CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. LÉGER
van 20 oktober 2005 1(1)
Gevoegde zaken C‑23/04 tot C‑25/04
Sfakianakis AEVE
tegen
Elliniko Dimosio
[verzoek van het Dioikitiko Protodikeio Athinon (Griekenland) om een prejudiciële beslissing]
„Associatieovereenkomst EEG-Hongarije – Verplichting van wederzijdse bijstand voor douaneautoriteiten – Invoer van goederen onder preferentiële douaneregeling – Controle achteraf van oorsprong van goederen, waarbij twijfels zijn gerezen over Hongaarse oorsprong ervan – Beroep tegen conclusies van controle achteraf – Inning van douanerechten door douaneautoriteiten van staat van invoer – Nietigverklaring door bevoegde rechtbank van staat van uitvoer van conclusies van controle achteraf – Verplichting voor douaneautoriteiten van staat van invoer om rekening te houden met beslissingen van rechterlijke instanties van staat van uitvoer”
1. De onderhavige prejudiciële procedure betreft de uitlegging van de Europa-Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Hongarije, anderzijds, die werd ondertekend op 16 december 1991.(2)
2. Zij vindt haar oorsprong in de betwisting door de vennootschap Sfakianakis AEVE(3) van de beschikkingen van het douanekantoor te Athene waarbij haar de betaling van douanerechten wordt opgelegd wegens de invoer in Griekenland van uit Hongarije afkomstige auto’s. Na een controle achteraf hebben de Hongaarse douaneautoriteiten gesteld dat de certificaten die de Hongaarse oorsprong van deze auto’s bevestigden onjuist waren. Tegen de conclusies van deze controle werd beroep ingesteld bij de bevoegde Hongaarse rechterlijke instantie, die ze heeft nietigverklaard. Overeenkomstig de door deze rechterlijke instantie gegeven beslissingen werd de Hongaarse oorsprong van de in het geding zijnde voertuigen uiteindelijk bevestigd.
3. Met de belangrijkste vraag die het Dioikitiko Protodikeio Athinon (Griekenland) aan het Hof heeft voorgelegd, wenst het te vernemen of de associatieovereenkomst, en met name de regels waarin zij voorziet inzake de administratieve samenwerking, de douaneautoriteiten van de staat van invoer verplichten om rekening te houden met door de rechterlijke instantie van de staat van uitvoer gegeven beslissingen, waarbij de geldigheid is bevestigd van de certificaten op vertoon waarvan de in het geding zijnde waren werden ingevoerd.
I – Rechtskader
A – De associatieovereenkomst en protocol nr. 4
4. Volgens artikel 1 ervan had de associatieovereenkomst met name ten doel om geleidelijk een vrijhandelszone tussen de Europese Economische Gemeenschap en Hongarije tot stand te brengen. Zij moest aldus bijdragen tot de integratie van de Republiek Hongarije in de Europese Gemeenschap, die plaatsvond op 1 mei 2004.
5. De associatieovereenkomst voorziet in artikel 9 in de geleidelijke of onmiddellijke afschaffing van alle invoerrechten die in de Gemeenschap van toepassing zijn op producten van oorsprong uit Hongarije.
6. Het begrip „producten van oorsprong” alsook de methoden van administratieve samenwerking zijn omschreven in protocol nr. 4(4) bij de associatieovereenkomst. Dit protocol werd gewijzigd bij besluit nr. 1/95(5), dat in werking is getreden op 1 oktober 1995, en vervolgens bij besluit nr. 3/96(6), dat in werking is getreden op 1 juli 1997. Aangezien de relevante artikelen van protocol nr. 4, zoals gewijzigd bij besluit nr. 3/96(7), in wezen dezelfde inhoud hebben als in de oorspronkelijke versie van 1993 en in die van besluit nr. 1/95, lijkt het niet nodig om de exacte versie van elk artikel vast te stellen dat van toepassing is op de verschillende stadia van de hoofdgedingen. Daar de verwijzende rechter enkel verwijst naar de versie van de relevante artikelen in protocol nr. 4, zullen wij hier enkel deze aanhalen.
7. Volgens artikel 16, lid 1, sub a, van protocol nr. 4 worden de producten van oorsprong uit Hongarije in de Gemeenschap ingevoerd volgens de preferentiële voorwaarden van de associatieovereenkomst, en worden de producten van de verschillende lidstaten van de Gemeenschap op dezelfde wijze in Hongarije ingevoerd, op vertoon van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1.(8) Artikel 17, leden 1 en 5, van protocol nr. 4 bepaalt dat het EUR.1-certificaat wordt afgegeven door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer, die hiervoor alle nodige maatregelen moeten nemen om te controleren of de producten inderdaad van oorsprong zijn. Zij zijn gerechtigd daartoe bewijsstukken op te vragen, de boeken van de exporteur in te zien en alle andere controles te verrichten die zij dienstig achten.(9)
8. De bepalingen van protocol nr. 4 inzake de methoden van administratieve samenwerking staan meer in het bijzonder in de artikelen 31 tot en met 33 ervan, die in het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing aan de orde zijn. Zij luiden als volgt:
„Artikel 31
Wederzijdse bijstand
[...]
2. Met het oog op de correcte toepassing van dit protocol verlenen de Gemeenschap en Hongarije elkaar, via de bevoegde douane-instanties, bijstand bij de controle op de echtheid van de EUR.1-certificaten en de factuurverklaringen en de juistheid van de daarin vermelde gegevens.
Artikel 32
Controle van de oorsprongsbewijzen
1. De bewijzen van oorsprong worden achteraf door middel van steekproeven gecontroleerd en ook wanneer de douaneautoriteiten van het land van invoer redenen hebben om te twijfelen aan de echtheid van deze documenten, de oorsprong van de betrokken producten of de naleving van de andere voorwaarden van dit protocol.
2. Met het oog op de toepassing van lid 1 zenden de douaneautoriteiten van het land van invoer het EUR.1-certificaat, de factuur, indien deze werd voorgelegd, de factuurverklaring of een kopie van deze documenten terug aan de douaneautoriteiten van het land van uitvoer, eventueel onder vermelding van de redenen waarom een onderzoek wordt aangevraagd. Zij verstrekken bij deze aanvraag om controle alle documenten en gegevens die het vermoeden hebben doen rijzen dat de gegevens op het bewijs van oorsprong onjuist zijn.
3. De controle wordt verricht door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer. Deze zijn in dit verband gerechtigd bewijsmateriaal op te vragen, de administratie van de exporteur in te zien en elke andere controle te verrichten die zij dienstig achten.
4. Indien de douaneautoriteiten van het land van invoer besluiten de preferentiële behandeling niet toe te kennen zolang de uitslag van de controle niet bekend is, doen zij de importeur het voorstel de producten vrij te geven onder voorbehoud van de noodzakelijk geachte conservatoire maatregelen.
5. De resultaten van de controle worden zo spoedig mogelijk meegedeeld aan de douaneautoriteiten die de controle hebben aangevraagd. In deze mededeling moet duidelijk worden aangegeven of de documenten al dan niet echt zijn, of de betrokken producten als producten van oorsprong uit de Gemeenschap [of] Hongarije [...] beschouwd kunnen worden en of aan de andere voorwaarden van dit protocol is voldaan.
6. Indien bij gegronde twijfel binnen tien maanden na het verzoek om controle geen antwoord is ontvangen of indien het antwoord niet voldoende gegevens bevat om de echtheid van het betrokken document of de werkelijke oorsprong van de producten vast te stellen, kennen de aanvragende douaneautoriteiten de preferentiële behandeling niet toe, behoudens in buitengewone omstandigheden.
Artikel 33
Regeling van geschillen
Geschillen ten aanzien van de in artikel 32 bedoelde controles die niet onderling geregeld kunnen worden tussen de douaneautoriteiten die de controle hebben aangevraagd en de douaneautoriteiten die deze hebben moeten uitvoeren, en problemen in verband met de interpretatie van dit protocol worden aan het associatiecomité voorgelegd.
