CONCLUSIE VAN ADVOCAAT‑GENERAAL
L. A. GEELHOED
van 28 april 2005 1(1)
Zaak C‑3/04
Poseidon Chartering BV
tegen
Marianne Zeeschip VOF
en
Albert Mooij
en
Sjoerdtje Sijswerda
en
Gerrit Schram
[Verzoek om een prejudiciële beslissing van de Rechtbank Utrecht (Nederland)]
„Betekenis van handelsagent − Zelfstandig tussenpersoon die ten behoeve van scheepseigenaar en tegen provisie een tijdbevrachtingovereenkomst en jaarlijkse verlenging ervan heeft onderhandeld”
I – Inleiding
1. De onderhavige zaak, een verzoek om een prejudiciële beslissing van de Rechtbank Utrecht, Nederland, betreft de vraag of de richtlijn inzake handelsagenten(2) (hierna: „richtlijn”) van toepassing is op tussenpersonen die slechts één overeenkomst met een klant hebben onderhandeld, wanneer deze overeenkomst meerdere jaren is verlengd.
II – Het rechtskader
A – Het gemeenschapsrecht
2. Hoofdstuk I van de richtlijn, betreffende de werkingssfeer, luidt:
„Werkingssfeer
Artikel 1
1. De in deze richtlijn voorgeschreven harmonisatiemaatregelen zijn van toepassing op de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de betrekkingen tussen handelsagenten en hun principalen.
2. Handelsagent in de zin van deze richtlijn is hij die als zelfstandige tussenpersoon permanent is belast met het tot stand brengen van de verkoop of de aankoop van goederen voor een ander, hierna te noemen ‚principaal‚, of met het tot stand brengen en afsluiten van de verkoop of aankoop van goederen voor rekening en in naam van de principaal.
3. In de zin van deze richtlijn is een handelsagent in het bijzonder niet:
– een bestuurder van vennootschap of maatschap die de bevoegdheid heeft als orgaan van de vennootschap of maatschap namens deze op te treden;
– een vennoot die handelt namens zijn medevennoten;
– een bewindvoerder, een vereffenaar of een curator.
Artikel 2
1. Deze richtlijn is niet van toepassing:
– op handelsagenten wier werkzaamheden niet worden beloond;
– op handelsagenten voorzover zij werkzaam zijn op handelsbeurzen of op grondstoffenmarkten;
– op de instelling welke als ‚Crown Agents for Overseas Governments and Administrations’ bekend staat, zoals die in het Verenigd Koninkrijk uit hoofde van de wet van 1979 op de ‚Crown Agents’ is opgericht, of op dochterinstellingen hiervan.
Elke lidstaat kan bepalen dat de richtlijn niet van toepassing is op personen die de werkzaamheden van handelsagent als een nevenberoep uitoefenen volgens de wetgeving van deze lidstaat.”
3. Voor binnen deze werkingssfeer vallende agentuurovereenkomsten bevatten de hoofdstukken II tot en met IV van de richtlijn bepalingen betreffende de rechten, de verplichtingen en de beloning van de handelsagenten en betreffende de sluiting en de beëindiging van dergelijke overeenkomsten. Artikel 7 met name betreft de provisie voor krachtens de agentuurovereenkomst gesloten transacties en bepaalt:
„1. Voor een tijdens de duur van de agentuurovereenkomst gesloten handelstransactie heeft de handelsagent recht op de provisie:
a) indien de transactie is gesloten dankzij zijn optreden, of
b) indien de transactie is gesloten met een derde die in een eerder stadium door hem als klant was aangebracht voor een dergelijke transactie.
2. Voor een tijdens de duur van de agentuurovereenkomst gesloten transactie heeft de handelsagent eveneens recht op de provisie:
– indien hem een bepaald geografisch gebied of een bepaalde groep personen is toegewezen,
– of indien hij ten aanzien van een bepaald geografisch gebied of een bepaalde groep personen het alleenrecht heeft,
en de transactie werd gesloten met een klant uit dat gebied of uit die groep.
