31 december.
In het jaar van de Europese verkiezingen begint het eerste begrotingsjaar op 1 januari en eindigt op 30 juni; het tweede begrotingsjaar begint op 1 juli en eindigt op 31 december.
2.9.2 De kredieten die in de loop van het begrotingsjaar niet zijn gebruikt, kunnen uitsluitend naar het daaropvolgende begrotingsjaar worden overgebracht, en wel ten belope van ten hoogste 50 % van de uit de begroting van het Europees Parlement ontvangen jaarlijkse kredieten.
Het bedrag dat 50 % overschrijdt, vervalt ten gunste van de begroting van het Europees Parlement, en wel na afsluiting van de rekeningen.
2.9.3 De administratie van het Europees Parlement verzorgt het beheer van de kredieten voor de niet-ingeschreven leden volgens het in bijlage gevoegde boekhoudplan.
2.9.4 De in het kader van [bepaling] 2.9.1 van de onderhavige regeling uitgekeerde voorschotten zullen worden gestort op de bankrekeningen die voor dat specifieke doel door de niet-ingeschreven leden zijn geopend.
2.9.5 De door de niet-ingeschreven leden met hun 3701-kredieten aangeschafte goederen worden opgenomen op de inventarislijst van het Europees Parlement. Op deze inventarislijst moeten gebruiksgoederen worden opgenomen die een gebruiksduur van meer dan één jaar hebben en waarvan de aankoopprijs de voor de goederen van het Parlement vastgestelde drempel bereikt of overschrijdt. Deze inventarislijst moet worden bijgehouden op de in de bijlage beschreven wijze.
2.9.6 De administratie stelt per lid een staat van ontvangsten en uitgaven op alsmede een balans waarin wordt verklaard dat de rekeningen regelmatig zijn en met de onderhavige regeling overeenstemmen. Deze stukken worden vervolgens via het internet aan het publiek ter beschikking gesteld.
2.9.7 De Voorzitter van het Europees Parlement zendt deze stukken, die hem vóór 30 april van het volgende begrotingsjaar moeten bereiken, toe aan het Bureau en aan de commissie Begrotingscontrole, die ze onderzoeken overeenkomstig de hun bij het reglement van het Europees Parlement verleende bevoegdheden, en tevens aan de Rekenkamer.
2.9.8 Indien het overeenkomstig de vorige alinea geraadpleegde Bureau in overeenstemming met de commissie Begrotingscontrole van mening is dat de kredieten niet overeenkomstig de onderhavige regeling zijn gebruikt, worden deze kredieten aan het Europees Parlement terugbetaald binnen een termijn van drie maanden vanaf de dag dat de onregelmatigheid is vastgesteld.”
18 Bepaling 2.8 van deel 1 van de regeling, zoals gewijzigd bij de bestreden handeling, bepaalt dat de fracties en de niet-ingeschreven leden met elkaar in overleg treden over alle vragen die betrekking hebben op de toepassing van de regeling.
19 De bestreden handeling heeft ook deel 2 van de regeling, „Boekhoudplan”, gewijzigd, en meer in het bijzonder bepaalde uitgavenposten op de resultatenrekening.
20 Zo mogen de niet-ingeschreven leden uitgaven voor de werving en de vertegenwoordiging van personeel en de bijbehorende salarissen en lasten niet als personeelsuitgaven in begrotingsonderdeel 3701 opvoeren (deel 2, 1.2, hoofdstuk 1, punten 2, 4 en 6).
21 Hetzelfde geldt voor de huurkosten van kantoorruimte (deel 2, 1.2, hoofdstuk 2, punt 7), de boekhouding (deel 2, 1.2, hoofdstuk 4, punt 2) en groepsvergaderingen (deel 2, 1.2, hoofdstuk 5, punt 1).
22 Bovendien is bij de bestreden handeling deel 3 van de regeling gewijzigd, dat richtsnoeren voor de uitlegging van verschillende bepalingen van deel 1 van de regeling bevat.
23 Tot slot is bij de bestreden regeling een bijlage aan de regeling toegevoegd. In deze bijlage staan de regels voor de inventarislijst.
