CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
D. RUIZ-JARABO COLOMER
van 8 september 2005 1(1)
Zaak C‑331/04
A.T.I. e.a.C. Srl,
Viaggi di Maio Snc
tegen
A.C.T.V. Venezia SpA,
Provincia di Venezia,
Comune di Venezia
[verzoek van de Consiglio di Stato (Italië) om een prejudiciële beslissing]
„Overheidsopdrachten voor dienstverlening – Procedures voor plaatsen van opdrachten – Harmonisatie van wetgevingen – Richtlijnen 92/50/EEG en 93/38/EEG – Artikel 36, lid 2, respectievelijk artikel 34, lid 2 – Gunningscriteria – Economisch voordeligste aanbieding – Concessie van openbare vervoerdiensten – In aankondiging van opdracht of bestek gestelde criteria – Recht van aanbestedingscomité ze te specificeren of aan te vullen – Beginselen van gelijke behandeling van inschrijvers en van transparantie”
1. Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 36, lid 2, van richtlijn 92/50/EEG(2) en artikel 34, lid 2, van richtlijn 93/38/EEG.(3)
2. Het verzoek van de Consiglio di Stato betreft de gunning van een opdracht volgens de methode van de economisch voordeligste aanbieding en de daarbij te hanteren criteria. Hij verzoekt het Hof de bevoegdheden van de aanbestedende dienst en van het aanbestedingscomité nader te preciseren, teneinde te vernemen of de eerste zich ertoe kan beperken deze criteria in de aankondiging van de opdracht of het bestek vast te stellen en nadere specificatie en aanvulling ervan aan het tweede kan overlaten.
3. Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen zijn enkele dwingende beginselen voor de plaatsing van overheidsopdrachten in acht te nemen, die strekken tot de invoering van objectieve deelnemings‑ en gunningsregels met transparante procedures waarin discriminerende maatregelen en clausules zijn verboden.
I – De uit te leggen bepalingen
4. De twee richtlijnen, die strekken tot gelijke behandeling van de inschrijvers (artikel 3, lid 2, van richtlijn 92/50 en artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/38), voeren neutrale methoden in voor de gunning van de opdrachten, zowel voor die op basis van de laagste prijs als die op basis van de economisch voordeligste aanbieding (artikel 36, lid 1, respectievelijk artikel 34, lid 1).
5. Wat deze laatste methode betreft, bepaalt artikel 36, lid 2, van richtlijn 92/50: „[De aanbestedende diensten] vermelden [...] in het bestek of in de aankondiging van de opdracht de gunningscriteria die zij voornemens zijn te hanteren, zo mogelijk in afnemende volgorde van het belang dat eraan wordt gehecht.” Artikel 34, lid 2, van richtlijn 93/38 is vrijwel eensluidend.
II – Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen
6. E.A.C. Srl en „Viaggi di Maio” Snc (hierna: „EAC”) hebben in een tijdelijk samenwerkingsverband deelgenomen aan een door Azienda del Consorcio Trasporti Veneciano (hierna: „ACTV”) krachtens artikel 24, lid 1, sub b, van wetsdecreet nr. 158/1995(4) betreffende onderaanneming van personenvervoer over de weg(5) uitgeschreven aanbesteding waarbij de opdracht zou worden gegund volgens voormelde tweede methode.
7. Het bestek stelde de criteria voor de bepaling van de economisch voordeligste aanbieding vast. Het derde criterium betrof de organisatorische maatregelen en ondersteunende infrastructuur voor het verrichten van de dienst, waarvoor het aanbestedingscomité maximaal 25 punten mocht toekennen.(6) De inschrijvers moesten een beschrijving geven van a) de depots en/of terreinen voor het parkeren van de autobussen, b) de wijze van toezicht op de geleverde dienst en het aantal personen dat met dit toezicht belast is, c) het aantal bestuurders voor de lijndiensten en het type rijbewijs dat zij bezitten, d) het aantal gebouwen waarover de onderneming beschikt op het grondgebied van de Provincia di Venezia en e) het aantal personeelsleden van de organisatie dat chauffeursdiensten draait.