De lidstaten moeten één van de beide hierboven genoemde mogelijkheden in hun wetgeving opnemen.”
4. Voor de onderhavige zaak is eveneens relevant artikel 17, betreffende de vergoeding en het herstel van de handelsagent na beëindiging van de overeenkomst. Artikel 17, lid 2, sub a, luidt:
„2. a) De handelsagent heeft recht op een vergoeding indien en voorzover:
– hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of de transacties met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid en de transacties met deze klanten de principaal nog aanzienlijke voordelen opleveren, en
– de betaling van deze vergoeding billijk is, gelet op alle omstandigheden, in het bijzonder op de uit de transacties met deze klanten voortvloeiende provisie, die voor de handelsagent verloren gaat. De lidstaten kunnen bepalen dat genoemde omstandigheden ook het al dan niet toepassen van het concurrentiebeding in de zin van artikel 20 kunnen omvatten.”
B – Het Nederlandse recht
5. De richtlijn is in Nederlands recht omgezet bij de artikelen 428 tot en met 445 van het Burgerlijk Wetboek. Deze artikelen zijn grotendeels gelijk aan de bepalingen van de richtlijn, behalve dat de Nederlandse bepalingen, waar artikel 1, lid 2, van de richtlijn van toepassing is op transacties betreffende de „aankoop of de verkoop van goederen”, ook van toepassing zijn op transacties betreffende de verrichting van diensten. Zo bepaalt artikel 7:428, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek, de bepaling die gelijk is aan artikel 1, lid 2, van de richtlijn:
„De agentuurovereenkomst is een overeenkomst waarbij de ene partij, de principaal, aan de andere partij, de handelsagent, opdraagt, en deze zich verbindt, voor een bepaalde of onbepaalde tijd en tegen beloning bij de totstandkoming van overeenkomsten bemiddeling te verlenen, en deze eventueel op naam en voor rekening van de principaal te sluiten zonder aan deze ondergeschikt te zijn.”
III – De feiten
6. Blijkens de verwijzingsbeslissing trad Poseidon Chartering BV (hierna: „Poseidon”), een Nederlandse vennootschap, in 1994 op als bemiddelaar bij de sluiting van een bevrachtingovereenkomst voor een schip. Deze overeenkomst werd van 1994 tot 2000, met uitzondering van 1999, jaarlijks verlengd. Gedurende deze periode legde Poseidon met name de uitkomst van de jaarlijkse onderhandelingen over de verlenging van de overeenkomst tussen de contractpartijen vast in een addendum bij de overeenkomst. Van 1994 tot 2000 ontving Poseidon een provisie van 2,5 % van de bevrachtingprijs.
7. Het hoofdgeding betreft vorderingen van Poseidon tegen scheepseigenaren wegens, onder meer, 1) schade als gevolg van het niet in acht nemen van de contractuele opzegtermijn; 2) betaling van het bedrag van 14 229,89 EUR aan gederfde provisie, en 3) het bedrag van 14 471,29 EUR voor het verlies van klanten. De Rechtbank Utrecht heeft de procedure geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
„1. Is er sprake van een handelsagent in de zin van de richtlijn 86/653/EEG inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten, indien sprake is van een zelfstandige tussenpersoon die bemiddeld heeft bij de totstandkoming van (niet verscheidene, maar) één overeenkomst (een charter voor een schip) die telkenjare wordt verlengd en waarbij, ter zake van de verlenging van de charter, de jaarlijkse vrachtonderhandelingen (behalve, in de periode van 1994 tot en met 2000, in 1999) tussen de eigenaar van het schip en een derde worden gevoerd en de uitkomst daarvan door de tussenpersoon in een addendum wordt neergelegd?