24 Bij nota van 15 juli 2003 van de directeur-generaal van het directoraat-generaal Financiën van het Parlement is verzoekers meegedeeld dat het Bureau op 2 juli 2003 de wijzigingen van de regeling had vastgesteld. De gewijzigde tekst van de regeling was in bijlage bij deze nota gevoegd.
Procesverloop
25 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 23 oktober 2003, hebben verzoekers het onderhavige beroep tot nietigverklaring ingesteld.
26 Bij op dezelfde dag ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte hebben zij verzocht om uitspraak te doen volgens de versnelde procedure van artikel 76 bis van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. Dit verzoek is bij besluit van het Gerecht van 18 februari 2004 afgewezen.
27 Bij op 11 november 2003 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft het Parlement verzocht om het advies van de juridische dienst van het Parlement van 25 juni 2003, dat verzoekers als bijlage bij het verzoekschrift hebben overgelegd, uit het dossier te verwijderen.
28 Zonder een verweerschrift te hebben ingediend, heeft het Parlement bij op 27 november 2003 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte een exceptie van niet-ontvankelijkheid krachtens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering opgeworpen. Verzoekers hebben op 6 februari 2004 hun opmerkingen over deze exceptie ingediend.
29 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht, dat zich door de processtukken voldoende acht voorgelicht, overeenkomstig artikel 114, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering besloten om zonder mondelinge behandeling te beslissen.
Conclusies van partijen
30 Het Parlement concludeert dat het het Gerecht behage:
– te gelasten dat het advies van de juridische dienst van het Parlement van 25 juni 2003 uit het dossier wordt verwijderd;
– het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
– verzoekers in de kosten te verwijzen.
31 In hun opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid concluderen verzoekers dat het het Gerecht behage:
– het verzoek van het Parlement om verwijdering van het document af te wijzen;
– de exceptie van niet-ontvankelijkheid te verwerpen;
– de bestreden handeling nietig te verklaren;
– het Parlement te verwijzen in de kosten, die 10 000 euro bedragen.
Het verzoek van het Parlement om het advies van zijn juridische dienst uit het dossier te verwijderen
Argumenten van partijen
32 Het Parlement verzoekt om verwijdering uit het dossier van het advies van zijn juridische dienst over de wijziging van de regeling, dat is overgelegd als bijlage 5 bij het verzoekschrift. Het benadrukt dat dit advies uitsluitend was bestemd voor het Bureau van het Parlement, waarvan de bijeenkomsten achter gesloten deuren plaatsvinden. Het betrokken advies is daarom een vertrouwelijk document, waartoe alleen de leden van het Bureau toegang hebben. De verspreiding van voor de instellingen bestemde juridische adviezen zou schadelijke gevolgen kunnen hebben voor de goede werking van deze instellingen, en de gemeenschapswetgever heeft om die reden de toegang van het publiek tot dergelijke adviezen uitdrukkelijk uitgesloten in artikel 4, lid 2, tweede streepje, van verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43). Het Parlement voegt nog toe, kort gezegd, dat uit de rechtspraak blijkt dat dergelijke documenten in een geding voor de gemeenschapsrechter niet kunnen worden overgelegd zonder toestemming van de betrokken instelling of zonder bevel van die gemeenschapsrechter (beschikking Hof van 23 oktober 2002, Oostenrijk/Raad, C‑445/00, Jurispr. blz. I‑9151, punt 12, en beschikking president Gerecht van 3 maart 1998, Carlsen e.a./Raad, T‑610/97 R, Jurispr. blz. II‑485). In casu heeft het Parlement geen toestemming gegeven voor de overlegging van het betrokken juridisch advies in het onderhavige geding.