In alle gevallen is de wetgeving van het land van invoer van toepassing op de regeling van geschillen tussen een importeur en de douaneautoriteiten van het land van invoer”.(10)
B – Communautair douanewetboek
9. De verwijzende rechter verwijst eveneens naar verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad(11), die de algemene regels en procedures bevat voor de toepassing van de tariefmaatregelen die in het kader van het goederenverkeer tussen de Gemeenschap en derde landen op communautair niveau zijn ingesteld.(12)
10. Artikel 220 CDW bepaalt in lid 1 dat wanneer het bedrag aan rechten dat voortvloeit uit een douaneschuld ten belope van een lager bedrag is geboekt dan het wettelijk verschuldigde bedrag, de boeking van het in te vorderen of aanvullend in te vorderen bedrag aan rechten, dat wil zeggen hun registratie door de douaneautoriteiten van de betrokken lidstaat in de boekhouding of op iedere andere drager die als zodanig dienst doet(13), in beginsel dient te geschieden binnen een termijn van twee dagen te rekenen vanaf de datum waarop de douaneautoriteiten deze situatie hebben vastgesteld en het wettelijk verschuldigde bedrag kunnen berekenen en zij de schuldenaar kunnen aanwijzen.
11. Artikel 220, lid 2, CDW voorziet evenwel in een uitzondering op deze boeking achteraf. De verwijzende rechter verzoekt in het kader van de onderhavige procedure eveneens om uitlegging van deze bepaling, die luidt als volgt:
„Behalve in de gevallen als bedoeld in artikel 217, lid 1, tweede en derde alinea, wordt niet tot boeking achteraf overgegaan wanneer:
[...]
b) het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet was geboekt, ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan;
[...]”
II – Feiten van het hoofdgeding
12. In de loop van de jaren 1996 tot en met 1998 verrichtten de Hongaarse douaneautoriteiten, op verzoek van de eenheid voor de coördinatie van de fraudebestrijding (UCLAF) van de Europese Commissie een controle achteraf van de oorsprong van de voertuigen van het merk Suzuki, die in Hongarije waren gebouwd en tijdens de jaren 1995 tot en met 1997 in de Europese Gemeenschap waren ingevoerd op vertoon van certificaten inzake goederenverkeer EUR.1.
13. Aangaande de door de vennootschap Sfakianakis verrichte invoer, heeft het onderzoek geleid tot een rangschikking van de voertuigen in drie groepen, waarvan de eerste de voertuigen omvat waarvan de Hongaarse oorsprong, in de zin van protocol nr. 4, werd bevestigd; de tweede, die welke – met instemming van de fabrikant – werden verklaard van buitenlandse oorsprong te zijn, en de derde, die waarvan de oorsprong heeft geleid tot een gerechtelijke procedure tussen de exporteur en de Hongaarse douaneautoriteiten.
14. Bij brief van 3 november 1998 heeft de directeur van de Hongaarse controledienst de bevoegde Griekse douaneautoriteiten deze resultaten meegedeeld. Wat de derde groep voertuigen betreft, heeft hij deze autoriteiten verzocht de inning achteraf van deze douanerechten op te schorten in afwachting van de uitkomst van de lopende gerechtelijke procedures.
15. De bevoegde Griekse douaneautoriteiten hebben van het UCLAF eveneens een lijst ontvangen met de uit Hongarije afkomstige voertuigen die in Griekenland werden ingevoerd en waarvoor ten onrechte gebruik zou zijn gemaakt van de gunstige regeling. Deze lijst omvatte de voertuigen waarvan de oorsprong aan de orde was in de beroepen die bij de bevoegde Hongaarse rechterlijke instantie aanhangig waren.
16. Op basis van deze lijst hebben de Griekse douaneautoriteiten beschikkingen vastgesteld waarbij Sfakianakis de betaling is opgelegd van douanerechten bij invoer, vermeerderd met belastingen en boetes.
17. De Hongaarse rechter heeft de conlusies van de door de Hongaarse douaneautoriteiten uitgevoerde controle achteraf nietigverklaard, en laatstgenoemden gelast de controleprocedure te hervatten, met toepassing van de in het kader van de beroepen gegeven rechterlijke beslissingen.(14)
18. Bij brief van 26 juli 1999 heeft de bevoegde Hongaarse autoriteit deze beslissingen ter kennis van de algemene directie van de Griekse douane gebracht, en heeft zij haar een lijst bezorgd van de voertuigen van buitenlandse oorsprong, en één van de voertuigen waarvan de Hongaarse oorsprong uiteindelijk was bevestigd. De Griekse douaneautoriteiten hebben hun beschikkingen waarbij Sfakianakis de betaling is opgelegd van douanerechten bij invoer van de voertuigen waarvan de Hongaarse oorsprong werd bevestigd, niet ingetrokken.
III – Prejudiciële vragen
19. Het Dioikitiko Protodikeio Athinon, bij wie het beroep tegen deze beschikkingen door Sfakianakis aanhangig werd gemaakt, heeft besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
„1) Brengt de in artikel 31, lid 2, van protocol nr. 4 (aangehecht aan de Europa-Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds, en de Republiek Hongarije, anderzijds) neergelegde verplichting tot wederzijdse bijstand voor de douaneautoriteiten van de lidstaat van invoer de verplichting mee om rekening te houden met de beslissingen van Hongaarse rechterlijke instanties betreffende de geldigheid van de door de autoriteiten van de staat van uitvoer verrichte controles, die betrekking hebben op de juistheid van een uitvoercertificaat EUR.1, gelet op het feit dat:
a) de Hongaarse autoriteiten de douaneautoriteiten van de staat van invoer naar behoren op de hoogte hadden gebracht van de resultaten van de oorspronkelijk verrichte controle betreffende de onjuistheid van bepaalde uitvoercertificaten, er echter op wijzend dat de geldigheid van de controle het voorwerp was van aanhangige procedures voor de Hongaarse rechterlijke instanties en,
b) de Hongaarse autoriteiten de douaneautoriteiten van de staat van invoer officieel hebben ingelicht over de uitkomst van die procedures, dus over de beslissingen van bedoelde rechterlijke instanties waarbij is vastgesteld dat uiteindelijk een aantal certificaten EUR.1 onjuist waren?
2) Moet artikel 32 van voornoemd protocol nr. 4 aldus worden uitgelegd, dat de douaneautoriteiten van de lidstaat van invoer rekening dienen te houden met de beslissingen van de rechterlijke instanties van de staat van uitvoer die de resultaten vernietigen van controles die door de Hongaarse autoriteiten na de invoer zijn verricht, gelet op het feit dat:
a) de autoriteiten van de staat van invoer naar behoren op de hoogte zijn gebracht, zowel van de voor de Hongaarse rechterlijke instanties aanhangige gedingen als van de uitkomst van de betrokken procedures, en,
b) die autoriteiten nooit hebben gevraagd de controle te verrichten?
3) Indien één van de bovenstaande vragen bevestigend wordt beantwoord, moeten de voornoemde regelingen van het gemeenschapsrecht dan aldus worden uitgelegd, dat zij in de weg staan aan administratieve handelingen tot oplegging van aanvullende douanerechten, belastingen en boeten, die door de nationale autoriteiten van de staat van invoer zijn vastgesteld na de mededeling, door de Hongaarse autoriteiten, van het resultaat van de door hen verrichte controle, maar vóór de bekendmaking van de inhoud van de rechterlijke beslissingen waarbij de resultaten daarvan worden vernietigd, teneinde het nuttig effect te verzekeren van het verbod op douanerechten dat is neergelegd in de Europa-Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en Hongarije, gelet ook op het feit dat de afgegeven certificaten EUR.1 uiteindelijk onjuist waren?
4) Is het, hiermee samenhangend, van invloed op de bovenstaande vragen, dat noch de Griekse noch de Hongaarse douaneautoriteiten hebben verzocht het associatiecomité van artikel 33 van voornoemd protocol nr. 4 bijeen te roepen om dienaangaande uitspraak te doen, hetgeen erop wijst dat geen van beide autoriteiten van mening was dat het geven van de beslissingen van de Hongaarse rechterlijke instanties een tussen hen bestaand geschil vormt dat aan het oordeel van bedoeld comité zou moeten worden voorgelegd?
5) Subsidiair, indien de voorgaande vragen ontkennend worden beantwoord en de Griekse autoriteiten dus de voornoemde regelingen van het gemeenschapsrecht niet hebben geschonden door een aanvullend douanerecht, BTW en een boete op te leggen, is het dan denkbaar dat, op grond van artikel 220, lid 2, van het communautair douanewetboek, niet tot boeking achteraf van de rechten ten laste van de importeur wordt overgegaan, wegens een vergissing van de douaneautoriteiten zelf van de staat van invoer of van uitvoer, meer bepaald gelet op het feit dat de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer over alle feitelijke gegevens betreffende de oorsprong van de voor uitvoer bestemde voertuigen beschikten, op grond waarvan het certificaat EUR.1 niet zou worden afgegeven en de autoriteiten van de staat van invoer het wettelijk verschuldigde douanerecht direct konden boeken?”
