CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
D. RUIZ-JARABO COLOMER
van 26 april 2005 1(1)
Zaak C-140/04
United Antwerp Maritime Agencies NV en
Seaport Terminals NV
tegen
Belgische Staat
(verzoek van het Hof van Beroep te Antwerpen om een prejudiciële beslissing)
„Vrij verkeer van goederen – Douane-unie – Niet-communautaire goederen die na lossen ervan op grondgebied van lidstaat zijn onttrokken voordat zij douanebestemming hebben gekregen – Bepaling van persoon die desbetreffende rechten moet betalen – Uitlegging van artikel 203, lid 3, laatste streepje, eerste zinsdeel, van communautair douanewetboek”
1. De onderhavige prejudiciële procedure betreft de uitlegging van artikel 203, lid 3, laatste streepje, eerste zinsdeel, van het communautair douanewetboek.(2)
2. Het Hof van Beroep te Antwerpen wenst te vernemen welke persoon gehouden is de douaneschuld te betalen, wanneer in de Gemeenschap binnengebrachte goederen waarvoor een aangifte bij de douane is ingediend en die in opslag zijn geplaatst, verdwijnen voordat zij een bestemming krijgen.
I – De feiten en het hoofdgeding
3. Op 9 juni 1996 heeft NV United Antwerp Maritime Agencies (hierna: „Unamar”) bij het douanekantoor te Antwerpen met de passende summiere aangifte een container met 901 kartons sigaretten van het merk „L&M” aangebracht, die was vervoerd vanuit de Braziliaanse stad Paranagua aan boord van het schip Cap. Trafalgar, waarvan de vennootschap Hamburg Süd eigenaar is.(3)
4. Op 18 juni daaraanvolgend heeft NV Seaport Terminals (thans NV Katoen Natie Terminals), een opslag- en distributiebedrijf, de lading gelost en in afwachting van de toekenning van een douanebestemming opgeslagen op een op de kade gelegen terrein dat haar toebehoorde en daarvoor bestemd was.
5. Op 19 juni werd ’s morgens vastgesteld dat de lading was verdwenen, zodat het niet mogelijk was deze aan de autoriteiten aan te bieden.
6. De Belgische administratie heeft op 13 maart 1998 dwangbevelen aan Unamar en Seaport Terminal betekend, strekkende tot betaling van 785 555,04 EUR, te vermeerderen met rente en kosten, uit hoofde van douanerechten, accijnzen en bijzondere accijnzen.
7. Beide vennootschappen tekenden verzet aan tegen de respectieve betalingsbevelen. Hun vorderingen werden afgewezen bij vonnis van 9 september 2002 van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, waartegen zij hoger beroep hebben ingesteld bij het Hof van Beroep.
II – Het rechtskader
A – De uit te leggen norm
8. De belastingplicht bij invoer op het grondgebied van de Gemeenschap kan zijn oorsprong vinden in verschillende, in de artikelen 201 tot en met 205 van het douanewetboek opgesomde feiten, waaronder de in artikel 203 bedoelde onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht.(4) Volgens artikel 203, lid 3, worden als schuldenaar beschouwd(5): naast de daders, de personen die eraan hebben deelgenomen en de personen die de goederen hebben verworven of onder zich hebben en op de hoogte zijn van de onrechtmatige herkomst ervan, „de persoon die de verplichtingen welke voortvloeien uit de tijdelijke opslag van de goederen[(6)] of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder deze waren geplaatst, dient na te komen”.
B – Het aanbrengen bij de douane, de summiere aangifte en de tijdelijke opslag
9. De invoerder van goederen in de Gemeenschap moet deze naar het douanekantoor brengen en tonen. De tweede taak rust tevens op de persoon die zich met het vervoer van de goederen belast nadat deze zijn binnengebracht (artikelen 38, lid 1, sub a, en 40 van het communautair douanewetboek).