33 Verzoekers stellen allereerst dat het betrokken advies via e-mail is verstuurd aan alle leden van de commissie Begrotingscontrole van het Parlement, waaronder een van de verzoekers, en dat het voor ieder lid van het Parlement op verzoek beschikbaar was. Onder deze omstandigheden is het uitgesloten dat dit document vertrouwelijk zou zijn. De door het Parlement aangehaalde rechtspraak is irrelevant, aangezien deze betrekking heeft op de overlegging door derden van aan de Raad en aan de Commissie gerichte juridische adviezen, waarvan in casu geen sprake is. Voorts betogen zij dat de juridische dienst geen enkel bezwaar heeft gemaakt tegen de verstrekking van het advies aan de leden van het Parlement die er daadwerkelijk om hebben gevraagd. Tot slot kan volgens verzoekers de eerbiediging van de „fundamentele beginselen van openbaarheid, van transparantie, van de bescherming van de rechtszekerheid en de stabiliteit van het gemeenschapsrecht” in een geval als het onderhavige zich er niet tegen verzetten dat verzoekers, leden van het Parlement, toegang krijgen tot de adviezen van de juridische dienst van deze instelling. Deze adviezen betreffen per definitie rechtsvragen over de werking van het Parlement en betreffen dientengevolge de leden door wie het Parlement wordt gevormd. Verzoekers hebben derhalve het recht toegang tot het betrokken juridisch advies te krijgen en dit aan de gemeenschapsrechter te overleggen.
Beoordeling door het Gerecht
34 Zoals het Parlement terecht betoogt, zou het in strijd zijn met het algemeen belang, dat meebrengt dat de instellingen gebruik moeten kunnen maken van in volledige onafhankelijkheid gegeven adviezen van hun juridische dienst, indien werd aanvaard dat dergelijke interne documenten door andere personen dan de diensten op wier verzoek zij zijn opgesteld, zonder toestemming van de betrokken instelling of zonder bevel van het Gerecht in een geding voor het Gerecht kunnen worden overgelegd (zie met name beschikking Oostenrijk/Raad, aangehaald in punt 32 hierboven, punt 12, en arrest Gerecht van 8 november 2000, Ghignone e.a./Raad, T‑44/97, JurAmbt. blz. I‑A‑223 en II‑1023, punt 48).
35 In het onderhavige geval staat vast, dat het betrokken juridisch advies op verzoek van de secretaris-generaal van het Parlement ten behoeve van het Bureau van het Parlement is opgesteld en dat dit laatste geen toestemming heeft gegeven voor de overlegging van dit advies.
36 Overigens is de vraag of de leden van het Parlement of sommige van hen toegang hebben tot het betrokken advies van de juridische dienst, irrelevant voor de beoordeling van het verzoek van het Parlement, dat betrekking heeft op de vraag of dit advies kan behoren tot de processtukken die de rechter in aanmerking neemt voor zijn beoordeling van het beroep.
37 Onder deze omstandigheden moet het verzoek van het Parlement worden ingewilligd en moet het als bijlage 5 bij het verzoekschrift overgelegde advies van de juridische dienst uit het dossier worden verwijderd.
De ontvankelijkheid
38 Het Parlement voert twee niet-ontvankelijkheidsgronden aan. De eerste houdt in dat het beroep te laat is ingesteld. De tweede betreft het ontbreken van procesbevoegdheid bij verzoekers. Het Gerecht is in het onderhavige geval van mening dat eerst de ontbrekende procesbevoegdheid van verzoekers moet worden beoordeeld.
Argumenten van partijen
39 Het Parlement betoogt om te beginnen dat de bestreden handeling verzoekers niet rechtstreeks raakt. Volgens hem zijn de verplichtingen die als gevolg van de wijziging van de regeling bij de bestreden handeling op de niet-ingeschreven leden rusten, algemeen en abstract en moeten zij door de administratie worden „geconcretiseerd”.
40 Volgens de rechtspraak over de voorwaarde van artikel 230, vierde alinea, EG inzake de rechtstreekse geraaktheid moet de gelaakte communautaire maatregel rechtstreeks gevolgen hebben voor de rechtspositie van de particulier en aan degenen tot wie deze maatregel is gericht en die met de uitvoering ervan zijn belast, geen beoordelingsvrijheid laten, omdat de uitvoering zuiver automatisch en uit de communautaire regeling alleen voortvloeit, zonder dat daarvoor nadere regels moeten worden toegepast (arresten Hof van 13 mei 1971, International Fruit Company e.a./Commissie, 41/70‑44/70, Jurispr. blz. 411, punten 23‑29; 6 maart 1979, Simmenthal/Commissie, 92/78, Jurispr. blz. 777, punten 25 en 26; 26 april 1988, Apesco/Commissie, 207/86, Jurispr. blz. 2151, punt 12; 26 juni 1990, Sofrimport/Commissie, C‑152/88, Jurispr. blz. I‑2477, punt 9, en 5 mei 1998, Dreyfus/Commissie, C‑386/96 P, Jurispr. blz. I‑2309, punt 43; beschikkingen Gerecht van 10 september 2002, Japan Tobacco en JT International/Parlement en Raad, T‑223/01, Jurispr. blz. II‑3259, punt 45, en 6 mei 2003, DOW AgroSciences/Parlement en Raad, T‑45/02, Jurispr. blz. II‑1973, punt 35).