IV – Analyse
A – De eerste twee prejudiciële vragen
20. Ik stel het Hof voor om de eerste twee prejudiciële vragen, die nauw met elkaar samenhangen, samen te onderzoeken.
21. Met deze vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de associatieovereenkomst en het protocol nr. 4, met name de bepalingen van dit protocol met betrekking tot de verplichting van wederzijdse bijstand in artikel 31, lid 2, alsook die betreffende de controle van het oorsprongsbewijs van de waren, waarnaar in artikel 32 wordt verwezen, aldus dienen te worden uitgelegd dat de douaneautoriteiten van de staat van invoer verplicht zijn rekening te houden met de rechterlijke beslissingen die zijn gegeven in de staat van uitvoer op beroepen die zijn ingesteld tegen de conclusies van de door de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer verrichte controle van de geldigheid van de certificaten inzake goederenverkeer, wanneer zij op de hoogte zijn gebracht van het bestaan van die beroepen en van de inhoud van die beslissingen. De verwijzende rechter wenst van het Hof eveneens te vernemen of het feit dat de controle van de geldigheid van de certificaten inzake goederenverkeer niet werd uitgevoerd op vraag van de douaneautoriteiten van de staat van invoer, een weerslag heeft op het antwoord op deze vraag.
22. De verwijzende rechter wenst aldus te vernemen of de douaneautoriteiten van de staat van invoer zich moeten houden aan de eerste resultaten van de door de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer verrichte controle achteraf van de geldigheid van de certificaten inzake goederenverkeer, dan wel of zij eveneens rekening moeten houden met de in de staat van uitvoer gegeven rechterlijke beslissingen op beroepen tegen de conclusies van deze controle.
23. De Griekse regering stelt voor om te antwoorden dat de associatieovereenkomst en voormelde bepalingen van protocol nr. 4 de douaneautoriteiten van de staat van invoer niet verplichten om rekening te houden met de door de bevoegde rechterlijke instantie van de staat van uitvoer gegeven beslissingen inzake de geldigheid van de controle achteraf van de juistheid van de EUR.1-certificaten.
24. Tot staving van deze opvatting wijst de Griekse regering erop dat de vaststelling van de oorsprong van waren toekomt aan de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer en dat de toepasselijke communautaire regeling de douaneautoriteiten van de staat van invoer niet verplicht om de juistheid van deze controle na te gaan. Zij betoogt dat de verklaring van de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer dat de EUR.1-certificaten onjuist zijn, volstaat om de inning achteraf van douanerechten te rechtvaardigen.
25. Zij zet uiteen dat, aangezien het de douaneautoriteiten, en niet de rechterlijke instanties, van de staat van uitvoer zijn die bevoegd zijn om de controle achteraf van de certificaten van oorsprong van de producten te verrichten, en artikel 32, lid 5, van protocol nr. 4 bepaalt dat de controle zo spoedig mogelijk dient te worden verricht, de Hongaarse douaneautoriteiten de in het geding zijnde EUR.1-certificaten terecht hebben nietigverklaard. Zij betoogt dat geen enkele bepaling van de toepasselijke gemeenschapsregeling, en met name de artikelen 31 en 32 van protocol nr. 4, de bevoegde douaneautoriteiten van het land van invoer verplicht om de resultaten van de gerechtelijke procedure af te wachten.
26. Zij voegt hieraan toe dat, wanneer de beoordelingen van de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer door de rechter worden nietigverklaard, de bevoegde autoriteiten van de staat van invoer niet kunnen weten of de procedure contradictoir was en alle waarborgen voor een eerlijk proces bood, en ook niet of het vonnis van de rechter gebaseerd is op een onderzoek van de juistheid feitelijk en rechtens van de bestreden akte, dan wel op een formele reden, zoals het niet-verschijnen ter terechtzitting van de verwerende douaneautoriteiten.
27. Ik kan het standpunt van de Griekse regering niet delen. Samen met Sfakianakis, de Hongaarse regering en de Commissie, ben ik van mening dat de associatieovereenkomst alsook de bepalingen van protocol nr. 4 met betrekking tot de wederzijdse bijstand en de controle van het oorsprongsbewijs van de waren, de douaneautoriteiten van de staat van invoer verplichten om rekening te houden met de in de staat van uitvoer gegeven rechterlijke beslissingen op de beroepen tegen de conclusies van de controle van de geldigheid van de EUR.1-certificaten. Zoals de Hongaarse regering en de Commissie betogen, dringt de verplichting om hiermee rekening te houden zich op wegens de doelstelling van de associatieovereenkomst en van het door protocol nr. 4 vastgestelde systeem van administratieve samenwerking. Net zoals Sfakianakis ben ik van mening dat deze oplossing dient te worden gekozen teneinde het fundamentele recht op een effectief beroep in rechte te eerbiedigen.
28. Op de eerste plaats beoogt de associatieovereenkomst, zoals reeds gezegd, te waarborgen dat de goederen die voldoen aan de voorwaarden om te kunnen worden geacht van oorsprong uit Hongarije of uit een lidstaat van de Europese Gemeenschap te zijn, in de Gemeenschap of in Hongarije worden ingevoerd onder de preferentiële regeling waarin deze overeenkomst voorziet. Te dien einde bepalen de artikelen 16 en 17 van protocol nr. 4 dat het bewijs van de oorsprong van de producten, op grond waarvan zij voor deze preferentiële behandeling in aanmerking komen, wordt geleverd door een EUR.1-certificaat, dat krachtens artikel 17, lid 4, dient te worden afgeleverd door de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer.
29. Ofschoon de bevestiging van de oorsprong van de producten door de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer krachtens artikel 17, leden 4 en 5, in beginsel is gebaseerd op een verificatie op het moment van de afgifte van het EUR.1-certificaat, gebeurt zij ook via controles achteraf. Zoals artikel 32, lid 3, van protocol nr. 4 heeft gepreciseerd, wordt de controle achteraf eveneens verricht door de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer, die met het oog hierop zijn gerechtigd alle bewijsstukken op te vragen en alle controles te verrichten die zij dienstig achten.
30. Het staat dus aan de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer om de oorsprong van de betrokken waren na te gaan en om te controleren of zij al dan niet aan de voorwaarden voldoen om te kunnen worden ingevoerd in een lidstaat van de Gemeenschap of in Hongarije met toepassing van de preferentiële behandeling waarin de associatieovereenkomst voorziet.
31. Zoals alle tussenkomende partijen stellen, berust het stelsel van administratieve samenwerking van de artikelen 31 tot en met 33 van protocol nr. 4 tegelijkertijd op een verdeling van de taken en op het wederzijds vertrouwen tussen de douanediensten van de betrokken lidstaat en die van de Republiek Hongarije. Zoals het Hof heeft geoordeeld in het kader van andere vrijhandelsovereenkomsten, met betrekking tot protocollen betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking die vergelijkbaar zijn met die van protocol nr. 4, vindt een dergelijk stelsel zijn rechtvaardiging in de omstandigheid dat de autoriteiten van de staat van uitvoer het best in staat zijn om rechtstreeks de feiten te controleren die bepalend zijn voor de oorsprong van het betrokken product.(15) Daarenboven biedt dit het voordeel dat het bij de vaststelling van de oorsprong van de goederen tot zekere en uniforme resultaten leidt, waardoor verleggingen van het handelsverkeer en distorsies van de mededinging worden vermeden.(16)
32. De goede werking van een dergelijk stelsel is evenwel eerst verzekerd, wanneer de douanedienst van het land van invoer de door de autoriteiten van het land van uitvoer wettig uitgebrachte beoordelingen erkent.(17) Zoals het Hof heeft uiteengezet in voormeld arrest Les Rapides Savoyards e.a., in het kader van internationale vrijhandelsovereenkomsten die verbintenissen scheppen tussen de Gemeenschap en een derde staat op basis van wederzijdse verplichtingen, moeten de beslissingen die wettig werden genomen door de autoriteiten van deze derde staat door de douanediensten van de lidstaten eveneens worden erkend opdat de Gemeenschap op haar beurt, van de douaneautoriteiten van de genoemde staat, de eerbiediging kan verlangen van besluiten van de autoriteiten van de lidstaten ter zake van de oorsprong van uit de Gemeenschap naar die staat uitgevoerde producten.(18)
33. Hieruit vloeit voort dat, overeenkomstig de associatieovereenkomst, de douaneautoriteiten van de staat van invoer de toepassing van de preferentiële behandeling niet kunnen weigeren voor waren die werden ingevoerd op vertoon van een EUR.1-certificaat dat wettig werd afgegeven door de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer. Indien de douaneautoriteiten van de staat van invoer gegronde twijfels hebben aangaande de werkelijke oorsprong van deze waren, kunnen zij enkel de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer verzoeken een controle achteraf van deze oorsprong te verrichten.