8. Na de indiening van de enveloppen en vóór de opening ervan, maar in elk geval nadat het kennis had genomen van de lijst van de inschrijvers, heeft het aanbestedingscomité de punten over voormelde vijf subcriteria verdeeld: 8 punten voor het eerste, 7 voor het tweede, 6 voor het derde en telkens 2 voor de twee laatste.
9. De dienst is gegund aan „La Línea”, die 86,53 punten behaalde; EAC, die slechts 83,50 punten had behaald, heeft de uitslag aangevochten voor het Tribunale amministrativo regionale del Veneto. Zij stelde dat haar concurrente de opdracht had gekregen door de weging achteraf van het aantal punten voor de organisatorische maatregelen en ondersteunende infrastructuur. Daarbij baseerde zij zich op artikel 36 van richtlijn 92/50 en artikel 24, lid 1, sub b, van wetsdecreet nr. 158/1995.
10. Het Tribunale amministrativo regionale per il Veneto heeft het beroep verworpen bij vonnis van 15 april 2003, waartegen EAC hoger beroep heeft ingesteld bij de Consiglio di Stato, waarvan de rechtspraak de praktijk aanvaardt waarbij de aanbestedingscommissies een bepaalde speelruimte wordt gelaten, om de in de aankondiging van de opdracht gegeven algemene criteria te specificeren en vooraf bepaalde hoofdcategorieën in subonderdelen te verdelen.
11. Om te weten of deze uitlegging verenigbaar is met artikel 36 van richtlijn 92/50 en artikel 34 van richtlijn 93/38, heeft de Consiglio di Stato het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Moeten deze bepalingen [artikel 36 van richtlijn 92/50 en artikel 34 van richtlijn 93/38] aldus worden uitgelegd dat zij elastische normen bevatten op grond waarvan de aanbestedende dienst, bij aanbestedingen volgens de methode van de economisch voordeligste aanbieding, mag volstaan met een algemene formulering van de criteria in de aankondiging of het bestek, waarna het zo nodig aan het aanbestedingscomité wordt overgelaten om deze criteria eventueel te specificeren en/of aan te vullen, mits een dergelijke specificatie en/of aanvulling plaatsvindt vóór opening van de verzegelde enveloppen die de aanbiedingen bevatten en daarmee geen nieuwe criteria ten opzichte van de reeds in de aankondiging geformuleerde criteria worden ingevoerd? Of is hier sprake van een strenge norm, die de aanbestedende dienst ertoe verplicht de gunningscriteria gedetailleerd weer te geven in de aankondiging of het bestek, en hoe dan ook vóór de preselectie of de uitnodiging, en die uitsluit dat het aanbestedingscomité op enigerlei wijze tussenbeide komt door voornoemde criteria te specificeren en/of aan te vullen of door subonderdelen of -punten in te voeren, aangezien alle gunningscriteria om redenen van transparantie moeten worden vermeld in de aankondiging of het bestek?
En is ten slotte verenigbaar met het gemeenschapsrecht het in de rechtspraak van de Consiglio di Stato uitgekristalliseerde standpunt om deze bepaling aldus uit te leggen, dat de tussenkomst van het aanbestedingscomité waarbij de criteria worden aangevuld, toelaatbaar is?
2) Indien dit voorschrift, gelet op de zinsnede ‚zo mogelijk’, elastisch moet worden uitgelegd, is het dan rechtmatig dat de aanbestedende dienst een bestek opstelt waarin met betrekking tot een gunningscriterium (in casu organisatorische maatregelen en ondersteunende infrastructuur) de toekenning van punten wordt overgelaten aan het definitieve oordeel van de aanbestedende dienst, wat betreft een complexe reeks criteria ten aanzien waarvan de aankondiging niet in een schaalverdeling voorziet, zodat deze deels ongespecificeerd blijven? Of vereist de bepaling dat de criteria in beginsel zo nauwkeurig mogelijk worden geformuleerd, hetgeen zich verzet tegen het ontbreken van een schaalverdeling van deze criteria in de aankondiging? Voorzover zowel het elastische karakter van de bepaling als het onverplichte karakter van de schaalverdeling van de elementen worden erkend en dus de bepaling geldig wordt geacht, is het dan, bij gebreke van een uitdrukkelijke attributie van bevoegdheden aan het aanbestedingscomité in de aankondiging, toegestaan dat het comité een aanvullende of specificerende rol speelt (in dier voege dat het een zelfstandig belang en een relatief gewicht toekent aan elk van de afzonderlijke elementen waarvoor volgens de aankondiging maximaal 25 punten in hun geheel kunnen worden toegekend)? Of moet het bestek letterlijk worden toegepast, zodat de punten worden toegekend op basis van één totaalbeoordeling van de verschillende en complexe elementen die in de lex specialis zijn voorzien?