10. Zij moeten eveneens een formaliteit vervullen, namelijk het indienen van een summiere aangifte. De persoon in wiens naam zij hebben gehandeld, neemt in voorkomend geval deze taak op zich (artikelen 43 en 44, lid 2, van het douanewetboek). Dit document, dat wordt ondertekend door de indiener ervan, beoogt het vergemakkelijken van de controle van het feit dat de betrokken goederen binnen de in artikel 49 van het douanewetboek bedoelde termijnen een douanebestemming krijgen (artikel 183, leden 1 en 2, van verordening (EEG) nr. 2454/93(7); hierna: „uitvoeringsverordening”).
11. Nadat deze formaliteiten zijn vervuld, krijgen de goederen de status van „goederen in tijdelijke opslag”. Zij verblijven op de door de douaneautoriteiten goedgekeurde plaatsen onder de door deze autoriteiten vastgestelde voorwaarden. De douaneautoriteiten kunnen van de persoon die houder van de goederen is, eisen dat deze een zekerheid stelt die de betaling van de douaneschuld waarborgt wanneer de opgeslagen goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken (artikelen 50, 51 en 53, lid 2, juncto artikel 203, van het douanewetboek).
12. Zolang de in de aangifte opgesomde goederen niet zijn gelost en tot op het moment dat zij naar hun douanebestemming worden geleid, is de invoerder ervan, de persoon die de goederen heeft vervoerd nadat zij zijn binnengebracht, of de persoon in wiens naam de voornoemde personen hebben gehandeld, aansprakelijk voor de aanbieding ervan op elke vordering van de autoriteiten. Na het lossen rust deze taak op alle personen die de goederen onder zich hebben om deze te verplaatsen of op te slaan (artikelen 183 en 184 van de uitvoeringsverordening, juncto artikel 44, lid 2, van het douanewetboek).
III – De prejudiciële vragen
13. Gelet op het voorgaande, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen het Hof de volgende vragen gesteld:
„1) Kan als persoon, die de verplichtingen van de tijdelijke opslag van de goederen moet naleven [als bedoeld in artikel 203, lid 3, laatste streepje, van het communautair douanewetboek (…)], worden aangemerkt de persoon die de goederen bij de douane moet aanbrengen (artikel 40 van het douanewetboek) waardoor hij of zijn vertegenwoordiger de summiere aangifte moet indienen (artikel 44, lid 2, van het douanewetboek) en ondertekenen (artikel 183, lid 1, van de [uitvoeringsverordening]) en de goederen bij de douaneautoriteiten moet aanbieden zolang zij niet gelost zijn van het vervoermiddel waarop zij zich bij het binnenbrengen in de Gemeenschap bevinden tot op het moment dat deze goederen een douanebestemming hebben gekregen?
2) Kan als persoon die de verplichtingen van de tijdelijke opslag van de goederen moet naleven (als bedoeld in artikel 203, lid 3, laatste streepje, van het douanewetboek), worden aangemerkt de persoon die de goederen, na het lossen, onder zich heeft om deze te verplaatsen of op te slaan waardoor hij op basis van de artikelen 51, lid 2, en 53, lid 2, van het douanewetboek aangemerkt wordt als houder van de goederen en bijgevolg verplicht is om op basis van artikel 184, lid 2, van de uitvoeringsverordening de goederen op elke vordering van de douaneautoriteiten opnieuw volledig aan te bieden?
3) Indien de eerste en de tweede vraag bevestigend worden beantwoord, kunnen de in die vragen bedoelde personen gelijktijdig en bijgevolg als solidaire douaneschuldenaars worden aangemerkt in de veronderstelling dat de in de eerste en de tweede vraag bedoelde personen verschillende personen zijn (in casu respectievelijk de vertegenwoordiger van de scheepvaartlijn waarmee de goederen de Gemeenschap zijn binnengebracht en de goederenbehandelaar die instaat voor de opslag en het verplaatsen van de goederen op de door de douaneautoriteiten aangeduide losplaats/kaai)?
4) Indien de derde vraag bevestigend wordt beantwoord, blijft de persoon bedoeld in de eerste vraag, schuldenaar tot op het ogenblik dat aan de goederen een douanebestemming wordt gegeven, ongeacht het feit dat de goederen na de lossing van het vervoermiddel waarmee zij de Gemeenschap werden binnengebracht, werden opgeslagen bij of verplaatst door de persoon bedoeld in de tweede vraag?