2. Maakt het voor de beantwoording van vraag 1 nog uit dat, indien beoordeeld moet worden of sprake is van een agentuurovereenkomst, jarenlang een vergoeding (provisie) betaald is ad 2,5 % van de charter en/of dat artikel 7, lid 1, van de richtlijn spreekt over ‚een [...] gesloten handelstransactie’ en over het bestaan van een recht op [de] provisie ‚indien de transactie is gesloten met een derde die in een eerder stadium door de tussenpersoon als klant was aangebracht voor een dergelijke transactie’?
3. Maakt het voor de beantwoording van vraag 1 nog uit dat in artikel 17 van de richtlijn gesproken wordt van ‚klanten’ in plaats van klant?”
8. Overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie zijn in deze zaak schriftelijke opmerkingen ingediend door Poseidon en de Commissie.
9. Bij brief heeft de griffie van het Hof de Rechtbank gevraagd of zij haar verzoek om een prejudiciële beslissing wilde handhaven, gezien de beschikking van het Hof van 6 maart 2003 in zaak C‑449/01, Abbey Life, waarin het Hof oordeelde dat het geen enkele twijfel lijdt dat de richtlijn niet van toepassing is op zelfstandige tussenpersonen die belast zijn met het afsluiten van dienstenovereenkomsten.(3)
10. De Rechtbank antwoordde haar verzoek om uitlegging van een aantal begrippen in de richtlijn te willen handhaven en legde uit dat de Nederlandse wet de werkingssfeer van het begrip „handelsagent” bij de omzetting van de richtlijn in Nederlands recht had uitgebreid tot dienstenovereenkomsten. De Rechtbank voegde hieraan toe: „Dat die richtlijn model heeft gestaan voor de Nederlandse wet, die een breder begrip van agentuurovereenkomst kent, betekent niet dat het, voor de uitleg van bepaalde begrippen uit de richtlijn, noodzakelijk is dat de vragenstellende rechter een zaak berecht die alleen gaat over het enge begrip handelsagent/agentuurovereenkomst.”
IV – Analyse
A – Opmerkingen vooraf
11. Gelet op het feit dat de overeenkomst die in het hoofdgeding aan de orde is een overeenkomst voor de verrichting van diensten is (d.w.z. een overeenkomst om een schip te bevrachten), terwijl de richtlijn als zodanig duidelijk alleen van toepassing is op transacties betreffende de aan- of verkoop van goederen(4), moet allereerst de ontvankelijkheid van het onderhavige verzoek worden onderzocht.
12. Zoals reeds gezegd, staat vast dat de relevante Nederlandse wettelijke regeling inzake handelsagenten een ruimere werkingssfeer heeft dan die van de richtlijn, aangezien zij van toepassing is op transacties die zowel goederen als diensten betreffen.
13. Ik ben van mening dat het Hof de prejudiciële vragen inderdaad moet beantwoorden. Duidelijk van belang in dit opzicht is de rechtspraak van het Hof in zaken als Leur-Bloem, Giloy, Kofisa en BIAO, die prejudiciële verwijzingen betroffen die niet rechtstreeks door het gemeenschapsrecht werden bestreken, maar waarin de lidstaat ervoor had gekozen zijn nationale wettelijke regeling aan te passen aan het gemeenschapsrecht.(5) Zo oordeelde het Hof in het arrest Leur-Bloem:
„[...] dat het Hof krachtens artikel [234] van het Verdrag bevoegd is het gemeenschapsrecht uit te leggen wanneer dit de betrokken situatie niet rechtstreeks regelt, doch de nationale wetgever bij de omzetting van de bepalingen van een richtlijn in nationaal recht heeft besloten, zuiver interne situaties op dezelfde wijze te behandelen als situaties die door de richtlijn worden geregeld, en hij zijn nationale wetgeving dus heeft aangepast aan het gemeenschapsrecht”.(6)
14. Het Hof was erop bedacht om situaties te onderscheiden als die welke in de zaak Kleinwort Benson(7) aan de orde waren, waarin het gemeenschapsrechtelijke voorschrift als zodanig de nationale rechter bij de toepassing van de nationale wettelijke regeling niet bond; sterker nog, de relevante nationale wettelijke regeling voorzag uitdrukkelijk in de mogelijkheid dat de autoriteiten van de lidstaten wijzigingen vaststelden „die tot verschillen leiden” tussen deze wettelijke regeling en de gemeenschapsrechtelijke regel (in dat geval het Executieverdrag).