3) Mag, in het licht van deze bepaling, het aanbestedingscomité dat de aanbiedingen in het kader van de aanbestedingsprocedure moet beoordelen volgens de methode van de economisch voordeligste aanbieding – ongeacht de formuleringswijze in de aankondiging en uitsluitend voorzover de te beoordelen elementen van complexe aard zijn –, in het algemeen bevoegd worden geacht om zijn werkwijze zelf te bepalen door de maatstaven voor de toepassing van de in de aankondiging geformuleerde criteria te specificeren, en kan een dergelijke bevoegdheid van het comité worden uitgeoefend door subonderdelen of ‑punten in te voeren of gewoonweg door méér specifieke criteria te geven voor de toepassing van de in de aankondiging of het bestek algemeen geformuleerde criteria, op voorwaarde uiteraard dat de enveloppen nog niet zijn geopend?”
III – Het procesverloop voor het Hof
12. De Commissie van de Europese Gemeenschappen, de Oostenrijkse en de Nederlandse regering alsook EAC en ACTV hebben binnen de termijn van artikel 20 van het Statuut-EG van het Hof van Justitie schriftelijke opmerkingen ingediend. EAC en ACTV zijn in hun mondelinge opmerkingen gehoord ter terechtzitting van 7 juli 2005.
IV – De ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen
13. De Oostenrijkse regering en ACTV achten de prejudiciële vragen, zij het om uiteenlopende redenen, niet-ontvankelijk en verbinden daaraan andere gevolgen.
14. Volgens de Oostenrijkse regering vermeldt de verwijzingsbeschikking niet duidelijk de uit te leggen bepalingen, en volgt uit pagina 10 ervan dat artikel 34 van richtlijn 93/38 niet van toepassing is op het hoofdgeding. Geen van deze verwijten is overtuigend, aangezien de Consiglio di Stato zijn twijfel uit over de uitlegging „van artikel 34 van richtlijn 93/38 en in het bijzonder van het overeenkomstige artikel 36 van richtlijn 92/50” en vermeldt dat appellante zich beroept op de tekst van dit laatste, dat inhoudelijk overeenstemt met het eerste, „dat van toepassing is op de onderhavige zaak, ook al wordt het niet uitdrukkelijk en letterlijk door appellante aangehaald”.
15. In zekere zin concludeert de Oostenrijkse regering niet tot niet-ontvankelijkverklaring a limine van de prejudiciële vragen, maar stelt zij dat alleen artikel 36 van richtlijn 92/50, dat met artikel 34 van richtlijn 93/38 overeenkomt, moet worden onderzocht. In deze omstandigheden is dit niet-ontvankelijkheidsmiddel als overbodig te beschouwen want, welke uitlegging ook wordt gegeven, zij zal voor de twee bepalingen gelden, en het staat aan de nationale rechter vast te stellen welke bepaling in casu van toepassing is; het Hof kan zich daarin niet mengen, tenzij de feiten geen verband houden met het gemeenschapsrecht en het vraagstuk zuiver hypothetisch is en geen verband houdt met een reëel geschil.