5) Indien de derde vraag ontkennend wordt beantwoord, moet geacht worden dat de persoon bedoeld in de eerste vraag douaneschuldenaar blijft tot op het tijdstip dat de goederen worden overgenomen door de persoon bedoeld in de tweede vraag en wordt de persoon bedoeld in de tweede vraag slechts schuldenaar van het ogenblik dat hij instaat voor de opslag en de verplaatsing van de goederen?
6) Indien de eerste vraag bevestigend en de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord, moet dan de in de eerste vraag bedoelde persoon geacht worden schuldenaar te blijven tot op het tijdstip dat de goederen worden overgenomen door de persoon bedoeld in de tweede vraag, dan wel tot op het moment dat de goederen een douanebestemming hebben gekregen?”
IV – De procedure voor het Hof
14. De Commissie, de Belgische regering en de twee verzoeksters in het hoofdgeding hebben binnen de door artikel 20 van ’s Hofs Statuut-EG bepaalde termijn schriftelijke opmerkingen ingediend.
15. Ter terechtzitting van 7 april 2005 zijn mondelinge opmerkingen geformuleerd door de vertegenwoordigers van de partijen die hebben deelgenomen aan de schriftelijke behandeling.
V – De beoordeling van de prejudiciële vragen
A – Voorafgaande opmerkingen
16. Twee voorafgaande preciseringen, een van feitelijke aard en een van juridische aard, zijn nodig.
17. De eerste precisering betreft de categorische weigering van Unamar om te erkennen dat zij de vrachtlijst, die in casu de functie van de summiere aangifte vervult, heeft ingediend en ondertekend. Het gaat om een in het verwijzingsarrest vermeld gegeven, waarvan de vaststelling behoort tot de bevoegdheid van de nationale rechter en waar het Hof zich buiten dient te houden. Bijgevolg is daarover geen discussie nodig en dient de oplossing te worden gezocht zonder acht te slaan op de persoon die in het onderhavige geval deze formaliteit heeft vervuld.
18. De tweede precisering, die door de Commissie is aangebracht, betreft de omstandigheid dat de Belgische administratie de procedure heeft ingeleid en dwangbevelen aan Unamar en Seaport Terminals heeft betekend op basis van artikel 202 van het communautair douanewetboek, aangezien zij van mening was dat het op onregelmatige wijze binnenbrengen van tabak in de Gemeenschap de schuld deed ontstaan. Het Hof van Beroep te Antwerpen is daarentegen van mening dat artikel 203, dat betrekking heeft op de onttrekking aan het douanetoezicht als oorzaak van de heffing, de relevante bepaling is. Het Hof moet binnen dit laatste kader blijven en de uitlegging verstrekken aan de rechterlijke instantie die voor de beslechting van het geschil bevoegd is om de norm te kiezen en toe te passen.(8)
B – De eerste twee vragen
19. Het voorwerp van het hoofdgeding is duidelijk omlijnd: bepaald moet worden welke persoon bij onttrekking van de goederen aansprakelijk is voor de douaneschuld samen met de daders en de personen die eraan hebben deelgenomen, alsmede met de personen die er voordeel bij hebben en op de hoogte zijn van de onrechtmatige herkomst ervan. De bepaling ziet op „de persoon die de verplichtingen welke voortvloeien uit de tijdelijke opslag van de goederen, dient na te komen” (artikel 203, lid 3, laatste streepje, eerste zinsdeel, van het douanewetboek), en het Hof van Beroep te Antwerpen vraagt zich af welke persoon deze hoedanigheid heeft.
20. Het rechtskader dat hierboven reeds kort werd uiteengezet, onderscheidt drie periodes. De eerste periode omvat het aanbrengen van de goederen bij de douane, hetgeen tot uitdrukking komt in de formele handeling van de summiere aangifte. De volgende periode, waarin de goederen tijdelijk blijven opgeslagen zodat zij kunnen worden getoond op elke vordering van de autoriteiten, en die beslissend is voor deze prejudiciële vragen, is de periode tussen de aankomst van de goederen op het communautaire grondgebied en de toekenning van een douanebestemming. De derde periode begint te lopen vanaf deze laatste gebeurtenis.