15. Het is duidelijk dat de beslissende factor voor de ontvankelijkheid van de prejudiciële verwijzing in die zaken was, of het hoofdgeding feitelijk zou worden beslecht door de toepassing van de betrokken gemeenschapsrechtelijke regel. Indien dit het geval was, had de Gemeenschap „stellig belang bij” een uniforme uitlegging van de relevante gemeenschapsrechtelijke begrippen door middel van de prejudiciële procedure „ter vermijding van uiteenlopende uitleggingen”.(8) Het stond echter aan de nationale rechter om de precieze strekking van de verwijzing te beoordelen, in het licht van grenzen die de nationale wetgever eventueel heeft gesteld aan de toepassing van het gemeenschapsrecht op zuiver interne situaties.(9)
16. Deze redenering geldt mijns inziens op zijn minst in dezelfde sterke mate voor de onderhavige zaak. Zoals in de verwijzingsbeslissing en in de latere correspondentie met de Rechtbank uiteengezet, was de betrokken Nederlandse wettelijke regeling, ofschoon zij een ruimere strekking heeft dan de richtlijn in die zin dat zij eveneens geldt voor transacties betreffende de levering van diensten, bestemd om de bepalingen van de richtlijn uit te voeren en weer te geven, hetgeen zij ook doet. Voorts betreft de zaak duidelijk de uitlegging van een gemeenschapsrechtelijk begrip, namelijk dat van „permanent belast”. Hoewel de Nederlandse rechterlijke instanties dit begrip voor agentuurovereenkomsten betreffende goederen en diensten in theorie verschillend kunnen uitleggen, heeft de Rechtbank in haar correspondentie met het Hof aangegeven dat zij verschillen tussen de twee gebieden wenst te vermijden. Het is eveneens relevant dat de Nederlandse wetgever, door de agentuurregeling uit te breiden tot diensten, zich heeft laten inspireren door de wens een situatie te vermijden waarin „twee gelijksoortige [maar niet identieke] regelingen naast elkaar zouden bestaan”. Dit zou tot verwarring leiden.(10)
17. Bovendien wijs ik erop dat beide partijen die schriftelijke opmerkingen bij het Hof ingediend, namelijk Poseidon en de Commissie, het Hof hebben verzocht de vragen van de Rechtbank te beantwoorden.
18. Ik ben daarom van mening dat het Hof, gezien het belang van de uniforme uitlegging van het gemeenschapsrecht, de vragen van de nationale rechter moet beantwoorden.
B – De eerste vraag
19. Met zijn eerste vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of het begrip handelsagent in de zin van artikel 1, lid 2, van de richtlijn zich ook uitstrekt tot een zelfstandig tussenpersoon die heeft bemiddeld bij de sluiting van (niet verschillende, maar) één bevrachtingovereenkomst voor een schip die van 1994 tot 2000 (met uitzondering van 1999) jaarlijks werd verlengd, na onderhandelingen tussen de scheepseigenaar en een derde partij, waarvan de uitkomst door de tussenpersoon schriftelijk in een addendum bij de overeenkomst werd neergelegd.
20. Uit de verwijzingsbeschikking blijkt duidelijk dat de nationale rechter in wezen wenst te vernemen, of het voor de toepassing van de richtlijn volstaat dat een handelsagent bij de sluiting van slechts één overeenkomst heeft bemiddeld.