41 In casu brengt alleen deel 1 van de regeling rechtsgevolgen teweeg. De bepalingen van dit deel 1 zijn echter in wezen algemeen en abstract en zullen moeten worden geconcretiseerd door een latere handeling. Dat geldt voor de bepalingen 1.1, 1.3, 1.4, 1.5 en 2.8. De bepalingen 1.6.1, 1.7 en 2.1 tot en met 2.7 hebben alleen betrekking op de fracties en kunnen dan ook niet raken aan de rechten van verzoekers.
42 Bepaling 1.6.2 limiteert de steun aan externe organisaties waartoe de leden behoren, en legt verzoekers beperkingen op in het beheer van de middelen die zij uit hoofde van begrotingspost 3701 ontvangen. Deze beperkingen spelen echter slechts bij de in bepaling 2.9.1 bedoelde toetsing van de regelmatigheid van de uitgaven van het niet-ingeschreven lid. Als zodanig heeft bepaling 1.6.2 geen rechtstreekse werking ten opzichte van de niet-ingeschreven leden.
43 Ter uitvoering van bepaling 2.9.1 moet een administratieve handeling worden vastgesteld om te waarborgen dat de rekeningen van de niet-ingeschreven leden worden betaald, namelijk een besluit van de administratie op hetzij het verzoek van de leverancier om betaling, hetzij het verzoek van het niet-ingeschreven lid om vergoeding. Verzoekers worden dus alleen door een uitvoeringshandeling rechtstreeks geraakt.
44 Bepaling 2.9.2, die voorziet in de mogelijkheid kredieten over te brengen, is eveneens algemeen en abstract. Alleen een concreet besluit over een mogelijke overbrenging raakt het betrokken niet-ingeschreven lid rechtstreeks.
45 Met betrekking tot bepaling 2.9.4 over de uitkering van bedragen uit hoofde van begrotingspost 3701 op een rekening die met dat doel door een niet-ingeschreven lid is geopend, bepaling 2.9.5 over de inventarislijst van goederen die door het niet-ingeschreven lid met middelen uit begrotingspost 3701 zijn aangeschaft, en bepaling 2.9.7 over het inlichten van het Bureau en de commissie Begrotingscontrole door de Voorzitter van het Parlement, stelt het Parlement, kort gezegd, dat voor de uitvoering van deze bepalingen een later besluit van de administratie nodig is en dat alleen dat besluit de niet-ingeschreven leden rechtstreeks zal raken.
46 De bepalingen 2.9.3 en 2.9.6 roepen ten gunste van de niet-ingeschreven leden rechten in het leven met betrekking tot het beheer van de hen toegewezen middelen en de opstelling van een balans. Deze bepalingen tasten de bestaande rechten van de niet-ingeschreven leden dus niet aan. In ieder geval is de toepassing van deze bepalingen ook afhankelijk van latere administratieve handelingen, namelijk de handelingen voor het beheer van de toegewezen middelen en de opstelling van een balans. Alleen deze handelingen raken de niet-ingeschreven leden rechtstreeks.
47 Tot slot worden verzoekers niet rechtstreeks geraakt door bepaling 2.9.8, die voorziet in de verplichting onverschuldigde bedragen terug te betalen, omdat de uitvoering van deze bepaling afhankelijk is van de vaststelling van een besluit van het Bureau waarbij de onregelmatigheid wordt vastgesteld, en van een besluit waarbij daadwerkelijk terugbetaling wordt gevorderd door het Parlement.
48 Onder deze omstandigheden moet de stelling van verzoekers, dat zij rechtstreeks worden geraakt door de bestreden handeling, die voorziet in nieuwe verplichtingen inzake de begroting en de boekhouding, worden afgewezen.
