CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
F. G. JACOBS
van 30 juni 2005 1(1)
Zaak C‑201/04
Belgische Staat
tegen
Molenbergnatie NV
1. In dit verzoek om een prejudiciële beslissing stelt het Hof van Beroep te Antwerpen een aantal vragen over de uitlegging van artikel 221 van het communautair douanewetboek.(2)
2. Het hoofdgeding betreft de invordering van een aantal douaneschulden die tussen 1992 en 1994 ontstonden, doch waarvan hetzij de verantwoordelijke douane-expediteur, hetzij de douaneautoriteiten geen kennis hadden tot in 1995, toen duidelijk werd dat de betrokken goederen eigenlijk niet voor invoer tegen het nultarief in aanmerking kwamen. De douane-expediteur voert aan dat − minstens wat sommige van deze schulden betreft − het bedrag van de douaneschuld te laat ter kennis is gebracht en/of een aantal procedurevoorschriften niet in acht zijn genomen, zodat invordering onmogelijk is.
3. De verwijzende rechter vraagt derhalve met betrekking tot deze argumenten in wezen het volgende:
– Moet de kennisgeving worden verricht ná de boeking van het bedrag of mag zij eraan voorafgaan?
– Indien de kennisgeving aan de schuldenaar is verricht na het verstrijken van de voorgeschreven termijn van drie jaar, is de schuld dan tenietgegaan of is zij alleen niet langer invorderbaar?
– Moet een lidstaat bepalen op welke wijze de kennisgeving dient te worden verricht? Als dit niet het geval is, welke criteria moeten dan worden in acht genomen?
4. Een prealabel probleem, dat eveneens door de verwijzende rechter ter sprake is gebracht, betreft de toepasselijkheid ratione temporis van het douanewetboek. Sommige douaneschulden ontstonden vόόr 1 januari 1994, de datum waarop het douanewetboek van toepassing is geworden, hoewel de invordering pas na die datum is aangevat.
De communautaire douaneregeling
5. Zowel de huidige regeling als die welke zij heeft vervangen, bevatten bepalingen betreffende de navordering van een douaneschuld, dat wil zeggen de inning van rechten nadat de invoer of de uitvoer die ertoe aanleiding heeft gegeven, reeds zijn vrijgegeven.
Het douanewetboek
6. Het douanewetboek is in 1992 vastgesteld om de bepalingen die tot dan over een groot aantal verordeningen en richtlijnen waren verspreid, samen te brengen in één enkele regeling, die eenvoudiger, vollediger en consistenter is. Overeenkomstig artikel 253 is het van toepassing sinds 1 januari 1994.
7. Hoofdstuk 3 (artikelen 217 tot en met 232) van titel VII heeft als opschrift „Invordering van het bedrag van de douaneschuld”. Afdeling 1 (artikelen 217 tot en met 221) van dat hoofdstuk regelt de „Boeking en mededeling van het bedrag van de rechten aan de schuldenaar”.
8. Artikel 217, lid 1, bepaalt: „Elk bedrag aan rechten bij invoer of aan rechten bij uitvoer dat voortvloeit uit een douaneschuld, hierna ,bedrag aan rechten’ genoemd, dient door de douaneautoriteiten te worden berekend zodra deze over de nodige gegevens beschikken en dient door deze autoriteiten in de boekhouding of op iedere andere drager die als zodanig dienst doet, te worden geregistreerd (boeking).”
9. De artikelen 218 en 219 betreffen de termijnen voor de boeking.
10. Artikel 220 regelt de gevallen waarin een (correcte) boeking vertraging heeft opgelopen. Artikel 220, lid 1, bepaalt: „Indien het bedrag aan rechten dat voortvloeit uit een douaneschuld, niet is geboekt overeenkomstig de artikelen 218 en 219 of wanneer een lager bedrag is geboekt dan het wettelijk verschuldigde bedrag, dient de boeking van het in te vorderen of aanvullend in te vorderen bedrag aan rechten te geschieden binnen een termijn van twee dagen te rekenen vanaf de datum waarop de douaneautoriteiten deze situatie hebben vastgesteld en het wettelijk verschuldigde bedrag kunnen berekenen en zij de schuldenaar kunnen aanwijzen (boeking achteraf). [...]”
11. In de ten tijde van de feiten geldende versie(3), luidde artikel 221, leden 1 en 3, als volgt:
„1. Het bedrag van de rechten dient onmiddellijk na de boeking op een daartoe geëigende wijze aan de schuldenaar te worden medegedeeld.
[...]
3. De mededeling aan de schuldenaar mag niet meer geschieden na het verstrijken van een termijn van drie jaren te rekenen vanaf de datum waarop de douaneschuld is ontstaan. Wanneer de douaneautoriteiten evenwel ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet in staat waren het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten vast te stellen, mag de vorenbedoelde mededeling, voorzover de geldende bepalingen daarin voorzien, nog na het verstrijken van de genoemde termijn van drie jaar worden gedaan.”
De vorige regeling
12. Vόόr het douanewetboek van toepassing werd, bevatten de verordeningen (EEG) nr. 1697/79(4) en nr. 1854/89(5) van de Raad, die beide bij artikel 251, lid 1, van het douanewetboek zijn ingetrokken met ingang van 1 januari 1994, soortgelijke regels.