21. Het antwoord op deze vraag is klaarblijkelijk afhankelijk van de uitlegging van artikel 1, lid 2, van de richtlijn, en met name van het begrip „permanent belast” (in het Engels: „continuing authority”; in het Frans: „chargé de façon permanente”).
22. Het is mijns inziens van belang om bij de uitlegging van dit begrip onderscheid te maken tussen een situatie waarin een zelfstandig agent door zijn principaal is opgedragen om slechts één overeenkomst te onderhandelen, en die waarin hem door zijn principaal is opgedragen om zowel een overeenkomst als meerdere verlengingen daarvan te onderhandelen.
23. Het is duidelijk dat in de eerste situatie redelijkerwijs niet kan worden gesproken van „permanent belast”. Indien dit begrip betrekking heeft op een agent die verantwoordelijk is voor de onderhandeling van slechts één overeenkomst, zou het woord „permanent” elke betekenis verliezen.
24. Daarentegen moet de tweede situatie – dat wil zeggen die waarin een agent verantwoordelijk is voor de onderhandeling én de verlenging van een overeenkomst – mijns inziens logischerwijs binnen dat begrip vallen. Voor mij verlangt het denkbeeld van „permanente” belastheid slechts dat de agent verantwoordelijk is voor de onderhandeling van meerdere soorten overeenkomsten of voor de (her)onderhandeling van dezelfde overeenkomst bij meer dan één gelegenheid. Dit volgt uit de aard van het begrip „belast” zelf, dat in wezen verwijst naar de bevoegdheid om de rechtspositie van een principaal te wijzigen door namens hem op te treden. Daar een agent die verantwoordelijk is voor de verlenging of de heronderhandeling van een overeenkomst bevoegd is de rechtspositie van een principaal bij meer dan één gelegenheid te wijzigen, lijkt het mij logisch dat in dat geval kan worden gesproken van „permanent belast”.
25. Deze letterlijke uitlegging vindt bovendien steun in het doel van de richtlijn, namelijk de onderlinge aanpassing van de in de lidstaten bestaande regels voor handelsagenten, voorzover dit voor de goede werking van de gemeenschappelijke markt noodzakelijk is teneinde, met name, „de handelsagenten een minimum aan sociale bescherming te verzekeren”(11), de zekerheid in het handelsverkeer veilig te stellen en obstakels uit de weg te ruimen voor grensoverschrijdende agentuurovereenkomsten.(12) Het doel van sociale bescherming van de handelsagent zou op willekeurige wijze in gevaar worden gebracht, indien hij, in een geval waarin de principaal bij verlenging van een overeenkomst de keuze heeft om een andere dan de oorspronkelijke contractpartij te kiezen, alleen onderworpen was aan de regels van de richtlijn, wanneer de overeenkomst met een andere partij wordt gesloten, maar niet wanneer de principaal besluit bij dezelfde partij te blijven.
26. Het verdient in dit verband vermelding dat in het oorspronkelijke voorstel van de Commissie werd verklaard dat de richtlijn niet van toepassing zou zijn op tussenpersonen die slechts tot taak hebben in naam van slechts een lastgever een of meer bepaalde transacties af te sluiten of te bemiddelen.(13) Het is opmerkelijk dat de Raad deze bepaling uit de definitieve versie heeft geschrapt.