34. De opzet van het stelsel van samenwerking en verdeling van de taken, waarin door deze overeenkomst wordt voorzien, houdt logischerwijs in dat zij eveneens gehouden zijn door de conclusies van deze controle achteraf, wanneer de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer de oorsprong van de waren konden bepalen. Slechts in de bijzondere situatie waarin de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer niet in staat zijn de controle a posteriori naar behoren te verrichten, kunnen de douaneautoriteiten van de staat van invoer zelf overgaan tot de verificatie van de echtheid en de juistheid van het in het geding zijnde EUR.1‑certificaat en andere bewijzen van de oorsprong van de betrokken waren in aanmerking kunnen nemen.(19)
35. De doelstelling van de associatieovereenkomst, en het stelsel van administratieve samenwerking waarin door protocol nr. 4 wordt voorzien, houden dus in dat de douaneautoriteiten van de staat van invoer rekening houden met de resultaten van de uiteindelijke controle van de oorsprong van de producten die werd verricht door de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer. Volgens deze doelstelling komt het er immers op aan dat de preferentiële invoerregeling wordt toegepast op alle waren die aan de voorwaarden inzake hun oorsprong voldoen, en enkel op deze waren.
36. Hieruit vloeit voort dat, wanneer de exporteur een beroep in rechte heeft ingesteld tegen de eerste resultaten van de controle achteraf, en de douaneautoriteiten van de staat van invoer op de hoogte werden gebracht van dit beroep en van de uitkomst ervan, laatstgenoemden verplicht zijn om rekening te houden met deze resultaten.
37. Aan deze analyse wordt mijns inziens niet afgedaan door de bepalingen van artikel 32, lid 5, van protocol nr. 4, waarop de Griekse regering zich beroept. Ik herinner eraan dat dit artikel bepaalt dat de douaneautoriteiten van de staat van invoer die hebben verzocht om de controle achteraf van de oorsprong van de betrokken waren, zo snel mogelijk op de hoogte moeten worden gebracht van de resultaten van deze controle, en dat deze resultaten voldoende gegevens dienen te bevatten om duidelijk aan te tonen of deze waren al dan niet voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de preferentiële regeling.
38. Ik wil eveneens verwijzen naar artikel 32, lid 6, van protocol nr. 4, dat in dezelfde zin als het lid ervoor bepaalt, dat indien bij gegronde twijfel inzake de oorsprong van de betrokken waren er binnen tien maanden na het verzoek om controle geen antwoord is ontvangen of indien het antwoord ontoereikend is, de douaneautoriteiten van de staat van invoer de preferentiële behandeling weigeren toe te kennen, behoudens in buitengewone omstandigheden.
39. Mijns inziens hadden de partijen bij de associatieovereenkomst met deze bepalingen de bedoeling dat de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer welke door de douaneautoriteiten van de staat van invoer werden gevraagd om een controle te verrichten – als tegenprestatie voor de bevoegdheid die hen aldus door protocol nr. 4 wordt toegekend – deze controle ook daadwerkelijk zouden verrichten en de resultaten ervan binnen een redelijke termijn ter kennis van laatstgenoemde autoriteiten zouden brengen. Zoals de Griekse regering aangeeft, strekken zij er wel degelijk toe dat de procedure van administratieve samenwerking, op grond waarvan de oorsprong van de betrokken waren kan worden vastgesteld, naar behoren wordt doorlopen en dat er snel duidelijkheid kan bestaan over het lot van deze waren. Zij voorzien evenwel niets met betrekking tot het gebruik van beroepsmogelijkheden tegen deze beschikkingen, die werden vastgesteld door de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer ten gevolge van een controle achteraf. Deze beroepsmogelijkheden blijven onderworpen aan de wetgeving van deze staat.
40. Uit deze bepalingen kan dus niet worden afgeleid dat de douaneautoriteiten van de staat van invoer gehouden zijn door de eerste conclusies van de controle achteraf, wanneer tegen de conclusies van deze controle een beroep in rechte is ingesteld en deze bijgevolg geen definitief karakter hebben.
41. Daarentegen kan mijns inziens uit deze bepalingen alsook uit het geheel van het stelsel van administratieve samenwerking waarin wordt voorzien door protocol nr. 4, worden afgeleid dat, wanneer de conclusies van de controle achteraf twijfel doen rijzen over de geldigheid van de EUR.1‑certificaten en er daartegen beroep werd ingesteld volgens de regels van het nationale recht, de douaneautoriteiten van de staat van invoer door de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer moeten worden ingelicht over het bestaan van dit beroep en vervolgens over de uitkomst hiervan. Deze verplichting dringt zich eveneens op uit het oogpunt van de doelstelling van de associatieovereenkomst, opdat de douaneautoriteiten van de staat van invoer de preferentiële behandeling alsnog kunnen toepassen op de waren waarvan de oorsprong uiteindelijk wordt bevestigd door de autoriteiten van de staat van uitvoer.
42. Gelet op de doelstelling van de associatieovereenkomst en van het stelsel van administratieve samenwerking met betrekking tot de vaststelling van de oorsprong van de waren, moeten de douaneautoriteiten van de staat van invoer wel degelijk rekening houden met deze rechterlijke beslissingen die werden gegeven op beroepen tegen de eerste resultaten van de controle achteraf van deze oorsprong.
43. Anders dan de Griekse regering betoogt, kunnen de douaneautoriteiten van de staat van invoer niet weigeren om rekening te houden met deze beslissingen op grond dat zij niet kunnen weten of de procedure voor de rechterlijke instantie van de staat van uitvoer contradictoir was en alle waarborgen voor een eerlijk proces bood.
44. Er moet op worden gewezen dat het stelsel van administratieve samenwerking dat werd ingesteld door protocol nr. 4, is gebaseerd op het wederzijds vertrouwen van de douaneautoriteiten van de betrokken staten. Dit betekent dat, door een dergelijk stelsel in te stellen, de lidstaten van de Europese Gemeenschap, alsmede het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van mening waren dat de administratieve autoriteiten van de derde staat, die partij is bij deze vrijhandelsovereenkomst, in staat waren om de bepalingen van de associatieovereenkomst toe te passen. Dit vertrouwen dient zich noodzakelijkerwijs ook uit te strekken tot de rechterlijke instanties van deze staat, die volgens de nationale organisatieregels bevoegd zijn om uitspraak te doen op de beroepen die werden ingesteld tegen de door zijn douaneautoriteiten vastgestelde beschikkingen. Het zou immers tegenstrijdig zijn om dit vertrouwen te schenken aan de administratieve autoriteiten van de derde staat, maar niet aan zijn rechterlijke instanties, ofschoon zij juist als taak hebben toe te zien op de toepassing van het recht, en dus van de associatieovereenkomst, door de nationale administratieve autoriteiten.(20) Zoals Sfakianakis ter terechtzitting heeft aangegeven, staan de rechterlijke instanties van de staat van uitvoer er borg voor dat de EUR.1-certificaten overeenstemmen met de associatieovereenkomst.
45. Het in aanmerking nemen door de douaneautoriteiten van de lidstaat van invoer van de rechterlijke beslissingen die in de derde staat van uitvoer werden gegeven op de beroepen ingesteld tegen de resultaten van de controle achteraf van de oorsprong van de waren, kan dus volgens ons niet worden losgekoppeld van de erkenning van de beoordelingen van de douaneautoriteiten van deze staat van uitvoer met betrekking tot de oorsprong, en is derhalve inherent aan de taakverdeling die werd ingesteld door protocol nr. 4.
46. Bovendien kan de vraag van het al dan niet in aanmerking nemen van die rechterlijke beslissingen niet van lidstaat tot lidstaat verschillend worden beantwoord; dit zou een onzekere situatie veroorzaken, waardoor het bestaan van een gemeenschappelijke handelspolitiek en de nakoming door de Gemeenschap van de verplichtingen die uit de betrokken overeenkomst voortvloeien, in gevaar zouden komen.(21)
47. De Griekse regering verzet zich tegen dit standpunt met het argument dat wanneer de eerste resultaten van een controle achteraf door een gerechtelijke beslissing worden nietigverklaard, de douaneautoriteiten van de staat van invoer niet kunnen weten of deze nietigverklaring gebaseerd is op een onderzoek van de juistheid feitelijk en rechtens van de bestreden akte, dan wel op een formele reden, zoals het niet-verschijnen ter terechtzitting van de verwerende douaneautoriteiten.
