CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
F. G. JACOBS
van 4 mei 2005 1(1)
Zaak C‑30/04
Ursel Koschitzki
tegen
Istituto nazionale della previdenza sociale (INPS)
1. In de onderhavige zaak heeft het Tribunale di Bolzano (Italië) het Hof een prejudiciële vraag gesteld over artikel 46, lid 2, sub a, van verordening (EEG) nr. 1408/71.(2)
2. Een vergelijkbare vraag werd reeds door het Hof onderzocht in het arrest Stinco en Panfilo.(3) In de onderhavige zaak wordt het Hof in wezen verzocht om zijn arrest in die zaak toe te lichten.
Gemeenschapsrecht
3. Artikel 46 van verordening nr. 1408/71 omschrijft de voorwaarden voor toekenning van uitkeringen bij ouderdom en overlijden, wanneer de werknemer aan de wetgeving van twee of meer lidstaten onderworpen is geweest. De regeling van artikel 46, lid 2, beoogt tegemoet te komen aan situaties waarin de wetgeving van een lidstaat uitkeringen volledig of gedeeltelijk aan een dergelijke werknemer ontzegt op grond dat hij onvoldoende tijdvakken van verzekering of van wonen in die staat heeft vervuld, ondanks het feit dat andere tijdvakken van verzekering of van wonen in een andere lidstaat zijn vervuld. Artikel 46, lid 2, bepaalt:
„a) het bevoegde orgaan berekent het theoretische bedrag van de uitkering waarop de betrokkene aanspraak zou kunnen maken indien alle tijdvakken van verzekering en/of wonen, welke zijn vervuld krachtens de wetgeving van de lidstaten waaraan de werknemer of zelfstandige onderworpen is geweest, in de betrokken staat en krachtens de op de datum van vaststelling van de uitkering door dit orgaan toegepaste wetgeving zouden zijn vervuld. Indien het bedrag van de uitkering volgens deze wetgeving onafhankelijk is van de duur van de vervulde tijdvakken, wordt dit bedrag beschouwd als het in deze alinea bedoelde theoretische bedrag;
b) het bevoegde orgaan stelt op basis van het onder a, bedoelde theoretische bedrag vervolgens het werkelijke uitkeringsbedrag vast naar verhouding van de duur van de tijdvakken van verzekering of van wonen, welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de door dat orgaan toegepaste wetgeving zijn vervuld, tot de totale duur van de tijdvakken van verzekering en van wonen, welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de wetgeving van alle betrokken lidstaten zijn vervuld.”
4. Indien iemand dus 10 jaar lang in lidstaat A heeft gewerkt en 20 jaar in lidstaat B, zou hij zelfs wanneer hij volgens de wetgeving van lidstaat A geen recht op pensioen had voor een verzekeringsperiode van 10 jaar (bijvoorbeeld omdat die lidstaat eist, dat aanvragers daar 15 jaar hebben gewerkt), krachtens artikel 46, lid 2, in lidstaat A recht hebben op eenderde van de uitkering waarop hij aanspraak had kunnen maken indien hij er 30 jaar had gewerkt. De eerste stap in de hierboven beschreven procedure (dat wil zeggen de berekening van het theoretische bedrag volgens artikel 46, lid 2, sub a) staat bekend als samentelling en de tweede stap (dat wil zeggen de berekening van het proratapensioen volgens artikel 46, lid 2, sub b) als prorataberekening of proratisering.
Het arrest Stinco en Panfilo
5. Het Italiaanse recht(4) voorziet in een minimumpensioenbedrag. Indien het totale te betalen pensioen (met inbegrip van alle pensioenen die door andere lidstaten moeten worden betaald) onder dit niveau ligt, wordt een aanvulling betaald ter overbrugging van het verschil.