Verordening nr. 1697/79
13. Zoals in artikel 1, lid 1, was bepaald, waren in deze verordening de voorwaarden vastgesteld waaronder de bevoegde autoriteiten zouden overgaan tot navordering van rechten bij invoer of bij uitvoer die om ongeacht welke reden niet van de belastingschuldige waren opgeëist voor goederen waarvoor een aangifte voor een douaneregeling was gedaan waaruit de verplichting tot betaling van die rechten voortvloeide.
14. Volgens artikel 1, lid 2, sub c, werd in deze verordening onder „boeking” verstaan: „de administratieve handeling waardoor het door de bevoegde autoriteiten aan rechten bij invoer of bij uitvoer te heffen bedrag naar behoren wordt vastgesteld”.
15. Artikel 2 bepaalde:
„1. Wanneer de bevoegde autoriteiten constateren dat het gehele of gedeeltelijke bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat wettelijk verschuldigd is voor een goed dat is aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, niet van de belastingschuldige is opgeëist, leiden zij een procedure in tot navordering van de niet-geheven rechten.
Deze procedure kan echter niet meer worden ingeleid na een termijn van drie jaar vanaf de dag waarop het oorspronkelijk van de belastingschuldige opgeëiste bedrag is geboekt, of, indien geen boeking heeft plaatsgevonden, vanaf de dag waarop de douaneschuld ter zake van het betrokken goed is ontstaan.
2. De procedure tot navordering in de zin van lid 1 wordt ingeleid door kennisgeving aan de betrokkene van het bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat hij verschuldigd is.”
Verordening nr. 1854/89
16. Volgens artikel 1, lid 1, betrof deze verordening „de boeking en de betalingsvoorwaarden voor de bedragen aan rechten bij in‑ of bij uitvoer die moeten worden voldaan uit hoofde van een douaneschuld”.
17. In artikel 1, lid 2, sub c, werd „boeking” omschreven als „de inschrijving in de boeken of met gebruikmaking van enige andere drager door de douaneautoriteit van het bedrag aan rechten bij invoer of bij uitvoer dat overeenkomt met een douaneschuld”.
18. Artikel 2, lid 1, bepaalde: „Elk bedrag aan rechten bij in‑ of bij uitvoer dat voortvloeit uit een douaneschuld, hierna ‚bedrag aan rechten’ genoemd, dient door de douaneautoriteit te worden berekend zodra de nodige gegevens beschikbaar zijn, en door genoemde autoriteit te worden geboekt.”
19. De bepalingen van de artikelen 3 en 4 waren grotendeels dezelfde als die van de artikelen 218 en 219 van het douanewetboek.
20. Artikel 5 luidde als volgt: „Wanneer het uit een douaneschuld voortvloeiende bedrag aan rechten niet overeenkomstig de artikelen 3 en 4 is geboekt, of een lager bedrag is geboekt dan het wettelijk verschuldigde bedrag, dient het te innen of na te vorderen bedrag aan rechten te worden geboekt binnen een termijn van twee dagen te rekenen vanaf de datum waarop de douaneautoriteit deze situatie heeft geconstateerd en in staat is het wettelijk verschuldigde bedrag te berekenen en te bepalen welke persoon tot betaling van dat bedrag gehouden is. [...]”
21. Artikel 6, lid 1, bepaalde: „Onmiddellijk na de boeking dient het bedrag van de rechten op de voorgeschreven wijze aan de tot betaling gehouden persoon te worden medegedeeld.”
De feiten en het procesverloop
22. Op een aantal tijdstippen tussen 9 april 1992 en 23 juni 1994 heeft Molenbergnatie NV (hierna: „Molenbergnatie”) als douane-expediteur in opdracht en voor rekening van een andere onderneming videocassettes vanuit Macau in België voor invoer aangegeven.
23. Elke invoer was gedekt door een door de bevoegde autoriteiten in Macau afgeleverd „certificaat van oorsprong Form A”, zodat daarover geen rechten verschuldigd waren overeenkomstig het stelsel van algemene tariefpreferenties voor goederen die afkomstig zijn uit ontwikkelingslanden.
24. In maart 1992 bleek evenwel uit een door een missie van de Gemeenschap in Macau verricht onderzoek dat de betrokken cassettes niet voldeden aan de criteria van oorsprong om voor deze regeling in aanmerking te komen.
25. Bijgevolg bracht het Comité oorsprong van goederen(6), zij het pas op 10 augustus 1994, de lidstaten ter kennis dat het preferentiële tarief niet mocht worden toegepast op deze goederen, zodat daarover zowel rechten bij invoer als antidumpingrechten moesten worden geheven, aangezien zij uit China afkomstig waren.
26. Op 27 februari 1995 brachten de Belgische douaneautoriteiten Molenbergnatie bij aangetekend schrijven van deze situatie op de hoogte, waarbij zij niet aan het douanewetboek refereerden, maar de verschuldigde bedragen aan invoer‑ en antidumpingrechten, in totaal respectievelijk 712 228 BEF en 7 451 403 BEF, preciseerden.
27. België stelt in zijn opmerkingen dat de bedragen werden geboekt op 7 maart 1995. Molenbergnatie stelt in haar opmerkingen dat de datum van de boeking niet kan worden geverifieerd omdat de Belgische autoriteiten weigeren een boekingsstuk over te leggen.
28. Op 29 september 1995 hebben de douaneautoriteiten Molenbergnatie een invorderingsbrief gezonden voor deze bedragen(7), waarbij uitdrukkelijk is verklaard dat deze vordering geschiedt overeenkomstig artikel 220, lid 1, van het douanewetboek.