48. Dit argument kan mijns inziens niet slagen. Zoals reeds gezegd, is de controle achteraf bedoeld om de juistheid van de EUR.1‑certificaten na te gaan.(22) Wanneer er tegen de resultaten van deze controle beroep werd ingesteld volgens de regels van het nationale recht, is alleen relevant of de in geding zijnde certificaten na afloop van de procedure werden nietigverklaard dan wel gehandhaafd. Indien de conclusies van de controle achteraf waarbij twijfels zijn gerezen over de juistheid van de EUR.1-certificaten, door de rechter worden nietigverklaard en deze certificaten bijgevolg worden gehandhaafd, moeten de douaneautoriteiten van de staat van invoer hiermee rekening houden, ongeacht de gronden voor de nietigverklaring van de conclusies van de controle achteraf.
49. Op de tweede plaats kan het standpunt van de Griekse regering volgens mij hoe dan ook niet worden aanvaard, aangezien het strijdig is met het recht op een effectief beroep in rechte.
50. Volgens vaste rechtspraak is het recht op een effectief beroep in rechte een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht dat ten grondslag ligt aan het constitutionele erfgoed dat alle lidstaten gemeen hebben.(23) Het is neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat is ingegeven door de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het staat aan het Hof om de eerbiediging van de grondrechten op de door het gemeenschapsrecht geregelde gebieden te verzekeren.(24) Een overeenkomst zoals de associatieovereenkomst, gesloten door de Raad en de Commissie krachtens de artikelen 228 en 238 EG-Verdrag(25), vormt een integrerend bestanddeel van de communautaire rechtsorde.(26) Het staat dus aan het Hof om erop toe te zien dat bij de uitvoering van de associatieovereenkomst de grondrechten, zoals het recht op een effectief beroep in rechte, worden geëerbiedigd.
51. Er lijkt geen twijfel over te bestaan dat er tegen de beschikking, die door de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer werd vastgesteld ten gevolge van hun controle achteraf, een doeltreffende rechterlijke controle moet openstaan. Deze controle betreft immers de vraag of de betrokken waren al dan niet voldoen aan de voorwaarden waarin wordt voorzien door de associatieovereenkomst, die onder de communautaire rechtsorde valt, om in aanmerking te komen voor de toepassing van de preferentiële regeling. Zij kan ertoe leiden dat de exporteur niet langer de voordelen van deze regeling kan genieten, aangezien de importeur zal worden verplicht om de douanerechten over de betrokken waren te betalen, wat onvermijdelijk gevolgen zal hebben voor hun handelsrelaties.
52. De weigering om rekening te houden met de uitspraken van de rechterlijke instanties van de staat van uitvoer over de conclusies van de controle achteraf zou dus tot gevolg hebben dat de exporteurs het door de Hongaarse wet voorziene recht van beroep tegen de resultaten van deze controles niet kan uitoefenen. Die weigering zou er verder eveneens toe kunnen leiden dat ook de Hongaarse douaneautoriteiten de mening zijn toegedaan dat zij geen rekening moeten houden met de beslissingen van de rechterlijke instanties van de lidstaten die uitspraak doen over de beroepen die werden ingesteld tegen de controles van de oorsprong, die door hun respectievelijke douaneautoriteiten werden verricht. Er zij immers op gewezen dat volgens het wederkerigheidsbeginsel, dat de grondslag vormt van de associatieovereenkomst en van protocol nr. 4, de omstandigheid dat de lidstaten rekening houden met de Hongaarse rechterlijke uitspraken eveneens de voorwaarde is voor het in aanmerking nemen door de douaneautoriteiten van deze staat van de uitspraken van de rechterlijke instanties van de lidstaten op de door de exporteurs ingestelde beroepen tegen de resultaten van de controle achteraf van de communautaire oorsprong van in Hongarije ingevoerde waren.
53. De weigering om rekening te houden met de uitspraken van de Hongaarse rechterlijke instanties op de tegen de conclusies van de controle achteraf ingestelde beroepen zou dus niet enkel strijdig zijn met de doelstelling van de associatieovereenkomst en met het stelsel van samenwerking waarin protocol nr. 4 voorziet, maar eveneens met het recht op een effectief beroep in rechte.
54. Ten slotte vloeit uit het stelsel van protocol nr. 4 en uit de doelstelling van de associatieovereenkomst eveneens voort dat deze verplichting ook geldt voor de douaneautoriteiten van de staat van invoer, ongeacht of zij al dan niet aan de oorsprong liggen van deze controle achteraf.
55. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat uit artikel 32, lid 1, van protocol nr. 4 blijkt dat de controle achteraf door de bevoegde autoriteiten van de staat van uitvoer ambtshalve kan worden verricht of op verzoek van de autoriteiten van de staat van invoer. Deze controle kan, zoals in casu, eveneens worden verricht op verzoek van de diensten van de Commissie, die krachtens artikel 155 EG‑Verdrag(27), diende toe te zien op de juiste toepassing van de associatieovereenkomst en haar protocollen.(28)
56. Van wie het verzoek om controle achteraf ook uitgaat, de doelstelling ervan blijft identiek, dat wil zeggen de juistheid van de EUR.1‑certificaten nagaan, zodat overeenkomstig de doelstelling van de associatieovereenkomst, bij invoer in de Gemeenschap de waren van oorsprong uit Hongarije in de zin van deze overeenkomst in aanmerking kunnen komen voor de toepassing van de preferentiële regeling waarin deze overeenkomst voorziet. In het licht van dit stelsel en van de doelstelling van deze overeenkomst moeten de douaneautoriteiten van de staat van invoer dus rekening houden met de resultaten van de controle achteraf, en zijn zij derhalve verplicht om rekening te houden met de in de staat van uitvoer gegeven rechterlijke beslissingen over de resultaten van deze controle, ongeacht de autoriteit die erom heeft verzocht.
57. Gelet op deze elementen, geef ik het Hof in overweging te antwoorden dat de associatieovereenkomst en protocol nr. 4, met name de bepalingen van dit protocol met betrekking tot de verplichting van wederzijdse bijstand, neergelegd in artikel 31, lid 2, alsook de bepalingen inzake de controle van het oorsprongsbewijs van de waren, neergelegd in artikel 32, aldus dienen te worden uitgelegd dat de douaneautoriteiten van de staat van invoer verplicht zijn rekening te houden met de in de staat van uitvoer gegeven rechterlijke beslissingen op beroepen die zijn ingesteld tegen de conclusies van de door de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer verrichte controle van de geldigheid van de certificaten inzake goederenverkeer, wanneer zij op de hoogte zijn gebracht van het bestaan van die beroepen en van de inhoud van die beslissingen, ongeacht of de controle van de geldigheid van de certificaten inzake goederenverkeer al dan niet werd verricht op verzoek van de douaneautoriteiten van de staat van invoer.
B – De derde prejudiciële vraag
58. Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het nuttig effect van de afschaffing van de douanerechten als bedoeld in de associatieovereenkomst, in de weg staat aan administratieve beschikkingen tot oplegging van douanerechten, vermeerderd met belastingen en boetes, die door de douaneautoriteiten van de lidstaat van invoer zijn vastgesteld alvorens hun de uitkomst is meegedeeld van de beroepen die zijn ingesteld tegen de conclusies van de controle achteraf, wanneer de geldigheid van de EUR.1-certificaten werd bevestigd overeenkomstig de op deze beroepen gegeven rechterlijke beslissingen.
59. Bij het onderzoek van deze vraag moet in de eerste plaats worden nagegaan of de Griekse douaneautoriteiten, nadat zij door de Hongaarse douaneautoriteiten van de onjuistheid van de betrokken EUR.1-certificaten op de hoogte werden gebracht, gerechtigd waren de litigieuze beschikkingen vast te stellen vóór het resultaat van de beroepen die werden ingesteld tegen de conclusies van de controle achteraf, dan wel of zij de inleiding van de procedure voor de inning hadden moeten opschorten in afwachting van de uitkomst van deze beroepen.
60. Sfakianakis en de Hongaarse regering hebben ter terechtzitting uiteengezet dat de Griekse douaneautoriteiten de procedure voor de inning van de douanerechten hadden moeten schorsen aangezien naar Hongaars recht beroepen tegen administratieve beschikkingen schorsende werking hebben.
