CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
F. G. JACOBS
van 14 juli 2005 (1)
Zaak C‑316/04
Stichting Zuid-Hollandse Milieufederatie
tegen
College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen
1. In deze zaak heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven het Hof om uitlegging verzocht van artikel 8 van de richtlijn inzake gewasbeschermingsmiddelen(2) en artikel 16 van de biocidenrichtlijn.(3)
2. Deze artikelen bevatten overgangsbepalingen voor de uitvoering van deze twee richtlijnen.
3. In wezen gaat het in casu om het volgende. De hiervoor genoemde richtlijnen verplichten de lidstaten, procedures in het leven te roepen met het oog op de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Beide richtlijnen bepalen dat voor dergelijke producten gedurende een overgangsperiode nationale toelatingsprocedures mogen worden toegepast, zolang de betrokken werkzame stoffen nog niet op gemeenschapsniveau zijn aangewezen. Tijdens die overgangsperiode heeft Nederland zijn nationale systeem aangepast om feitelijk op aanvraag de toelating van rechtswege van gewasbeschermingsmiddelen en biociden mogelijk te maken, die i) voorheen reeds waren toegelaten en ii) werkzame stoffen bevatten die door zijn bevoegde autoriteit zijn aangewezen. Op basis van de gewijzigde wet heeft de bevoegde autoriteit bij besluit een aantal werkzame stoffen aangewezen. De geldigheid van dit besluit wordt in rechte betwist, onder meer op grond dat de gewijzigde wet niet verenigbaar zou zijn met de hiervoor genoemde richtlijnen.
Toepasselijk gemeenschapsrecht
De gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn
4. De gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn geeft zowel voorschriften voor „gewasbeschermingsmiddelen” als voor de „werkzame stoffen” daarvan.
5. Gewasbeschermingsmiddelen worden omschreven als „werkzame stoffen en één of meer werkzame stoffen bevattende preparaten, in de vorm waarin zij aan de gebruiker worden geleverd” die bestemd zijn om planten of plantaardige producten te beschermen tegen schadelijke organismen.(4) De richtlijn heeft dus betrekking op pesticiden, fungiciden en herbiciden voor planten.
6. Volgens artikel 3, lid 1, bepalen de lidstaten dat een gewasbestrijdingsmiddel alleen op hun grondgebied op de markt mag worden gebracht en gebruikt, indien zij het betrokken gewasbeschermingsmiddel overeenkomstig de richtlijn hebben toegelaten.
7. Volgens artikel 4, lid 1, zien de lidstaten erop toe dat een gewasbeschermingsmiddel slechts wordt toegelaten 1) indien de werkzame stoffen die het bevat in bijlage I zijn vermeld en indien aan de voorwaarden van die bijlage is voldaan (artikel 4, lid 1, sub a), en 2) indien aan een aantal voorwaarden in de artikelen 4, lid 1, sub b tot en met f, is voldaan. Artikel 4, lid 1, sub b tot en met e, heeft voornamelijk betrekking op de veiligheid en de doeltreffendheid van het gebruikte middel. Artikel 4, lid 1, sub f, schrijft voor dat de lidstaat maximum residugehalten bepaalt, welke aan de Commissie moeten worden meegedeeld en door haar goedgekeurd.
8. Toen de richtlijn werd vastgesteld, was bijlage I leeg, omdat de verschillende stadia van de door de richtlijn beoogde communautaire onderzoeksprocedure nog niet waren afgerond. Op 1 januari 1999 werd voor het eerst een werkzame stof in deze bijlage opgenomen. Vervolgens zijn tot 2003 bij tal van richtlijnen stoffen in de bijlage opgenomen.
9. Artikel 4, lid 5, luidt als volgt:
„Een toelating kan te allen tijde worden herzien indien er aanwijzingen bestaan dat niet langer wordt voldaan aan de in lid 1 genoemde eisen. [...]”
10. Artikel 8 draagt het opschrift „Overgangs‑ en afwijkende maatregelen”.
11. De eerste alinea van artikel 8, lid 2, bepaalt dat, in afwijking van artikel 4 en onverminderd lid 3, „een lidstaat, gedurende een periode van twaalf jaar na de kennisgeving van [de] richtlijn, [mag] toelaten dat gewasbeschermingsmiddelen die niet in bijlage I opgenomen werkzame stoffen bevatten en die twee jaar na de datum van kennisgeving van de richtlijn reeds op de markt zijn, op zijn grondgebied op de markt worden gebracht”.
12. Artikel 8, lid 3, luidt als volgt:
„Wanneer lidstaten een nieuw onderzoek instellen naar gewasbeschermingsmiddelen die een overeenkomstig lid 2 te onderzoeken werkzame stof bevatten, passen zij, voordat dit onderzoek heeft plaatsgevonden, de in artikel 4, lid 1, sub b, punten i tot en met v, en sub c tot en met f, genoemde voorwaarden toe, uit hoofde van de nationale bepalingen betreffende de te verstrekken gegevens.”
13. De in artikel 8, lid 2, genoemde periode van 12 jaar is voor sommige werkzame stoffen verlengd tot en met 31 december 2005 en voor andere tot en met 31 december 2008.(5)
14. Ingevolge artikel 13, lid 1, dienen de lidstaten van de aanvrager van een toelating voor een gewasbeschermingsmiddel te eisen dat hij zijn aanvraag vergezeld laat gaan van bepaalde gegevens. Artikel 13, lid 6, bepaalt:
„In afwijking van lid 1 mogen de lidstaten voor de werkzame stoffen die twee jaar na de kennisgeving van deze richtlijn reeds op de markt zijn, met inachtneming van de bepalingen van het Verdrag, de vroegere nationale voorschriften inzake de te verstrekken gegevens blijven toepassen zolang deze stoffen niet in bijlage I zijn opgenomen.”
15. Volgens artikel 23, lid 1, doen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om aan de richtlijn te voldoen binnen een termijn van twee jaar na kennisgeving ervan. Vaststaat dat van de richtlijn op 26 juli 1991 kennis is gegeven.
De biocidenrichtlijn
16. Volgens overweging 20 van de considerans van de biocidenrichtlijn dient voor een intensieve coördinatie met andere gemeenschapsvoorschriften en in het bijzonder met de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn te worden gezorgd.