16. Onder deze laatste categorie valt het niet-ontvankelijkheidsmiddel van ACTV, dat alleen op het eerste gezicht overtuigender lijkt. Het belang van de Italiaanse rechter om te vernemen of het aanbestedingscomité de gunningscriteria in de aankondiging of het bestek eventueel mag „specificeren” en/of „aanvullen”, is volgens ACTV irrelevant, omdat het comité dit in het onderhavige geval niet heeft gedaan. Blijkens de verwijzingsbeschikking heeft het alleen de subcriteria voor de beoordeling vastgesteld die de voorwaarden in de aankondiging nader preciseren zonder er nieuwe in te voeren (punt 5, laatste alinea).
17. Hoe moeilijk het hypothetische karakter van een prejudiciële vraag ook is te beoordelen(7), dit argument is tegenstrijdig, want ACTV geeft toe dat de vastgestelde criteria gespecificeerd zijn en verklaart vervolgens dat het voor de Consiglio di Stato niet noodzakelijk is te vernemen of zij gelet op artikel 36 van richtlijn 92/50 en artikel 34 van richtlijn 93/38 achteraf mogen worden gespecificeerd. Bovendien strekken deze vragen tot toetsing van de geldigheid van de op het hoofdgeding toepasselijke Italiaanse rechtspraak, krachtens welke het aanbestedingscomité de gunningscriteria in de aankondiging of het bestek vóór de opening van de enveloppen kan specificeren en/of aanvullen; het verzoek om een prejudiciële beslissing is dus ontvankelijk.
V – De voor de plaatsing van overheidsopdrachten geldende beginselen
18. De Consiglio di Stato wenst te vernemen of de aanbestedende dienst bij aanbestedingen volgens de methode van de economisch voordeligste aanbieding, gelet op de door hem genoemde bepalingen, de criteria in de aankondiging of het bestek algemeen mag formuleren en een specificatie en aanvulling van deze criteria aan het aanbestedingscomité mag overlaten (eerste vraag).
19. Hij wenst ook te vernemen of de aanbestedende dienst volgens deze ruime uitlegging, gelet op de in de twee betrokken bepalingen gebruikte zinsnede „zo mogelijk”, een gunningscriterium punten mag geven die over verschillende complexe criteria zijn te verdelen, zonder hun respectieve belang te preciseren, zodat het aanbestedingscomité achteraf de punten moet verdelen en de volgorde van belangrijkheid moet bepalen en, zo ja, of dit laatste zijn bevoegdheid kan omlijnen door de in de aankondiging van de opdracht vastgestelde criteria te specificeren, met name door subonderdelen of -punten in te voeren (tweede en derde vraag).
20. Ter beantwoording van voormelde vragen is het voor een beter begrip van artikel 36 van richtlijn 92/50 en artikel 34 van richtlijn 93/38 nuttig om, zoals in de conclusie in de gevoegde zaken Lombardini en Mantovani(8), de beginselen voor de selectie van de aannemer in herinnering te brengen.
21. Deze twee richtlijnen beogen, elk op hun eigen terrein, de ontwikkeling van een daadwerkelijke mededinging te bevorderen door de vier voor de Europese integratie essentiële vrijheden te verwezenlijken (vrij verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal)(9), overeenkomstig de voorschriften die de gemeenschapswetgever heeft neergelegd in de artikelen 9, 52 en 59 EG-Verdrag (thans, na wijziging, de artikelen 23 EG, 43 EG en 49 EG) en 73 B EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 56 EG).
22. Dit voorschrift en dat doel vereisen dat voor degenen die een overheidsopdracht willen krijgen, gelijke voorwaarden gelden, zonder ook maar de geringste discriminatie. Daarom is een systeem noodzakelijk dat in alle opzichten, zowel materieel als formeel, gekenmerkt wordt door objectiviteit. Dit betekent in de eerste plaats de vaststelling van objectieve criteria voor deelneming aan de inschrijvingen en gunning van de opdrachten(10), en in de tweede plaats de invoering van transparante procedures, waarin openbaarheid de regel moet zijn.