61. Ik kan mij bij deze zienswijze niet aansluiten. De vraag of de douaneautoriteiten van een lidstaat het recht hebben om een procedure voor de inning van douanerechten in te leiden op basis van de mededeling van de resultaten van de controle achteraf waarbij twijfels zijn gerezen over de oorsprong van de waren in kwestie, kan mijn inziens niet worden beheerst door het recht van de derde staat, die partij is bij de betrokken vrijhandelsovereenkomst. Protocol nr. 4 bevat geen enkele bepaling die steun oplevert voor die zienswijze.
62. Dit protocol behelst evenmin regels met betrekking tot de houding die de douaneautoriteiten van de staat van invoer moeten aannemen wanneer, zoals in casu, de waren die in de Gemeenschap werden ingevoerd op vertoon van EUR.1‑certificaten, in de handel zijn gebracht, en er daarna een controle achteraf is verricht waarbij twijfels zijn gerezen over de geldigheid van deze certificaten. Dienaangaande zij erop gewezen dat artikel 32, lid 4, slechts de gevallen regelt waarin de douaneautoriteiten van de staat van invoer de betrokken waren nog niet hebben vrijgegeven. Bij ontbreken van een desbetreffende regel in dit protocol, moet in het CDW worden nagegaan wat de douaneautoriteiten van de lidstaat van invoer in een situatie zoals die van het hoofdgeding worden geacht te doen.
63. Gelet op de bepalingen hiervan, ben ik van mening dat de Griekse douaneautoriteiten niet verplicht waren met de inleiding van de procedure voor de inning te wachten tot de uitkomst van het in Hongarije ingestelde beroep tegen de conclusies van de controle achteraf. Uit een onderzoek van de relevante bepalingen van het CDW blijkt immers dat dit weliswaar de bescherming van de rechten van de importeur in een dergelijke situatie waarborgt, maar eveneens de financiële belangen van de Gemeenschap doeltreffend wil beschermen, door de lidstaten te verplichten de noodzakelijke maatregelen te nemen voor de inning van de douaneschuld, die in wezen een communautaire inkomstenbron is.
64. Zo blijkt uit artikel 78, lid 3, CDW dat indien uit de controles achteraf blijkt dat de bepalingen die voor de betrokken douaneregeling gelden, op grond van onjuiste of onvolledige gegevens zijn toegepast, de douaneautoriteiten de nodige maatregelen dienen te nemen om een en ander recht te zetten, rekening houdend met de nieuwe gegevens waarover zij beschikken. Vervolgens blijkt uit artikel 201 CDW dat wanneer aan rechten bij invoer onderworpen goederen in het vrije verkeer worden gebracht, een douaneschuld ontstaat.
65. In dezelfde zin verplicht het CDW de lidstaten om, wanneer de douaneschuld is ontstaan, de procedure van inning met de vereiste spoed in te leiden, zowel in de eerste fase van deze procedure, die bestaat in de boeking van de vordering(29), als bij de eigenlijke inning bij de schuldenaar.(30) Ten slotte heeft volgens artikel 244 CDW het instellen van een beroep tegen de door de douaneautoriteiten van de lidstaten vastgestelde beschikkingen behoudens uitzonderlijke gevallen, geen schorsende werking ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking.
66. Ik geloof niet dat, wanneer het ontstaan van de douaneschuld, zoals in casu, voortvloeit uit de ongeldigheidsverklaring van de EUR.1‑certificaten ten gevolge van een controle achteraf, het bestaan van een beroep tegen deze ongeldigverklaring de douaneautoriteiten van de lidstaat van invoer verplicht om te wachten met de inleiding van de hierboven beschreven procedure. Daar de in het geding zijnde waren in de Gemeenschap reeds in de handel werden gebracht en de gerechtelijke procedure verschillende jaren kan duren, zou een dergelijke opschorting de inning van de douaneschuld aanzienlijk moeilijker kunnen maken wanneer het beroep wordt verworpen.
67. Bovendien wordt er in elk van de twee fasen van de procedure van de inning rekening gehouden met de belangen van de importeur wiens EUR.1‑certificaten achteraf ongeldig werden verklaard. Zo kan deze importeur krachtens artikel 220 CDW worden vrijgesteld van de betaling van de schuld achteraf wanneer de toepassing van het preferentiële statuut het gevolg was van een vergissing van de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer, die de belastingschuldige die te goeder trouw heeft gehandeld niet kon ontdekken, en deze laatste de geldende regeling heeft toegepast.(31) Wanneer de schuld vervolgens wordt geboekt, kan de schuldenaar betalingstermijnen, uitstel van betaling of betalingsfaciliteiten verkrijgen, volgens de voorwaarden waarin het CDW voorziet, terwijl de douanerechten hem vanzelfsprekend dienen te worden terugbetaald indien blijkt dat deze niet wettelijk verschuldigd waren.
68. In het kader van het beroep, in beginsel zonder schorsende werking, dat voor de importeur in de lidstaat van invoer openstaat tegen de beschikking van de douaneautoriteiten van deze staat waarbij hem de betaling van douanerechten wordt opgelegd, bepaalt artikel 244 CDW evenwel dat de douaneautoriteiten deze tenuitvoerlegging geheel of gedeeltelijk opschorten indien zij gegronde redenen hebben om aan de overeenstemming van die beschikking met de douanewetgeving te twijfelen of indien de belanghebbende onherstelbare schade dreigt te lijden. De schuldenaar die aldus uitstel van betaling van de douanerechten verkrijgt, kan eveneens worden vrijgesteld van de verplichting om een zekerheid te stellen indien deze ernstige economische en sociale moeilijkheden zou kunnen veroorzaken.
69. Deze zienswijze vindt mijns inziens ook steun in de rechtspraak die werd ontwikkeld in het kader van beroepen van importeurs tegen beslissingen van de Commissie inzake de terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten, krachtens artikel 13 van verordening (EEG) nr. 1430/79.(32) Volgens deze rechtspraak strekt een dergelijke bepaling er alleen toe in bepaalde buitengewone omstandigheden, en mits er geen sprake is van nalatigheid of manipulatie, de marktdeelnemers vrij te stellen van de betaling van verschuldigde rechten; zij strekt er niet toe de mogelijkheid te creëren om het beginsel zelf van de opeisbaarheid van de douaneschuld te betwisten.(33) In voormeld arrest Cerealmangimi en Italgrani/Commissie heeft het Hof dienaangaande gepreciseerd dat de verzoeksters, zo zij meenden dat nog steeds aan de voorwaarden daartoe was voldaan, voor de nationale rechter van de lidstaat van invoer konden opkomen tegen de beschikking van de douaneautoriteiten van deze staat die hen tot het betalen van de schuld verplichtte.(34) Deze rechtspraak biedt in ruime mate steun aan de zienswijze dat voor de inleiding van de procedure van inning niet de voorwaarde geldt dat het bestaan van de douaneschuld onbetwistbaar is geworden.
70. Hieruit vloeit voort dat in het onderhavige geval de Griekse douaneautoriteiten, wanneer zij van de Hongaarse douaneautoriteiten hadden vernomen dat de controle achteraf van de EUR.1‑certificaten aan het licht had gebracht dat een aantal daarvan onjuist waren, wel degelijk het recht, en zelfs de plicht hadden om de procedure in te leiden voor de inning van de douanerechten over de voertuigen die waren ingevoerd op vertoon van deze certificaten, ofschoon tegen de conclusies van deze controle beroep was ingesteld volgens de regels van het nationale recht.(35)
71. Vervolgens moet worden onderzocht wat moet worden beslist met betrekking tot de door de Griekse douaneautoriteiten vastgestelde beschikkingen – waartegen in het hoofdgeding is opgekomen – inzake de voertuigen waarvan het EUR.1-certificaat uiteindelijk werd bevestigd ingevolge de door de Hongaarse rechterlijke instantie gegeven beslissingen.
72. Het antwoord op deze vraag kan zonder meer worden afgeleid uit het door mij in overweging gegeven antwoord op de vorige vraag. Zoals gezegd, beoogt de associatieovereenkomst te waarborgen dat de waren die voldoen aan de voorwaarden om als van oorsprong uit Hongarije te worden beschouwd, in de Gemeenschap worden ingevoerd onder de preferentiële regeling waarin deze overeenkomst voorziet. Het nuttig effect van de associatieovereenkomst zou dus in gevaar worden gebracht wanneer zou worden geweigerd de preferentiële regeling toe te passen op dergelijke waren, waarvan de Hongaarse oorsprong uiteindelijk werd bevestigd krachtens de beslissingen die werden gegeven door de bevoegde rechterlijke instantie van de staat van uitvoer. Dit nuttig effect staat er dus aan in de weg dat in een dergelijk geval de douaneautoriteiten van de staat van invoer overgaan tot de inning achteraf van douanerechten, vermeerderd met belastingen en boetes.