17. De richtlijn heeft betrekking op de toelating en het op de markt brengen met het oog op het gebruik van biociden in de lidstaten.(6)
18. „Biociden” worden omschreven als: „Werkzame stoffen en preparaten die, in de vorm waarin zij aan de gebruiker worden geleverd, een of meer werkzame stoffen bevatten en bestemd zijn om een schadelijk organisme te vernietigen, af te schrikken, onschadelijk te maken, de effecten daarvan te voorkomen of het op andere wijze langs chemische of biologische weg te bestrijden.”(7) Onder „schadelijk organisme” wordt verstaan: „Elk organisme dat ongewenst aanwezig is of een schadelijke invloed heeft op de mens, zijn werkzaamheden of de door hem gebruikte of vervaardigde producten, op dieren of op het milieu.”(8) Bij de richtlijn is een limitatieve lijst gevoegd van 23 soorten biocideproducten, met als hoofdgroepen onder meer ontsmettingsmiddelen en algemene biociden, conserveringsmiddelen en plaagbestrijdingsmiddelen.(9)
19. Ingevolge artikel 3, lid 1, „bepalen [de lidstaten] dat een biocide op hun grondgebied slechts op de markt gebracht en gebruikt mag worden, indien het overeenkomstig deze richtlijn is toegelaten”.
20. Artikel 5, lid 1, bepaalt dat de lidstaten een biocide slechts toelaten, indien „de daarin aanwezige werkzame stof(fen) in bijlage I of IA is (zijn) vermeld en aan de eisen van die bijlagen is voldaan”. Verder moet aan een aantal andere voorwaarden worden voldaan.
21. Toen de biocidenrichtlijn werd vastgesteld, waren deze bijlagen leeg; dit is thans nog steeds het geval. De richtlijn voorziet in een procedure om werkzame stoffen na een beoordelingsproces in de bijlagen ervan op te nemen.
22. Volgens artikel 8, lid 2, verlangen de lidstaten dat een aanvrager van een toelating voor een biocide een dossier overlegt, waarvan de inhoud is voorgeschreven in artikel 8, lid 4.
23. Artikel 16 is getiteld „Overgangsmaatregelen”. Artikel 16, lid 1, bepaalt:
„In verdere afwijking van artikel 3, lid 1, artikel 5, lid 1, en artikel 8, leden 2 en 4, [...] mag een lidstaat gedurende een periode van tien jaar [vanaf 14 mei 2000] zijn huidige systeem of praktijk met betrekking tot het op de markt brengen van biociden blijven toepassen. Met name mag de lidstaat, overeenkomstig zijn nationale voorschriften, toelaten dat op zijn grondgebied een biocide op de markt wordt gebracht dat werkzame stoffen bevat die niet in bijlage I of IA zijn genoemd. Die werkzame stoffen moeten uiterlijk [op 14 mei 2000] [...] op de markt zijn als werkzame stoffen van een biocide [...]”
24. Artikel 34 bepaalt dat de lidstaten uiterlijk 24 maanden na de inwerkingtreding van de richtlijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om aan de richtlijn te voldoen. Volgens artikel 35 treedt de richtlijn in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking, te weten op 14 mei 1998.
Toepasselijk nationaal recht
De nationale wet vóór de wijziging van 2002
25. Bij de Bestrijdingsmiddelenwet 1962(10) (hierna: „BMW”) is het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen ingesteld (hierna: „CTB”). Volgens deze wet beslist het CTB op aanvragen om toelating en registratie van bestrijdingsmiddelen. In 1994 is de BMW gewijzigd met het oog op de omzetting van de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn.(11)
26. § 2 BMW, dat het opschrift „De toelating en registratie van bestrijdingsmiddelen” draagt, omvat de artikelen 2 tot en met 5.
27. Artikel 2, lid 1, bepaalt:
„Het is verboden een bestrijdingsmiddel af te leveren, voorhanden of in voorraad te hebben, binnen Nederland te brengen of te gebruiken, waarvan niet blijkt dat het ingevolge deze wet is toegelaten of voorzover het een biocide met een gering risico betreft, is geregistreerd.”
28. Artikel 3, lid 1, geeft in wezen uitvoering aan artikel 4, lid 1, van de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn. De voorwaarden in artikel 3, lid 1, sub a, punten 1 tot en met 10, weerspiegelen voor een groot deel de voorwaarden in artikel 4, lid 1, sub b, punten i tot en met v, van de richtlijn. Artikel 3, lid 1, sub b tot en met d, is een weergave van artikel 4, lid 1, sub c tot en met e, van de richtlijn.
29. Bij artikel 3, lid 2, is artikel 4, lid 1, sub a, van de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn omgezet.
30. Artikel 3a, lid 1, bepaalt:
„Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden gesteld met betrekking tot de toelatingscriteria of registratiecriteria als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a en het tweede lid, onderdeel c, en kunnen beginselen voor de beoordeling worden vastgesteld.”
31. Artikel 4, lid 1, bepaalt dat het CTB op aanvraag over de toelating of registratie van een bestrijdingsmiddel beslist.
32. Artikel 5, lid 1, bepaalt dat de toelating of registratie van een bestrijdingsmiddel geldt voor een in het besluit tot toelating of registratie te bepalen termijn van ten hoogste tien jaren.
De achtergrond van de wijziging van 2002
33. Aangezien artikel 4, lid 1, van de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn voor de toelating van een dergelijk product door een lidstaat als voorwaarde stelt dat de werkzame stoffen ervan in bijlage I bij de richtlijn zijn opgenomen en dat aan de overige voorwaarden in die bijlage is voldaan, konden nationale toelatingsstelsels de richtlijn niet volledig uitvoeren totdat die bijlage op zijn minst enige inhoud had. Zoals hiervoor vermeld(12), zijn pas vanaf 1999 stoffen in de bijlage opgenomen en is dit proces tot op heden nog niet afgerond. De verwijzende rechter zet uiteen, dat de Nederlandse regering in de jaren negentig heeft besloten om bij de beoordeling en de herbeoordeling van bestrijdingsmiddelen vooruit te lopen op de Europese beoordeling van werkzame stoffen. Die keuze is gemaakt vanwege het intensieve gebruik van bestrijdingsmiddelen in Nederland en de daar heersende specifieke omstandigheden, zoals intensieve landbouw, een hoge bevolkingsdichtheid en de aanwezigheid van veel oppervlaktewater.
34. Omdat in 2000 onvoldoende vooruitgang was geboekt, heeft het CTB besloten een prioritering aan te brengen in de beoordeling van werkzame stoffen en heeft het een indeling van werkzame stoffen gemaakt naar gelang van de risico’s voor mens, dier en milieu. Werkzame stoffen met een hoog risico werden op de A-lijst geplaatst. Werkzame stoffen die volgens het CTB geen noemenswaardig dan wel een gering risico vormden, werden op de B-lijst, respectievelijk de C-lijst geplaatst.
35. Met betrekking tot producten waarvan de werkzame stof(fen) op de B- of C-lijst waren geplaatst, heeft het CTB zogenoemde procedurele verlengingsbesluiten genomen, inhoudend dat bestaande toelatingen bij afloop op aanvraag van rechtswege werden verlengd. Bij uitspraak van 2 juli 2002 heeft de verwijzende rechter geoordeeld, dat het CTB niet bevoegd was tot verlenging van de toelatingen. Artikel 25d is dan ook met ingang van 4 december 2002 aan de BMW toegevoegd om een wettelijke grondslag aan de praktijk van het CTB te geven.