23. De inschrijvers worden geselecteerd op basis van hun bekwaamheid op professioneel, economisch en technisch gebied. Een discriminerende werking wordt voorkomen door voor elk geval de regels voor het verloop van de procedure en de niveaus inzake bekwaamheid en ervaring vooraf vast te stellen.(11)
24. Wanneer de inschrijvers geselecteerd zijn, geschiedt de gunning aan de hand van objectieve criteria, namelijk de laagste prijs dan wel de economisch voordeligste aanbieding. In het laatste geval specificeert de aanbestedende dienst het relatieve belang dat hij toekent aan de selectiecriteria in het bestek of in de aankondiging van de opdracht(12), overeenkomstig de in de onderhavige prejudiciële verwijzing aan de orde zijnde bepalingen.
25. Het systeem laat dus niets over aan het toeval of aan de willekeur van degene die de eindbeslissing moet nemen. Het beginsel van gelijke behandeling verlangt dat degenen die voor een dergelijke opdracht in aanmerking willen komen, tevoren weten wat zij daarvoor moeten doen, zodat de aanbestedende dienst in het kader van de beoordelingsmarge die inherent is aan de technische discretionaire bevoegdheid, slechts de criteria hoeft toe te passen die in de lex contractus zijn neergelegd, hetzij in de algemene voor overheidsopdrachten geldende regeling, hetzij in de regeling voor een concreet geval.
26. Objectieve criteria volstaan niet om deze gelijke behandeling en non-discriminatie; vanaf de aankondiging van de opdracht, via het bestek, tot de eigenlijke selectieprocedure(13), moet zowel in openbare als niet-openbare procedures worden bekendgemaakt hoe zij worden toegepast.
VI – De beantwoording van de prejudiciële vragen
27. Een aantal ter terechtzitting gemaakte opmerkingen betreft meer het hoofdgeding dan de onderhavige procedure. Het staat evenwel niet aan het Hof te beslissen of de gunning van de betrokken vervoerdienst regelmatig is. Dat is de taak van de Consiglio di Stato.
28. De taak van het Hof is complexer en belangrijker; het Hof moet bepalen of het met de uit te leggen bepalingen in het licht van voormelde beginselen verenigbaar is dat een aanbestedingscomité zich niet ertoe beperkt, met de noodzakelijke beoordelingsmarge de aanbiedingen volgens de criteria in de aankondiging van de opdracht of in het bestek te beoordelen, omdat het ook de bevoegdheid heeft deze criteria te specificeren of aan te vullen. Samengevat moet het Hof bepalen of dit zuiver uitvoerende orgaan ook „quasi-normatieve” bevoegdheden kan uitoefenen door de lex contractus in zekere zin inhoudelijk te bepalen.
A – De eerste prejudiciële vraag
29. Artikel 36 van richtlijn 92/50 en artikel 34 van richtlijn 93/38 zijn voorschriften inzake de gunning van opdrachten. Daartoe voorzien zij in voormelde twee methoden: de laagste prijs en de economisch voordeligste aanbieding. De eerste laat wegens haar gebonden karakter geen plaats voor uitlegging door de aanbestedende dienst; de tweede daarentegen is een onbepaald rechtsbegrip dat de aanbestedende dienst telkens nader moet specificeren. Daartoe geeft lid 1, sub a, van deze twee bepalingen een niet-limitatieve opsomming van verschillende gegevens, die ingevolge lid 2 van deze bepalingen in het bestek of de aankondiging van de opdracht in afnemende volgorde van belangrijkheid moeten worden vermeld.
30. Derhalve moet de aanbestedende dienst de door het aanbestedingscomité bij de keuze van de beste aanbieding in aanmerking te nemen criteria vooraf in de aankondiging van de opdracht of in het bestek vermelden; hij mag deze criteria niet door verwijzing of achteraf vaststellen.