49 Met betrekking tot de stelling van verzoekers dat de bestreden handeling hen het recht ontneemt om bij te dragen aan de financiering van een politieke partij (bepaling 1.6.1), om arbeidsovereenkomsten aan te gaan (bepaling 1.7.1) en om de huur van kantoorruimte (deel 2) met kredieten van begrotingspost 3701 te bekostigen, stelt het Parlement dat de afschaffing van deze rechten verzoekers eventueel rechtstreeks, maar in ieder geval niet individueel raakt.
50 Volgens vaste rechtspraak kan een handeling van algemene strekking, zoals een verordening, natuurlijke of rechtspersonen enkel individueel raken indien de handeling hen treft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat van de handeling (arresten Hof van 22 november 2001, Antillean Rice Mills/Raad, C‑451/98, Jurispr. blz. I‑8949, punt 49; 25 juli 2002, Unión de Pequeños Agricultores/Raad, C‑50/00 P, Jurispr. blz. I‑6677, punt 36; 10 december 2002, Commissie/Camar en Tico, C‑312/00 P, Jurispr. blz. I‑11355, punt 73; arrest Gerecht van 30 september 2003, ARD/Commissie, T‑158/00, Jurispr. blz. II‑3825, punt 62).
51 Een persoon wordt door een handeling niet individueel geraakt, indien die handeling hem slechts treft als deel van een groep waarvan de samenstelling niet duurzaam vaststaat op het tijdstip waarop de bestreden handeling wordt genomen, ook al is de groep klein en de identiteit van de leden eenvoudig vast te stellen. Zoals advocaat-generaal Jacobs heeft opgemerkt in zijn conclusie van 20 november 2003 in de zaak Rothley e.a./Parlement (arrest Hof van 30 maart 2004, C‑167/02 P, Jurispr. blz. I‑3149, punt 42), wordt de samenstelling van het Parlement alsook de wijziging daarvan weliswaar door nauwkeurig bepaalde regels en procedures beheerst, maar kan zij niet als duurzaam vaststaand worden aangemerkt.
52 Volgens het Parlement behoren de fracties en de niet-ingeschreven leden waarop de regeling van toepassing is, zeker tot de huidige leden van het Parlement, maar de regeling is gericht tot een onbepaald en onbepaalbaar aantal fracties en niet-ingeschreven leden. Ten eerste is de regeling gericht tot elke fractie die binnen het Parlement wordt gevormd, en tot ieder lid dat zich niet bij een fractie voegt of dat een fractie verlaat en zich niet bij een andere fractie voegt. Ten tweede is deze regeling niet alleen van toepassing op alle huidige fracties en niet-ingeschreven leden, maar ook op de toekomstige.
53 Het feit dat het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten waarop een maatregel van toepassing is, min of meer nauwkeurig bepaalbaar is, betekent niet dat deze subjecten moeten worden geacht individueel door deze maatregel te worden geraakt, wanneer vaststaat dat die toepassing voortvloeit uit een objectieve feitelijke of rechtssituatie die in de betrokken handeling wordt omschreven (arresten Commissie/Camar en Tico, reeds aangehaald, punt 74, en Antillean Rice Mills/Raad, ibidem, punt 52).
54 Onder deze omstandigheden onderscheiden verzoekers zich niet van tegenwoordige of toekomstige leden of fracties, die alle aan de regeling zijn onderworpen. Zij worden dus niet individueel geraakt door de bestreden handeling.
55 Verzoekers betogen allereerst dat de bestreden handeling weliswaar binnen de interne sfeer van het Parlement valt, maar toch kan worden aangevochten, omdat zij rechtsgevolgen teweegbrengt jegens verzoekers die, als houder van een mandaat van vertegenwoordiger van de volkeren van de in de Gemeenschap verenigde staten, ten opzichte van een handeling van het Parlement met rechtsgevolgen wat betreft de omstandigheden waaronder dat mandaat wordt uitgeoefend, als derden in de zin van artikel 230, eerste alinea, EG moeten worden beschouwd (arrest Gerecht van 2 oktober 2001, Martinez e.a./Parlement, T‑222/99, T‑327/99 en T‑329/99, Jurispr. blz. II‑2823, punt 61).