29. Molenbergnatie is tegen deze vordering opgekomen, en de zaak is nu aanhangig bij het Hof van Beroep, dat verzoekt om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Zijn de artikelen 217 tot en met 232 van het communautair douanewetboek [...] van toepassing op de invordering van een douaneschuld die is ontstaan vóór 1 januari 1994 doch waarvan de invordering niet is aangevat of opgestart vóór 1 januari 1994?
2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet dan de in artikel 221 van het communautair douanewetboek voorgeschreven mededeling steeds geschieden na de boeking van het bedrag van rechten, of, met andere woorden, moet dan de in artikel 221 van het communautair douanewetboek voorgeschreven mededeling steeds door de boeking van het bedrag van de rechten worden voorafgegaan?
3) Leidt een laattijdige mededeling van het bedrag van de rechten aan de schuldenaar, zijnde een mededeling die wordt verricht na het verstrijken van de in de oorspronkelijke versie van het artikel 221, lid 3, van het communautair douanewetboek [...] gestipuleerde driejarige termijn terwijl de douaneautoriteiten wel degelijk in staat waren het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten vast te stellen binnen diezelfde driejarige termijn, tot de onmogelijkheid om de invordering van de desbetreffende douaneschuld verder te zetten dan wel tot het tenietgaan van de desbetreffende douaneschuld of tot enig ander rechtsgevolg?
4) Dienen de lidstaten de wijze te bepalen waarop de in artikel 211 van het communautair douanewetboek voorgeschreven mededeling van het bedrag van de rechten aan de schuldenaar dient te geschieden? Indien de voorgaande vraag bevestigend wordt beantwoord, kan de lidstaat die heeft nagelaten om [de wijze] te bepalen waarop de in artikel 221 van het communautair douanewetboek voorgeschreven mededeling van het bedrag van de rechten aan de schuldenaar dient te geschieden, voorhouden dat om het even welk document waarin het bedrag van de rechten is vermeld en dat (na de boeking) aan de schuldenaar wordt ter kennis gebracht, zou gelden als de in artikel 221 van het communautair douanewetboek voorgeschreven mededeling van het bedrag van de rechten aan de schuldenaar, zelfs indien het voormelde document op geen enkele manier verwijst naar het artikel 221 van het communautair douanewetboek of vermeldt dat het een mededeling van het bedrag van de rechten aan de schuldenaar betreft?”
30. Molenbergnatie, België en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Er werd niet om een terechtzitting verzocht, en er werd ook geen gehouden.
Vraag 1: Toepasselijkheid van de artikelen 217 tot en met 232 van het douanewetboek
31. Het is duidelijk dat alleen de bepalingen van het douanewetboek van toepassing kunnen zijn op de invordering van douaneschulden die na 1 januari 1994 zijn ontstaan.
32. Voor de eerste zes schulden, die zijn ontstaan vóór 1 januari 1994, rijst evenwel de vraag of de invordering ervan, die pas na die datum is aangevat, onder de toepassing van de vorige regeling of van het douanewetboek valt.
33. Voor het onderzoek daarvan moet worden uitgegaan van het door het Hof stelselmatig gevolgde beginsel dat procedureregels in de regel gelden voor alle bij de inwerkingtreding ervan aanhangige gedingen, terwijl de materiële regels doorgaans niet gelden voor rechtsposities die vóór de inwerkingtreding ervan zijn verworven.(8)
34. België betoogt dat de artikelen 217 tot en met 232 van het douanewetboek alleen materiële regels bevatten, die dus niet gelden voor douaneschulden betreffende importen vóór 1 januari 1994.
35. Molenbergnatie en de Commissie verwijzen evenwel naar het arrest Salumi(9) en zijn van mening dat de desbetreffende artikelen „een aantal onlosmakelijk verbonden processuele en materiële regelen [bevatten] welker bijzondere voorschriften, wat de er ratione temporis aan verbonden gevolgen betreft, niet op zichzelf mogen worden beschouwd”.(10) Volgens deze rechtspraak kunnen dergelijke artikelen niet aldus worden toegepast dat zij gelden voor situaties die reeds bestonden vόόr de inwerkingtreding ervan, tenzij er voldoende duidelijke aanwijzingen bestaan dat zij terugwerkende kracht beoogden te hebben(11), en in de betrokken bepalingen of elders in het douanewetboek zijn er geen dergelijke aanwijzingen.
36. Beide benaderingen leiden derhalve tot de conclusie dat de artikelen 217 tot en met 232 van het douanewetboek niet gelden voor situaties die bestonden vóór 1 januari 1994.
37. Partijen verschillen evenwel van mening met betrekking tot het tijdstip waarop de relevante situatie is ontstaan.
38. België en de Commissie stellen zich op het standpunt dat de „situatie” in het leven is geroepen op het tijdstip dat de douaneschuld bij invoer is ontstaan (in zes gevallen vóór 1 januari 1994). Volgens Molenbergnatie is de „situatie” de procedure tot invordering, die is begonnen op het tijdstip dat het bedrag van de rechten werd geboekt (in alle gevallen ná 1 januari 1994).
39. Ik ben het niet eens met de stelling van België dat al de betrokken regels tot het materiële recht behoren, en ik verschil van mening met Molenbergnatie en de Commissie over de toepasselijkheid van de Salumi-benadering op de onderhavige zaak.