21. In de eerste fase rust de verplichting tot betaling op de invoerder, de persoon die de goederen vervoert na overschrijding van de grens of de persoon in wiens naam zij hebben gehandeld. In de tweede fase dient een onderscheid te worden gemaakt tussen twee hypotheses. Indien de goederen op het vervoermiddel blijven, zijn dezelfde personen als in de eerste fase gehouden tot betaling. Indien de goederen zijn gelost en aan land gezet, zijn dit de personen die de goederen onder zich hebben om deze te verplaatsen of op te slaan. Het is niet voor niets dat artikel 101, sub a, van het douanewetboek bepaalt dat de entreposeur ervoor zorgt dat de goederen tijdens hun verblijf op de kade niet aan het noodzakelijke toezicht worden onttrokken.
22. Wanneer de goederen vóór het krijgen van een douanebestemming worden onttrokken aan de controle van de administratie, rust de fiscale schuld dus niet alleen op de daders, de personen die aan de onttrekking hebben deelgenomen en de ontvangers van de goederen, maar ook op de invoerder, de transporteur of degene in wiens naam deze personen hebben gehandeld, voorzover de goederen nog niet werden gelost. In de andere gevallen is de persoon die de goederen onder zich heeft om deze te verplaatsen of op te slaan, tot betaling gehouden.
23. Deze uitlegging, die berust op de bewoordingen van de betrokken bepalingen, vindt tevens steun in de doelstelling ervan, zoals de Commissie opmerkt. Ter verhindering van onrechtmatige invoer moet de houder van de ingevoerde goederen, totdat deze een bepaalde douanestatus verkrijgen en worden onderworpen aan de betaling van de belasting of worden vrijgesteld, tijdelijk of definitief(9), deze goederen op elke vordering tonen, waarbij hij verantwoordelijk is voor het verlies ervan.(10) Om dezelfde redenen mag de administratie bij tijdelijke opslag overeenkomstig artikel 51, lid 2, van het douanewetboek van de persoon die houder van de goederen is, eisen dat deze een zekerheid stelt teneinde de betaling van de douaneschuld te waarborgen wanneer de relevante controle niet kan plaatsvinden.
24. Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging, op de eerste twee prejudiciële vragen te antwoorden dat artikel 203, lid 3, laatste streepje, eerste zinsdeel, van het communautair douanewetboek met de verwijzing naar „de persoon die de verplichtingen welke voortvloeien uit de tijdelijke opslag, dient na te komen”, doelt op de volgende persoon:
– indien de goederen op het vervoermiddel blijven: a) de persoon die de goederen het douanegebied van de Gemeenschap heeft binnengebracht, b) de persoon die zich na dit binnenbrengen, doch voor het aanbrengen van de goederen belast met het vervoer ervan, of c) de persoon in wiens naam de twee voorgaande personen hebben gehandeld;
– indien de goederen zijn gelost: de persoon die de goederen onder zich heeft om deze te verplaatsen of op te slaan.
C – De derde tot en met de zesde vraag
25. Met deze vier vragen wenst de Belgische rechter te vernemen of in het kader van de twee bovengenoemde situaties de aansprakelijkheid gelijktijdig en solidair is, dan wel er opvolging in de tijd is, en in dit laatste geval wanneer de overgang plaatsvindt. Het antwoord is impliciet vervat in de voorgaande redenering en in het voorgestelde antwoord op de eerste twee vragen.
26. In de in artikel 203 bedoelde gevallen is de persoon belast met de verplichtingen welke voortvloeien uit de tijdelijke opslag van de goederen, tevens de douanerechten verschuldigd. Dergelijke verplichtingen, vooral de verplichting dat de goederen ter beschikking van de autoriteiten worden gehouden, rusten op de houder van de goederen, die in artikel 184 van de uitvoeringsverordening wordt bepaald aan de hand van een objectief criterium: dat van het lossen van de goederen. Er is dus geen gelijktijdige en solidaire, maar een opeenvolgende betalingsverplichting, zodat de persoon die de goederen moet aanbrengen bij de douane en de summiere aangifte moet invullen en ondertekenen, tot betaling gehouden is tot op het moment dat de goederen worden gelost. Vanaf dit laatste tijdstip wordt de persoon die met de verplaatsing en bewaring ervan belast is, de schuldenaar.