6. In de zaak Stinco en Panfilo hadden de verzoekers beide een aanvraag om een ouderdomspensioen ingediend bij het Istituto nazionale della previdenza sociale (het Italiaanse nationale socialezekerheidsorgaan; hierna: „INPS”). Beide verzoekers hadden met ingang van dezelfde datum tevens recht op een ouderdomspensioen van een andere lidstaat. Het INPS kende overeenkomstig artikel 46, lid 2, proratapensioenen toe, die waren berekend aan de hand van de fictieve pensioenen (of „theoretische bedragen”) die verzoekers zouden hebben ontvangen indien zij hun gehele beroepsleven in Italië hadden gewerkt. Het bedrag van het fictieve pensioen dat voor de berekening in aanmerking was genomen, was zo gering dat, indien verzoekers daadwerkelijk recht op een nationaal pensioen ten belope van dat bedrag hadden gehad, hun pensioen met het in het Italiaanse wettelijke pensioenstelsel voorziene supplement zou zijn aangevuld tot het wettelijke minimumpensioen.
7. Beide verzoekers betoogden, dat het fictieve pensioen, dat als uitgangspunt diende voor de berekening van hun proratapensioen, ook de aanvulling had moeten omvatten en dus gelijk aan het wettelijke minimum had moeten zijn. Het Hof werd gevraagd of het INPS voor de berekening van het bedrag van een Italiaans proratapensioen diende uit te gaan van het fictieve of theoretische pensioen alleen, dan wel van het fictieve of theoretische pensioen, in voorkomend geval aangevuld tot het wettelijke minimum. Het Hof besliste dat artikel 46, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71 het bevoegde orgaan verplichtte, voor de vaststelling van het theoretisch bedrag van het pensioen, op basis waarvan het proratapensioen werd berekend, een aanvulling tot het bij de nationale wetgeving bepaalde minimumpensioen in aanmerking te nemen.
De feiten en de procedure voor de nationale rechter
8. Koschitzki, verzoekster in de onderhavige zaak, ontvangt sinds oktober 1996 een ouderdomspensioen. Zij heeft gedurende 262 weken premies of bijdragen betaald in Italië en gedurende 533 weken in een andere lidstaat, hetgeen neerkomt op in totaal 795 weken premie- of bijdragebetaling.
9. Het theoretische bedrag van het pensioen waarop Koschitzki recht zou hebben gehad indien zij haar gehele beroepsleven in Italië had gewerkt, was, zoals in de zaak Stinco en Panfilo, lager dan het Italiaanse minimumpensioen. Het blijkt echter dat voor het recht op aanvulling van het pensioen tot het niveau van het wettelijke minimum een bijkomende voorwaarde geldt, die niet direct aan de orde was in de zaak Stinco en Panfilo, namelijk dat het gezinsinkomen van de verzoeker minder is dan een in de Italiaanse wet vastgesteld maximum.(5) In oktober 1996 had Koschitzki (tezamen met haar echtgenoot) een gezinsinkomen dat die grens overschreed.
10. Koschitzki stelde dat, overeenkomstig het arrest Stinco en Panfilo, het Italiaanse proratapensioen zou moeten worden berekend op basis van het fictieve pensioen aangevuld tot het wettelijke minimumbedrag.
11. Het INPS betoogde dat, aangezien het gezinsinkomen van Koschitzki de inkomensgrens overschreed, het fictieve pensioen voor de berekening in de zin van artikel 46, lid 2, sub a, niet mocht worden aangevuld tot het niveau van het wettelijke minimumbedrag.
12. Koschitzki heeft beroep ingesteld bij het Tribunale di Bolzano, dat van oordeel is dat de bewoordingen van voornoemd arrest Stinco en Panfilo de door verzoekster voorgestelde berekeningsmethode lijken te ondersteunen: het aangevulde fictieve pensioen moet de berekeningsgrondslag van het Italiaanse proratapensioen vormen. Het wijst er echter ook op, dat in dat arrest niet lijkt te zijn bepaald of de aanvulling ook in aanmerking moet worden genomen indien het gezinsinkomen de in de Italiaanse wet vastgestelde grens overschrijdt. Het Tribunale di Bolzano heeft bijgevolg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof in wezen de prejudiciële vraag gesteld of artikel 46, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71 aldus moet worden uitgelegd, dat het tot het minimumpensioen aangevulde fictieve pensioen altijd de berekeningsgrondslag van het Italiaanse proratapensioen moet vormen, ook al worden de inkomensgrenzen overschreden die in de Italiaanse wet zijn vastgesteld voor aanvulling van het pensioen tot het wettelijke minimumpensioen.
13. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door Koschitzki, het INPS en de Commissie, die alle ter terechtzitting waren vertegenwoordigd.
Beoordeling
14. Volgens Koschitzki moet het aangevulde fictieve pensioen de grondslag van het Italiaanse proratapensioen vormen. Het INPS en de Commissie stellen het tegendeel, zij het om verschillende redenen.
15. Naar mijn mening volgt het antwoord op de vraag uit de bewoordingen en het doel van artikel 46, lid 2, sub a, en uit de overwegingen die aan de uitlegging van die bepaling door het Hof ten grondslag liggen.
16. Artikel 46, lid 2, sub a, verplicht het bevoegde orgaan tot berekening van „het theoretische bedrag van de uitkering waarop de betrokkene aanspraak zou kunnen maken”(6) indien alle tijdvakken van verzekering en/of wonen in de betrokken staat zouden zijn vervuld. In zowel voornoemde zaak Stinco en Panfilo als de onderhavige zaak moet voor de berekening van het fictieve bedrag van de uitkering van de Italiaanse wetgeving worden uitgegaan, met inbegrip dus van de inkomensgrenzen beneden welke recht op de aanvulling bestaat. In de zaak Stinco en Panfilo zouden de verzoekers op grond van de Italiaanse wetgeving recht hebben gehad op de betrokken pensioenaanvulling indien zij al die tijdvakken in Italië hadden vervuld. In de onderhavige zaak staat daarentegen vast, dat als Koschitzki al die tijdvakken in Italië had vervuld, zij dat recht niet zou hebben gehad, aangezien haar gezinsinkomen in de relevante periode de in de Italiaanse wet vastgestelde grens daarvoor overschreed. Volgens mij zou het daarom onverenigbaar zijn met de bewoordingen en het doel van artikel 46, lid 2, sub a, indien het theoretische bedrag van de uitkering de pensioenaanvulling zou omvatten.
17. Naar mijn mening volgt het antwoord op de betrokken vraag in de onderhavige zaak uit de redenering in het vorige punt. Niettemin zal ik enkele argumenten van Koschitzki en een van de door het INPS aangevoerde punten bespreken.
De juiste uitlegging van het arrest Stinco en Panfilo
18. De advocaat van Koschitzki wees tijdens de terechtzitting op punt 9 van het arrest Stinco en Panfilo, dat zij aldus lijkt op te vatten dat de verzoekers in die zaak, indien zij alle tijdvakken van verzekering in Italië hadden vervuld, geen recht op de pensioenaanvulling zouden hebben gehad. Volgens die zienswijze is haar positie gelijk aan die van hen, en zou er daarom geen reden zijn om de onderhavige zaak van de zaak Stinco en Panfilo te onderscheiden.
19. In voornoemd punt in de zaak Stinco en Panfilo wees het Hof erop, dat volgens de verwijzende rechter het daadwerkelijk door de verzoekers ontvangen pensioen niet tot het wettelijk minimum was opgetrokken, omdat in beide gevallen, na inaanmerkingneming van het in Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk toegekende pensioen, het totale pensioenbedrag de drempel waarbeneden de aanvulling krachtens de Italiaanse wet wordt toegekend, overschreed.
20. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, betekent die vaststelling niet dat de verzoekers in de zaak Stinco en Panfilo geen recht op de pensioenaanvulling zouden hebben gehad, indien zij alle betrokken tijdvakken van verzekering in Italië hadden vervuld. Het Hof had reeds in het voorafgaande punt van het arrest vastgesteld, dat het bedrag van het fictieve pensioen dat de verzoekers zouden hebben ontvangen indien zij hun gehele beroepsleven in Italië hadden gewerkt zo laag was dat, zo zij daadwerkelijk recht op een nationaal pensioen ten belope van dat bedrag hadden gehad, hun de aanvulling tot het Italiaanse wettelijk minimumpensioen zou zijn toegekend. Punt 9 had betrekking op een andere kwestie, namelijk of het daadwerkelijk door verzoekers ontvangen pensioen, na uitvoering van de in artikel 46, lid 2, bedoelde samentelling en proratisering, een dusdanig bedrag vormde, dat zij recht hadden op de aanvulling.
21. Bijgevolg ben ik niet overtuigd door de uitlegging die Koschitzki aan het arrest Stinco en Panfilo geeft.
22. De advocaat van Koschitzki wees tijdens de terechtzitting ook op een aantal punten van mijn conclusie in de zaak Stinco en Panfilo, die volgens Koschitzki haar uitlegging ondersteunen.(7) Daarin geef ik de mening te kennen dat „het theoretische bedrag van het te berekenen pensioen de aanvulling moet omvatten”.(8) Echter, in het kader van de zaak Stinco en Panfilo was dat inderdaad het geval: zoals ik duidelijk heb gemaakt in de volgende zin, hadden de verzoekers in die zaak, indien zij „het totaal aantal gewerkte weken in Italië hadden vervuld, [...] aanspraak kunnen maken op extreem geringe pensioenbedragen die in beide gevallen zouden zijn aangevuld tot het niveau van het minimumpensioen”.(9) Dat is niet de situatie waarin Koschitzki zich bevindt.
De juiste uitlegging van verordening nr. 1408/71
23. Koschitzki voert ook een aantal bezwaren aan die op andere bepalingen van verordening nr. 1408/71 zijn gebaseerd.
Artikel 1, sub t – Definitie van „uitkeringen”
24. Om te beginnen moet volgens Koschitzki rekening worden gehouden met de definitie van „uitkeringen” in verordening nr. 1408/71, namelijk „alle uitkeringen [...] met inbegrip van alle bedragen ten laste van de openbare middelen”.(10) Aangezien de aanvulling een bestanddeel van de basisuitkering vormt, mag zij niet buiten beschouwing worden gelaten bij de vaststelling van het theoretische pensioen.
25. Dit argument overtuigt mij niet. Het komt erop neer, dat het begrip „uitkering” uitkeringen omvat waarop de betrokken persoon in feite geen recht heeft, hetgeen niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest.
Artikel 46 bis – Vermindering van uitkeringen
26. Ten tweede stelt Koschitzki, dat de betrokken Italiaanse wetgeving, voorzover deze het recht op de pensioenaanvulling onderwerpt aan de voorwaarde dat het gezinsinkomen niet een bepaalde grens overschrijdt, een anticumulatiebepaling is in de zin van artikel 46 bis van verordening nr. 1408/71. Dat artikel moet bijgevolg samen met artikel 46 quater worden toegepast.
27. In het algemeen staat verordening nr. 1408/71 lidstaten toe om te voorzien in vermindering, schorsing of intrekking van uitkeringen in geval van samenloop van uitkeringen met andere socialezekerheidsuitkeringen of met andere inkomsten van welke aard ook, zelfs indien het gaat om uitkeringen die op grond van de wetgeving van een andere lidstaat zijn verkregen of op het grondgebied van een andere lidstaat zijn verworven.(11) Dergelijke bepalingen zijn algemeen bekend als bepalingen ter voorkoming van de cumulatie van uitkeringen of als anticumulatiebepalingen. De artikelen 46 bis tot en met 46 quater zwakken dat beginsel echter af, onder meer wanneer het gaat om nationale wetgeving betreffende de samenloop van ouderdomspensioenen.
28. Volgens vaste rechtspraak moet een nationale regel als bepaling inzake vermindering van de uitkering in de zin van verordening nr. 1408/71 worden aangemerkt, indien de daarbij voorgeschreven berekening tot gevolg heeft dat het bedrag van het pensioen waarop de betrokkene aanspraak heeft, wordt verminderd omdat hij een uitkering in een andere lidstaat geniet.(12) De betrokken nationale regel in de onderhavige zaak is echter duidelijk geen bepaling inzake vermindering van de uitkering: deze regel ontzegt enkel het recht op een inkomensafhankelijke uitkering indien de middelen van de verzoeker een bepaalde inkomensgrens overschrijden.
29. Maar zelfs als de nationale maatregel, met enige verbeeldingskracht, zo zou moeten worden opgevat dat hij het verschuldigde pensioen vermindert (doordat, in het geval van Koschitzki, het niet-aangevulde pensioen wordt betaald in plaats van het aangevulde pensioen), wordt die „vermindering” niet toegepast omdat Koschitzki een uitkering ontvangt van een andere lidstaat, maar omdat haar gezinsinkomen een bepaalde grens overschrijdt.
30. De bewoordingen van artikel 46 bis bevestigen dat de anticumulatiebepalingen van dit artikel geen regels omvatten betreffende de samenloop van een pensioen met andere inkomsten indien beide afkomstig zijn uit dezelfde lidstaat. Artikel 46 bis is getiteld „Algemene bepalingen betreffende de voorschriften inzake vermindering, schorsing of intrekking geldende voor invaliditeits‑, ouderdoms‑ of overlevingspensioenen op grond van de wetgevingen der lidstaten”. De eerste twee leden bevatten enkele definities. De kern van de anticumulatiebepalingen is opgenomen in lid 3. Artikel 46 bis, lid 3, sub a en d, behandelt de samenloop van uitkeringen met andere inkomsten, en uit beide bepalingen blijkt dat de regels alleen van toepassing zijn indien de betrokken „andere inkomsten” „in een andere lidstaat zijn verworven” [artikel 46 bis, lid 3, sub a] of „op het grondgebied van andere lidstaten zijn verworven” [artikel 46 bis, lid 3, sub d].
31. Mijns inziens lijdt het derhalve geen twijfel, dat de betrokken nationale regel in de onderhavige zaak geen anticumulatiebepaling in de zin van artikel 46 bis is.
Artikel 46, lid 3 – Vergelijking van zelfstandige en proratapensioenen
32. Vervolgens betoogt Koschitzki dat volgens artikel 46, lid 3, bij de eerste fase van de berekening van haar pensioen overeenkomstig artikel 46, lid 2, geen rekening mag worden gehouden met de nationale wettelijke bepalingen inzake vermindering. Deze bepalingen zijn alleen van belang in de tweede fase, waarin een vergelijking wordt gemaakt tussen het uitsluitend op grond van de nationale wetgeving, met inbegrip van haar anticumulatiebepalingen, verschuldigde bedrag en het op grond van het gemeenschapsrecht, met inbegrip van zijn anticumulatiebepalingen, verschuldigde bedrag. Tot staving van haar argument heeft Koschitzki ter terechtzitting verwezen naar het arrest Di Crescenzo en Casagrande(13), met name naar punt 27 ervan. Daarin oordeelde het Hof:
„Ten slotte dient het bevoegde orgaan ingevolge artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 bij de vaststelling van het theoretische bedrag [overeenkomstig artikel 46, lid 2, sub a] elke nationale bepaling inzake vermindering buiten beschouwing te laten. Hieruit volgt, dat in gevallen als die welke bij de nationale rechter aanhangig zijn, het theoretische bedrag van het pensioen gelijk is aan het bedrag van het in de betrokken lidstaat verschuldigde volledige pensioen.”
33. Ik ben van oordeel dat artikel 46, lid 3, niet van belang is voor de situatie van Koschitzki. Volgens de eerste zin van die bepaling kan de betrokkene ten opzichte van het bevoegde orgaan van elke lidstaat aanspraak maken op het overeenkomstig artikel 46, leden 1 en 2, berekende hoogste bedrag, onverminderd de eventuele toepassing van de bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking waarin de wetgeving krachtens welke deze uitkering verschuldigd is, voorziet. De tweede zin bepaalt dat, wanneer zulks het geval is, de uit te voeren vergelijking betrekking heeft op de na de toepassing van bedoelde bepalingen vastgestelde bedragen.
34. Het doel van artikel 46, lid 3, is om een bovengrens vast te stellen voor het bedrag van de gecumuleerde pensioenen dat verschuldigd is aan een migrerende werknemer die zowel recht heeft op een zogenaamd „zelfstandig pensioen” op grond van artikel 46, lid 1, waarvoor het niet nodig is om zich op vervulde tijdvakken in andere lidstaten te beroepen, als op een „proratapensioen”, dat na samentelling en proratisering overeenkomstig artikel 46, lid 2, wordt berekend. Die grens is het hoogste theoretische bedrag, namelijk het bedrag waarop de betrokken persoon recht zou hebben gehad indien hij zijn hele verzekeringsloopbaan zou hebben vervuld in de lidstaat die de meest gunstige wetgeving heeft van alle lidstaten waar hij verzekerd is geweest.(14) Om het hoogste bedrag vast te stellen, moeten de twee(15) pensioenen worden vergeleken. De tweede zin van artikel 46, lid 3, bepaalt dat die vergelijking moet worden uitgevoerd na toepassing van de nationale regels inzake vermindering, schorsing of intrekking.
35. In de onderhavige zaak is echter niet aangevoerd dat Koschitzki recht heeft op een zelfstandig pensioen; daarom zie ik niet in hoe artikel 46, lid 1, en derhalve artikel 46, lid 3, van toepassing kan zijn. In elk geval heb ik hierboven reeds uitgelegd, waarom ik van oordeel ben dat de betrokken nationale regel in de onderhavige zaak onmiskenbaar niet een bepaling inzake vermindering van de uitkering is in de zin van verordening nr. 1408/71.
36. Mijns inziens pleit ook de beslissing van het Hof in de zaak Di Crescenzo en Casagrande niet voor Koschitzki. Die zaak had betrekking op een situatie die onmiskenbaar binnen de werkingssfeer van artikel 46, lid 3, viel, aangezien er sprake was van een recht op zowel een zelfstandig als een proratapensioen. Bovendien ging het daarin om een echte anticumulatiebepaling in de zin van verordening nr. 1408/71: de Belgische wetgeving bepaalde dat pensioenen van mijnwerkers moesten worden vermeerderd op basis van een aantal fictieve jaren, maar zij verminderde het aantal van die fictieve jaren indien de verzoeker ook recht had op een pensioen van een andere lidstaat. Dergelijke wetgeving heeft duidelijk tot gevolg dat het bedrag van het pensioen waarop de betrokkene aanspraak heeft, wordt verminderd omdat hij een uitkering in een andere lidstaat geniet, en valt derhalve onder de omschrijving van een bepaling inzake vermindering in de zin van verordening nr. 1408/71.
Artikel 46 quater, lid 2 – Proratisering van „andere inkomsten”
37. Ten slotte verwijst Koschitzki naar artikel 46 quater, lid 2. Zij merkt op dat haar inkomen en dat van haar echtgenoot op grond van de Italiaanse wetgeving van belang zijn om vast te stellen of het pensioen kan worden aangevuld, en zij stelt dat uit artikel 46 quater, lid 2, volgt dat inkomsten die van invloed zijn op het bedrag van de aanvulling, niet geheel maar slechts pro rata, volgens de overeenkomstig artikel 46, lid 2, vastgestelde verhouding, in aanmerking moeten worden genomen.
38. Artikel 46 quater, lid 2, bepaalt dat, indien een uitkering overeenkomstig artikel 46, lid 2, is berekend, „de uitkering of uitkeringen van verschillende aard van de andere lidstaten of de andere inkomsten en alle elementen, vastgesteld bij de wetgeving van de lidstaat voor de toepassing van de bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking, in aanmerking [worden] genomen op basis van de verhouding tussen de tijdvakken van verzekering en/of van wonen als bedoeld in artikel 46, lid 2, onder b, die voor de berekening van bedoelde uitkering zijn aangehouden”.
39. Uit de bewoordingen van deze bepaling blijkt dat zij, net zoals artikel 46 bis, op nationale regels inzake vermindering, schorsing of intrekking betrekking heeft. Ik ben reeds ingegaan op de betekenis van nationale bepalingen inzake vermindering in de zin van verordening nr. 1408/71. Om voornoemde reden ben ik van mening dat de Italiaanse wetgeving die een verzoeker wiens gezinsinkomen een bepaalde grens overschrijdt de pensioenaanvulling ontzegt, niet een dergelijke bepaling vormt.
40. Bovendien ben ik van mening dat artikel 46 quater hoe dan ook niet van belang zou kunnen zijn voor de onderhavige zaak, omdat het, net zoals artikel 46 bis, onmiskenbaar betrekking heeft op de samenloop van uitkeringen met andere inkomsten afkomstig uit een andere lidstaat. Dat volgt uit de systematiek van de artikelen 46 bis tot en met 46 quater. Artikel 46 bis formuleert algemene bepalingen betreffende de samenloop van uitkeringen; zoals hiervoor besproken(16), heeft dat artikel geen betrekking op de samenloop van pensioenen met andere inkomsten die afkomstig zijn uit dezelfde lidstaat. Het zou vreemd zijn als de artikelen 46 ter en 46 quater, die specifieke bepalingen inzake samenloop formuleren, een verschillende werkingssfeer zouden hebben. Die uitlegging wordt bovendien bevestigd door artikel 46 quater, waarvan de titel luidt: „Bijzondere bepalingen van toepassing in geval van samenloop van één of meer uitkeringen als bedoeld in artikel 46 bis, lid 1, met één of meer uitkeringen van verschillende aard of met andere inkomsten wanneer er twee of meer betrokken lidstaten zijn”.
41. Tot staving van haar argument met betrekking tot artikel 46 quater verwijst Koschitzki naar het arrest Stefanutti(17), kennelijk op grond dat die bepaling in feite in verordening nr. 1408/71 was ingevoegd bij verordening nr. 1248/92(18) om artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 574/72 te vervangen(19), dat aan de orde was in de zaak Stefanutti. Tijdens de terechtzitting voegde de advocaat van Koschitzki daaraan toe, dat uit dat arrest volgt dat op inkomsten die van invloed zijn op de verschuldigde uitkering, dezelfde verminderingscoëfficiënt moet worden toegepast als wordt gebruikt bij de berekening van het pro rata.
42. Ten tijde van de feiten in de zaak Stefanutti was de samenloop van uitkeringen in verordening nr. 1408/71 enkel door de algemene bepaling van artikel 12 geregeld; artikel 7 van verordening nr. 574/72 bevatte algemene voorschriften voor de toepassing van dat artikel. Artikel 7, lid 1, was van toepassing wanneer de rechthebbende op een krachtens de wetgeving van een lidstaat verschuldigde uitkering „eveneens recht [had] op uitkeringen krachtens de wetgevingen van een of meer andere lidstaten”. Aangezien daarvan geen sprake is in het onderhavige geval, waarin de uitkering (waarop Koschitzki hoe dan ook geen recht heeft) niet verschuldigd is krachtens de wetgeving van een andere lidstaat dan Italië, zie ik niet in hoe de uitlegging van die bepaling in het arrest Stefanutti van belang kan zijn.
Artikel 50 en bijlage II bis – Onafhankelijk recht op aanvulling en onmogelijkheid om deze te exporteren
43. Het INPS merkt op dat de aanvulling, als een in bijlage II bis bij verordening nr. 1408/71 vermelde bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestatie, niet naar andere lidstaten geëxporteerd kan worden, dit ingevolge artikel 10 bis van die verordening, volgens hetwelk dergelijke prestaties uitsluitend worden toegekend in de lidstaat waar de ontvanger woont. Het INPS stelt derhalve dat, als de aanvulling beschouwd zou worden als deel van het theoretische bedrag in de zin van artikel 46, lid 2, sub a, die voorwaarde omzeild zou worden indien de ontvanger in een andere lidstaat zou wonen. Voor inwoners van Italië zou de uitlegging van Koschitzki betekenen, dat de aanvulling twee keer zou worden toegekend: eerst op het Italiaanse proratapensioen, dat gebaseerd is op een reeds aangevuld fictief pensioen, en daarna op grond van artikel 50 van verordening nr. 1408/71, dat bepaalt dat een aanvulling wordt toegekend wanneer het verschuldigde na samentelling en proratisering minder is dan het minimum dat is vastgesteld in de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan de rechthebbende woont.
44. Op basis van deze analyse concludeert het INPS, dat in de onderhavige zaak de juiste berekeningswijze bestaat in: i) de vaststelling van het fictieve pensioen dat verschuldigd zou zijn indien alle bijdragen krachtens de Italiaanse wetgeving waren betaald; ii) de proratisering van het fictieve pensioen op basis van de verhouding tussen de tijdvakken van premie‑ of bijdragebetaling in Italië en alle tijdvakken van premie‑ of bijdragebetaling in het buitenland; iii) de vaststelling van het Italiaanse proratapensioen, dat, indien aan alle voorwaarden van de Italiaanse en communautaire wetgeving is voldaan, aangevuld moet worden tot het minimum waarin de Italiaanse wet voorziet.
45. Zoals ik heb uiteengezet, ben ik het ermee eens dat dit de juiste berekeningswijze is in de onderhavige zaak, met de toevoeging dat op basis van het gemeenschapsrecht het recht van verzoekster op de aanvulling moet worden vastgesteld aan de hand van het totaal verschuldigde pensioen na samentelling en proratisering.(20) Voorzover het betoog van het INPS ruimer is bedoeld en derhalve ook het resultaat in de zaak Stinco en Panfilo in twijfel beoogt te trekken, zou ik willen verwijzen naar de punten 17 en 20 van het arrest in die zaak, waarin deze argumentatie wordt weerlegd.
46. Om de redenen die ik heb gegeven, ben ik van mening dat in een geval als het onderhavige het theoretische bedrag van de uitkering in de zin van artikel 46, lid 2, sub a, niet de pensioenaanvulling moet omvatten.
Conclusie
47. Ik ben bijgevolg van mening dat de door het Tribunale di Bolzano gestelde prejudiciële vraag als volgt dient te worden beantwoord:
„Bij de vaststelling, overeenkomstig artikel 46, lid 2, sub a, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, van het theoretische bedrag van het pensioen waarop de berekening van het proratapensioen is gebaseerd, is het bevoegde orgaan alleen verplicht een aanvulling tot het bij de nationale wetgeving bepaalde minimumpensioen in aanmerking te nemen indien de betrokkene, als hij alle tijdvakken van verzekering en/of wonen in de Europese Unie in de betrokken lidstaat had vervuld, werkelijk recht zou hebben gehad op die aanvulling krachtens de betrokken nationale wetgeving.”
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149, blz. 2). De tekst van de betrokken verordening zoals zij gold ten tijde van de feiten is te vinden in deel I van bijlage A bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 tot wijziging en bijwerking van verordening (EEG) nr. 1408/71 en van verordening (EEG) nr. 574/72 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71 (PB L 28, blz. 1; hierna: „verordening nr. 1408/71”).
3 – Arrest van 24 september 1998, Stinco en Panfilo (C‑132/96, Jurispr. blz. I‑5225).
4 – Zie punten 8‑11 van mijn conclusie in voornoemde zaak Stinco en Panfilo, alsmede punt 7 van het arrest in die zaak.
5 – Artikel 6 van wet nr. 668/83, zoals gewijzigd bij artikel 4 van decreto legislativo nr. 503/92.
6 – Cursivering van mij.
7 – In het bijzonder de punten 19, 30, 32, 35, 46 en 51.
8 – Idem, punt 46.
9 – Idem.
10 – Artikel 1, sub t.
11 – Artikel 12, lid 2.
12 – Arrest van 7 maart 2002, Insalaca (C‑107/00, Jurispr. blz. I‑2403, punt 16, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
13 – Arrest van 11 juni 1992 (C‑90/91 en C‑91/91, Jurispr. blz. I‑3851).
14 – Zie voor een verhelderende bespreking van de werking van artikel 46, de toelichting bij het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1408/71 en van verordening (EEG) nr. 574/72 [COM(89) 370 def.].
15 – Er kan natuurlijk sprake zijn van meer dan twee pensioenen; ik gebruik het voorbeeld van twee pensioenen om de zaken (relatief) eenvoudig te houden.
16 – Punt 30 van deze conclusie.
17 – Arrest van 6 oktober 1987 (197/85, Jurispr. blz. 3855).
18 – Verordening van de Raad van 30 april 1992 tot wijziging van verordening nr. 1408/71 en van verordening nr. 574/72 (PB L136, blz. 7).
19 – Verordening van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening nr. 1408/71 (PBL 74, blz. 1).
20 – Zie artikel 50 van verordening nr. 1408/71, samengevat in punt 43 van deze conclusie.
Full & Egal Universal Law Academy