73. Zo zou ook het recht op een effectief beroep in rechte klaarblijkelijk worden miskend indien, nadat de exporteur de conclusies van de controle achteraf waarbij de juistheid van de EUR.1-certificaten in twijfel is getrokken, via gerechtelijke weg heeft laten nietigverklaren, de douaneautoriteiten van de staat van invoer niettemin zouden overgaan tot de inning van de douanerechten bij de importeur op basis van de conclusies van deze controle.
74. Hieruit vloeit voort dat in de omstandigheden van het onderhavige geval, de Griekse douaneautoriteiten de bestreden administratieve beschikkingen moeten nietigverklaren of intrekken voorzover zij de voertuigen betreffen waarvan de Hongaarse oorsprong uiteindelijk werd bevestigd.
75. Ik geef dus in overweging op de derde prejudiciële vraag te antwoorden dat het nuttig effect van de afschaffing van douanerechten als bedoeld in de associatieovereenkomst zich verzet tegen administratieve beschikkingen tot oplegging van de betaling van douanerechten, vermeerderd met belastingen en boetes, die door de douaneautoriteiten van de lidstaat van invoer zijn vastgesteld vóór de uitkomst van de beroepen die zijn ingesteld tegen de conclusies van de controle achteraf, wanneer de geldigheid van de EUR.1-certificaten ingevolge de op deze beroepen gegeven rechterlijke beslissingen is bevestigd.
C – De vierde prejudiciële vraag
76. De verwijzende rechter vraagt of aan het antwoord op de voorgaande vragen kan worden afgedaan door het feit dat noch de Griekse noch de Hongaarse douaneautoriteiten om bijeenroeping van het associatiecomité als bedoeld in artikel 33 van voornoemd protocol nr. 4 hebben verzocht.
77. Ik geef het Hof in overweging deze vraag aldus te begrijpen dat de verwijzende rechter wenst te vernemen of aan de antwoorden op de voorgaande vragen kan worden afgedaan door de omstandigheid dat noch de Griekse noch de Hongaarse douaneautoriteiten zich tot het associatiecomité hebben gewend na de door de Hongaarse rechterlijke instanties gegeven beslissingen.
78. Mijns inziens moet deze vraag ontkennend worden beantwoord, om de volgende redenen.
79. Zoals gezegd, kunnen de douaneautoriteiten van de staat van invoer een door de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer regelmatig afgegeven EUR.1-certificaat niet eenzijdig ongeldig verklaren. Bij gegronde twijfel met betrekking tot de juistheid van dit certificaat kunnen zij deze autoriteiten enkel verzoeken om een controle achteraf te verrichten. Zij zijn dan eveneens gebonden door de conclusies van deze controle, wanneer de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer de oorsprong van de betrokken waren hebben kunnen vaststellen.
80. Volgens artikel 33 van protocol nr. 4, dienen de douaneautoriteiten van de staat van invoer en de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer te pogen tot een minnelijke regeling te komen wanneer zij het in het kader van deze controle met elkaar oneens zijn. Slagen zij daar niet in, dan dienen zij het meningsverschil aan het associatiecomité voor te leggen.
81. Hieruit vloeit voort dat de omstandigheid dat noch de Griekse noch de Hongaarse douaneautoriteiten zich tot het associatiecomité hebben gewend, niet afdoet aan het feit dat de Griekse douaneautoriteiten verplicht zijn om rekening te houden met de Hongaarse rechterlijke beslissingen en dat, wanneer deze beslissingen de Hongaarse oorsprong van de betrokken voertuigen hebben bevestigd, de Griekse autoriteiten niet kunnen overgaan tot de inning van de douanerechten met betrekking tot deze voertuigen.
82. Ik geef in overweging de verwijzende rechter mee te delen dat het er voor het antwoord op de voorgaande vragen niet toe doet dat noch de Griekse noch de Hongaarse douaneautoriteiten om een bijeenkomst van het associatiecomité als bedoeld in artikel 33 van protocol nr. 4 hebben verzocht.
D – De vijfde prejudiciële vraag
83. De verwijzende rechter heeft de vijfde prejudiciële vraag louter gesteld voor het geval dat de eerste twee vragen, die eerder reeds werden onderzocht, ontkennend zouden worden beantwoord. Aangezien ik een bevestigend antwoord op deze vragen heb voorgesteld, lijkt een onderzoek van deze laatste vraag overbodig.
V – Conclusie
84. Gelet op één en ander, geef ik het Hof in overweging de vragen van het Dioikitiko Protodikeio Athinon te beantwoorden als volgt:
„1. De Europa-Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Hongarije, anderzijds, en het protocol nr. 4 betreffende de definitie van het begrip ‚Producten van oorsprong’ en methoden van administratieve samenwerking, gehecht aan de associatieovereenkomst, zoals gewijzigd bij besluit nr. 3/96 van de Associatieraad, Associatie tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds en de Republiek Hongarije anderzijds, van 28 december 1996, tot wijziging van protocol nr. 4, met name de bepalingen van dit protocol inzake de verplichting van wederzijdse bijstand, neergelegd in artikel 31, lid 2, alsook de bepalingen inzake de controle van het oorsprongsbewijs van de waren, neergelegd in artikel 32, dienen aldus te worden uitgelegd dat de douaneautoriteiten van de staat van invoer verplicht zijn rekening te houden met de rechterlijke beslissingen die zijn gegeven in de staat van uitvoer op beroepen die zijn ingesteld tegen de conclusies van de door de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer verrichte controle van de geldigheid van de certificaten inzake goederenverkeer, wanneer zij op de hoogte zijn gebracht van het bestaan van die beroepen en van de inhoud van die beslissingen, ongeacht of de controle van de geldigheid van de certificaten inzake goederenverkeer al dan niet werd verricht op verzoek van de douaneautoriteiten van de staat van invoer.
2. Het nuttig effect van de afschaffing van douanerechten als bedoeld in de associatieovereenkomst verzet zich tegen administratieve beschikkingen tot oplegging van de betaling van douanerechten, vermeerderd met belastingen en boetes, die door de douaneautoriteiten van de lidstaat van invoer zijn vastgesteld vóór de uitkomst van de beroepen die zijn ingesteld tegen de conclusies van de controle achteraf, wanneer de geldigheid van de EUR.1-certificaten ingevolge de op deze beroepen gegeven rechterlijke beslissingen is bevestigd.
3. Voor het antwoord op de voorgaande vragen doet het er niet toe dat noch de Griekse noch de Hongaarse douaneautoriteiten om een bijeenkomst van het associatiecomité als bedoeld in artikel 33 van protocol nr. 4, zoals gewijzigd bij besluit nr. 3/96, hebben verzocht.”
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – PB 1993, L 347, blz. 2, hierna: „associatieovereenkomst”. Deze overeenkomst en de eraan gehechte protocollen werden namens de Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 93/742/Euratom, EGKS, EG van de Raad en de Commissie van 13 december 1993 (PB L 347, blz. 1).
3 – Hierna: „Sfakianakis”.
4 – Protocol betreffende de definitie van het begrip „Producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking (PB 1993, L 347, blz. 177).
5 – Besluit van 17 juli 1995 tot wijziging van protocol nr. 4 bij de associatieovereenkomst (PB L 201, blz. 39).
6 – Besluit van 28 december 1996 tot wijziging van protocol nr. 4 bij de associatieovereenkomst (PB 1997, L 92, blz. 1).
7 – Hierna: „protocol nr. 4”.
8 – Hierna: „EUR.1-certificaat”.
9 – De essentie van de bepalingen van de artikelen 16 en 17 van protocol nr. 4 bevond zich in de artikelen 10 en 11 van de oorspronkelijke versie van 1993 en in de artikelen 11 en 12 in de versie van besluit nr. 1/95.
10 – De essentie van deze bepalingen, met uitzondering van de precisering die werd aangebracht aan artikel 32, lid 3, van protocol nr. 4, waren terug te vinden – zij het in een andere volgorde – in de artikelen 27 van de oorspronkelijke versie van 1993 en 28 in de versie van besluit nr. 1/95.
11 – Verordening van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1; hierna: „CDW”).
12 – Zie derde overweging CDW.
13 – Zie artikel 217, lid 1, eerste alinea, CDW.