27. Gelet op de reeds besproken doelstelling van de bepaling, is de beslissende factor het houden van de goederen, en dus het feitelijke gezag: de persoon die de goederen in zijn bezit heeft, en bijgevolg garant staat voor de integriteit ervan, moet de douaneschulden voldoen wanneer de goederen in die periode aan het douanetoezicht worden onttrokken. Uit artikel 51, lid 2, van het douanewetboek blijkt dan ook dat het aanbeveling verdient om gedurende het tijdelijke houderschap een zekerheid te eisen teneinde de betaling van de rechten te waarborgen voor het geval dat de controle van de goederen niet kan worden uitgevoerd.
28. Artikel 213 van het douanewetboek bepaalt dat, indien er voor eenzelfde douaneschuld verscheidene schuldenaren zijn, zij hoofdelijk tot betaling van deze schuld zijn gehouden. Deze bepaling gaat evenwel uit van de vooronderstelling dat de verplichting rust op verscheidene personen(11), hetgeen in casu niet het geval is. Zoals ik reeds heb laten doorschemeren, sluit artikel 184 van de uitvoeringsverordening immers de mogelijkheid van samenloop uit door, met de verwijzing naar het lossen van de goederen, te voorzien in een opvolging van de aansprakelijkheid in de tijd.
29. Zoals de Belgische regering benadrukt, zijn de persoon die de aangifte heeft ingediend of de in artikel 44, lid 2, bedoelde personen gehouden, de goederen een douanebestemming te bezorgen en de kosten te dragen die voortvloeien uit de maatregelen die door de douaneautoriteiten worden genomen om de situatie van de goederen te regulariseren (artikel 187 van de uitvoeringsverordening, juncto artikel 53 van het douanewetboek). Deze bepalingen staan evenwel los van artikel 203, lid 3, laatste streepje, eerste zinsdeel, van het douanewetboek, dat verwijst naar de aan de opslag zelf verbonden taken, in het bijzonder het plaatsen van de goederen onder toezicht van het douanekantoor. Met andere woorden, de laatste bepaling is een regel ter bepaling van de schuldenaar van de douaneschuld wanneer de controles niet werden uitgevoerd, en zij stelt – onder meer – de persoon aansprakelijk op wie de verplichtingen rusten die voortvloeien uit de tijdelijke opslag van de goederen. Daarentegen ziet het reeds aangehaalde artikel 187 op een andere situatie, waarin de goederen naar de bestemming ervan dienen te worden geleid opdat zij het douanecircuit verlaten nadat de vereiste formaliteiten zijn vervuld.
30. Derhalve zijn de in de vragen 1 en 2 bedoelde personen niet solidair, maar achtereenvolgens tot betaling gehouden, zodat de in de eerste vraag bedoelde personen deze verplichting slechts hebben tot op het moment dat de goederen na het lossen ervan worden afgegeven aan de in de tweede vraag bedoelde personen, die vanaf dat ogenblik als enigen tot betaling zijn gehouden overeenkomstig artikel 203, lid 3, laatste streepje, eerste zinsdeel, van het douanewetboek.
VI – Conclusie
31. Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vragen van het Hof van Beroep te Antwerpen te beantwoorden als volgt:
„1) Wanneer artikel 203, lid 3, laatste streepje, van het communautair douanewetboek, dat is vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992, verwijst naar „de persoon die de verplichtingen welke voortvloeien uit de tijdelijke opslag, dient na te komen”, doelt het op de volgende persoon:
– indien de goederen blijven op het vervoermiddel waarmee zij het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengekomen: a) de persoon die de goederen het douanegebied van de Gemeenschap heeft binnengebracht, b) de persoon die zich na dit binnenbrengen, doch voor het aanbrengen van de goederen belast met het vervoer ervan, of c) de persoon in wiens naam de twee voorgaande personen hebben gehandeld;
– indien de goederen zijn gelost: de persoon die de goederen onder zich heeft om deze te verplaatsen of op te slaan.
