CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. STIX-HACKL
van 10 mei 2005 1(1)
Zaak C‑247/04
Transport Maatschappij Traffic BV
tegen
Staatssecretaris van Economische Zaken
[verzoek om een prejudiciële beslissing van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (Nederland)]
„Douanewetboek – Terugbetaling of kwijtschelding van rechten bij invoer of bij uitvoer – Voorwaarden – Begrip ‚wettelijk verschuldigd’ – Uitnodiging tot betaling van volgens nationaal recht daartoe onbevoegde autoriteit”
I – Inleiding
1. Bij beschikking van 28 mei 2004 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (Nederland) het Hof om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van het communautair douanewetboek verzocht. In wezen wenst de verwijzende rechter te vernemen of een recht ook dan „wettelijk verschuldigd” is in de zin van artikel 236 van verordening (EEG) nr. 2913/92(2), indien de eveneens in het douanewetboek voorgeschreven mededeling is aangetast door een vormfout – in het hoofdgeding: de onbevoegdheid van de autoriteit die de mededeling heeft gedaan.
II – Toepasselijke bepalingen
A – Bepalingen van gemeenschapsrecht
2. Artikel 4 van het douanewetboek bevat de volgende definities:
„In de zin van dit wetboek wordt verstaan onder:
[...]
9. douaneschuld: de op een persoon rustende verplichting tot betaling van de rechten bij invoer (douaneschuld bij invoer) of de rechten bij uitvoer (douaneschuld bij uitvoer) die op bepaalde goederen van toepassing zijn uit hoofde van de geldende communautaire bepalingen;
[...]
23. geldende bepalingen: de communautaire of de nationale bepalingen.”
3. In artikel 20, lid 1, van het douanewetboek, dat is opgenomen in titel II met het opschrift „Elementen welke ten grondslag liggen aan de toepassing van de rechten bij invoer en de rechten bij uitvoer en de andere maatregelen waaraan het goederenverkeer is onderworpen”, is bepaald:
„De bij het ontstaan van een douaneschuld wettelijk verschuldigde rechten zijn op het douanetarief van de Europese Gemeenschappen gebaseerd.”
4. Titel VII, hoofdstuk 2, van het douanewetboek regelt het ontstaan van de douaneschuld. De daarin opgenomen bepalingen betreffen met name de feiten op grond waarvan een douaneschuld ontstaat, alsmede het tijdstip waarop en de plaats waar deze schuld ontstaat.
5. In titel VII, hoofdstuk 3, van het douanewetboek, met het opschrift „Invordering van het bedrag van de douaneschuld”, bepaalt artikel 221, voorzover hier van belang, het volgende:
„1. Het bedrag van de rechten dient onmiddellijk na de boeking op een daartoe geëigende wijze aan de schuldenaar te worden medegedeeld.
2. Indien het verschuldigde bedrag aan rechten ter informatie in de douaneaangifte is vermeld, kunnen de douaneautoriteiten bepalen dat de in lid 1 bedoelde mededeling slechts wordt gedaan indien het vermelde bedrag aan rechten van het door hen vastgestelde bedrag afwijkt.
[...]”
6. Artikel 236, lid 1, van het douanewetboek, dat is opgenomen in titel VII, hoofdstuk 5, met het opschrift „Terugbetaling en kwijtschelding van rechten”, luidt als volgt:
„Tot terugbetaling van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt overgegaan wanneer wordt vastgesteld dat het bedrag van de rechten op het tijdstip van betaling niet wettelijk verschuldigd was, dan wel dat het bedrag in strijd met artikel 220, lid 2, werd geboekt.”
7. De artikelen 243 tot en met 246 vormen onder het opschrift „Recht op beroep” titel VIII van het douanewetboek. Artikel 243, lid 1, eerste alinea, van het douanewetboek luidt:
„Iedere persoon heeft het recht beroep in te stellen tegen beschikkingen van de douaneautoriteiten die betrekking hebben op de toepassing van de douanewetgeving en die hem rechtstreeks en individueel raken.”
B – Bepalingen van nationaal recht
8. Artikel 22a, leden 1 en 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: „AWR”) luidt als volgt:
„1. De mededeling, bedoeld in artikel 221, eerste lid, van het Communautair Douanewetboek, van het bedrag aan rechten bij invoer dat voortvloeit uit een douaneschuld geschiedt door het vaststellen van een uitnodiging tot betaling door de inspecteur [...]
2. In afwijking in zoverre van het eerste lid geschiedt het vaststellen van een uitnodiging tot betaling ter zake van antidumpingheffingen of compenserende heffingen door Onze Minister van Economische Zaken [...]”