27. Ik wijs er eveneens op dat het Hof in arresten waarin het oordeelde dat inschrijving in een register geen voorwaarde kan zijn om agentuurovereenkomsten binnen de werkingssfeer van de richtlijn te brengen, beklemtoonde dat alleen de vereisten die in artikel 1, lid 2, van de richtlijn uitdrukkelijk worden genoemd, voorwaarden zijn voor de toepassing van en de bescherming krachtens de richtlijn.(14)
28. Ik wil hieraan toevoegen dat hoewel de woorden „klant” en „overeenkomst” (en gelijkwaardige begrippen) in de richtlijn zowel in het meervoud als in het enkelvoud worden gebruikt, deze verwijzingen mijns inziens niet doorslaggevend zijn voor de uitlegging van het begrip permanent belast. Deze verwijzingen komen niet voor in het hoofdstuk waarin de werkingssfeer van de richtlijn wordt gedefinieerd, maar in bepalingen van de richtlijn betreffende, bijvoorbeeld, de rechten en verplichtingen van handelsagenten en de aan hen te betalen provisie. Er is geen enkele aanwijzing dat die verwijzingen de werkingssfeer van de richtlijn dienden te beïnvloeden. Het feit dat dergelijke verwijzingen zowel in het enkelvoud als in het meervoud worden gebruikt toont in elk geval aan dat zij niet wijzen op één afdoend antwoord op de onderhavige vraag.(15)
29. Gelet op een en ander, ben ik van mening dat op de eerste vraag van de nationale rechter moet worden geantwoord dat het begrip handelsagent zich ook uitstrekt tot tussenpersonen die permanent belast zijn met de onderhandeling van een overeenkomst en de verlenging daarvan.
C – De tweede vraag
30. Met zijn tweede vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of het voor het antwoord op de eerste vraag van belang is dat een vergoeding (provisie) van 2,5 % van de waarde van de bevrachtingovereenkomst is betaald en/of dat artikel 7, lid 1, van de richtlijn spreekt van „een [...] gesloten handelstransactie” en van het bestaan van een recht op provisie „indien de transactie is gesloten met een derde die in een eerder stadium [door de tussenpersoon] als klant was aangebracht voor een dergelijke transactie”.
31. Wat, in de eerste plaats, het belang van de betaling van een provisie betreft, wordt in artikel 2, lid 1, van de richtlijn gesteld dat handelsagenten wier werkzaamheden niet worden beloond, niet binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallen. Betaling in enige vorm is dus een prealabele voorwaarde voor de toepassing van de richtlijn. Uit de bewoordingen van de artikelen 1 en 2 blijkt echter duidelijk dat het vereiste van permanent belast in de in mijn antwoord op de eerste vraag omschreven zin, een autonome en afzonderlijke voorwaarde is om als agent binnen de werkingssfeer van de richtlijn te vallen.
32. Ik ben daarom niet overtuigd van het argument van Poseidon, dat lijkt in te houden dat alleen op grond van het feit dat een provisie is betaald moet worden aangenomen dat er sprake is van een agentuurovereenkomst. Dat een provisie is betaald heeft op zich geen invloed op de afzonderlijke vraag, of er sprake is van permanente belastheid.
33. Wat, in de tweede plaats, het belang betreft van de verwijzingen in artikel 7, lid 1, van de richtlijn naar een „gesloten handelstransactie” en naar het bestaan van een recht op provisie „indien de transactie is gesloten met een derde die in een eerder stadium [door de tussenpersoon] als klant was aangebracht voor een dergelijke transactie”, deze verwijzingen acht ik, om de in punt 27 reeds uiteengezette redenen, niet doorslaggevend voor het antwoord op de eerste vraag. Het gebruik van de enkelvoudvorm volgt hier logischerwijs uit de betekenis van het eerste lid als geheel, die er in wezen op neerkomt dat een handelsagent recht op provisie heeft voor die transacties die tijdens de duur van de overeenkomst hetzij 1) dankzij zijn optreden, hetzij 2) met een derde die in een eerder stadium door hem als klant was aangebracht voor soortgelijke transacties, zijn gesloten. Het zegt mijns inziens niets over het standpunt van de gemeenschapswetgever over het punt dat in de eerste vraag aan de orde is gesteld.
34. Op de tweede vraag moet derhalve worden geantwoord dat het voor het antwoord op de eerste vraag niet van belang is dat een vergoeding (provisie) werd betaald van 2,5 % van de waarde van de bevrachtingovereenkomst of dat in artikel 7, lid 1, van de richtlijn wordt gesproken van „een [...] gesloten handelstransactie” en van het bestaan van een recht op provisie „indien de transactie is gesloten met een derde die in een eerder stadium door [de tussenpersoon] als klant was aangebracht voor een dergelijke transactie”.