De wijziging van 2002 – Artikel 25d
36. Artikel 25d voorziet in feite in een nieuwe toelating, van rechtswege – dus zonder de volledige beoordeling die anders overeenkomstig artikel 3, lid 1, BMW vereist zou zijn –, van voorheen reeds toegelaten producten waarvan de werkzame stoffen door het CTB zijn aangewezen. In plaats daarvan moet het CTB bij de aanwijzing van een werkzame stof „rekening [...] houden met” de effecten daarvan als bedoeld in artikel 3, lid 1, sub a, punten 3 tot en met 10, BMW, waarbij artikel 4, lid 1, sub b, punten iii tot en met v, van de richtlijn is omgezet. Vaststaat dat de werkzame stoffen die overeenkomstig artikel 25d door het CTB zijn aangewezen (of althans de werkzame stoffen waarom het in casu gaat) stoffen zijn die in de lijsten B en C zijn vermeld.
37. Artikel 25d BMW luidt als volgt:
„1. Een bestrijdingsmiddel, waarvan de werkzame stof of stoffen door het [CTB] zijn aangewezen, is, in afwijking van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3 en 3a en van de artikelen 4, eerste lid, en 5, eerste lid, van rechtswege toegelaten of geregistreerd met ingang van het in het derde lid bedoelde tijdstip.
2. Bij de aanwijzing van een werkzame stof, bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met de effecten van de betrokken werkzame stof, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, ten derde tot en met ten tiende.
3. De toelating of registratie, bedoeld in het eerste lid, is van kracht met ingang van het tijdstip van beëindiging van de uit hoofde van artikel 4 afgegeven toelating of registratie, met dien verstande dat indien dit tijdstip van beëindiging reeds is verstreken, de toelating, onderscheidenlijk registratie terugwerkt tot en met dat tijdstip. De toelating, onderscheidenlijk registratie geldt, in afwijking van artikel 5, eerste lid, tot het tijdstip waarop uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven aan een met betrekking tot de betrokken werkzame stof vastgestelde communautaire maatregel als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, met dien verstande dat zij in ieder geval doorloopt na 26 juli 2003, dan wel 15 mei 2010 indien uiterlijk op die onderscheiden datum geen communautaire maatregel is vastgesteld die vermeldt of de betrokken werkzame stof mag worden gebruikt als basis voor een gewasbeschermingsmiddel onderscheidenlijk biocide.
[...]
6. Het eerste lid is:
a. niet van toepassing op een bestrijdingsmiddel waarvan de toelating of registratie ingevolge een communautaire maatregel niet verleend mag worden;
b. niet van toepassing op een bestrijdingsmiddel waarvan de toelating of registratie ingevolge een communautaire maatregel dient te worden ingetrokken, vanaf het tijdstip waarop aan die maatregel uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven;
c. uitsluitend van toepassing op een bestrijdingsmiddel dat een werkzame stof bevat die reeds vóór 26 juli 1993, indien het een gewasbeschermingsmiddel betreft, onderscheidenlijk 15 mei 2000, indien het een biocide betreft, werd afgeleverd en niet bij een in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, bedoelde communautaire maatregel is aangewezen;
d. uitsluitend van toepassing op een bestrijdingsmiddel dat is toegelaten of laatstelijk op 1 januari 2001 toegelaten is geweest of is geregistreerd;
[...]”
38. De Nederlandse regering stelt in haar opmerkingen, dat artikel 25d strekt tot implementatie van het bepaalde in artikel 8, lid 2, van de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn en artikel 16, lid 1, van de biocidenrichtlijn. Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij voorts nog verklaard dat voor de toelating van rechtswege overeenkomstig artikel 25d vereist is, dat een nieuwe aanvraag vergezeld van een volledig dossier wordt ingediend.
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
39. Bij besluit van 12 juni 2002 heeft het CTB een groot aantal werkzame stoffen als werkzame stoffen in de zin van artikel 25d BMW aangewezen. Dit besluit was gebaseerd op artikel 25d en werd op dezelfde datum van kracht als de bepaling zelf, namelijk op 4 december 2002. Tussen partijen is onbetwist dat gewasbeschermingsmiddelen die die werkzame stoffen bevatten, twee jaar na de datum van kennisgeving van de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn reeds op de markt waren, dat biociden die die werkzame stoffen bevatten, reeds op 14 mei 2000 op de markt waren en dat deze producten eerder reeds krachtens de BMW waren toegelaten; voortaan waren deze producten dus van rechtswege toegelaten.
40. Bij besluit van 12 mei 2004 heeft het CTB de bezwaren van de Stichting Zuid-Hollandse Milieufederatie (hierna: „Stichting”) tegen het besluit van 12 juni 2002 ongegrond verklaard.
41. De Stichting heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Zij betoogde met name, dat artikel 25d BMW onverenigbaar is met de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn. Die richtlijn bepaalt dat gewasbeschermingsmiddelen uitsluitend mogen worden toegelaten indien is aangetoond dat aan de criteria van artikel 4 daarvan is voldaan. Artikel 8, lid 2, van de richtlijn spreekt van „toelaten” en verwijst dus naar de gehele procedure van artikel 4.
42. De verwijzende rechter is van oordeel dat artikel 25d BMW zowel wat de procedure als wat de beoordeling betreft afwijkt van het systeem van beoordeling dat is neergelegd in § 2 BMW. Wat de procedure betreft, introduceert artikel 25d de figuur van de toelating van een bestrijdingsmiddel van rechtswege, terwijl § 2 BMW uitgaat van een afzonderlijke beslissing omtrent toelating van een bestrijdingsmiddel. Wat de beoordeling betreft, gaat het bij artikel 25d om een toetsing van de werkzame stof, terwijl § 2 een beoordeling van het bestrijdingsmiddel voorschrijft. Er is een aanmerkelijk verschil in intensiteit tussen deze beoordeling en de toetsing. Bij een normale toelating van een bestrijdingsmiddel op grond van de artikelen 3 en 3a BMW vindt een uitvoerige, met het toelatingsregime van de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn en de biocidenrichtlijn overeenstemmende beoordeling plaats van het middel en zijn omzettingsproducten. Daarentegen vloeit de toelating van een bestrijdingsmiddel van rechtswege voort uit de aanwijzing van een werkzame stof, waarbij rekening is gehouden met de nader in artikel 25d, lid 2, BMW omschreven effecten van die stof op de gezondheid van mens, dier en milieu.
43. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof zes prejudiciële vragen gesteld.(13)
44. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door de Stichting, 3M Nederland BV en 81 andere belanghebbenden(14) die gezamenlijk aan het hoofdgeding deelnemen („3M Nederland”), de Deense, de Franse en de Nederlandse regering alsook de Commissie. De Nederlandse regering verklaart dat haar opmerkingen mede namens het CTB worden gemaakt.
De eerste vraag
45. Met zijn eerste vraag wil de verwijzende rechter weten, of artikel 8 van de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn en artikel 16 van de biocidenrichtlijn door een nationale rechter kunnen worden toegepast wanneer de termijn bedoeld in artikel 23 van de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn, respectievelijk artikel 34 van de biocidenrichtlijn is verstreken. Blijkens de verwijzingsuitspraak draait het in casu om de vraag, of de artikelen 8 en 16 rechtstreekse werking hebben; de verwijzende rechter meent dat hij uitsluitend kan beoordelen of artikel 25d BMW verenigbaar met deze bepalingen is, indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord.
46. De Stichting en 3M Nederland stellen dat beide onderdelen van de eerste vraag bevestigend moeten worden beantwoord. De Deense regering brengt naar voren, dat artikel 8, leden 2 en 3, van de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn na het verstrijken van de uiterste omzettingstermijn slechts in zoverre rechtstreekse werking heeft, dat een nationale rechter kan nagaan of een nationale autoriteit overeenkomstig de daarin omschreven procedure heeft gehandeld. Producenten of handelaars kunnen volgens haar echter nimmer aan artikel 8, lid 2 of 3, recht op een toelating ontlenen.
47. Het is vaste rechtspraak dat een nationale rechter bij wie een onder een bepaalde richtlijn vallende zaak aanhangig is gemaakt, bij de toepassing van het nationale recht, ongeacht of het om bepalingen gaat die van vóór of na de richtlijn dateren, dit recht zo veel mogelijk in dier voege moet uitleggen dat het met de richtlijn beoogde resultaat wordt bereikt.(15) Het is dus duidelijk dat, gelijk de Commissie en de Nederlandse regering stellen, de verwijzende rechter een uitlegging van de relevante bepalingen van de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn en de biocidenrichtlijn nodig heeft, ongeacht of deze al dan niet rechtstreekse werking hebben. Ik acht het dan ook niet noodzakelijk, de eerste vraag van de verwijzende rechter met zoveel woorden te beantwoorden, omdat de antwoorden op de overige vragen de nationale rechter voldoende aanknopingspunten zullen verschaffen. Dit geldt te meer daar de in casu centraal staande nationale bepaling – te weten artikel 25d BMW – volgens de Nederlandse regering strekt tot omzetting van artikel 8, lid 2, van de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn en artikel 16, lid 1, van de biocidenrichtlijn, welke bepalingen het voorwerp vormen van de tweede, de derde en de vierde prejudiciële vraag.
De tweede vraag
48. Met zijn tweede vraag wil de verwijzende rechter weten, of artikel 16 van de biocidenrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling dezelfde betekenis heeft als artikel 8, lid 2, van de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn. Blijkens de verwijzingsuitspraak is deze vraag ingegeven door de omstandigheid dat artikel 25d BMW zowel betrekking heeft op gewasbeschermingsmiddelen als op biociden. De verwijzende rechter merkt op dat artikel 16, lid 1, van de biocidenrichtlijn bepaalt dat een lidstaat gedurende de overgangsperiode zijn huidige systeem of praktijk met betrekking tot het op de markt brengen van biociden mag blijven toepassen. Zijn vraag komt er dus in wezen op neer, of artikel 8, lid 2, van de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn op identieke wijze moet worden uitgelegd als artikel 16, lid 1, van de biocidenrichtlijn, dat naar zijn mening een lidstaat gedurende de overgangsperiode toestaat zijn „huidige systeem of praktijk” met betrekking tot het op de markt brengen van biociden te blijven toepassen, ongeacht de inhoud van dit systeem of deze praktijk.
49. Aangezien de derde vraag van de verwijzende rechter de uitlegging van artikel 16 van de biocidenrichtlijn en de vierde vraag de uitlegging van artikel 8, lid 2, van de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn betreft, verdient het de voorkeur deze vragen eerst te bespreken; het antwoord op de tweede vraag zal dan vanzelf duidelijk worden.
De derde vraag
50. De derde vraag van de verwijzende rechter houdt in of i) artikel 16, lid 1, van de biocidenrichtlijn dient te worden uitgelegd als een stand-stillverplichting en ii) zo nee, of deze bepaling beperkingen stelt aan wijzigingen van nationale regels met betrekking tot het op de markt brengen van biociden en iii) zo ja, welke beperkingen dat zijn.
51. Uit de verwijzingsuitspraak volgt dat de nationale rechter in wezen wil weten, of een lidstaat zijn ten tijde van de inwerkingtreding van de biocidenrichtlijn bestaande systeem of praktijk mag wijzigen i) uitsluitend voorzover de beoordeling in verband met de toelating van biociden in overeenstemming met de richtlijn geschiedt; ii) uitsluitend voorzover de wijzigingen geen afbreuk doen aan de opzet van het bestaande systeem of de bestaande praktijk, of iii) zonder dat daarbij andere beperkingen gelden dan die ingevolge artikel 10 EG gedurende de omzettingstermijn van toepassing zijn volgens het arrest Inter-Environnement Wallonie.(16)
52. In die zaak oordeelde het Hof, dat de lidstaten zich gedurende de termijn voor omzetting van een richtlijn dienen te onthouden van maatregelen die de verwezenlijking van het door deze richtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar zouden brengen en dat het aan de nationale rechter staat om te beoordelen, of zulks het geval is ten aanzien van de in geding zijnde nationale bepalingen.
53. De Stichting gaat in op het eerste onderdeel van de vraag van de nationale rechter en stelt dat de in artikel 16 van de biocidenrichtlijn neergelegde bevoegdheid van de lidstaten om hun huidige systeem te blijven toepassen, inhoudt dat dat systeem in beginsel moet worden gehandhaafd en dat wijzigingen slechts zijn toegestaan voorzover zij tot een meer richtlijnconform systeem leiden.
54. Deze uitlegging overtuigt mij niet. Blijkens de tekst van artikel 16, lid 1, is het van toepassing in afwijking van de artikelen 3, lid 1, 5, lid 1, en 8, leden 2 en 4. Deze bepalingen vormen de kern van de in de richtlijn vastgelegde toelatingsprocedure: artikel 3, lid 1, schrijft voor dat „[d]e lidstaten bepalen dat een biocide op hun grondgebied slechts op de markt gebracht en gebruikt mag worden, indien het overeenkomstig deze richtlijn is toegelaten”. Artikel 5, lid 1, bepaalt dat de lidstaten een biocide slechts toelaten, indien „de daarin aanwezige werkzame stof(fen) in bijlage I of IA is (zijn) vermeld en aan de eisen van die bijlagen is voldaan” en indien aan een aantal andere voorwaarden is voldaan. Artikel 8, lid 2, bepaalt dat de lidstaten verlangen dat een aanvrager van een toelating voor een biocide een dossier overlegt waarvan de inhoud wordt voorgeschreven in artikel 8, lid 4.