14 – Sfakianakis zet uiteen dat de Hongaarse rechtbank heeft geoordeeld, dat bij de vaststelling of de waarde van de onderdelen die niet van oorsprong zijn en die werden gebruikt voor de bouw van de voertuigen al dan niet de drempel van 40 % van de prijs af fabriek van het product overschrijdt – waarboven het voertuig niet meer als een product van oorsprong in de zin van de associatieovereenkomst kan worden beschouwd – rekening moest worden gehouden met de door de exporteur bij de aankoop van deze onderdelen in Japan bedongen korting op de marktprijs.
15 – Arresten van 12 juli 1984, Les Rapides Savoyards e.a. (218/83, Jurispr. blz. 3105, punt 26), betreffende de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en Zwitserse Bondsstaat, ondertekend op 22 juli 1972; 7 december 1993, Huygen e.a. (C‑12/92, Jurispr. blz. I‑6381, punten 24 en 25), betreffende de overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Oostenrijk, ondertekend op 22 juli 1972, en 5 juli 1994, Anastasiou e.a. (C‑432/92, Jurispr. blz. I‑3087, punt 38), betreffende de overeenkomst van 19 december 1972, waarbij een associatie tot stand is gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Cyprus.
16 – Arrest Les Rapides Savoyards e.a., reeds aangehaald (punt 26).
17 – Reeds aangehaalde arresten, Les Rapides Savoyards e.a. (punt 27), en Huygen e.a. (punt 25); alsook arresten van 14 mei 1996, Faroe Seafood e.a. (C‑153/94 en C‑204/94, Jurispr. blz. I‑2465, punt 20), en 17 juli 1997, Pascoal & Filhos (C‑97/95, Jurispr. blz. I‑4209, punt 33).
18 – Punt 27 van het genoemde arrest.
19 – Zie arrest Huygen e.a., reeds aangehaald (punt 27). Hier moet evenwel worden gepreciseerd dat deze verplichting van de erkenning van de door de autoriteiten van de derde staat vastgestelde beschikkingen zich niet op dezelfde wijze opdringt wanneer de preferentiële regeling werd ingevoerd door een autonome communautaire maatregel, zoals een verordening. Het Hof heeft immers geoordeeld dat in dit geval de autoriteiten van het derde land niet bevoegd zijn om de Gemeenschap en haar lidstaten te binden door de wijze waarop zij de gemeenschapsregeling uitleggen, zodat de beoordeling van de oorsprong van de waren door de Commissie in het kader van een onderzoeksmissie voorrang heeft boven die van de douaneautoriteiten van de derde staat van uitvoer [zie arrest Faroe Seafood e.a., reeds aangehaald (punten 24 en 25), inzake verordening (EEG) nr. 2051/74 van de Raad van 1 augustus 1974 betreffende de douaneregeling van toepassing op bepaalde producten van oorsprong en van herkomst uit de Faeröer (PB L 212, blz. 33), en verordening (EEG) nr. 3184/74 van de Commissie van 6 december 1974 betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en de methoden van administratieve samenwerking voor de toepassing van de douaneregeling welke geldt voor bepaalde producten van oorsprong en van herkomst uit de Faeröer (PB L 344, blz. 1)]. Dit kan eveneens het geval zijn in het kader van een internationale vrijhandelsovereenkomst die de Gemeenschap bindt met een derde staat, wanneer deze staat niet de nodige maatregelen voor de uitvoering van deze overeenkomst heeft genomen en een door de diensten van de Commissie verrichte controle achteraf aantoont dat de door de douaneautoriteiten van deze staat afgegeven certificaten inzake goederenverkeer onjuist zijn [(arrest van 14 november 2002, Ilumitrónica, C‑251/00, Jurispr. blz. I‑10433, punt 74), over uit Turkije afkomstige televisies die in de Gemeenschap werden ingevoerd onder de preferentiële regeling waarin wordt voorzien in het kader van de overeenkomst waarbij een associatie tot stand is gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, die op 12 september 1963 te Ankara is ondertekend door de Republiek Turkije enerzijds en door de lidstaten van de EEG en de Gemeenschap anderzijds en die namens de Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963 (PB 1964, 217, blz. 3685)].
20 – Dit vertrouwen in de gerechtelijke autoriteiten van de andere partij bij de associatieovereenkomst wordt trouwens verwoord in artikel 113 ervan, dat luidt: „[b]innen het toepassingsgebied [hier]van, verbindt elk van beide partijen zich ertoe toe te zien dat natuurlijke personen en rechtspersonen van de andere partij, zonder discriminatie ten opzichte van de eigen onderdanen, toegang hebben tot de bevoegde rechterlijke en administratieve instanties van de Gemeenschap en van Hongarije ter bescherming van hun [rechten]”.
21 – Zie in die zin arrest van 5 juli 1994, Anastasiou e.a., reeds aangehaald (punt 53), over het al dan niet aanvaarden, voor invoer in de Gemeenschap van uit Cyprus afkomstige waren, van certificaten inzake goederenverkeer die werden afgegeven door andere autoriteiten dan de bevoegde autoriteiten van de Republiek Cyprus.
22 – Arrest Huygen e.a., reeds aangehaald (punt 26).
23 – Arresten van 15 mei 1986, Johnston (222/84, Jurispr. blz. 1651, punt 18); 15 oktober 1987, Heylens e.a. (222/86, Jurispr. blz. 4097, punt 14); 3 december 1992, Oleificio Borelli/Commissie (C‑97/91, Jurispr. blz. I‑6313, punt 14), en 19 juni 2003, Eribrand (C‑467/01, Jurispr. blz. I‑6471, punt 53).
24 – Arrest van 30 september 1987, Demirel (12/86, Jurispr. blz. 3719, punt 28).
25 – Thans, na wijziging, respectievelijk artikel 300 EG, en artikel 310 EG.
26 – Arrest Demirel, reeds aangehaald (punt 7).
27 – Thans artikel 211 EG.
28 – Zie in die zin arrest Ilumitrónica, reeds aangehaald (punt 60).
29 – Zie artikelen 217‑ 220 CDW.
30 – Zie artikelen 221‑ 232 CDW.
31 – Artikel 220, lid 2, sub b, tweede en derde alinea’s, CDW, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 311, blz. 17), bepaalt dienaangaande dat, wanneer de preferentiële status van de goederen aan de hand van een systeem van administratieve samenwerking wordt vastgesteld waarbij instanties van een derde land betrokken zijn, de afgifte door deze instanties van een onjuist certificaat wordt aangemerkt als een vergissing, in de in de eerste alinea bedoelde zin, die redelijkerwijze niet kon worden ontdekt. Dit is echter niet het geval wanneer het certificaat gebaseerd is op een onjuiste weergave van de feiten door de exporteur, behalve indien met name de instanties die het certificaat afgaven klaarblijkelijk wisten of hadden moeten weten dat de goederen niet voor preferentiële behandeling in aanmerking kwamen. In haar conclusie in de zaak Beemsterboer Coldstore Services (C‑293/04), die thans aanhangig is bij het Hof, zet advocaat-generaal Kokott uiteen dat deze nieuwe versie van artikel 220 CDW geen wijziging, doch louter een precisering is (punt 30).
32 – Verordening (EEG) nr. 1430/79 van de Raad van 2 juli 1979 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in‑ of uitvoerrechten (PB L 175, blz. 1). Artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1430/79 is in nagenoeg identieke bewoordingen overgenomen in artikel 239, lid 1, CDW, dat luidt:
„[t]ot terugbetaling [...] van de rechten bij invoer of van de rechten bij uitvoer kan [...] worden overgegaan in de gevallen [...] welke het gevolg zijn van omstandigheden die van de zijde van de belanghebbende geen frauduleuze handeling noch klaarblijkelijke nalatigheid inhouden [...]”.
33 – Arresten van 12 maart 1987, Cerealmangimi en Italgrani/Commissie (244/85 en 245/85, Jurispr. blz. 1303, punt 11), 6 juli 1993, CT Control (Rotterdam) en JCT Benelux/Commissie (C‑121/91 en C‑122/91, Jurispr. blz. I‑3873, punt 43).
34 – Punt 12 van genoemd arrest.
35 – De omstandigheid dat de Griekse douaneautoriteiten deze procedure in casu pas hebben ingeleid na ontvangst van de lijst van de UCLAF met de voertuigen waarop ten onrechte de preferentiële regeling werd toegepast, doet geen twijfels rijzen over de gegrondheid van deze procedure, aangezien de EUR.1-certificaten van de betrokken voertuigen door de Hongaarse douaneautoriteiten wel degelijk ongeldig waren verklaard en er geen enkel verschil tussen de beoordeling van de Commissie en die van deze autoriteiten werd vastgesteld.
Full & Egal Universal Law Academy