31. Dit vloeit volgens de gemeenschapsrechtspraak noodzakelijkerwijze voort uit de beginselen van transparantie, openbaarheid en gelijke behandeling. De gunningscriteria moeten geschikt zijn om de voordeligste aanbieding te bepalen en dus noodzakelijkerwijze verband houden met het voorwerp van de opdracht(14); zij moeten in voormelde documenten aldus worden geformuleerd(15) dat alle redelijk geïnformeerde en normaal zorgvuldige inschrijvers in staat zijn ze op dezelfde wijze te interpreteren(16), en hun rangorde moet worden aangegeven.(17)
32. De aanbestedende dienst is dus niet volledig vrij en kan de criteria ter beoordeling van de aanbiedingen niet naar eigen goeddunken vaststellen. Evenmin kan hij kiezen wanneer hij deze criteria openbaar maakt, of ze in de loop van de selectieprocedure wijzigen; hij mag ze dus evenmin inhoudelijk wijzigen.(18)
33. Uit de voorgaande overwegingen vloeit voort dat het aanbestedingscomité geen andere bevoegdheid heeft dan de toepassing van de vooraf door de aanbestedende dienst vastgestelde criteria, die dankzij de transparantie van de procedure en de openbaarmaking van deze criteria iedere belanghebbende bekend moeten zijn. Bijgevolg brengen de door de Consiglio di Stato in zijn eerste vraag bedoelde specificatie en aanvulling van deze criteria een regelgevende activiteit en niet alleen een gewone indeling onder de aanvankelijk gestelde categorieën mee, en zijn zij dus in strijd met de geest van richtlijnen 92/50 en 93/38, want zij miskennen het doel ervan.
34. Irrelevant is dat dit vóór de opening van de enveloppen plaatsvindt, want de gelijkheid moet zowel voor de gunning van de opdracht als voor de deelneming worden verzekerd, zodat het ontbreken van volledige inlichtingen over de voorwaarden van de selectieprocedure een gebrek aan openbaarmaking is, dat eventuele inschrijvers kan uitsluiten die, indien zij alle voorwaarden hadden gekend, tot deelneming aan de procedure hadden kunnen besluiten.(19) Bovendien zou, zoals de Commissie en de Oostenrijkse regering suggereren, het aanbestedingscomité dat is belast met de bepaling van de voordeligste aanbieding, indien het die mogelijkheid had, het eindresultaat kunnen beïnvloeden. Hierdoor zou afbreuk kunnen worden gedaan aan de onpartijdigheid van de procedure, aangezien het comité op het tijdstip van zijn optreden weliswaar de inhoud van de enveloppen niet kent, maar wel de inschrijvers, zodat het de schaal ten gunste van een van hen kan laten doorslaan.
35. Samengevat moet de aanbestedende dienst ingevolge artikel 36, lid 2, van richtlijn 92/50 en artikel 34, lid 2, van richtlijn 93/38 de gunningscriteria in detail in de aankondiging van de opdracht of in het bestek vermelden, zonder dat het aanbestedingscomité iets anders mag doen dan deze criteria toepassen, daar het, zelfs vóór de opening van de enveloppen met de aanbiedingen, geen enkel nieuw criterium mag invoeren.
B – De tweede en de derde prejudiciële vraag
36. Vooraf moeten dus alle wegingscriteria worden gegeven en hun relatief belang in afnemende volgorde worden vermeld.
37. Bijgevolg moeten de voor de opdracht in aanmerking te nemen gunningscriteria steeds in de aankondiging van de opdracht en in het bestek worden vermeld, zonder dat het aanbestedingsgcomité criteria kan uitsluiten, er andere aan kan toevoegen of de aanvankelijk gestelde criteria kan onderverdelen. Zoals gezegd, is het comité niet bevoegd om nieuwe criteria in te voeren of om de bestaande criteria te wijzigen of aan te vullen.
38. Wanneer het onmogelijk is de verschillende beoordelingscriteria in de aankondiging van de opdracht of het bestek te wegen, zou het aanbestedingscomité daartoe bevoegd kunnen worden geacht. Artikel 36, lid 2, van richtlijn 93/50 en artikel 34, lid 2, van richtlijn 93/38 verzetten zich daar overeenkomstig de algemene beginselen voor overheidsopdrachten evenwel tegen, want het comité zou de criteria kunnen wijzigen en aldus de uitslag van de selectieprocedure kunnen beïnvloeden. In dat geval lijkt het meer in de geest van de richtlijn, die taak toe te vertrouwen aan een deskundige, die niet deelneemt aan de eindbeslissing.(20)
39. De thans toepasselijke richtlijnen 2004/18 en 2004/17/EG(21) bevestigen deze gedachte; krachtens hun artikel 53 respectievelijk artikel 55 moet de aanbestedende dienst elk van de criteria vermelden die in aanmerking worden genomen om de voordeligste aanbieding te bepalen, en daarbij voorzien in een puntenscala met een passende afstand tussen minimum en maximum. Wanneer om aantoonbare redenen geen weging mogelijk is, moet de aanbestedende dienst de criteria in afnemende volgorde van belangrijkheid vermelden zonder dat het aanbestedingscomité kan ingrijpen.
40. Nog minder is een werkwijze als die in het hoofdgeding aanvaardbaar, waarbij de aanbestedende dienst een meetbaar criterium aangeeft onder verwijzing naar verschillende elementen, waaraan hij en bloc punten heeft toegekend, zonder enige volgorde van belangrijkheid vast te stellen zodat het aanbestedingscomité niet alleen deze punten over die verschillende elementen dient te verdelen, maar ook de respectieve belangrijkheid ervan dient aan te geven.
41. Wanneer de gunningscriteria in de aankondiging van de opdracht of in het bestek niet in afnemende volgorde van belangrijkheid kunnen worden vermeld, verzetten artikel 36, lid 2, van richtlijn 92/50 en artikel 34, lid 2, van richtlijn 93/38 er zich mijns inziens dus tegen dat het aanbestedingscomité zulks achteraf, zelfs vóór de opening van de enveloppen doet, en dus regels voor zijn optreden vaststelt of de in deze documenten genoemde punten verdeelt over de verschillende criteria op basis van hun relatieve belangrijkheid.
VII – Conclusie
42. Op grond van een en ander geef ik het Hof in overweging op de door de Consiglio di Stato aan het Hof voorgelegde vragen te antwoorden als volgt:
„1) Ingevolge artikel 36, lid 2, van richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening, en artikel 34, lid 2, van richtlijn 93/38/EEG van de Raad van 14 juni 1993 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie, moet de aanbestedende dienst de gunningscriteria in detail in de aankondiging van de opdracht of in het bestek vermelden, zonder dat het aanbestedingscomité iets anders mag doen dan deze criteria toepassen, daar het, zelfs vóór de opening van de enveloppen met de aanbiedingen, geen enkel nieuw criterium mag invoeren.
2) Wanneer de gunningscriteria in de aankondiging van de opdracht of in het bestek niet in afnemende volgorde van belangrijkheid kunnen worden vermeld, verzetten voormelde bepalingen er zich tegen dat het aanbestedingscomité zulks achteraf, zelfs vóór de opening van de enveloppen doet, en dus regels voor zijn optreden vaststelt of de in deze documenten genoemde punten verdeelt over de verschillende criteria op basis van hun relatieve belangrijkheid.”
1 – Oorspronkelijke taal: Spaans.
2 – Richtlijn van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening (PB L 209, blz. 1).
3 – Richtlijn van de Raad van 14 juni 1993 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water‑ en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie (PB L 199, blz. 84).
4 – Gazzetta Ufficiale della Repubblica Italiana nr. 104 van 6 mei 1995. Volgens dit artikel "vermeldt de aanbestedende dienst, bij toepassing van de methode van de economisch voordeligste aanbieding, die naar gelang van de betrokken opdracht [...] op basis van verschillende elementen wordt bepaald, in het bestek of de aankondiging van de opdracht alle gunningscriteria [...] in afnemende volgorde van belangrijkheid [...].” .
5 – Het betreft de stadsdienst van Mestre, partij nr. 1, voor de periode van 16 juni 2002 tot 31 december 2003 .
6 – Punt 3.10, nr 6, van de deelnemingsvoorwaarden.
7 – De enige rechtspraak inzake het verbod van hypothetische vragen volgt uit de arresten Foglia [arrest van 11 maart 1980 (104/79, Jurispr. blz. 745) en 16 december 1981 ( 244/80, Jurispr. blz. 3045)], is achteraf niet bevestigd en is door de meest gezaghebbende rechtsleer gekritiseerd (Barav, A.: „Preliminary Censorship? The Judgment of the European Court in Foglia v. Novello”, in European Law Review 1980, blz. 443-468).
8 – Conclusie van 2 juni 2001 in de gevoegde zaken C-285/99 en C-286/99 (Lombardini en Mantovani, arrest van 27 november 2001, Jurispr. blz. I‑9233).
9 – In het bijzonder de tweede overweging van de considerans van richtlijn 92/50 en de eerste van richtlijn 93/38. Dezelfde gedachte is te vinden in de tweede overweging van de considerans van richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PB L 134, blz. 114), die bij het verstrijken van de omzettingstermijn ervan in 2006 onder meer richtlijn 92/50 zal vervangen.
10 – Het onderscheid tussen deze twee soorten criteria, waarop advocaat-generaal Darmon in zijn conclusie in zaak 31/87 (Beentjes, arrest van 20 september 1988, Jurispr. blz. 4635) heeft gewezen, is ook te vinden in richtlijn 2004/18 (negenendertigste en zesenveertigste overweging van de considerans),
11 – De artikelen 29 tot en met 35 van richtlijn 92/50 en de artikelen 30 tot en met 33 van richtlijn 93/38 betreffen dit aspect.
12 – De aannemer moet worden gekozen op basis van voorwaarden die verband houden met het voorwerp van de opdracht: onder meer de kwaliteit, de technische waarde, de esthetische en functionele kenmerken, de klantenservice en technische bijstand, de leverings‑ en uitvoeringstermijn alsook de rentabiliteit en de gebruikskosten (artikel 36, lid 1, sub a, van richtlijn 92/50 en artikel 34, lid 1, sub a, van richtlijn 93/38).
13 – De artikelen 15 e.v. van richtlijn 92/50 alsook de artikelen 21 e.v. van richtlijn 93/38.
14 – Het Hof heeft zich in die zin uitgesproken in het arrest van 17 september 2002, Concordia Bus Finland (C‑513/99, Jurispr. blz. . I-7215, punt 59), toen het artikel 36, lid 1, sub a, van richtlijn 92/50 toepaste.
15 – Volgens voormeld arrest Beentjes voldoet een algemene verwijzing naar een nationale wetsbepaling niet aan dit openbaarheidsvereiste (punt 35).
16 – Arrest van 18 oktober 2001, SIAC Construction (C‑19/00, Jurispr. blz. I‑7725, punt 42). Het arrest van 4 december 2003, EVN en Wienstrom (C‑448/01, Jurispr. blz. I‑14527, punt 57), bevestigt deze oplossing,
17 – Arrest van 12 december 2002, Universale-Bau e.a. (C‑470/99, Jurispr. blz. I‑11617, punt 97).
18 – Dit laatste gevolg vloeit voort uit voormelde arresten SIAC Construction, punt 43, en EVN en Wienstrom, punt 92.
19 – Volgens de arresten van 25 april 1996, Commissie/België (C‑87/94, Jurispr. blz. I‑2043, punt 88), en Universale-Bau e.a. (reeds aangehaald, punt 98), beoogt de aan de aanbestedende diensten opgelegde verplichting potentiële inschrijvers vóór de voorbereiding van hun aanbiedingen in kennis te stellen van de criteria die in aanmerking zullen worden genomen ter bepaling van de economisch voordeligste aanbieding en van het relatieve belang ervan. Aldus wordt de eerbiediging van het beginsel van gelijke behandeling en het beginsel van doorzichtigheid gewaarborgd.
20 – Voormeld arrest SIAC Construction erkent zulks impliciet met de verklaring dat de inschakeling van een deskundige ter beoordeling van een gegeven dat pas in de toekomst precies bekend zal zijn, in beginsel geschikt is om de eerbiediging van deze voorwaarde te verzekeren (punt 44).
21 – Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water‑ en energievoorziening, vervoer en postdiensten (PB L 134, blz. 1), die bij het verstrijken van de omzettingstermijn ervan richtlijn 93/38 zal vervangen.
Full & Egal Universal Law Academy