55. Het is duidelijk dat geen enkele door een lidstaat gedurende de overgangsperiode vastgestelde maatregel volledig aan deze bepalingen kon voldoen wat de werkzame stoffen aangaat die nog niet in de bijlagen I en IA zijn opgenomen: artikel 16, lid 1, is dan ook vermoedelijk juist precies in verband met deze situatie vastgesteld.
56. Ook mag niet uit het oog worden verloren dat artikel 16, lid 1, een overgangsbepaling is die gedurende een termijn van tien jaar dient te gelden op een gebied waar milieu, gezondheid en veiligheid van het grootste belang zijn. Systemen of praktijken die bij aanvang van die periode in zwang waren, zullen uiteraard aanpassing behoeven naarmate de wetenschap voortschrijdt.
57. Dit betekent echter niet dat een lidstaat zijn wetgeving onbeperkt mag wijzigen gedurende de overgangsperiode van de biocidenrichtlijn. Uit het arrest van het Hof in de zaak Inter-Environnement Wallonie volgt dat een lidstaat zijn wetgeving niet mag wijzigen op een manier waardoor de verwezenlijking van het door de richtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar kan worden gebracht. De biocidenrichtlijn voorziet in i) „een voorschriftenkader [...] inzake het op de markt brengen van biociden met het oog op het gebruik ervan”(17), waarvan de toelatingsprocedure de kern uitmaakt, ii) de wederzijdse erkenning van toelatingen en iii) de vaststelling op gemeenschapsniveau van een positieve lijst van werkzame stoffen die in biociden mogen worden gebruikt.(18) Naar mijn mening mag een lidstaat zijn wetgeving dus niet in dier voege wijzigen, dat bijvoorbeeld wordt bepaald dat biociden waarvoor voorheen een toelatingsprocedure gold, zonder toelating op de markt kunnen worden gebracht met het oog op het gebruik ervan.
58. In casu leidt de betrokken wijziging van de wetgeving tot een versoepeling van de toelatingsprocedure voor biociden die werkzame stoffen bevatten die, ten eerste, zijn opgenomen in op nationaal niveau opgestelde lijsten van werkzame stoffen die volgens de nationale autoriteiten geen noemenswaardig of een gering risico opleveren voor mens, dier en milieu, en, ten tweede, voorheen reeds waren toegelaten. Op aanvraag zullen deze producten van rechtswege worden toegelaten; deze toelating wordt beëindigd op het tijdstip waarop uitvoering moet zijn gegeven aan een met betrekking tot de betrokken werkzame stoffen vastgestelde communautaire maatregel.
59. Mijns inziens kan een dergelijke nationale maatregel de verwezenlijking van het door de biocidenrichtlijn voorgeschreven resultaat niet ernstig in gevaar brengen. Zoals het Hof echter in de zaak Inter-Environnement Wallonie heeft verduidelijkt en gelijk ook de Commissie in casu stelt, staat het aan de nationale rechter om dit te beoordelen voorzover daarvoor de nationale maatregel moet worden uitgelegd.
De vierde vraag
60. De nationale rechter stelt zijn vierde vraag slechts, voorzover de tweede vraag ontkennend zou worden beantwoord. De tweede vraag luidt, of artikel 16 van de biocidenrichtlijn dezelfde betekenis heeft als artikel 8, lid 2, van de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn. Zoals ik echter reeds heb aangegeven, is het antwoord op de vierde vraag mijns inziens van nut voor het antwoord op de tweede vraag, in plaats van andersom. Ik stel dan ook voor, de vierde vraag vóór de tweede vraag te onderzoeken.
61. De vierde vraag houdt in, of artikel 8, lid 2, van de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn betekent dat indien een lidstaat toelaat dat gewasbeschermingsmiddelen die werkzame stoffen bevatten die niet in bijlage I bij deze richtlijn zijn opgenomen en die twee jaar na kennisgeving van deze richtlijn reeds op de markt waren, op zijn grondgebied op de markt worden gebracht (bestaande gewasbeschermingsmiddelen), hij daarbij tevens het bepaalde in i) artikel 4 en/of ii) artikel 8, lid 3, van de richtlijn in acht moet nemen.
62. De twee onderdelen van deze vraag zijn in feite twee kanten van dezelfde medaille: het argument dat een lidstaat sommige voorschriften van artikel 4 in acht moet nemen wanneer hij een toelating overeenkomstig artikel 8, lid 2, voor bestaande gewasbeschermingsmiddelen verleent, speelt enkel indien men zich op het standpunt stelt dat artikel 8, lid 3, op deze situatie van toepassing is.
63. Deze uitlegging wordt bepleit door de Stichting en de Deense en de Franse regering. Zij stellen dat artikel 8, lid 3 – dat lidstaten voorschrijft de in artikel 4, lid 1, sub b, punten i-v, en sub c tot en met f, genoemde voorwaarden toe te passen –, van toepassing is wanneer lidstaten „een nieuw onderzoek instellen naar gewasbeschermingsmiddelen die een overeenkomstig lid 2 te onderzoeken werkzame stof bevatten”. Volgens hen vloeit derhalve uit deze formulering voort, dat beide onderdelen van de vraag bevestigend moeten worden beantwoord.
64. In de zaak Monsanto(19) werd het Hof de vraag voorgelegd, of artikel 8, lid 3, van toepassing is indien een lidstaat op grond van artikel 8, lid 2, een aanvraag ontvangt voor een eerste vergunning voor het op de markt brengen van een generiek gewasbeschermingsmiddel, zodat die lidstaat die aanvraag zou moeten beoordelen aan de hand van de voorwaarden van artikel 4, lid 1, sub b, punten i-v, en sub c tot en met f.(20)
65. Monsanto betoogde dat een lidstaat volgens artikel 8, leden 2 en 3, het op zijn grondgebied op de markt brengen van een nieuw gewasbeschermingsmiddel slechts mag toelaten, indien de aanvrager gegevens verstrekt waaruit blijkt dat het betrokken product voldoet aan de eisen van artikel 4, lid 1, sub b tot en met f.(21)
66. Het Hof overwoog dat een nieuw onderzoek als bedoeld in artikel 8, lid 3, „vooronderstelt dat het gewasbeschermingsmiddel reeds tot de markt is toegelaten, zoals met name is af te leiden uit artikel 4, lid 5, [...], op grond waarvan vergunningen voor gewasbeschermingsmiddelen waarvan de werkzame stoffen in bijlage I zijn opgenomen, te allen tijde kunnen worden herzien indien er aanwijzingen bestaan dat niet langer aan een van de toelatingseisen wordt voldaan”. Het vervolgde:
„Een generiek gewasbeschermingsmiddel waarvoor overeenkomstig artikel 8, lid 2, eerste alinea [...] een eerste vergunning voor het op de markt brengen wordt aangevraagd, is evenwel geen gewasbeschermingsmiddel dat reeds tot de markt is toegelaten.