III – Feiten en procesverloop in het hoofdgeding
9. Bij uitnodiging tot betaling van 18 december 1997 deed de Inspecteur Belastingdienst/Douane district Roosendaal (hierna: „inspecteur”) verzoekster in het hoofdgeding, Transport Maatschappij Traffic BV (hierna: „TMT”), mededeling dat zij 62 045,20 NLG (28 154,88 EUR) aan antidumpingheffingen verschuldigd was. Op 19 februari 1998 maakte TMT daartegen bezwaar. Zij heeft dit bezwaar bij schrijven van 18 mei 1998 weer ingetrokken omdat het wegens het verstrijken van de termijn niet-ontvankelijk was.
10. Tegelijkertijd diende zij overeenkomstig artikel 236 van het douanewetboek een verzoek om terugbetaling in. Aangezien de inspecteur op grond van artikel 22a, lid 2, AWR niet bevoegd was voor deze handeling, was de opgelegde antidumpingheffing niet wettelijk verschuldigd. Dit verzoek om terugbetaling werd bij besluit van 12 april 2000 afgewezen en het daartegen ingestelde bezwaar werd op 9 oktober 2000 door verweerder in het hoofdgeding afgewezen.
11. Bij uitspraak van 13 februari 2002 verklaarde het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: „CBB”) het tegen het afwijzende besluit ingestelde beroep gegrond en verklaarde het het besluit nietig. Verweerder in het hoofdgeding stelde op 19 november 2002 een nieuw besluit vast, waarbij hij het bezwaar van TMT tegen de afwijzing van het verzoek om terugbetaling van de antidumpingrechten opnieuw afwees. Hiertegen stelde TMT op 24 december 2002 opnieuw beroep in bij het CBB.
IV – De prejudiciële vraag
12. Op 28 mei 2004 besloot het CBB het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken over de volgende vraag:
„Moet het begrip ‚wettelijk verschuldigd’ in artikel 236 CDW aldus worden uitgelegd dat daarmee uitsluitend gedoeld wordt op de vraag of aan de ontstaansvoorwaarden van een douaneschuld, als neergelegd in hoofdstuk 2 van Titel VII CDW, is voldaan of is slechts sprake van wettelijke verschuldigdheid als geen grond, ook niet uit de geldende nationale bepalingen als bedoeld in punt 23 van artikel 4 van het CDW, kan worden aangewezen, waarop de mededeling dat rechten verschuldigd zijn, kan worden aangetast?”
13. Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het bedrag aan te betalen invoerrechten op het tijdstip van de betaling ervan niet „wettelijk verschuldigd” is in de zin van artikel 236 CDW, indien de mededeling ervan niet op „daartoe geëigende wijze” en derhalve in strijd met artikel 221, lid 1, CDW is gedaan.
V – Juridische beoordeling
A – De bewoordingen van artikel 236, lid 1, eerste volzin, van het douanewetboek
14. Artikel 236, lid 1, eerste volzin, CDW bepaalt dat tot terugbetaling van rechten bij invoer of rechten bij uitvoer wordt overgegaan wanneer wordt vastgesteld dat het bedrag op het tijdstip van betaling niet wettelijk verschuldigd was. Dit begrip „wettelijk verschuldigd” is noch in artikel 236 zelf noch in andere bepalingen van het douanewetboek nader omschreven. Uit het gewone spraakgebruik valt evenmin een eenduidige uitlegging af te leiden. „Wettelijk” kan net zo goed enkel op het gemeenschapsrecht als op alle toepasselijke voorschriften betrekking hebben.
15. Artikel 4, punt 23, CDW verwijst weliswaar naar „de communautaire of de nationale bepalingen”, doch deze verwijzing heeft betrekking op de definitie van het begrip „geldende bepalingen” voorzover dit in het douanewetboek wordt gebruikt. Voor de inhoud van het begrip „wettelijk” dan wel „wettelijk verschuldigd” kan hieruit niets worden afgeleid.
16. Ook de formulering dat het bedrag „verschuldigd” moet zijn, duidt er enkel op dat de voorwaarden voor het ontstaan van de heffing vervuld moeten zijn. Wat dit in concreto inhoudt, of in het bijzonder de mededeling van het bedrag aan rechten in de daartoe geëigende vorm – overeenkomstig de nationale procedurevoorschriften – daartoe behoort, is daarmee nog niet gezegd.
17. Daar de bepalingen van het gemeenschaprecht in de verschillende taalversies gelijkelijk authentiek zijn, vereist de uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht een vergelijking van alle taalversies.(3) Het vereiste van een uniforme uitlegging ten behoeve van een uniforme toepassing brengt mee dat de bepaling niet op zich mag worden beschouwd, en gebiedt dat zij in het licht van alle andere versies wordt uitgelegd.(4) In het geval van artikel 236, lid 1, eerste volzin, CDW geven echter ook de andere taalversies geen nadere aanwijzing over de strekking van het begrip „wettelijk verschuldigd”.(5)
18. TMT redeneert dat aangezien het recht volgens de tekst van artikel 236, lid 1, eerste volzin, CDW „op het tijdstip van betaling” niet wettelijk verschuldigd geweest mag zijn, alle omstandigheden die zich tot dat tijdstip hebben voorgedaan in aanmerking moeten worden genomen. Weliswaar wordt het bestaan van een schuld op het tijdstip van de betaling ervan beoordeeld, doch van welke elementen het bestaan van een schuld afhangt, kan aan de hand van die tekst niet worden bepaald.
19. De bewoordingen op zich van de bepaling leveren dus geen aanwijzing op voor de te volgen uitlegging.
B – Systematische uitlegging
1. De betekenis van de mededeling ingevolge artikel 221, lid 1, CDW in het systeem van het douanewetboek
20. Zowel TMT als verzoekster in het hoofdgeding, en ook de Nederlandse regering, hebben zich in hun opmerkingen gebaseerd op de plaats van de mededeling in het systeem van het douanewetboek en op de functie van de mededeling.
21. Volgens de Nederlandse regering volgt uit het feit dat een mededeling onder de voorwaarden van artikel 221, lid 2, CDW geheel achterwege mag blijven, dat de rechten ook zonder deze mededeling wettelijk verschuldigd zijn. Dit argument is echter niet dwingend. Artikel 221, lid 2, CDW bepaalt namelijk dat het in de douaneaangifte ter informatie vermelde te betalen bedrag aan rechten als het ware als vervanging voor de ontbrekende mededeling fungeert. Deze bepaling zou dus ook aldus kunnen worden opgevat dat deze informatie de functie van de mededeling ook overneemt met betrekking tot het begrip „wettelijk verschuldigd”.
22. TMT betoogt dat artikel 4, punt 9, CDW de douaneschuld omschrijft als de op een persoon rustende verplichting tot betaling van de rechten bij invoer (douaneschuld bij invoer) of de rechten bij uitvoer (douaneschuld bij uitvoer) die op bepaalde goederen van toepassing zijn uit hoofde van de geldende communautaire bepalingen. De betalingsverplichting ontstaat echter pas met de mededeling volgens artikel 221, lid 1, CDW. Dit geldt alleen voorzover in het normale geval (artikel 222, lid 1, sub a, CDW) de betalingstermijn pas op het tijdstip van de mededeling ingaat. Over de vraag vanaf welk tijdstip de douaneschuld als zodanig echter ook in beginsel reeds verschuldigd is, is hiermee echter nog niets gezegd, omdat het bestaan en de opeisbaarheid van een vordering conceptueel los van elkaar moeten worden gezien en met betrekking tot het tijdstip waarop het ene en het andere feit zich voordoen, afzonderlijk moeten worden beoordeeld. Derhalve volgt uit artikel 4, punt 9, CDW, waarin van de verplichting tot betaling wordt gesproken, niet dat deze verplichting pas ontstaat wanneer deze vordering opeisbaar wordt, dat wil zeggen nadat de mededeling ervan heeft plaatsgevonden.
23. De formulering van artikel 221, lid 3, CDW pleit bijvoorbeeld integendeel voor het uiteengezette inzicht dat het ontstaan en de opeisbaarheid van de douaneschuld strikt moeten worden gescheiden. Artikel 221, lid 3, eerste volzin, CDW stelt voor de mededeling een termijn vast vanaf het ontstaan van de douaneschuld en brengt daarmee tot uitdrukking dat de voorwaarden voor het ontstaan van deze schuld op het tijdstip waarop de mededeling wordt gedaan reeds zijn vervuld. Ook de bewoordingen van artikel 221, lid 3, tweede volzin, CDW, waarin is bepaald dat de douaneautoriteiten de mededeling – onder de daargenoemde voorwaarden – ook na het verstrijken van deze termijn mogen doen indien zij niet in staat waren het juiste bedrag aan (dus reeds op dit tijdstip vóór de mededeling) wettelijk verschuldigde rechten vast te stellen, pleiten voor deze uitlegging.
24. De Nederlandse regering heeft er bovendien op gewezen dat artikel 236, lid 1, tweede volzin, CDW voorziet in kwijtschelding van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer indien het bedrag van deze rechten op het tijdstip van boeking niet wettelijk verschuldigd was, hetgeen ertegen pleit de mededeling als een constitutief vereiste aan te merken. Aangezien de mededeling ingevolge artikel 221, lid 1, CDW pas na de boeking plaatsvindt, zou, indien de mededeling een constitutief vereiste voor „wettelijke verschuldigdheid” zou zijn, een bedrag op het tijdstip van boeking in deze zin inderdaad nooit „wettelijk verschuldigd” zijn, zodat steeds kwijtschelding zou moeten plaatsvinden. Derhalve moet het betrokken bedrag reeds wettelijk verschuldigd zijn voordat de boeking en de mededeling plaatsvinden.
25. De context en de functie van de mededeling in het stelsel van het douanewetboek pleiten er dus voor haar niet als een constitutief vereiste voor „wettelijke verschuldigdheid” aan te merken.
2. Gebruik van het begrip „wettelijk verschuldigd” in andere bepalingen van het douanewetboek
26. Ook het gebruik van ditzelfde begrip „wettelijk verschuldigd” in andere bepalingen van het douanewetboek zou een aanwijzing voor de betekenis ervan kunnen opleveren.
27. De Commissie staat in haar opmerkingen op het standpunt dat de verwijzing naar de „wettelijk verschuldigde” rechten in de artikelen 220 en 228 CDW de berekening ervan op basis van het douanetarief van de Europese Gemeenschappen betreft, wat erop duidt dat het gebruik van dit begrip in het douanewetboek uitsluitend betrekking heeft op de berekening van het bedrag aan rechten. Dit is echter geen dwingende conclusie omdat de artikelen 220 en 228, lid 2, tweede volzin, CDW volgens de letterlijke bewoordingen ervan duidelijk (enkel) betrekking hebben op de berekening van de douaneschuld. In artikel 236, lid 1, CDW is dit evenwel juist niet het geval.
28. Artikel 217 CDW, dat betrekking heeft op de boeking, en waarop de Commissie zich met dezelfde argumenten baseert, betreft in lid 1, tweede alinea, sub b, het „bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten”. Ook dit suggereert weer dat reeds vóór de boeking aan de voorwaarden voor de „wettelijke verschuldigdheid” van een bedrag moet zijn voldaan.
29. In vergelijkbare bewoordingen bepaalt het eveneens door de Commissie aangevoerde artikel 210, lid 3, derde volzin, CDW, „[...] dat de wettelijk verschuldigde rechten geheel of gedeeltelijk niet worden geheven”, hetgeen impliceert dat het om (reeds) wettelijk verschuldigde rechten gaat, die vervolgens al dan niet worden geheven.
30. De Commissie voert bovendien aan dat ook uit artikel 20, lid 1, CDW volgt dat het douanetarief van de Europese Gemeenschappen de enige basis voor de te betalen rechten is, zodat het begrip „wettelijk verschuldigd” enkel betrekking heeft op de berekening van de rechten. Overeenkomstig artikel 20, lid 1, zijn de bij het ontstaan van een douaneschuld wettelijk verschuldigde rechten op het douanetarief van de Europese Gemeenschappen gebaseerd. Deze formulering suggereert op zich beschouwd inderdaad dat het bij de vraag of rechten „wettelijk verschuldigd” zijn uitsluitend om de juiste berekening van de rechten gaat.
31. Uit artikel 20, lid 1, CDW volgt echter bovendien dat de rechten reeds „bij het ontstaan van een douaneschuld” wettelijk verschuldigd zijn. De voorwaarden voor het ontstaan van een douaneschuld zijn in titel VII, hoofdstuk 2, van het douanewetboek geregeld; hierin is bepaald dat een douaneschuld bij invoer of bij het in het vrije verkeer brengen van goederen ontstaat op het tijdstip waarop de desbetreffende douaneaangifte wordt aanvaard. Het vereiste van mededeling van de door de douaneautoriteiten bepaalde douaneschuld (artikel 221) en de functie daarvan, te weten de opeisbaarheid van de douaneschuld teweeg te brengen en daarmee de betalingstermijn van artikel 222 CDW te laten ingaan, staan daarentegen afzonderlijk in hoofdstuk 3 van titel VII van het douanewetboek, met het opschrift „Invordering van het bedrag van de douaneschuld”. Deze scheiding tussen het bestaan van de vordering en de inning ervan leidt weer tot de conclusie dat het ontstaan van de douaneschuld losstaat van de (latere) mededeling en dat de mededeling ook geen invloed meer mag hebben op het bestaan van de douaneschuld.
32. De Commissie baseert haar redenering ook op artikel 79 CDW. Ook daarin wordt in lid 2 het begrip „wettelijk verschuldigd” gebruikt, waar er sprake is van de „toepassing van de wettelijk verschuldigde rechten”.
33. Daar de mededeling deel uitmaakt van de in titel VII, hoofdstuk 3, geregelde invordering van de rechten, volgt uit deze formulering dus tevens dat de rechten reeds vóór de invordering, die met de boeking overeenkomstig artikel 217 CDW begint, wettelijk verschuldigd waren in de zin van het douanewetboek.
34. Ook het gebruik van het begrip „wettelijk verschuldigd” in andere bepalingen van het douanewetboek, biedt dus steun voor de uitlegging volgens welke de mededeling niet van invloed is voor de vraag of een bedrag „wettelijk verschuldigd” is.
3. Verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89
35. De Nederlandse regering wijst er in haar opmerkingen op dat een van de functies van de mededeling volgens artikel 221, lid 1, CDW uit verordening nr. 1552/89(6) volgt, waarvan artikel 2, lid 1, eerste volzin, bepaalt dat een recht van de Gemeenschappen op de eigen middelen als vastgesteld geldt „zodra is voldaan aan de voorwaarden van de douanevoorschriften voor wat betreft de boeking van het bedrag van het recht en de kennisgeving daarvan aan de belastingschuldige”. Anders dan de oudere versie, die luidde: „met inachtneming van alle ter zake toepasselijke communautaire voorschriften [...] zodra de belastingschuldige bekend is en het bedrag van het recht door de bevoegde overheidsorganen kan worden berekend” (mijn cursivering), kan op grond van de bewoordingen van de versie zoals laatstelijk gewijzigd, niets worden geconcludeerd over de vraag of met de genoemde „douanevoorschriften” enkel bepalingen van gemeenschapsrecht of ook bepalingen van nationaal recht worden bedoeld.
36. Met betrekking tot de uitleggingsvraag blijkt een vergelijking van deze regeling met die van het douanewetboek derhalve weinig vruchtbaar.
4. Voorgangers van de artikelen 236 en 221 CDW
37. TMT staat in haar opmerkingen op het standpunt dat de juiste uitlegging van de thans geldende voorschriften uit de door de artikelen 236 en 221 CDW vervangen oudere regelingen kan worden afgeleid.
38. Zij baseert zich op de bewoordingen van de regeling die aan artikel 236, lid 1, CDW is voorafgegaan, te weten artikel 2, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1430/79 van de Raad(7), waarin volgens haar was bepaald dat terugbetaling moest plaatsvinden zodra het geboekte bedrag – om welke reden dan ook – hoger was dan het bedrag dat wettelijk mocht worden geïnd; de nieuwe regeling ter vervanging hiervan, heeft hierin geen verandering willen brengen.
39. Hier kan in het midden worden gelaten of met het douanewetboek inderdaad geen veranderingen moesten worden gemaakt.(8) De oudere regeling bepaalde weliswaar inderdaad dat het er niet toe deed, om welke reden het bedrag niet verschuldigd was, in casu moet echter juist worden opgehelderd of het bedrag ondanks schending van nationale bevoegdheidsvoorschriften in het kader van de mededeling wel „wettelijk verschuldigd” is in de zin van artikel 236, lid 1, CDW. TMT komt enkel tot de slotsom dat dit niet het geval is voorzover zij veronderstelt dat het betrokken bedrag pas verschuldigd wordt nadat het overeenkomstig de regels is meegedeeld. Dit staat hier nu echter juist ter discussie.
40. Ingevolge genoemd artikel 2, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1430/79 „wordt tot terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten overgegaan indien ten genoegen van de bevoegde autoriteiten wordt vastgesteld dat het geboekte bedrag van deze rechten om welke reden dan ook hoger is dan het bedrag dat wettelijk mocht worden geïnd”. Ook dit pleit ervoor dat met de mogelijkheid van terugbetaling van niet verschuldigde te hoge bedragen enkel de gevallen zijn bedoeld waarin de berekeningsgrondslag waarop het bedrag aan rechten is gebaseerd, onjuist was en waarin op grond daarvan de hoogte van de douaneschuld onjuist is meegedeeld.(9) Dit komt bovendien tot uitdrukking in de considerans van verordening nr. 1430/79, waarin met name reken‑ en schrijffouten en onjuiste dan wel onvolledige heffingsgrondslagen worden genoemd. Voorts dient op artikel 1, lid 1, van verordening (EEG) nr. 3040/83(10) te worden gewezen dat bij wijze van wettelijke definitie preciseert dat onder „bedrag dat wettelijk mocht worden geïnd” in de zin van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1430/79 moet worden verstaan het bedrag aan rechten bij invoer dat „krachtens de op de datum van aanvaarding van de aangifte voor het in het vrije verkeer brengen geldende voorschriften, waaronder de bepalingen inzake toekenning van een verlaagd of van een nulrecht, voor de betrokken goederen had moeten worden geïnd, indien alle voor de toepassing van die voorschriften vereiste gegevens en documenten regelmatig zouden zijn aangegeven, respectievelijk overgelegd, en voor de berekening van die rechten daadwerkelijk door de bevoegde autoriteiten in aanmerking zouden zijn genomen”.(11)
41. Uit een en ander volgt dat de op artikel 2, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1430/79 gebaseerde redenering niet steekhoudend is.
42. TMT beroept zich voorts op de voorloper van artikel 221, lid 1, CDW: artikel 6, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1854/89.(12) Dit bepaalde net als het huidige artikel 221, lid 1, CDW – dat in dit opzicht inhoudelijk gezien gelijkluidend is – dat de mededeling „op de voorgeschreven wijze” diende te geschieden. Volgens TMT was er bij schending van de desbetreffende nationale voorschriften(13), zolang artikel 6, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1854/89 gold, ook sprake van schending daarvan(14); de opvolger van dit artikel – artikel 221, lid 1, CDW – heeft daaraan niets willen veranderen.
43. Over de uitlegging van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 1854/89 bestaat – voorzover hier van belang – geen rechtspraak. De enige uitspraak die over dit voorschrift gaat(15), betreft enkel de daarin vastgestelde termijn, niet de betekenis van het vereiste van een mededeling „op de voorgeschreven wijze”. Ook indien het standpunt van TMT juist zou zijn, is daarmee nog niet gezegd dat schending van het vereiste van een mededeling „op de voorgeschreven wijze” gevolgen heeft voor de kwalificatie van het begrip „wettelijk verschuldigd”.
44. Bijgevolg dient te worden aanvaard dat het onderzoek van genoemde voorheen geldende voorschriften geen steun kan bieden voor TMT’s zienswijze over artikel 236, lid 1, CDW.
C – Teleologische uitlegging
45. Ten slotte kunnen ook in de geest en het doel van de bepaling aanknopingspunten worden gevonden voor de vereiste uitlegging van het begrip „wettelijk verschuldigd”.
46. Bij invoerrechten gaat het om eigen middelen van de Gemeenschap. De Gemeenschap is bij uitsluiting bevoegd om deze te regelen.(16) Hieruit volgt – zoals de Nederlandse regering op goede gronden heeft opgemerkt – dat er een bijzonder belang bestaat bij een uniforme toepassing in de gehele Gemeenschap, wat verklaart waarom eventuele bijzonderheden van het nationale recht door het douanewetboek strikt worden begrensd.(17)
47. Zou men de opvatting van TMT volgen en een regelmatige mededeling als voorwaarde stellen voor de kwalificatie van een bedrag als wettelijk verschuldigd, dan zou terugbetaling van de rechten op basis van artikel 236, lid 1, CDW uiteindelijk in beslissend opzicht afhankelijk zijn van de naleving van de nationale procedurevoorschriften. Deze kunnen – mede en vooral uit het oogpunt van de regelmatigheid van de vereiste mededeling – aanzienlijk uiteenlopen. Wordt van deze opvatting uitgegaan, dan is een uniforme toepassing van het douanewetboek dus niet gewaarborgd. Dit zou niet alleen gevolgen hebben voor de gemeenschapsbegroting, maar zou wegens de mogelijkerwijs van lidstaat tot lidstaat verschillende nationale procedures ook tot mededingingsverstoring leiden. Derhalve moet het begrip „wettelijk verschuldigd” aldus worden opgevat dat het enkel betrekking heeft op de (gemeenschapsrechtelijke) voorwaarden voor het ontstaan van de douaneschuld.
48. Om dezelfde reden kan ook de redenering op basis van artikel 221, lid 3, CDW niet slagen. Volgens TMT zou de daarin neergelegde verjaringstermijn van drie jaren een dode letter zijn indien het verstrijken ervan geen gevolgen zou hebben voor het kenmerk van de „wettelijke verschuldigdheid”. TMT wijst er weliswaar terecht op dat volgens de tegengestelde – hier verdedigde – opvatting het verstrijken van de termijn er niet toe leidt dat de douaneschuld niet (meer) wettelijk verschuldigd is in de zin van artikel 236, lid 1, CDW. Het verstrijken van de termijn belet echter dat de mededeling later wordt gedaan en dus dat de douaneschuld wordt geïnd, en heeft derhalve in elk geval gevolgen voorzover de douaneschuld nog niet is vereffend. In deze gevallen leidt het verstrijken van de termijn ertoe dat de (ontstane) douaneschuld nooit opeisbaar wordt.(18) Elke andere uitlegging zou er bovendien weer toe leiden dat de terugbetaling van gemeenschapsrechtelijke inkomsten, wat invoerrechten immers zijn, afhankelijk is van de naleving van nationale procedurevoorschriften, waarnaar artikel 221, lid 1, CDW met de woorden „op een daartoe geëigende wijze” verwijst. Tegen de achtergrond van een uniforme toepassing van het douanewetboek in de gehele Gemeenschap en van de daarmee gepaard gaande gelijke behandeling van alle douaneschuldenaren kan dit niet de inhoud van een regeling zijn.(19)
49. Het argument van TMT betreffende artikel 243 CDW leidt niet tot een ander resultaat. TMT betoogt in dit verband namelijk dat de mededeling ingevolge artikel 221, lid 1, CDW geen beschikking in de zin van artikel 243 CDW is. Om te beginnen zouden er haars inziens anders met artikel 243 CDW enerzijds en met het verzoek om terugbetaling van artikel 236 CDW anderzijds, twee grotendeels gelijkgerichte en elkaar overlappende rechtsmiddelen bestaan. TMT voert voorts aan dat de mededeling op het nationale recht is gebaseerd zodat – indien men deze zienswijze niet zou volgen – in het kader van het rechtsmiddel van artikel 243 CDW nationaal recht zou moeten worden onderzocht en de beslissing dus daarvan afhankelijk zou zijn. Hieruit volgt dat de betrokkene – wat de mededeling betreft – alleen overeenkomstig artikel 236 CDW terugbetaling of kwijtschelding kan vorderen; eerst de beslissing hierover zou dan een beschikking in de zin van artikel 243 CDW zijn. Aldus bestaat er volgens TMT een leemte in de rechtsbescherming ten aanzien van de mededeling, wanneer de onrechtmatigheid daarvan niet in het kader van het rechtsmiddel van artikel 236, lid 1, CDW kan worden aangevoerd.
50. De genoemde leemte in de rechtsbescherming ontstaat echter pas door de veronderstelling dat de mededeling niet met het rechtsmiddel van artikel 243 CDW zou kunnen worden aangevochten. De juistheid van deze veronderstelling kan hier echter in het midden worden gelaten, want deze redenering, die de vermeende afhankelijkheid van nationale voorschriften juist moet vermijden, leidt er hoe dan ook toe dat de beslissing over het verzoek om terugbetaling mede afhankelijk zou zijn van de onrechtmatigheid van de mededeling op basis van nationale procedurevoorschriften, zodat nationale verschillen uiteindelijk toch gevolgen zouden hebben voor de gemeenschapsrechtelijke douaneregeling.
51. Ook uit de teleologische uitlegging volgt dus dat het bedrag aan douanerechten ongeacht eventuele uit de naleving van nationale procedurevoorschriften voortvloeiende fouten in de mededeling, „wettelijk verschuldigd” is.
VI – Conclusie
52. Mitsdien geef ik het Hof in overweging de vraag van het College van Beroep voor het bedrijfsleven te beantwoorden als volgt:
„Het begrip ‚wettelijk verschuldigd’ in artikel 236 van het douanewetboek (verordening [EEG] nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek) moet aldus worden uitgelegd, dat dit begrip betrekking heeft op de voorwaarden waaronder volgens titel VII, hoofdstuk 2, van het douanewetboek een douaneschuld ontstaat, maar niet op nationale bepalingen op grond waarvan de in artikel 221, lid 1, van het douanewetboek bedoelde mededeling onregelmatig is of kan zijn, zodat het bedrag aan te betalen rechten op het tijdstip van betaling ervan ook indien de mededeling van het bedrag niet ‚op een daartoe geëigende wijze’, en dus in strijd met artikel 221, lid 1, van het douanewetboek, is gedaan, ‚wettelijk verschuldigd’ is in de zin van artikel 236 van het douanewetboek.”
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – Verordening van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1; hierna: „douanewetboek” of „CDW”).
3 – Arresten van 6 oktober 1982, Cilfit (283/81, Jurispr. blz. 3415, punt 18); 14 december 1988, Huber (291/87, Jurispr. blz. 6449, punt 11), en 17 december 1998, Codan (C-236/97, Jurispr. blz. I‑8679, punt 25).
4 – Arresten van 12 november 1969, Stauder (29/69, Jurispr. blz. 419, punt 3); 12 juli 1979, Koschniske (9/79, Jurispr. blz. 2717, punten 6 e.v.), en 7 juli 1988, Moksel (55/87, Jurispr. blz. 3845, punt 15).
5 – „Skyldigt efter lovgivningen” in het Deens, „legally owed” in het Engels, „légalement dû” in het Frans, „legalmente dovuto” in het Italiaans, „gesetzlich geschuldet” in het Duits, „legalmente devido” in het Portugees en „legalmente debido” in het Spaans.
6 – Verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen (PB L 155, blz. 1), in de bij artikel 1 van verordening (Euratom, EG) nr. 1355/96 van de Raad van 8 juli 1996 (PB L 175, blz. 3) gewijzigde versie; deze komt overeen met artikel 2, lid 1, van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 130, blz. 1).
7 – Verordening van 2 juli 1979 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten (PB L 175, blz. 1).
8 – Hiervoor pleit inderdaad de eerste overweging van de considerans van het douanewetboek, die luidt: „Overwegende dat de Gemeenschap op een douane-unie is gegrondvest; dat het zowel voor de economische subjecten van de Gemeenschap als voor de douaneadministraties wenselijk is dat de bepalingen van het douanerecht, die thans nog over tal van communautaire verordeningen en richtlijnen verspreid zijn, in een wetboek worden samengebracht; dat zulks in het vooruitzicht van de interne markt van wezenlijk belang is”. Zo ook Witte, „Das Neue am neuen Zollkodex der Gemeinschaft”, ZfZ 1993, 162, 167, en Fabian, Erstattung, Erlass und Nacherhebung von Einfuhr- und Ausfuhrabgaben der Europäischen Gemeinschaft (1994), blz. 48.
9 – Zie over de bedoelde soorten gevallen, Fabian (aangehaald in voetnoot 8), blz. 48 e.v.
10 – Verordening (EEG) nr. 3040/83 van de Commissie van 28 oktober 1983 tot vaststelling van een aantal uitvoeringsbepalingen van de artikelen 2 en 14 van verordening (EEG) nr. 1430/79 van de Raad betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten (PB L 297, blz. 13).
11 – Een soortgelijke opvatting komt tot uitdrukking in het arrest van 18 april 1991, Brown Boveri (C‑79/89, Jurispr. blz. I‑1853, punten 33 e.v.), waarin wordt uitgegaan van de materieelrechtelijke onjuistheid van de heffing van de rechten (voor artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1430/79); zie ook Friedrich, „Erstattung, Erlass und Nacherhebung von Zöllen, Steuern und Abgaben”, in: Kruse (Hrsg.), Zölle, Verbrauchssteuern, europäisches Marktordnungsrecht (1988), 118.
12 – Verordening (EEG) nr. 1854/89 van de Raad van 14 juni 1989 betreffende de boeking en de betalingsvoorwaarden voor uit hoofde van een douaneschuld te vereffenen bedragen aan rechten bij in- of bij uitvoer (PB L 186, blz. 1).
13 – Zie supra, punt 8.
14 – En wel omdat artikel 6, lid 1, van verordening nr. 1854/89 betrekking had op het recht van de lidstaten inzake de vaststelling van de vorm van de mededeling.
15 – Arrest van 7 september 1999, De Haan Beheer (C‑61/98, Jurispr. blz. I‑5003).
16 – Zie artikel 26 EG, artikel 95 EG, artikel 133 EG, artikel 269 EG en artikel 2, lid 1, van beschikking 94/728/EG, Euratom van de Raad van 31 oktober 1994 (PB L 293, blz. 9), vervangen door besluit 2000/597/EG, Euratom van de Raad van 29 september 2000 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 253, blz. 42).
17 – Bijvoorbeeld de terugbetaling en kwijtschelding van rechten in de artikelen 235 en 236 CDW, de verlenging van de betalingstermijn in artikel 222, lid 1, CDW, de opschorting van de betalingsverplichting in artikel 222, lid 2, CDW, het uitstel van betaling in de artikelen 224 tot en met 228 CDW en de vermindering of het volledig afzien van moratoire interest in artikel 232, leden 1 en 2, CDW.
18 – Zo ook Witte (aangehaald in voetnoot 8), 162, 167.
19 – Zie arrest van 14 november 1985, Karl-Heinz Neuman (299/84, Jurispr. blz. 3663, punt 25).
Full & Egal Universal Law Academy