2) De twee hiervoor genoemde groepen zijn niet gelijktijdig en solidair, maar achtereenvolgens tot betaling gehouden, zodat de personen van de eerste groep deze verplichting slechts hebben tot op het moment dat de goederen na het lossen ervan worden afgegeven aan de personen van de tweede groep, die vanaf dat ogenblik als enigen tot betaling zijn gehouden overeenkomstig artikel 203, lid 3, laatste streepje, eerste zinsdeel, van het douanewetboek.”
1 – Oorspronkelijke taal: Spaans.
2 – Vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 (PB L 302, blz. 1).
3 – Unamar betwist ten stelligste dat zij deze aangifte heeft bijgevoegd. Dit is als feit vastgesteld in het verwijzingsarrest. In haar opmerkingen voert Unamar aan dat het document werd ondertekend en ingediend door de vertegenwoordiger van Hamburg Süd.
4 – Volgens de communautaire rechtspraak dient dit begrip aldus te worden opgevat dat het elk handelen of nalaten omvat dat tot gevolg heeft dat de bevoegde douaneautoriteiten, al is het maar tijdelijk, de toegang wordt belemmerd tot de goederen en wordt belet de in artikel 37, lid 1, van het douanewetboek bedoelde controles uit te voeren [arresten van 1 februari 2001, D. Wandel (C‑66/99, Jurispr. blz. I‑873), punt 47; 11 juli 2002, Liberexim (C‑371/99, Jurispr. blz. I‑6227), punt 55; 12 februari 2004, Hamann International (C‑337/01), punt 31; 29 april 2004, British American Tobacco (C‑222/01), punt 47, en 20 januari 2005, Honeywell Aerospace (C‑300/03), punt 19; deze laatste drie arresten nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie].
5 – In het arrest van 23 september 2004, Spedition Ulustrans (C‑414/02, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), heeft het Hof in punt 39 verklaard dat het communautair douanewetboek de voorwaarden ter bepaling van de schuldenaren van de douaneschuld volledig heeft vastgesteld. In de rechtsleer wordt gesteld dat de gemeenschapswetgever, met een lovenswaardige praktische instelling, heeft afgezien van de definiëring van het belastbaar feit en van de belastingplichtige en zich ertoe heeft beperkt, op casuïstische wijze aan te geven welke elementen het ontstaan van de belasting en de schuldenaren ervan bepalen (zie Pelechá Zozaya, F., El Código aduanero comunitario y su aplicación en España, uitgeverij Marcial Pons, Madrid 1995, blz. 49).
6 – Cursivering van mij.
7 – Verordening van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van het communautair douanewetboek (PB L 253, blz.1).
8 – Deze keuze blijkt bovendien de juiste te zijn, aangezien de betrokken goederen niet op onrechtmatige wijze het communautaire grondgebied zijn binnengekomen, maar volgens de in de artikelen 38 tot en met 41 van het douanewetboek vastgestelde regels; het is pas na de opslag ervan in afwachting van een douanebestemming dat de controle werd ontweken.
9 – De goederen die zijn ingevoerd uit landen of gebieden buiten de Europese Unie en die in het vrije verkeer worden gebracht, verkrijgen daardoor de status van communautaire goederen. Dit brengt de toepassing van de wettelijk verschuldigde douanerechten met zich mee (artikelen 79 en 201, lid 1, van het douanewetboek). Het is evenwel mogelijk dat de goederen onder de regeling van extern douanevervoer, van opslag, van actieve veredeling of van tijdelijke invoer blijven. In deze situaties zijn in beginsel geen rechten verschuldigd (artikelen 91, 98, 114 en 137).
10 – Overeenkomstig artikel 37 van het douanewetboek blijven de in de Gemeenschap binnengebrachte goederen aan toezicht onderworpen en kunnen zij door de douaneautoriteiten worden gecontroleerd. Deze situatie duurt zolang dit nodig is om de douanestatus ervan te bepalen.
11 – In het kader van de in casu uit te leggen zin zijn enerzijds de invoerder, de transporteur en de persoon in wiens naam zij handelen, of anderzijds de houders van de goederen solidair aansprakelijk al naar gelang de goederen zijn gelost van het schip of niet.
Full & Egal Universal Law Academy