Bij een dergelijke aanvraag kan dan ook geen sprake zijn van een nieuw onderzoek van het betrokken gewasbeschermingsmiddel in de zin van artikel 8, lid 3 [...]
[...]
Bijgevolg verlangt [de gewasbeschermingsmiddelen]richtlijn [...] niet, dat een aanvraag voor een eerste vergunning voor het op de markt te brengen van een [bestaand] generiek gewasbeschermingsmiddel [...] wordt beoordeeld overeenkomstig de eisen van artikel 4, lid 1, sub b, punten i-v, en sub c tot en met f, van genoemde richtlijn”.(22)
67. Uit die uitspraak lijkt ondubbelzinnig te volgen dat wanneer een lidstaat het op zijn grondgebied op de markt brengen van bestaande gewasbeschermingsmiddelen toelaat, hij daarbij het bepaalde in artikel 4 of 8, lid 3, van die richtlijn niet in acht hoeft te nemen. De vierde vraag van de verwijzende rechter lijkt derhalve ontkennend te moeten worden beantwoord, zoals ook 3M Nederland, de Nederlandse regering en de Commissie stellen.
68. Volgens de Stichting volgt echter uit de formulering van artikel 8, lid 3, welke bepaling van toepassing is wanneer lidstaten een nieuw onderzoek instellen naar gewasbeschermingsmiddelen die een „overeenkomstig lid 2 te onderzoeken” werkzame stof bevatten, dat deze bepaling van toepassing is telkens wanneer een lidstaat een toelating overeenkomstig lid 2 verleent.
69. Ik erken dat, ofschoon de uitspraak van het Hof in de zaak Monsanto eenduidig lijkt, de ogenschijnlijke tegenstelling tussen de uitlegging van het Hof en de door de Stichting aangevoerde klaarblijkelijke betekenis van de woorden mij enigszins heeft verontrust. Als artikel 8, lid 3, van toepassing is wanneer lidstaten „een nieuw onderzoek instellen naar gewasbeschermingsmiddelen die een overeenkomstig lid 2 te onderzoeken werkzame stof bevatten”, hoe kan deze bepaling dan niet van toepassing zijn wanneer lidstaten toelatingen overeenkomstig lid 2 verlenen? Ook verbaasde het mij dat het Hof voor zijn uitlegging van artikel 8, lid 3, naar artikel 4, lid 5, verwijst: hoe kan artikel 4, lid 5, dat betrekking heeft op gewasbeschermingsmiddelen waarvan de werkzame stoffen in bijlage I zijn opgenomen, relevant zijn voor een overgangsbepaling die juist dient te gelden wanneer de betrokken werkzame stoffen nog niet in bijlage I zijn opgenomen?
70. Dit is, denk ik, het antwoord. Artikel 8, lid 3, is bedoeld om lidstaten in staat te stellen om op gewasbeschermingsmiddelen waarvan de werkzame stoffen nog niet in bijlage I zijn opgenomen doch die reeds zijn toegelaten overeenkomstig artikel 8, lid 2, eenzelfde procedure toe te passen als in artikel 4, lid 5, is voorzien voor gewasbeschermingsmiddelen waarvan de werkzame stoffen in bijlage I zijn opgenomen. Deze uitlegging verklaart de uitdrukking „overeenkomstig lid 2” – alhoewel duidelijker tot uitdrukking had kunnen worden gebracht dat zij op de verlening van een eerdere toelating doelt en niet op het „nieuw[e] onderzoek” van artikel 8, lid 3(23); zij verklaart tevens, waarom het Hof voor zijn uitlegging van artikel 8, lid 3, naar artikel 4, lid 5, verwijst.
71. Ik merk hierbij op dat artikel 4, lid 5, noch artikel 8, lid 3, voorkwam in het voorstel van de Commissie(24), het gewijzigd voorstel(25) of de tweede wijziging van het voorstel(26) voor een richtlijn. Aangezien laatstgenoemd document door de Commissie op 21 maart 1991 is ingediend en de richtlijn nog geen vier maanden later is vastgesteld, zijn beide bepalingen duidelijk in een zeer laat stadium van het wetgevingsproces ingevoegd, vermoedelijk tegelijkertijd. Dit biedt steun voor het standpunt dat beide bepalingen met elkaar verband houden (en het is wellicht ook een verklaring, zij het geen excuus, voor de onvolkomen redactie van artikel 8, lid 3).
72. De door mij voorgestane uitlegging verklaart tevens de zinsnede „onverminderd lid 3” in artikel 8, lid 2, waaruit de Franse regering afleidt dat de eisen van artikel 8, lid 3, gelden voor de verlening van een toelating overeenkomstig artikel 8, lid 2. Naar mijn mening betekent deze zinsnede niet méér dan dat de verlening van een toelating overeenkomstig artikel 8, lid 2, als zodanig niet garandeert dat een product daarna gevrijwaard is van een nieuw onderzoek overeenkomstig artikel 8, lid 3.
73. De Stichting en de Franse regering trachten het verschil met het arrest Monsanto te benadrukken door erop te wijzen dat het gewasbeschermingsmiddel in die zaak een generiek product was. De Stichting komt tot de slotsom dat de eigenlijke grondslag van dat arrest is, dat niet artikel 8, lid 2, of artikel 8, lid 3, van toepassing was maar uitsluitend artikel 13, lid 6, dat een nadere afwijking van artikel 4 behelst. De Franse regering stelt (hoewel zij dit argument pas in het kader van de vijfde vraag aanvoert) dat de conclusie van het Hof – dat het nieuwe onderzoek bedoeld in artikel 8, lid 3, niet geldt voor bestaande gewasbeschermingsmiddelen – moet worden toegeschreven aan het feit dat het betrokken product generiek was, zodat strikt gezien geen sprake kon zijn van een nieuw product.
74. Ik kan deze visies onmogelijk verenigen met de bewoordingen waarin de uitspraak in de zaak Monsanto is gesteld. Wel heeft het Hof verklaard dat de betrokken aanvraag onder artikel 13, lid 6, viel(27), doch in het daaropvolgende punt overwoog het:
„Tijdens de in artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414 bedoelde overgangsperiode blijven de lidstaten dus hun systeem of praktijk toepassen voor op hun grondgebied op de markt gebrachte gewasbeschermingsmiddelen die niet in bijlage I opgenomen werkzame stoffen bevatten die twee jaar na de datum van kennisgeving van deze richtlijn reeds op de markt zijn.”