56 Vervolgens stellen zij dat zij door de bestreden handeling rechtstreeks en individueel worden geraakt.
57 Dienaangaande beweren zij in de eerste plaats dat de bestreden handeling rechtstreeks rechtsgevolgen teweegbrengt jegens de niet-ingeschreven leden, omdat het hen niet meer is toegestaan om de kredieten van begrotingspost 3701 te gebruiken om bij te dragen aan de financiering van een Europese politieke partij (bepaling 1.6.1) of om personeel (bepaling 1.7.1), de boekhouding (deel 2, 1.2, hoofdstuk 4) en het houden van groepsvergaderingen (deel 2, 1.2, hoofdstuk 5) te bekostigen. Bovendien kunnen zij vanwege de bestreden handeling niet meer een bankrekening openen om de kredieten van begrotingspost 3701 te besteden (bepaling 2.5.4).
58 Volgens hen vinden de uitvoeringshandelingen en de handelingen ter concretisering van de bestreden handeling, anders dan het Parlement stelt, zuiver automatisch plaats, zonder dat de opstellers van deze uitvoeringshandelingen enige beoordelingsvrijheid wordt gelaten.
59 In de tweede plaats betogen zij in wezen dat zij door de bestreden handeling individueel worden geraakt vanwege hun hoedanigheid van niet-ingeschreven leden, aangezien deze handeling alleen hen nieuwe verplichtingen op het gebied van zowel de begroting als de boekhouding oplegt en hen een aantal rechten ontneemt, hetgeen de discriminatie tussen de niet-ingeschreven leden en de tot een fractie behorende leden versterkt.
Beoordeling door het Gerecht
60 Volgens artikel 230, vierde alinea, EG, kan iedere natuurlijke of rechtspersoon een beroep tot nietigverklaring instellen tegen de tot hem gerichte beschikkingen, alsmede tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raken.
61 Aangezien niet wordt betwist dat de bestreden handeling niet tot verzoekers is gericht, moet worden onderzocht of deze handeling hen rechtstreeks en individueel raakt.
62 Voorzover verzoekers beogen te stellen dat de leden van het Parlement in het geval van een besluit van het Parlement dat het strikte kader van de interne organisatie van deze instelling te buiten gaat en rechtsgevolgen heeft voor de leden daarvan, in rechte kunnen optreden zonder dat zij zich hoeven af te vragen of zij door de betrokken handeling individueel worden geraakt, volstaat de opmerking dat het Hof deze stelling uitdrukkelijk heeft afgewezen. Het heeft dienaangaande eraan herinnerd dat, zoals uit de bewoordingen van artikel 230, vierde alinea, EG en uit vaste rechtspraak blijkt, een natuurlijke of rechtspersoon enkel beroep tot nietigverklaring kan instellen tegen een handeling die niet een tot hem gerichte beschikking is, indien hij door deze handeling niet alleen rechtstreeks, maar ook individueel wordt geraakt en dat deze bepaling derhalve niet zodanig kan worden uitgelegd dat die door het Verdrag uitdrukkelijk gestelde voorwaarde een dode letter wordt, aangezien de communautaire rechter daarmee de grenzen van de hem door het Verdrag verleende bevoegdheden zou overschrijden (zie onder andere arrest Unión de Pequeños Agricultores/Raad, reeds aangehaald, punt 44).
63 Derhalve moet worden onderzocht of verzoekers door de betrokken handeling individueel worden geraakt. Dienaangaande volgt uit vaste rechtspraak dat andere subjecten dan de geadresseerden van een handeling alleen kunnen beweren individueel te worden geraakt, wanneer deze handeling hen treft uit hoofde van een bepaalde bijzondere hoedanigheid of van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen daardoor op overeenkomstige wijze individualiseert als de adressaat (arrest Hof van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, Jurispr. blz. 207, 232, en arrest Unión de Pequeños Agricultores/Raad, reeds aangehaald, punt 36).
64 In casu hebben verzoekers zich beroepen op hun hoedanigheid van niet-ingeschreven leden, die zouden worden gediscrimineerd ten opzichte van de leden die tot een fractie behoren.
65 Wat de hoedanigheid van niet-ingeschreven lid betreft, moet worden vastgesteld dat deze omstandigheid verzoekers niet op overeenkomstige wijze als de adressaat van de handeling kan individualiseren.