40. Eerst en vooral lijken de regels van de artikelen 217 tot en met 232 van het douanewetboek mij overwegend en vrij duidelijk van procedurele aard te zijn. Slechts enkele van deze regels hebben betrekking op materiële rechten en plichten, en − op dit punt ben ik het ook met de Commissie oneens − geen daarvan is te vinden in artikel 221, waarover de overige vragen van de verwijzende rechter gaan. (Weliswaar zou, indien op de derde vraag wordt geantwoord dat de schuld is tenietgegaan, dit een materiële regel zijn, maar naar mijn mening is dit niet het geval, zie punt 73 e.v. hieronder).
41. Alleen al deze omstandigheid zou als een voldoende reden kunnen worden beschouwd om het normale beginsel te volgen en de procedureregels van de vorige regeling niet op de onderhavige zaak toe te passen.
42. Ik ben evenwel ook van mening dat de Salumi-benadering, volgens welke in geval van een gemengd geheel van materiële en procedureregels alle regels als behorend tot het materiële recht moeten worden aangemerkt, in de onderhavige zaak niet geschikt is.
43. In de eerste plaats ben ik van mening dat die methode in de regel omzichtig moet worden gebruikt. Wanneer zij te ruim wordt toegepast, ontstaat het risico van uitholling van het fundamentele beginsel dat nieuwe procedureregels op aanhangige gedingen worden toegepast, maar nieuwe materiële regels niet worden toegepast op bestaande situaties. Heel wat maatregelen bevatten zowel materiële als procedureregels, maar slechts wanneer beide onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, is de Salumi-benadering geschikt.
44. Om te bepalen of dat het geval is, volstaat het niet, deze combinatie van regels op zich te beschouwen; zij moeten ook worden vergeleken met de vorige regeling alvorens kan worden uitgemaakt of de procedurele elementen afzonderlijk kunnen worden toegepast op geschillen die onder deze regeling zijn ontstaan.
45. In dit verband verschilt de overgang van de vorige gemeenschapsregeling naar het douanewetboek mijns inziens van de eerdere overgang van een disparate verzameling van nationale regels naar een uniforme gemeenschapsregeling, die in de zaak Salumi aan de orde was.
46. De geschillen die aanhangig waren op het tijdstip dat verordening nr. 1697/79 in werking is getreden, werden geregeld door diverse nationale regels inzake navordering, in het bijzonder met betrekking tot de verplichting om tot invordering over te gaan en met betrekking tot de invorderingstermijnen; zelfs de regels betreffende het ontstaan van een douaneschuld waren nog niet geharmoniseerd.(12) Zoals het Hof in punt 14 van zijn arrest Salumi heeft overwogen, zou de toepassing van de nieuwe gemeenschapsregels op dergelijke gedingen – afhankelijk van de verschillen tussen de nationale praktijken met betrekking tot het aanhangig maken van gedingen – tot ongerechtvaardigde verschillen in behandeling van in vergelijkbare omstandigheden verrichte transacties kunnen leiden, wat in strijd zou zijn met het gelijkheids‑ en het billijkheidsbeginsel.
47. Dit is helemaal niet het geval in de onderhavige context waar de regeling en de procedures van vóór 1994 binnen de hele Gemeenschap uniform waren, en thans grotendeels in het douanewetboek zijn geconsolideerd. In die omstandigheden is het mijns inziens niet noodzakelijk af te wijken van het meer fundamentele beginsel door de artikelen 217 tot en met een 232 van het douanewetboek te beschouwen als een ondeelbaar geheel waarvan de procedurele elementen niet kunnen worden toegepast op gedingen die aanhangig waren op het tijdstip van de inwerkingtreding ervan. Zelfs inzoverre die elementen verschillen van de voordien geldende procedureregels, levert de toepassing ex nunc ervan geen conflict op, aangezien zij binnen een geharmoniseerd en grotendeels ongewijzigd kader gelden. Er zij nogmaals op gewezen dat de betrokken bepalingen die van artikel 221 zijn, welke louter procedureel zijn.
48. Indien de Salumi-benadering hier zou worden gevolgd, zou dat bovendien enkele problematische en verrassende gevolgen hebben.
49. Het zou bijvoorbeeld inhouden dat 16 van de 253 artikelen van het douanewetboek als een afzonderlijk onlosmakelijk geheel moeten worden beschouwd, hoewel zij twee van de vijf hoofdstukken van de titel over de douaneschuld vormen, die zelf een duidelijk coherente eenheid vormt binnen een wetboek dat op specifieke wijze als een juridisch geheel is opgesteld. Een dergelijke afsplitsing lijkt eenvoudig noch wenselijk.
50. Het zou eveneens betekenen dat − in de onderhavige zaak, maar ook in elke andere zaak die met betrekking tot de betrokken regeling waarschijnlijk nog kan ontstaan − de procedurele bepalingen van een ingetrokken maatregel terug tot leven worden gewekt teneinde ze toe te passen op gedingen die op het tijdstip van de intrekking ervan nog niet aanhangig waren alsook op een situatie waarvan men het bestaan toen nog niet kende. Een dergelijk gevolg wordt zeker niet beoogd door de eisen inzake rechtszekerheid en legitieme verwachtingen, en kan zelfs worden geacht daarmee in strijd te zijn. Indien in de regel nieuwe procedureregels van toepassing zijn op aanhangige gedingen, dan moet dat a fortiori het geval zijn voor gedingen die nog moeten worden ingeleid.