75. Ofschoon artikel 13, lid 6 – dat alleen voorschriften inzake de te verstrekken gegevens bevat –, toepasselijk werd geoordeeld op een tijdens de overgangsperiode ingediende aanvraag om toelating van een bestaand generiek gewasbeschermingsmiddel, lijkt het mij duidelijk dat deze bepaling naast en niet in plaats van artikel 8, lid 2, dat de voorwaarden voor toelating regelt, van toepassing was. Uiteraard houden beide bepalingen verband met elkaar: zoals het Hof in het arrest Monsanto heeft verklaard, stelt artikel 8, lid 2, de lidstaten in staat hun systeem of praktijk om bestaande gewasbeschermingsmiddelen op hun grondgebied op de markt te brengen, te blijven toepassen, terwijl artikel 13, lid 6, de lidstaten toestaat de vroegere nationale voorschriften inzake de te verstrekken gegevens te blijven toepassen zolang deze stoffen niet in bijlage I zijn opgenomen.
76. Met betrekking tot het argument van de Franse regering merk ik op, dat nergens in de uitspraak blijkt dat het Hof van oordeel was dat de richtlijn in een verschillende behandeling voorziet voor aanvragen om een eerste toelating voor het op de markt brengen van enerzijds een bestaand generiek gewasbeschermingsmiddel en anderzijds een bestaand niet-generiek gewasbeschermingsmiddel.
77. Ik blijf dan ook bij mijn standpunt dat beide onderdelen van de vierde vraag van de verwijzende rechter ontkennend moeten worden beantwoord.
Conclusie met betrekking tot de tweede vraag
78. Na de derde en de vierde prejudiciële vraag te hebben beantwoord, kan ik nu terugkeren naar de tweede vraag van de verwijzende rechter, te weten de vraag of artikel 16 van de biocidenrichtlijn dezelfde betekenis heeft als artikel 8, lid 2, van de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn.
79. Artikel 16 staat een lidstaat toe „zijn huidige systeem of praktijk met betrekking tot het op de markt brengen van biociden [te] blijven toepassen. Met name mag de lidstaat, overeenkomstig zijn nationale voorschriften, toelaten dat op zijn grondgebied een biocide op de markt wordt gebracht” die aan bepaalde criteria voldoet. Een systeem of praktijk op basis van toelating is dus één van de mogelijke, doch niet noodzakelijkerwijs het enige systeem of de enige praktijk die een lidstaat volgens de richtlijn gedurende de overgangsperiode mag handhaven.
80. Zoals ik echter in het kader van de derde prejudiciële vraag heb opgemerkt(28), is de bevoegdheid van een lidstaat om zijn wetgeving gedurende de overgangsperiode van de biocidenrichtlijn te wijzigen, niet onbeperkt. Uit het arrest van het Hof in de zaak Inter-Environnement Wallonie volgt(29) dat een lidstaat zijn wetgeving gedurende deze periode niet mag wijzigen op een manier waardoor de verwezenlijking van het door de richtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar kan worden gebracht.
81. Op grond van artikel 8, lid 2, mag een lidstaat „toelaten dat gewasbeschermingsmiddelen [...] op zijn grondgebied op de markt worden gebracht” die aan soortgelijke criteria voldoen. Een systeem of praktijk op basis van toelating is derhalve het enige systeem of de enige praktijk die een lidstaat volgens de richtlijn gedurende de overgangsperiode mag toepassen.
82. Hoewel het Hof in het arrest Monsanto(30) heeft verklaard dat de lidstaten tijdens de in artikel 8, lid 2, bedoelde overgangsperiode „hun systeem of praktijk [blijven] toepassen voor op hun grondgebied op de markt gebrachte gewasbeschermingsmiddelen”, wilde het daarmee naar mijn mening niet – en kon het uiteraard ook niet – deze bepaling herschrijven. Ik denk eerder dat het Hof uitging van de premisse dat bestaande systemen of praktijken in lidstaten om gewasbeschermingsmiddelen op de markt te brengen, op een toelating waren gebaseerd. Dit lijkt te volgen uit de voorgaande punten van het arrest en was tevens het geval in het nationale systeem waarom het in die zaak ging.
83. Artikel 8, lid 2, van de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn beperkt lidstaten derhalve tot een systeem of praktijk van toelating voor het op de markt brengen van dergelijke producten, terwijl artikel 16, lid 1, van de biocidenrichtlijn een dergelijke beperking niet kent. Het lijkt echter onwaarschijnlijk dat dit onderscheid in de praktijk veel zal uitmaken, aangezien ten tijde van de vaststelling van de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn „in de meeste lidstaten voorschriften g[o]lden met betrekking tot de toelating van gewasbeschermingsmiddelen”.(31)
De vijfde vraag
84. Met zijn vijfde vraag wil de nationale rechter weten, of onder „nieuw onderzoek” in de zin van artikel 8, lid 3, van de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn ook moet worden verstaan een toets als bedoeld in artikel 25d BMW, op basis waarvan een werkzame stof wordt aangewezen, welke aanwijzing tot gevolg heeft dat gewasbeschermingsmiddelen die de werkzame stof bevatten, van rechtswege zijn toegelaten of geregistreerd.
85. Ik heb hierboven in het kader van mijn bespreking van de vierde vraag uiteengezet, waarom met een „nieuw onderzoek” in de zin van artikel 8, lid 3, mijns inziens wordt gedoeld op een herziening van de toelatingen die lidstaten gedurende de overgangsperiode hebben verleend, bedoeld als een equivalent gedurende die periode van de herziening overeenkomstig artikel 4, lid 5, van de richtlijn voor toelatingen die na het verstrijken van die periode zijn verleend. Volgens artikel 4, lid 5, kunnen lidstaten een toelating te allen tijde herzien „indien er aanwijzingen bestaan dat niet langer wordt voldaan aan de in [artikel 4,] lid 1 genoemde eisen”. Artikel 8, lid 3, stelt de lidstaten in staat, toelatingen die overeenkomstig artikel 8, lid 2, zijn verleend, aan een nieuw onderzoek te onderwerpen: alvorens tot een dergelijk onderzoek over te gaan, moeten de lidstaten volgens artikel 8, lid 3, „de in artikel 4, lid 1, onder b, punten i tot en met v, en onder c tot en met f, genoemde voorwaarden toe[passen], uit hoofde van de nationale bepalingen betreffende de te verstrekken gegevens”, teneinde te beslissen of een nieuw onderzoek van gewasbeschermingsmiddelen nodig is.(32)
86. De nationale rechter dient in casu vast te stellen of de toets bedoeld in artikel 25d BMW, een dergelijk nieuw onderzoek inhoudt, zoals de Stichting en de Franse regering in wezen stellen. Ik wil enkel opmerken dat de door de verwijzende rechter en de Nederlandse regering verstrekte informatie over die bepaling en de werking daarvan doen vermoeden, dat de in geding zijnde nationale wettelijke regeling veeleer voorziet in een procedure in geval van aanvragen om toelating voor het op de markt brengen van bestaande gewasbeschermingsmiddelen, zodat zij een uitvoering lijkt te geven aan artikel 8, lid 2, van de richtlijn en niet aan artikel 8, lid 3.
De zesde vraag
87. De zesde vraag van de nationale rechter komt er in wezen op neer, of de voorschriften in artikel 8, lid 3, alleen van toepassing zijn op de verstrekking van gegevens voorafgaand aan een nieuw onderzoek, of ook op de wijze waarop een nieuw onderzoek moet worden ingericht en uitgevoerd.
88. Naar mijn mening bevat artikel 8, lid 3, geen enkele aanwijzing dat het ook de wijze regelt waarop een nieuw onderzoek moet worden ingericht en uitgevoerd. In feite zie ik niet, hoe voorschriften betreffende de inrichting en uitvoering van een nieuw onderzoek kunnen worden afgeleid uit deze bepaling, die slechts van de lidstaten verlangt dat „zij [...] de in artikel 4, lid 1, onder b, punten i tot en met v, en onder c tot en met f, genoemde voorwaarden toe[past], uit hoofde van de nationale bepalingen betreffende de te verstrekken gegevens”. De voorwaarden in artikel 4, lid 1, sub b tot en met e, hebben voornamelijk betrekking op de veiligheid en de doeltreffendheid van het betrokken product bij het gebruik daarvan. Artikel 4, lid 1, sub f, schrijft voor dat de lidstaat maximum residugehalten bepaalt die aan de Commissie moeten worden meegedeeld en door haar moeten worden goedgekeurd. Zoals het Hof in het arrest Monsanto heeft overwogen, zijn deze voorwaarden de criteria aan de hand waarvan lidstaten moeten beslissen, of een nieuw onderzoek van gewasbeschermingsmiddelen nodig is.(33) Zij houden dus geenszins verband met de inrichting en de uitvoering van een dergelijk onderzoek.
Conclusie
89. Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de vragen van het College van Beroep voor het bedrijfsleven te beantwoorden als volgt:
„1) Gedurende de periode bepaald in artikel 16, lid 1, van richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden, mogen lidstaten hun nationale regels met betrekking tot het op de markt brengen van biociden niet aldus wijzigen dat de verwezenlijking van het door deze richtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar zou kunnen worden gebracht; het staat aan de nationale rechter om te beoordelen, of zulks het geval is ten aanzien van de in geding zijnde nationale bepalingen.
2) Wanneer een lidstaat overeenkomstig artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, toelaat dat gewasbeschermingsmiddelen op zijn grondgebied op de markt worden gebracht die werkzame stoffen bevatten die niet in bijlage I bij deze richtlijn zijn opgenomen en die twee jaar na kennisgeving van deze richtlijn reeds op de markt waren, hoeft hij daarbij niet de voorschriften van artikel 4 of van artikel 8, lid 3, van de richtlijn in acht te nemen.
3) Het staat aan de nationale rechter om te bepalen, of de toets bedoeld in artikel 25d van de gewijzigde Bestrijdingsmiddelenwet 1962 een ‚nieuw onderzoek’ in de zin van artikel 8, lid 3, van richtlijn 91/414/EEG is.
4) Artikel 8, lid 3, van richtlijn 91/414/EEG regelt niet de wijze waarop een ‚nieuw onderzoek’ in de zin van deze bepaling moet worden ingericht en uitgevoerd.”
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 230, blz. 1).
3 – Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PB L 123, blz. 1).
4 – Artikel 2, lid 1.
5 – Verordening (EG) nr. 2076/2002 van de Commissie van 20 november 2002 (PB L 319, blz. 3).
6 – Artikel 1, lid 1, sub a.
7 – Artikel 2, lid 1, sub a.
8 – Artikel 2, lid 1, sub f.
9 – Zie artikel 2, lid 1, sub a, en bijlage V.
10 – De wet hanteert het begrip „bestrijdingsmiddelen”, waarmee zowel op gewasbeschermingsmiddelen als op biociden wordt gedoeld.
11 – Bij wet van 15 december 1994 (Staatsblad 1995, 4).
12 – Zie punt 8.
13 – Op 25 maart 2005 heeft dezelfde rechter, in een andere procedure van de Stichting tegen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, naar aanleiding van een besluit op basis van een andere bepaling van de BMW acht andere prejudiciële vragen gesteld, waarvan sommige deels identiek zijn met de in casu gestelde eerste, tweede, vierde en zesde vraag (zaak C-138/05).
14 – Ondernemingen in de Nederlandse sector van gewasbeschermingsmiddelen en biociden.
15 – Arrest van 13 november 1990, Marleasing (C-106/89, Jurispr. blz. I-4135, punten 7 en 8), zoals daarna in vele andere arresten bevestigd, recentelijk nog in het arrest van 10 maart 2005, Nikoloudi (C-196/02, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 73).
16 – Arrest van 18 december 1997 (C-129/96, Jurispr. blz. I-7411, punten 45 en 46).
17 – Overweging 4 van de considerans van de richtlijn.
18 – Artikel 1, lid 1.
19 – Arrest van 3 mei 2001 (C-306/98, Jurispr. blz. I-3279, punt 43).
20 – Punt 29.
21 – Punt 21.
22 – Punten 34-36 en 41.
23 – Deze opvatting lijkt steun te vinden in de Nederlandse („Wanneer lidstaten een nieuw onderzoek instellen naar gewasbeschermingsmiddelen die een overeenkomstig lid 2 te onderzoeken werkzame stof bevatten […]”) en de Duitse taalversie („Bei der Überprüfung von Pflanzenschutzmitteln, die einen Wirkstoff gemäß Absatz 2 enthalten […]”).
24 – COM(76) 427 def.; PB 1976, C 212, blz. 3.
25 – COM(89) 34 def.; PB 1989, C 89, blz. 22.
26 – COM(91) 87 def.; PB 1991, C 93, blz. 7.
27 – Punt 42.
28 – Zie punt 57.
29 – Aangehaald in voetnoot 16.
30 – Aangehaald in voetnoot 19, punt 43.
31 – Vijfde overweging van de considerans.
32 – Zie arrest Monsanto, punt 39.
33 – Punt 39.
Full & Egal Universal Law Academy