D – De derde vraag
35. Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of het voor het antwoord op de eerste vraag van belang is dat artikel 17 – en met name artikel 17, lid 2, sub a, – van de richtlijn spreekt van klanten in het meervoud en niet in het enkelvoud.
36. Om de in punt 27 hierboven uiteengezette redenen moet deze vraag mijns inziens ontkennend worden beantwoord. Ik wil hieraan toevoegen dat de verwijzingen in artikel 17, lid 2, sub a, naar „klanten” in elk geval louter hypothetisch zijn en de omstandigheden beschrijven waarin een binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallende handelsagent recht op een provisie heeft. Deze verwijzingen zijn daarom niet van belang voor het antwoord op de eerste vraag.
V – Conclusie
37. Ik geef het Hof daarom in overweging, de vragen van de Rechtbank Utrecht te beantwoorden als volgt:
„Het begrip ‚handelsagent’ in de zin van richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten strekt zich uit tot tussenpersonen die permanent belast zijn met de onderhandeling van een overeenkomst en de verlenging ervan, ongeacht het feit dat in artikel 7, lid 1, van de richtlijn wordt gesproken van ‚een [...] gesloten handelstransactie’ en dat artikel 17, lid 2, sub a, van de richtlijn spreekt van ‚klanten’ in het meervoud. De vraag of er sprake is van permanente belastheid staat los van de vraag of een provisie is betaald.”
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten (PB L 382, blz. 17).
3 – Beschikking Hof van 6 maart 2003, Abbey Life (C‑449/01, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie).
4 – Zie artikel 1, lid 2, van de richtlijn en de beschikking van het Hof in zaak C‑449/01, aangehaald in voetnoot 3.
5 – Arresten van 17 juli 1997, Leur-Bloem (C‑28/95, Jurispr. blz. I‑4161), en Giloy (C‑130/95, Jurispr. blz. I‑4291); 11 januari 2001, Kofisa (C‑1/99, Jurispr. blz. I‑207), en 7 januari 2003, BIAO (C‑306/99, Jurispr. blz. I‑1).
6 – Arrest Leur-Bloem, aangehaald in voetnoot 5, punt 34.
7 – Arrest van 28 maart 1995 (C‑346/93, Jurispr. blz. I‑615).
8 – Arrest Leur-Bloem, aangehaald in voetnoot 5, punt 32.
9 – Arrest Leur-Bloem, aangehaald in voetnoot 5, punt 33.
10 – Zie Smit, F. M., De Agentuurovereenkomst tussen handelsagent en principaal, blz. 26, voetnoot 31.
11 – Zie conclusie van advocaat-generaal Léger bij het arrest van 9 november 2000 in de zaak Ingmar (C‑381/98, Jurispr. blz. I‑9305, punt 50), en arrest van 30 april 1998, Bellone (C‑215/97, Jurispr. blz. I‑2191, punt 13).
12 – Derde overweging van de considerans van de richtlijn.
13 – Voorstel voor een richtlijn van de Raad ter coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake de (zelfstandige) handelsagenten (COM/76/670 def., PB 1977, C 13, blz. 2, artikel 3, derde streepje).
14 – Zie bijvoorbeeld arrest Bellone, aangehaald in voetnoot 11, punt 13 en, naar analogie, beschikking Hof van 10 februari 2004, Mavrona (C‑85/03, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 15).
15 – Zie bijvoorbeeld artikel 3, lid 2 („transacties”), artikel 7, lid 1 („gesloten transactie”), artikel 7, lid 2 („gesloten transactie”), en artikel 17, lid 2, („klanten”).
Full & Egal Universal Law Academy