51. Tot slot wil ik erop wijzen dat het Hof in de zaak Nederland/Commissie(13) een aantal bepalingen van het douanewetboek − met inbegrip van artikel 221, dat in de onderhavige zaak aan de orde is − samen met de overeenkomstige bepalingen in de vorige regelingen in aanmerking heeft genomen. Door duidelijk aan te geven dat de procedureregels dienden te worden toegepast op gedingen die op 1 januari 1994 aanhangig waren, doch dat de materiële regels niet met terugwerkende kracht konden worden toegepast, heeft het Hof niet de Salumi-benadering gevolgd, maar elke regel afzonderlijk beschouwd. Hoewel in het arrest geen reden wordt gegeven voor die benadering, is het goed mogelijk dat overwegingen als die welke ik hierboven heb geformuleerd, een rol hebben gespeeld.
52. Derhalve ben ik van mening dat de eerste vraag van de verwijzende rechter aldus moet worden beantwoord dat de procedureregels van de artikelen 217 tot en met 232 van het communautair douanewetboek van toepassing zijn op de invordering van een douaneschuld die vóór 1 januari 1994 is ontstaan; materiële regels zijn niet van toepassing op situaties die reeds bestonden vóór de inwerkingtreding ervan.
53. Aangezien de regels die in de overige vragen aan de orde zijn, althans bij nader onderzoek, alle procedureregels zijn, moet artikel 221 van het douanewetboek worden toegepast. Niettemin zal ik bij de behandeling van die vragen zowel deze bepaling als de vorige regeling in aanmerking nemen.
Vraag 2: De chronologische volgorde van de boeking en de kennisgeving aan de schuldenaar
54. De tweede vraag van de verwijzende rechter betreft een kwestie van tijdstip.
55. In elk geval dient, zowel volgens de vorige als volgens de huidige regeling, wanneer blijkt dat een douaneschuld is ontstaan maar nog niet is geboekt, deze boeking te geschieden binnen een termijn van twee dagen te rekenen vanaf de datum waarop de douaneautoriteiten het bedrag en de schuldenaar hebben kunnen vaststellen(14), en dit bedrag onmiddellijk aan de schuldenaar ter kennis te worden gebracht.(15) Deze kennisgeving kan evenwel niet meer geldig worden verricht na drie jaar vanaf de datum waarop de douaneschuld is ontstaan(16); eerder bedroeg die termijn volgens verordening nr. 1697/79 drie jaar vanaf de dag waarop het bedrag was „geboekt”.(17)
56. De eerste invoer heeft plaatsgevonden op 9 april 1992. Binnen een termijn van drie jaar vanaf die datum, op 27 februari 1995, hebben de douaneautoriteiten Molenbergnatie ervan op de hoogte gebracht dat rechten waren verschuldigd. Volgens de Belgische regering hebben zij het bedrag op 7 maart 1995, nog steeds binnen de termijn van drie jaar, geboekt. Zij hebben dan op 29 september 1995, ná het verstrijken van de termijn van drie jaar vanaf de eerste invoer, maar binnen drie jaar vanaf de datum van de overige invoer, een invorderingsbrief gezonden.
Verordening nr. 1697/79
57. Volgens de Commissie moet de vraag in de context van verordening nr. 1697/79 worden beantwoord, en zij verwijst naar het oordeel van het Hof in de zaak Antero(18): „De uitdrukking ‚boeking’ in de artikelen 1, lid 2, sub c, en 2, lid 1, tweede alinea, van [verordening nr. 1697/79] duidt op de administratieve handeling waarbij het door de bevoegde autoriteiten aan rechten bij invoer of bij uitvoer te heffen bedrag naar behoren wordt vastgesteld, en niet [op] de inschrijving door de douaneautoriteit van dat bedrag in het boekhoudkundig register of op ieder ander daartoe dienend middel. Die inschrijving is geen voorwaarde die noodzakelijkerwijs vervuld moet zijn voordat tot navordering wordt overgegaan.”
58. Hieraan moet worden toegevoegd dat in de zaak William Hinton & Sons(19), die in de hierboven genoemde beschikking wordt aangehaald, het Hof zich op het standpunt heeft gesteld dat in dit verband de boeking een administratieve handeling is, die niet noodzakelijk bestaat in de inschrijving in de boeken, doch die aan de kennisgeving en de navordering voorafgaat, aangezien zij moet worden geacht te zijn verricht uiterlijk op de dag waarop dat bedrag aan de belastingschuldige wordt meegedeeld.
59. Of de kennisgeving dus bij brief van 27 februari 1995 dan wel bij brief van 29 september 1995 is verricht, de boeking voor de toepassing van verordening nr. 1697/79 moet worden geacht hieraan te zijn voorafgegaan.
60. Het punt waarover de verwijzende rechter dient te beslissen, kan evenwel eenvoudiger worden benaderd, indien verordening nr. 1697/79 inderdaad van toepassing is, en indien, zoals de Belgische regering in haar opmerkingen stelt, het bedrag van de schuld daadwerkelijk op 7 maart 1995 in het boekhoudkundig register is ingeschreven.
61. Volgens verordening nr. 1697/79 bedraagt de termijn voor het inleiden van de invordering van de rechten „drie jaar vanaf de dag waarop het oorspronkelijk van de belastingschuldige opgeëiste bedrag is geboekt, of, indien geen boeking heeft plaatsgevonden, vanaf de dag waarop de douaneschuld ter zake van het betrokken goed is ontstaan”.
62. Tegen die achtergrond is het duidelijk dat de brief van 29 september 1995, waarvan de geldigheid door Molenbergnatie niet op andere punten lijkt te worden betwist, werd verzonden ná − en binnen de drie jaar vanaf − de materiële boeking op 7 maart 1995, welke datum zelf, indien hij kan worden aangetoond, binnen de termijn van drie jaar vanaf de data van alle importen valt.
Het douanewetboek
63. De tweede vraag van de verwijzende rechter betreft evenwel specifiek de uitlegging van artikel 221 van het douanewetboek, dat naar mijn mening veeleer dan verordening nr. 1697/97 van toepassing is.
64. In dat geval bedraagt de termijn niet drie jaar vanaf de dag van de boeking, maar drie jaar vanaf de dag waarop de douaneschuld is ontstaan, te weten op de dag van de invoer.(20) Dan rijst de vraag of de brief van 27 februari 1995 een geldige kennisgeving vormt voorzover hij klaarblijkelijk aan de boeking voorafging, terwijl de bepalingen van het douanewetboek boeking vóór mededeling lijken te eisen.
65. De beschikkingen in de zaken Antero en Hinton waren gebaseerd op een begrip „boeking” dat eigen was aan verordening nr. 1697/97, namelijk de administratieve handeling waarbij het te heffen bedrag naar behoren wordt vastgesteld, en die logischerwijs moet worden geacht te zijn verricht vόόr het bedrag wordt medegedeeld.
66. Artikel 217, lid 1, van het douanewetboek definieert ditzelfde begrip evenwel als de handeling waarbij het bedrag aan rechten „door de [douane]autoriteiten in de boekhouding of op iedere andere drager die als zodanig dienst doet, word[t] geregistreerd”, een definitie die duidelijk niet aan verordening nr. 1697/79 is ontleend, maar wel aan verordening nr. 1854/89 – „de inschrijving in de boeken of met gebruikmaking van enige andere drager door de douaneautoriteit”.
67. Derhalve kan niet worden aangenomen dat, voor de toepassing van het douanewetboek, de boeking op enig ander tijdstip plaatsvindt dan dit van de inschrijving op de geschikte drager.
68. Volgens artikel 221, lid 1, van het douanewetboek moet het bedrag aan rechten „onmiddellijk na de boeking” aan de schuldenaar worden medegedeeld. Deze formulering, die wordt bevestigd door andere taalversies, kan onmogelijk verwijzen naar een andere volgorde dan boeking gevolgd door mededeling.
69. Naar mijn mening wordt deze uitlegging niet op losse schroeven gezet door de arresten De Haan(21), aangehaald in Antero, of Covita(22), aangehaald in De Haan, in die zin dat de niet-inachtneming van de in de artikelen 3 en 5 van verordening nr. 1854/89 gestelde termijnen navordering niet onmogelijk maakt, aangezien deze termijnen alleen relevant zijn in de betrekkingen tussen de lidstaten en de Gemeenschap met het oog op het waarborgen van een snelle en uniforme toepassing van deze regels door de douaneautoriteiten.
70. In de eerste plaats betreffen de termijnen waaraan in die zaken wordt gerefereerd, boekingen binnen een welbepaalde periode nadat de autoriteiten het bestaan van de schuld hebben vastgesteld, en niet de kennisgeving aan de schuldenaar binnen een welbepaalde periode na de boeking. In de tweede plaats is artikel 221 van het douanewetboek een nieuwe bepaling met een nieuwe opzet: het legt een rechtstreeks verband tussen de aan verordening nr. 1854/89 ontleende definitie van boeking en de aan verordening nr. 1697/79 ontleende termijn voor kennisgeving aan de schuldenaar. Dit artikel kan niet aldus worden gelezen dat het alleen de betrekkingen tussen de lidstaten en de Gemeenschap regelt.
71. Derhalve ben ik van mening dat op de tweede vraag van de verwijzende rechter moet worden geantwoord dat artikel 221 van het communautair douanewetboek eist dat het bedrag aan rechten wordt geboekt alvorens het aan de schuldenaar wordt medegedeeld.
72. Bijgevolg is in de onderhavige zaak de brief van 27 februari 1995 in alle gevallen verzonden binnen de termijn van drie jaar, maar is hij niet geldig voorafgegaan door een boeking; de brief van 29 september 1995 is met betrekking tot alle importen – behalve de eerste – verzonden binnen de termijn van drie jaar, en is geldig voorafgegaan door een boeking indien de autoriteiten kunnen aantonen dat die boeking inderdaad op 7 maart 1995 heeft plaatsgevonden.
Vraag 3: Rechtsgevolgen van een kennisgeving die is verricht meer dan drie jaar na de datum waarop de douaneschuld is ontstaan
73. Artikel 221, lid 3, van het douanewetboek bepaalt dat de mededeling aan de schuldenaar normalerwijs(23) niet later mag geschieden dan drie jaar vanaf de datum waarop de douaneschuld is ontstaan, in casu bij de invoer. De verwijzende rechter vraagt welke rechtsgevolgen een kennisgeving heeft die na deze termijn is verricht, en meer in het bijzonder of de schuld dan is tenietgegaan dan wel alleen niet langer invorderbaar is.
74. De eerste invoer heeft plaatsgevonden op 9 april 1992. Gelet op de antwoorden die ik voor de eerste twee vragen in overweging geef, kan niet worden aangenomen dat een geldige kennisgeving binnen drie jaar te rekenen vanaf die datum is geschied, hoewel het probleem in de andere gevallen niet rijst, indien de autoriteiten kunnen aantonen dat de boeking op 7 maart 1995 is verricht. Wanneer wordt aangenomen dat verordening nr. 1697/79 van toepassing is, is de in deze verordening gestelde termijn evenwel in elk geval in acht genomen (zie de punten 57‑62 hierboven).
75. Molenbergnatie, België en de Commissie zijn het erover eens dat het verstrijken van de termijn van drie jaar niet tot gevolg heeft dat de schuld tenietgaat, maar wel dat zij niet langer kan worden ingevorderd. Deze analyse is mijns inziens juist.
76. Zoals België opmerkt, ligt dit besloten in het oordeel van het Hof in de zaak SPKR.(24) Voorts heeft het Hof in het arrest Conserchimica(25) de overeenkomstige termijn in verordening nr. 1697/79 als „een vervaltermijn” aangemerkt. Bovendien geven, gelijk in de drie ingediende opmerkingen wordt gesteld, de artikelen 233 en 234 van het douanewetboek een exhaustieve opsomming van de situaties waarin een douaneschuld kan tenietgaan, en het verstrijken van de termijn van artikel 221, lid 3, wordt daarin niet genoemd.
77. Daarbij mag bovendien niet uit het oog worden verloren dat − eveneens volgens artikel 221, lid 3 − de mededeling onder bepaalde omstandigheden ná het verstrijken van de termijn van drie jaar mag worden gedaan, namelijk wanneer de autoriteiten als gevolg van een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet in staat waren het bedrag van de verschuldigde rechten vast te stellen. Daarbij komt dat, volgens de huidige versie van deze bepaling(26), de termijn door het instellen van beroep tegen een beschikking van de douaneautoriteiten wordt geschorst voor de duur van de procedure van het beroep. Het verstrijken van de termijn van drie jaar staat dus niet in alle omstandigheden in de weg aan invordering, hetgeen bevestigt dat de schuld daardoor niet is tenietgegaan.
78. Derhalve moet de derde vraag van de verwijzende rechter aldus worden beantwoord dat, indien het bedrag aan rechten niet binnen de door artikel 221, lid 3, van het communautair douanewetboek gestelde termijn van drie jaar aan de schuldenaar is medegedeeld, de douaneschuld niet is tenietgegaan, doch niet langer kan worden ingevorderd tenzij in de in dit artikel met name genoemde gevallen.
Vraag 4: De vorm van de kennisgeving
79. Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de lidstaten de „geëigende wijze” dienen te bepalen waarop het bedrag aan rechten ter kennis van de schuldenaar moet worden gebracht, en of, indien zij dit niet hebben gedaan, om het even welk document dat aan de schuldenaar is toegestuurd en waarin het bedrag aan rechten is vermeld, als kennisgeving kan gelden, zelfs indien het niet verwijst naar artikel 221 van het communautair douanewetboek of niet vermeldt dat het de kennisgeving van het bedrag van de verschuldigde rechten vormt.
80. Deze vraag is voor het hoofdgeding alleen relevant indien de mededeling binnen de toepasselijke termijn van drie jaar is gedaan en ook in elk ander opzicht geldig is.
81. Ik heb erop gewezen(27) dat indien, zoals ik meen, het douanewetboek van toepassing is, de brief van 27 februari 1995 in alle gevallen binnen de termijn van drie jaar is verzonden, maar dat hij niet geldig is voorafgegaan door een boeking, en dat de brief van 29 september 1995 met betrekking tot alle importen – behalve de eerste – binnen de termijn van drie jaar is verzonden, en geldig is voorafgegaan door een boeking indien de autoriteiten kunnen aantonen dat die boeking inderdaad op 7 maart 1995 heeft plaatsgevonden. Indien evenwel de vroegere regeling van toepassing zou zijn, zijn beide brieven geldig voorafgegaan door een „boeking” in de zin van verordening nr. 1697/79.
82. Artikel 221, lid 1, van het douanewetboek bepaalt dat het bedrag van de rechten „op een daartoe geëigende wijze” aan de schuldenaar moet worden medegedeeld. De bewoordingen van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 1854/89 luiden enigszins anders, maar de verschillen, die variëren naar gelang van de taalversies, lijken hoe dan ook niet essentieel. Artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1697/79 bepaalde dat de procedure tot navordering moest worden ingeleid „door kennisgeving aan de betrokkene van het bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat hij verschuldigd is”.
83. Deze bewoordingen kunnen onmogelijk aldus worden gelezen dat zij voor de lidstaten de verplichting inhouden om een bijzondere vorm of wijze voor de mededeling te bepalen. Ook in het gemeenschapsrecht is geen bijzondere vorm of wijze vastgesteld.
84. Niettemin moet deze wijze volgens het douanewetboek en verordening nr. 1854/89 „geëigend” zijn.
85. Molenbergnatie en de Commissie voeren terecht aan dat, om de rechtszekerheid en de bescherming van legitieme verwachtingen te waarborgen, de schuldenaar in elk geval in staat moet worden gesteld, zich duidelijk te vergewissen van de aard, de motieven en de effecten van de mededeling, alsook van de datum waarop de mededeling deze effecten sorteert. Zoals de Commissie opmerkt, is de inachtneming van die criteria − bij gebreke van specifieke regels ter zake − evenwel een feitenkwestie die door de bevoegde nationale rechterlijke instantie moet worden beoordeeld.
86. Derhalve moet de vierde vraag van de verwijzende rechter aldus worden beantwoord dat de lidstaten niet verplicht zijn, te bepalen in welke vorm het bedrag aan rechten voor de toepassing van artikel 221 van het douanewetboek aan de schuldenaar moet worden medegedeeld, maar dat deze mededeling op zodanige wijze moet worden verricht dat de schuldenaar erdoor in staat wordt gesteld zich duidelijk te vergewissen van de aard, de motieven en de effecten, inzonderheid met betrekking tot het bedrag aan rechten, de gebeurtenis waardoor die rechten zijn ontstaan, en de datum waarop de mededeling effect sorteert.
Conclusie
87. Mitsdien geef ik het Hof in overweging de vragen van het Hof van Beroep te Antwerpen te beantwoorden als volgt:
1) De procedureregels van de artikelen 217 tot en met 232 van het communautair douanewetboek zijn van toepassing op de invordering van een douaneschuld die vóór 1 januari 1994 is ontstaan; materiële regels zijn niet van toepassing op situaties die reeds bestonden vόόr de inwerkingtreding ervan.
2) Artikel 221 van het communautair douanewetboek eist dat het bedrag aan rechten wordt geboekt alvorens het aan de schuldenaar wordt medegedeeld.
3) Indien het bedrag aan rechten niet binnen de door artikel 221, lid 3, van het communautair douanewetboek gestelde termijn van drie jaar aan de schuldenaar is medegedeeld, is de douaneschuld niet tenietgegaan, doch kan zij niet langer worden ingevorderd tenzij in de in dit artikel met name genoemde gevallen.
4) De lidstaten zijn niet verplicht, te bepalen in welke vorm het bedrag aan rechten voor de toepassing van artikel 221 van het douanewetboek aan de schuldenaar moet worden medegedeeld. Deze mededeling moet evenwel op zodanige wijze worden verricht dat de schuldenaar erdoor in staat wordt gesteld, zich duidelijk te vergewissen van de aard, de motieven en de effecten, inzonderheid met betrekking tot het bedrag aan rechten, de gebeurtenis waardoor die rechten zijn ontstaan, en de datum waarop de mededeling effect sorteert.
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1).
3 – Lid 3 is na het voor de onderhavige zaak relevante tijdstip door de nieuwe leden 3 en 4 vervangen bij verordening (EG) nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000 (PB L 311, blz. 17).
4 – Verordening van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide (PB L 197, blz. 1).
5 – Verordening van 14 juni 1989 betreffende de boeking en de betalingsvoorwaarden voor uit hoofde van een douaneschuld te vereffenen bedragen aan rechten bij in- of bij uitvoer (PB L 186, blz. 1).
6 – Ingesteld bij artikel 12 van verordening (EEG) nr. 802/68 van de Raad van 27 juni 1968 betreffende de gemeenschappelijke definitie van het begrip „oorsprong van goederen” (PB L 148, blz. 1).
7 – Met een geringe aanpassing naar boven tot 712 243 BEF, wat het recht bij invoer betreft.
8 – Zie voor een recent voorbeeld arrest van 1 juli 2004, Tsapalos en Diamantakis (C-361/02 en C‑362/02, Jurispr. blz. I-0000, punt 19, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
9 – Arrest van 12 november 1981, Salumi e.a. (212/80–217/80, Jurispr. blz. 2735, punten 6‑12); zie ook arrest van 6 november 1997, Conserchimica (C-261/96, Jurispr. blz. I-6177, punten 14‑22). Beide arresten betroffen verordening nr. 1697/79.
10 – Arrest Salumi, punt 11.
11 – Ibidem, punt 12.
12 – Dit geschiedde bij richtlijn 79/623/EEG van de Raad van 25 juni 1979 inzake de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen op het gebied van de douaneschuld (PB L 179, blz. 31), die uiterlijk op 1 januari 1982 moest zijn geïmplementeerd.
13 – Arrest van 13 maart 2003 (C-156/00, Jurispr. blz. I-2527; zie in het bijzonder punten 35, 36 en 62‑67).
14 – Artikel 220, lid 1, van het douanewetboek; artikel 5 van verordening nr. 1854/89.
15 – Artikel 221, lid 1, van het douanewetboek; artikel 6, lid 1, van verordening nr. 1854/89.
16 – Artikel 221, lid 3, van het douanewetboek.
17 – Artikel 2, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 1697/79.
18 – Beschikking van 8 juli 2002, C-203/01, niet gepubliceerd in de Jurispr.; zie PB 2002, C 274, blz. 16.
19 – Beschikking van 11 oktober 2001 (C-30/00, Jurispr. blz. I-7511, punten 45 en 46).
20 – Meer bepaald het tijdstip waarop de douaneaangifte wordt aanvaard (zie artikel 201, lid 2, van het douanewetboek).
21 – Arrest van 7 september 1999 (C-61/98, Jurispr. blz. I-5003, punt 34).
22 – Arrest van 26 november 1998 (C-370/96, Jurispr. blz. I-7711, punten 36 en 37).
23 – Zie punt 77 hieronder.
24 – Arrest van 14 november 2002 (C‑112/01, Jurispr. blz. I-10655, in het bijzonder punten 30‑32).
25 – Aangehaald in voetnoot 9, punt 20.
26 – Zie voetnoot 3.
27 – Zie punt 72.
Full & Egal Universal Law Academy