66 De bestreden handeling wijzigt immers de voorwaarden voor het gebruik van de kredieten van begrotingspost 3071 door de fracties, zoals met name blijkt uit hetgeen in punt 16 hierboven is vermeld, en door de niet-ingeschreven leden, zoals in het bijzonder blijkt uit hetgeen in de punten 12, 15 en 17 hierboven is vermeld. Deze handeling geldt algemeen en in de toekomst voor de fracties en de niet-ingeschreven leden. Zij raakt derhalve zowel de toekomstige fracties en niet-ingeschreven leden als diegenen die ten tijde van haar vaststelling deel uitmaakten van het Parlement, zodat zij geen van hen individueel raakt (zie in die zin beschikking Hof van 23 november 1995, Asocarne/Raad, C‑10/95 P, Jurispr. blz. I‑4149, punt 30).
67 De gestelde discriminatie van verzoekers, in hun hoedanigheid van niet-ingeschreven leden, ten opzichte van de leden die bij een fractie zijn aangesloten, kan evenmin leiden tot de vaststelling dat verzoekers individueel worden geraakt door de bestreden handeling.
68 Ten eerste volstaat het feit dat verzoekers behoren tot één van de twee categorieën van personen waarop de handeling van toepassing is, niet om hen te individualiseren, aangezien elk van deze twee categorieën – de fracties en de niet-ingeschreven leden – door de bestreden handeling op algemene en abstracte wijze wordt gedefinieerd.
69 Ten tweede verschillen de feiten van de onderhavige zaak van die welke aan de oorsprong lagen van het arrest van het Hof van 23 april 1986, Les Verts/Parlement (294/83, Jurispr. blz. 1339, punt 36). Die zaak had immers betrekking op een ongelijke verdeling van openbare middelen voor de voorlichtingscampagne van de politieke groeperingen die deelnamen aan de parlementsverkiezingen in 1984. De bestreden begrotingsbesluiten betroffen alle politieke groeperingen, die daarin evenwel verschillend werden behandeld naargelang zij al dan niet in de in 1979 gekozen Vergadering waren vertegenwoordigd. De vertegenwoordigde groeperingen hadden deelgenomen aan de vaststelling van besluiten waarin zowel hun eigen behandeling als die van de andere, niet-vertegenwoordigde groeperingen werd geregeld. Het Hof antwoordde bevestigend op de vraag of een niet-vertegenwoordigde politieke groepering die toch kandidaten kon voordragen voor de verkiezing van 1984, door de bestreden besluiten individueel werd geraakt. Het standpunt dat enkel de vertegenwoordigde groeperingen individueel werden geraakt, zou volgens het Hof leiden tot een ongelijke bescherming door de rechter, voorzover de niet-vertegenwoordigde groeperingen vóór de verkiezingen niet zouden kunnen opkomen tegen de verdeling van de begrotingskredieten voor de verkiezingscampagne.
70 In casu bestaat er op procedureel vlak geen vergelijkbaar verschil tussen de situatie van verzoekers, als niet-ingeschreven leden, en die van de leden die lid zijn van een fractie, aangezien de bestreden handeling de niet-ingeschreven leden noch de fracties individueel raakt, zoals is uiteengezet in punt 66 hierboven.
71 Uit het voorgaande volgt dat verzoekers door de bestreden handeling niet individueel worden geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG, en dat het beroep dan ook niet-ontvankelijk moet worden verklaard, zonder dat behoeft te worden onderzocht of verzoekers door de betrokken handeling rechtstreeks worden geraakt in de zin van dezelfde bepaling, dan wel of het onderhavige beroep binnen de in artikel 230, vijfde alinea, EG gestelde termijn is ingesteld.
Kosten
72 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien verzoekers in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van het Parlement in de kosten te worden verwezen
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer)
beschikt:
1) Het advies van de juridische dienst van het Parlement, dat door verzoekers als bijlage 5 bij het verzoekschrift is overgelegd, wordt verwijderd uit het dossier.
2) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
3) Verzoekers zullen hun eigen kosten en die van het Parlement dragen.
Luxemburg, 10 januari 2005.
De griffier
De president van de Tweede kamer
H. Jung
J. Pirrung
* Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy