CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. KOKOTT
van 13 juli 2006 1(1)
Zaak C‑34/04
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Koninkrijk der Nederlanden
en
Zaak C‑64/04
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland
„Gemeenschappelijk visserijbeleid – Herstructurering van visserijsector – Visvergunningen – Definitieve overbrenging naar Argentinië”
I – Inleiding
1. In 1996 hebben Nederland en het Verenigd Koninkrijk elk twee vaartuigen uit hun vissersvloot naar Argentinië overgebracht. De Gemeenschap heeft deze maatregelen met in totaal 7 464 585,60 ECU gesteund. Volgens de Commissie hebben deze steunmaatregelen hun doel echter niet bereikt aangezien de verwerende lidstaten in plaats van de overgebrachte vaartuigen nieuwe vaartuigen tot de visserij hebben toegelaten. Derhalve heeft zij tegen deze beide lidstaten de onderhavige inbreukprocedures ingesteld, die juridisch in wezen vergelijkbaar zijn. Hieronder zal ik echter aantonen dat de Commissie zich daarbij op de verkeerde rechtsgrondslag baseert.
II – Toepasselijke bepalingen
2. Om tot de visserij te worden toegelaten hebben vissersvaartuigen een bij het vaartuig behorende vergunning voor de visvangst nodig. Het gemeenschapsrecht regelde een dergelijke vergunning voor het eerst in artikel 5 van verordening (EEG) nr. 3760/92 van de Raad van 20 december 1992 tot invoering van een communautaire regeling voor de visserij en de aquacultuur(2) (hierna: „visserijverordening”):
„1. Overeenkomstig de procedure van artikel 43 van het Verdrag stelt de Raad vóór 31 december 1993 een communautair stelsel vast waarin de minimuminformatie wordt bepaald die in de door de lidstaten af te geven en te beheren visvergunningen moet zijn vermeld; dit stelsel wordt uiterlijk op 1 januari 1995 van kracht.
Vanaf de datum waarop het communautaire stelsel van toepassing wordt, dienen de lidstaten nationale visvergunningenstelsels te hanteren. Tenzij anders is bepaald dienen alle communautaire vissersvaartuigen een bij het vaartuig behorende visvergunning te hebben.
Bovenstaande bepalingen zijn van toepassing onverminderd eventuele bestaande specifieke stelsels op communautair niveau en onverminderd de stelsels die in het kader van de bestaande of toekomstige internationale overeenkomsten vereist zijn.
2. De vergunningenstelsels zijn van toepassing op alle communautaire vissersvaartuigen die hun activiteiten uitoefenen in de communautaire viswateren, in de wateren van derde landen of in de volle zee. De communautaire voorschriften betreffende de vereiste minimuminformatie zijn ook van toepassing op vissersvaartuigen uit derde landen die in de communautaire viswateren vissen, indien zulks uit hoofde van internationale overeenkomsten is bepaald.”
3. De bij een vaartuig behorende visvergunningen zijn nader geregeld bij verordening (EG) nr. 3690/93 van de Raad van 20 december 1993 tot invoering van een communautair stelsel van regels voor de minimuminformatie die visvergunningen moeten bevatten(3) (hierna: „verordening inzake minimuminformatie”). De relevante bepalingen luiden als volgt:
„Artikel 1
1. Er wordt een communautair stelsel ingevoerd van regels voor de minimuminformatie die de in artikel 5 van verordening (EEG) nr. 3760/92 bedoelde visvergunningen moeten bevatten.
2. Alle communautaire vissersvaartuigen moeten in het bezit zijn van een bij het vaartuig behorende visvergunning.
3. De vergunning moet zich aan boord bevinden.
4. Vissersvaartuigen zonder visvergunning of waarvan de visvergunning is ingetrokken of geschorst, mogen geen vis vangen of aan boord hebben, overladen op een ander vaartuig of lossen in een haven.
[...]
Artikel 3
De vlaggestaat verleent en beheert de visvergunningen voor de vissersvaartuigen die zijn vlag voeren met inachtneming van het bepaalde in artikel 11 van verordening (EEG) nr. 3760/92.
[...]
Artikel 5
De vlaggestaat trekt de visvergunning van vaartuigen die tijdelijk worden stilgelegd tijdelijk of definitief in en trekt de visvergunningen in van vaartuigen die definitief buiten bedrijf worden gesteld.”
4. Het in artikel 3 van de verordening inzake minimuminformatie genoemde artikel 11 van de visserijverordening gaf de Raad de opdracht de doelstellingen voor de herstructurering van de communautaire vloot te formuleren:
„Met inachtneming van titel I stelt de Raad, volgens de procedure van artikel 43 van het Verdrag, voor een meerjarige periode en voor de eerste maal uiterlijk op 1 januari 1994 de doelstellingen en bepalingen vast voor de herstructurering van de communautaire visserijsector met het oog op de totstandbrenging van een duurzaam evenwicht tussen de hulpbronnen [bestanden] en de exploitatie daarvan. Bij deze herstructurering moet ook per geval rekening worden gehouden met de mogelijke economische en sociale gevolgen en de specifieke kenmerken van de visserijgebieden.”
5. Overeenkomstig deze bepaling heeft de Raad de beschikking van 20 december 1993 vastgesteld inzake de doelstellingen en de bepalingen voor de herstructurering van de communautaire visserijsector, in de periode van 1 januari 1994 tot en met 31 december 1996, gericht op een duurzaam evenwicht tussen de omvang van de bestanden en de mate van exploitatie(4) (hierna: „herstructureringsbeschikking”). Zij luidt als volgt:
„Artikel 1
1. Uiterlijk op 31 december 1996 moet de visserij-inspanning van de vloot van elke lidstaat ten opzichte van de doelstellingen per 31 december 1991 die zijn vastgesteld in het als overgangsmaatregel geldend oriëntatieprogramma, met de volgende percentages zijn verminderd:
– 20 % voor vaartuigen die met de bodemtrawl op demersale bestanden vissen,
– 15 % voor boomtrawlers en met de kor vissende vaartuigen die op bentische bestanden vissen,
– 0 %, (geen toeneming) voor de overige vlootsegmenten;
2. De vereiste vermindering van de visserij-inspanning moet voor ten minste 55 % door capaciteitsvermindering worden verkregen.
Artikel 2
De in artikel 1 aangegeven doelstellingen en bepalingen worden door de Commissie ten uitvoer gelegd in het kader van de meerjarige oriëntatieprogramma’s voor de vissersvloten van de lidstaten die door haar zijn goedgekeurd bij de beschikkingen van de Commissie van 21 december 1992 en eventueel gewijzigd in het kader van dezelfde procedure.”
6. De specifieke doelstellingen op het relevante tijdstip vloeien voor Nederland voort uit de beschikking van de Commissie van 21 december 1992 betreffende het meerjarig oriëntatieprogramma voor de vissersvloot van Nederland voor de periode 1993-1996, overeenkomstig verordening (EEG) nr. 4028/86 van de Raad(5), en voor het Verenigd Koninkrijk uit de beschikking van de Commissie van 21 december 1992 betreffende het meerjarig oriëntatieprogramma voor de vissersvloot van het Verenigd Koninkrijk voor de periode 1993-1996, overeenkomstig verordening (EEG) nr. 4028/86 van de Raad.(6)
7. Regelingen over de middelen om deze doelstellingen te verwezenlijken zijn neergelegd in verordening (EG) nr. 3699/93 van de Raad van 21 december 1993 tot vaststelling van de criteria en voorwaarden voor de structurele bijstand van de Gemeenschap in de sector visserij/aquacultuur en verwerking/afzet van de producten daarvan(7) (hierna: „verordening inzake structurele bijstand”). Voor de onderhavige zaken zijn de artikelen 7 en 8 van belang:
„Artikel 7
Gemeenschappelijke bepalingen
1. Wanneer bij afloop van een meerjarig oriëntatieprogramma voor een bepaald vlootsegment van een lidstaat de door overheidssteun gefinancierde capaciteitsinkrimpingen de doelstellingen voor dit segment overtreffen, kan de nieuwe situatie die uitsluitend aan deze steun toe te schrijven is, geen reden zijn voor het in bedrijf stellen van nieuwe capaciteit.
[...]
2. [...]
Artikel 8
Aanpassing van de visserij-inspanning
1. De lidstaten nemen maatregelen tot aanpassing van de visserij-inspanning om ten minste de doelstellingen van de in artikel 5 bedoelde meerjarige oriëntatieprogramma’s te bereiken.
Voorzover nodig treffen de lidstaten maatregelen voor definitieve beëindiging of beperking van de visserijactiviteiten van de vaartuigen.
2. De maatregelen voor definitieve beëindiging van de visserijactiviteiten van een vaartuig kunnen met name bestaan in:
– sloop van het vaartuig,
– definitieve overbrenging van het vaartuig naar een derde land, mits deze overbrenging niet als een inbreuk op het internationale recht en op de instandhouding en het beheer van de visstand kan gelden,
– definitieve bestemming van het vaartuig in de wateren van de Gemeenschap voor andere doeleinden dan visserij.
[...]
De lidstaten zien erop toe dat de vaartuigen waarop deze maatregelen betrekking hebben, uit de registers voor vissersvaartuigen en uit het communautaire gegevensbestand inzake vissersvaartuigen worden geschrapt. Zij zien er tevens op toe dat de doorgehaalde vaartuigen definitief worden uitgesloten van het vissen in de wateren van de Gemeenschap.
3. [...]”
8. De overbrenging van de vaartuigen in de onderhavige zaken berustte echter niet rechtstreeks op de verordening inzake structurele bijstand, maar op de overeenkomst van 24 mei 1994 inzake de betrekkingen tussen de Europese Economische Gemeenschap en Argentijnse Republiek op het gebied van de zeevisserij.(8)
9. De negende overweging van de preambule vermeldt:
„ERVAN OVERTUIGD dat deze nieuwe vorm van samenwerking in de visserijsector nieuwe stabiele vangstmogelijkheden verschaft, bijdraagt tot vernieuwing en omschakeling van de Argentijnse vloot en tot de herstructurering van de communautaire vloot, en de rationele exploitatie van de visbestanden op lange termijn bevordert.”
10. Artikel 5 van de overeenkomst bepaalt voorzover hier van belang:
„1. De overeenkomstsluitende partijen scheppen gunstige voorwaarden voor de vestiging in Argentinië van ondernemingen die zijn opgericht met kapitaal uit een of meer lidstaten van de Gemeenschap en voor de totstandbrenging van gemengde vennootschappen en tijdelijke samenwerkingsverbanden in de visserijsector tussen reders uit Argentinië en uit de Gemeenschap, met het oog op de gezamenlijke exploitatie, en eventueel verwerking, van de Argentijnse visbestanden, overeenkomstig het bepaalde in Protocol I en in de bijlagen I en II.
2. [...]
3. In het kader van het beleid tot herstructurering van de vissersvloot staat de Gemeenschap toe dat vaartuigen uit de Gemeenschap worden overgenomen door in Argentinië opgerichte of nog op te richten ondernemingen. [...]”
11. De bijstand door de Gemeenschap vloeit voort uit artikel 7, lid 1, van de overeenkomst:
„1. Teneinde de oprichting van ondernemingen als bedoeld in artikel 5 te stimuleren, wordt voor door de overeenkomstsluitende partijen op grond van artikel 6 geselecteerde projecten financiële bijstand verleend overeenkomstig het bepaalde in Protocol I.”
III – De feiten en de conclusies van partijen
Zaak C‑34/04 – Commissie/Nederland
12. De procedure tegen Nederland betreft de overbrenging van twee vaartuigen, de Wiron III en de Wiron IV, aan een gemengde vennootschap volgens de overeenkomst met Argentinië. Deze vaartuigen werden in juli 1996 overgebracht. De Commissie verleende bijstand bij een aan Nederland, aan de eigenaren van de vaartuigen en aan de gemengde vennootschap gerichte beschikking van 16 december 1996. Deze bijstand bedroeg 1 852 236 ECU per vaartuig voor de voormalige eigenaren en 277 835,40 ECU voor de gemengde vennootschap.
13. Nederland verstrekte daarop nieuwe vergunningen voor andere vaartuigen die de vrijgekomen ruimte van de beide overgebrachte vaartuigen in het visserijregister innamen.
14. De Commissie concludeert dat het Hof behage:
1) vast te stellen dat het Koninkrijk der Nederlanden, door de visvergunningen van de vissersvaartuigen Wiron III en Wiron IV na de definitieve overbrenging van deze vaartuigen naar Argentinië niet te hebben ingetrokken, inbreuk heeft gemaakt op artikel 5 van verordening (EG) nr. 3690/93 van de Raad van 20 december 1993 tot invoering van een communautair stelsel van regels voor de minimuminformatie die visvergunningen moeten bevatten;
2) het Koninkrijk der Nederlanden te verwijzen in de kosten.
15. Het Koninkrijk der Nederlanden concludeert tot:
1) afwijzing van het verzoek van de Commissie, en
2) veroordeling van de Commissie in de kosten van de procedure.
Zaak C‑64/04 – Commissie/Verenigd Koninkrijk
16. Aan de procedure tegen het Verenigd Koninkrijk liggen de volgende feiten ten grondslag: in de tweede helft van 1996 verzochten de eigenaren van de vaartuigen Cleopatra en Ocean Quest bij het Ministerie van Landbouw, Visserij en Voedsel van het Verenigd Koninkrijk krachtens de overeenkomst met Argentinië om bijstand van de Gemeenschap voor de overdracht van deze vaartuigen aan een gemengde vennootschap. Het ministerie zond deze aanvragen door aan de Commissie, met de mededeling dat deze vaartuigen waren uitgekozen om de visserij-inspanning op de Noordzee te beperken.
17. De eigenaren van de vaartuigen droegen de visvergunningen van de vaartuigen vervolgens tegen een vergoeding over aan derden. Volgens het recht van het Verenigd Koninkrijk kregen die daarmee een recht op een overeenkomstige visvergunning voor een vissersvaartuig.
18. Toen de bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk van de overdracht van de vergunningen vernamen, vroegen zij bij de Commissie na of die was toegestaan. De bevoegde autoriteiten van de Commissie keurden deze handelswijze af.
19. Niettemin stelde de Commissie op 16 december 1996 een aan het Verenigd Koninkrijk, aan de oorspronkelijke eigenaren van de vaartuigen en aan de betrokken gemengde vennootschappen gerichte beschikking vast, waarbij de Gemeenschap bijstand toekende. In het geval van de Cleopatra werd 1 469 592 ECU aan de eigenaar van het vaartuig toegekend en 220 438,80 ECU aan de gemengde vennootschap. In het geval van de Ocean Quest bedroeg de bijstand 1 316 880 ECU en 197 532 ECU.
20. Hoewel de bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk nogmaals op de overdracht van de vergunningen wezen, werden deze bedragen toch uitbetaald.
21. De Commissie concludeert in zaak C‑64/04 dat het het Hof behage:
1) vast te stellen dat het Verenigd Koninkrijk, door de visvergunningen van de vissersvaartuigen Cleopatra en Ocean Quest na de definitieve overbrenging van deze vaartuigen naar Argentinië niet te hebben ingetrokken, inbreuk heeft gemaakt op artikel 5 van verordening (EG) nr. 3690/93 van de Raad van 20 december 1993 tot invoering van een communautair stelsel van regels voor de minimuminformatie die visvergunningen moeten bevatten;
2) het Verenigd Koninkrijk te verwijzen in de kosten.
22. Het Verenigd Koninkrijk concludeert tot verwerping van het beroep van de Commissie en tot verwijzing van de Commissie in de kosten.
IV – Juridische beoordeling
23. In beide procedures verwijt de Commissie de betrokken lidstaat dat deze na de definitieve overbrenging van de betrokken vaartuigen hun visvergunningen niet heeft ingetrokken.
A – Artikel 5 van de verordening inzake minimuminformatie
24. De Commissie fundeert haar verwijt op artikel 5 van de verordening inzake minimuminformatie, waarin is bepaald dat de vlaggestaat de visvergunning van vaartuigen die tijdelijk worden stilgelegd, tijdelijk of definitief intrekt, en de visvergunningen intrekt van vaartuigen die definitief buiten bedrijf worden gesteld. Derhalve moet eerst worden onderzocht of de vaartuigen buiten bedrijf werden gesteld in de zin van deze bepaling, en daarna eventueel of de betrokken lidstaat hun visvergunningen heeft ingetrokken.
1. Buitenbedrijfstelling
25. De in de onderhavige procedure omstreden vaartuigen, in de procedure tegen Nederland de Wiron III en de Wiron IV, in de procedure tegen het Verenigd Koninkrijk de Ocean Quest en de Cleopatra, werden met financiële bijstand van de Gemeenschap onttrokken aan de vissersvloot van Nederland respectievelijk van het Verenigd Koninkrijk en naar de Argentijnse vissersvloot overgebracht.
26. Aangezien de vaartuigen verder werden gebruikt voor de visserij, lijkt op het eerste gezicht uitgesloten dat er sprake zou zijn dat het vaartuig buiten bedrijf is gesteld. Blijkens artikel 8 van de verordening inzake structurele bijstand is echter ook de definitieve overbrenging van een vissersvaartuig naar een derde land een geval van beëindiging van de visserijactiviteiten. Definitief buiten bedrijf gestelde vissersvaartuigen maken immers geen deel meer uit van de communautaire vloot.
27. De Nederlandse regering betwist weliswaar dat artikel 8 van de verordening inzake structurele bijstand van toepassing is op de overbrenging van vaartuigen volgens de overeenkomst met Argentinië, doch het zou onjuist zijn om deze overbrenging met het oog op de verlening van vergunningen niet als een definitieve buitenbedrijfstelling te behandelen. Zonder intrekking van de vergunningen zouden deze vaartuigen immers eventueel als communautaire vaartuigen in de wateren van de Gemeenschap of voor quota van de Gemeenschap kunnen vissen.
28. Bovendien moet de overbrenging van vaartuigen naar Argentinië overeenkomstig artikel 5, lid 3, en de negende overweging van de preambule van de overeenkomst onder andere bijdragen tot de herstructurering van de communautaire vloot. Bijgevolg zijn algemene voorschriften over herstructureringsmaatregelen rechtstreeks dan wel analoog ook op de overbrenging van vaartuigen naar Argentinië van toepassing.(9) In hoeverre bijzondere voorschriften van de overeenkomst de voorschriften van de verordening inzake structurele bijstand uitsluiten(10), behoeft hier niet te worden opgehelderd omdat de overeenkomst hoe dan ook niet bepaalt of de overbrenging van vaartuigen naar Argentinië al dan niet als definitieve buitenbedrijfstelling moet worden behandeld.
29. Bijgevolg moesten de visvergunningen van de overgebrachte vaartuigen overeenkomstig artikel 5 van de verordening inzake minimuminformatie worden ingetrokken.
2. Intrekking van de vergunningen
30. Partijen – met inbegrip van de Commissie – zijn het erover eens dat de overgebrachte vaartuigen niet langer over een visvergunning beschikken.
31. Volgens de informatie van de Nederlandse regering zijn de vergunningen van de Nederlandse vaartuigen van rechtswege automatisch komen te vervallen. Men heeft enkel de vrijgekomen ruimte in het Nederlandse visserijregister met andere vaartuigen gevuld en daaraan nieuwe visvergunningen verstrekt.
32. Het Verenigd Koninkrijk voert aan dat de vergunninghouders de vergunningen aan derden hebben verkocht die deze voor andere vaartuigen hebben gebruikt. Bij de definitieve onttrekking van de vaartuigen aan de Britse vloot, beschikten zij dus niet meer over vergunningen, die hadden kunnen worden ingetrokken.
33. Dit standpunt lijkt op het eerste gezicht onverenigbaar met het feit dat een vergunning bij een bepaald vaartuig hoort. Volgens artikel 5, lid 1, tweede alinea, van de visserijverordening dienen alle communautaire vissersvaartuigen een bij het vaartuig behorende visvergunning te hebben.
34. In feite worden volgens het Verenigd Koninkrijk en de Commissie echter niet de vergunningen zelf verhandeld doch de „licence entitlements”, dat wil zeggen het recht op een vergunning. De vergunning zelf kan enkel worden toegekend indien de aanvrager een dergelijk recht heeft. Dit lijkt in casu op basis van de verkochte rechten te zijn gebeurd.
35. Derhalve lijkt de situatie die volgens artikel 5 van de verordening inzake minimuminformatie moet worden bereikt, zich voor te doen: de buiten bedrijf gestelde vaartuigen hebben geen vergunning meer.
3. Vervanging van de vergunningen van de overgebrachte vaartuigen
36. Het eigenlijke verwijt van de Commissie betreft echter het feit dat Nederland en het Verenigd Koninkrijk nieuwe vergunningen voor andere vissersvaartuigen hebben afgegeven, die overeenkwamen met de vergunningen van de vaartuigen die met bijstand van de Gemeenschap naar de vloot van een derde land zijn overgebracht. De Commissie stelt dus dat de vrijgekomen capaciteit is vervangen doordat er nieuwe vaartuigen in de plaats van de buiten bedrijf gestelde vaartuigen kwamen.
37. Volgens het thans geldende recht is dit bij artikel 11, lid 3, van verordening nr. 2371/2002(11) duidelijk geregeld: steun wordt pas na intrekking van de vergunning verleend. Deze vergunning mag ook niet worden vervangen. Een overeenkomstige uitdrukkelijke regeling bestond op het relevante tijdstip echter niet.
38. De Commissie meent dat artikel 5 van de verordening inzake minimuminformatie ook zonder een dergelijke uitdrukkelijke regeling vereist dat de visvergunning wordt ingetrokken zonder te worden vervangen.(12) Het Verenigd Koninkrijk aanvaardt deze uitlegging, Nederland daarentegen wijst ze af.
39. De bewoordingen van artikel 5 van de verordening inzake minimuminformatie omvatten echter niet de verstrekking van vergunningen ter vervanging van ingetrokken visvergunningen. Deze bepaling betrof immers enkel de intrekking van vergunningen.
40. De Commissie tracht derhalve een verbod op het verstrekken van vervangende vergunningen af te leiden uit de doelen van de structurele bijstand volgens artikel 8 van de verordening inzake structurele bijstand en in het bijzonder uit de doelen van de bijstand voor overbrenging van vaartuigen naar Argentinië.
41. Daar de overbrenging van vaartuigen naar Argentinië ingevolge de overeenkomst met deze staat de herstructurering van de communautaire vloot moet bevorderen, heeft de overbrenging tot doel de vangstcapaciteit van de Gemeenschap te verkleinen. Een verkleining wordt gedwarsboomd indien men vergunningen verleent aan nieuwe vaartuigen die in de plaats komen van de overgebrachte vaartuigen.
42. Met de Commissie kan dus in zoverre worden ingestemd dat met de verstrekking van vervangende vergunningen in het geval van de gesubsidieerde overbrenging van vissersvaartuigen afbreuk wordt gedaan aan de doelen van de subsidie.
43. Dat afbreuk wordt gedaan aan de doelen van de subsidie rechtvaardigt echter nog niet de slotsom dat de verstrekking van vervangende vergunningen schending oplevert van artikel 5 van de verordening inzake minimuminformatie, op zich dan wel in samenhang met artikel 8 van de verordening inzake structurele bijstand.
44. Geen van beide bepalingen bevatte namelijk ook maar het geringste aanknopingspunt voor een regeling die deze doelen door een verbod op het vervangen van ingetrokken visvergunningen zou waarborgen. Artikel 8 van de verordening inzake structurele bijstand noemt de visvergunning zelfs niet één keer. Artikel 5 van de verordening inzake minimuminformatie bevat enkel de verplichting om de visvergunning van een bepaald vaartuig in te trekken. Aan deze verplichting is met de intrekking van die vergunning voldaan. De voorwaarden waaronder nieuwe vergunningen voor andere vaartuigen mogen worden verstrekt, kunnen niet uit de verplichting tot intrekking worden afgeleid. Dat is veeleer voorwerp van andere regelingen waarin eveneens rekening wordt gehouden met de doelen van een subsidie voor buitenbedrijfstelling.(13)
45. Zoals de Nederlandse regering aangaf, kon de Commissie, om in verband met de regeling inzake de verlening van vergunningen tegen de betrokken lidstaten op te treden, bij artikel 3 van de verordening inzake minimuminformatie aanknopen. Daarnaast kwam artikel 7, lid 1, eerste alinea, van de verordening inzake structurele bijstand in aanmerking.
46. De beide onderhavige beroepen gaan echter niet over deze bepalingen. Zij kunnen dan ook niet de grondslag vormen voor het slagen van deze beroepen.(14) De Nederlandse regering heeft dus terecht opgemerkt dat de Commissie haar beroep op een onjuiste rechtsgrondslag heeft gebaseerd.
47. Bijgevolg dienen beide beroepen te worden verworpen.
B – Subsidiair onderzoek van andere bepalingen
48. Enkel subsidiair, voor het geval het Hof aanvaardt dat het voorwerp van het beroep uitgebreider is, en om te beklemtonen dat de door de Commissie voorgestelde uitlegging van artikel 5 van de verordening inzake minimuminformatie juncto artikel 8 van de verordening inzake structurele bijstand niet noodzakelijk is, wens ik hieronder uiteen te zetten dat de Commissie in de onderhavige procedures evenmin schending van artikel 3 van de verordening inzake minimuminformatie of van artikel 7, lid 1, eerste alinea, van de verordening inzake structurele bijstand heeft bewezen.
1. Artikel 3 van de verordening inzake minimuminformatie
49. Volgens artikel 3 van de verordening inzake minimuminformatie verleent en beheert de vlaggestaat de visvergunningen voor de vissersvaartuigen die zijn vlag voeren met inachtneming van het bepaalde in artikel 11 van de visserijverordening. Deze nationale bevoegdheid wordt ook beklemtoond door de eerste twee alinea’s van artikel 5, lid 1, van de visserijverordening.
50. Anders dan een eerder door Nederland verdedigd standpunt, dat deze staat inmiddels lijkt te hebben verlaten, zijn de lidstaten bij de toekenning niet vrij, maar moeten zij artikel 11 van de visserijverordening eerbiedigen. Deze bepaling bevatte een opdracht aan de Raad om de doelstellingen en bepalingen vast te stellen voor de herstructurering van de communautaire visserijsector met het oog op de totstandbrenging van een duurzaam evenwicht tussen de hulpbronnen [bestanden] en de exploitatie daarvan.
51. De Raad heeft deze doelen neergelegd in de herstructureringsbeschikking van 1993. Ingevolge deze beschikking moesten de vlootcapaciteiten op bepaalde gebieden worden verminderd en voor het overige hoe dan ook niet worden vergroot. Om deze doelen te bereiken moeten de lidstaten onder toezicht van de Commissie zogeheten meerjarige oriëntatieprogramma’s uitvoeren. De verwijzing in artikel 3 van de verordening inzake minimuminformatie naar artikel 11 van de visserijverordening verplicht de lidstaten dus indirect om bij de verstrekking van vergunningen de herstructureringsdoelen te eerbiedigen.
52. Zoals ook de Nederlandse regering en die van het Verenigd Koninkrijk inzien, mag derhalve in beginsel geen nieuwe vangstcapaciteit worden toegelaten. Beide regeringen menen echter dat de vervanging van buiten bedrijf gestelde capaciteit in beginsel wel mogelijk is.
53. Hier behoeft niet uitgebreid te worden besproken onder welke voorwaarden de vervanging van buiten bedrijf gestelde capaciteiten toelaatbaar is. Met name behoeft niet in detail te worden ingegaan op de argumenten van de beide regeringen.(15)
54. Schending van artikel 3 van de verordening inzake minimuminformatie, artikel 11 van de visserijverordening, de herstructureringsbeschikking en het desbetreffende toepasselijke meerjarige oriënteringsprogramma zou immers in ieder geval ten minste veronderstellen dat doelstellingen van dit programma niet zijn bereikt door de vervanging van de overgebrachte capaciteit. De Commissie heeft hierover echter geen argumenten aangevoerd. Evenmin is bekend of de beide lidstaten de doelen niet hebben verwezenlijkt en of de intrekking van de vergunningen zonder deze te vervangen zou hebben bijgedragen tot het bereiken van doelen die niet zijn verwezenlijkt.(16)
55. Bijgevolg kan geen schending van artikel 3 van de verordening inzake minimuminformatie worden vastgesteld.
2. Artikel 7, lid 1, eerste alinea, van de verordening inzake structurele bijstand
56. Voorts zou er bij de als vervanging verstrekte vergunningen in casu sprake kunnen zijn van schending van artikel 7, lid 1, eerste alinea, van de verordening inzake structurele bijstand. Deze bepaling verbiedt, los van de verminderingsdoelstellingen van de meerjarige oriëntatieprogramma’s, dat afgebouwde capaciteiten worden vervangen. Zij veronderstelt echter dat het afbouwen alleen met overheidssteun was gefinancierd.
57. De Commissie voert echter niet aan dat de overbrenging alleen met overheidssteun is gefinancierd. Dit valt in de onderhavige gevallen ook te betwijfelen aangezien de eigenaren van de vaartuigen kennelijk winst wilden halen uit de visserijactiviteit in Argentijnse wateren. Bovendien vormde, ten minste bij de overbrenging van de Britse vaartuigen, de opbrengst uit de verkoop van de rechten op een vergunning een verdere reden voor de overbrenging.
58. Bijgevolg kan ook geen schending van artikel 7, lid 1, eerste alinea, van de verordening inzake structurele bijstand worden vastgesteld.
3. Resultaat van de subsidiaire toetsing
59. Beide beroepen zouden ook moeten worden verworpen indien het Hof artikel 3 van de verordening inzake minimuminformatie of artikel 7, lid 1, eerste alinea, van de verordening inzake structurele bijstand als onderdeel van het voorwerp van het beroep zou aanmerken. Blijkens het onderzoek van deze bepalingen zou de door de Commissie voorgestelde uitlegging van artikel 5 van de verordening inzake minimuminformatie juncto artikel 8 van de verordening inzake structurele bijstand immers voorbijgaan aan de vereisten die zijn neergelegd in artikel 3 van de verordening inzake minimuminformatie en in artikel 7, lid 1, eerste alinea, van de verordening inzake structurele bijstand.
V – Kosten
60. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dat is gevorderd. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van het Verenigd Koninkrijk te worden verwezen in de kosten.
VI – Conclusie
61. Mitsdien geef ik het Hof in overweging zowel in zaak C‑34/04 als in zaak C‑64/04:
„1) Het beroep te verwerpen.
2) De Commissie van de Europese Gemeenschappen te verwijzen in de kosten.”
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – PB L 389, blz. 1, in de versie van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, BIJLAGE I – Lijst als bedoeld in artikel 29 van het Toetredingsverdrag – X. Visserij (PB 1994, C 241, blz. 189). De verordening is per 1 januari 2003 vervangen door verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (PB L 358, blz. 59).
3 – PB L 341, blz. 93. Deze verordening is ingetrokken bij verordening (EG) nr. 700/2006 van de Raad van 25 april 2006 houdende intrekking van verordening (EG) nr. 3690/93 tot invoering van een communautair stelsel van regels voor de minimuminformatie die visvergunningen moeten bevatten (PB L 122, blz. 1) en vervangen door verordening (EG) nr. 1281/2005 van de Commissie van 3 augustus 2005 betreffende het beheer van de visvergunningen en de minimuminformatie welke deze moeten bevatten (PB L 203, blz. 3).
4 – PB 1994, L 10, blz. 20.
5 – PB L 401, blz. 15.
6 – PB L 401, blz. 33.
7 – PB L 346, blz. 1, in de versie van verordening (EG) nr. 1624/95 van de Raad van 29 juni 1995 (PB L 155, blz. 1), gecodificeerd bij verordening (EG) nr. 2468/98 van de Raad van 3 november 1998 tot vaststelling van de criteria en de voorwaarden voor de structurele bijstand van de Gemeenschap in de sector visserij/aquacultuur en de verwerking en de afzet van de producten daarvan (PB L 312, blz. 19), en vervangen door verordening (EG) nr. 2792/1999 van de Raad van 17 december 1999 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen en voorwaarden voor de structurele acties van de Gemeenschap in de visserijsector (PB L 337, blz. 10).
8 – PB 1993, L 318, blz. 2.
9 – Zie in die zin arrest van 13 januari 2005, Eduardo Vieira/Commissie (C‑254/03 P, Jurispr. blz. I‑237, punten 36 e.v. en 63 e.v.).
10 – Zie de argumenten van rekwirante in het arrest Eduardo Vieira/Commissie (aangehaald in voetnoot 9, punt 58) en de conclusie in die zaak van advocaat-generaal Tizzano van 16 september 2004, punten 71 e.v.
11 – Aangehaald in voetnoot 2.
12 – Volgens de toelichting bij het voorstel van de Commissie voor verordening (EG) nr. 2371/2002 COM(2002) 185 def., blz. 4, komt de regeling van artikel 11, lid 3, van verordening nr. 2371/2002 overeen met het voorheen reeds geldende recht. In de wetgevingsprocedure hebben Spanje, Frankrijk, Griekenland en Italië echter lange tijd bezwaar gemaakt tegen deze bepaling. Zie de documenten van de Raad 14231/1/02 REV 1, voetnoot 31, en 15271/02, voetnoot 14.
13 – Overigens noemt het Verenigd Koninkrijk nog een andere mogelijkheid om de goede werking van de subsidie te garanderen: de Commissie had de gemeenschapssteun kunnen terugvorderen dan wel deze aldus kunnen regelen dat zij kan worden teruggevorderd indien zij niet aan haar doel beantwoordt. Dat zou een zinvolle maatregel ter voorkoming van verspilling van openbare middelen zijn geweest.
14 – Over de uitbreiding van het voorwerp van het beroep, zie arrest van 20 oktober 2005, Commissie/Verenigd Koninkrijk (C‑6/04, Jurispr. blz. I‑9017, punten 57 e.v.).
15 – De regering van het Verenigd Koninkrijk betoogt in wezen dat de verplichting om de vergunning in te trekken zonder deze te vervangen pas is ontstaan toen de vaartuigen geen vergunning meer hadden. De Nederlandse regering staat afwijzend tegenover de toepassing van de verordening inzake structurele bijstand op de overdracht van vaartuigen volgens de overeenkomst met Argentinië.
16 – Dat is vanuit het gezichtspunt van de Commissie ook beslissend omdat zij haar beroep ten onrechte op artikel 5 van de verordening inzake minimuminformatie juncto artikel 8 van de verordening inzake structurele bijstand heeft gebaseerd. In de onderhavige procedure kan niet in aanmerking worden genomen dat de Commissie los daarvan heeft meegedeeld dat de beide lidstaten tussen 1993 en 1996 de doelen van de oriënteringsprogramma’s niet hebben verwezenlijkt; Jaarlijks verslag aan de Raad en het Europees Parlement over de resultaten van de meerjarige oriëntatieprogramma’s voor de vissersvloot aan het einde van 1996, COM(1997)352, blz. 36 voor Nederland en blz. 45 voor het Verenigd Koninkrijk. Bij het ontbreken van een argument hierover van de Commissie behoefden de beide lidstaten daarover in de onderhavige procedure immers geen standpunt in te nemen. Volgens het jaarlijks verslag voor eind 1997, COM(1999)157, blz. 32 voor Nederland en blz. 38 voor het Verenigd Koninkrijk, was een jaar later althans voor laatstgenoemde lidstaat ook niet langer zonder meer duidelijk dat hij de doelen niet had verwezenlijkt.
Full & Egal Universal Law Academy