CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
L. A. Geelhoed
van 12 september 2006(1)
Gevoegde zaken C-403/04 P en C-405/04 P
Sumitomo Metal Industries Ltd
en
Nippon Steel Corp.
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Hogere voorzieningen tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Tweede kamer) van 8 juli 2004, JFE Engineering Corp., Nippon Steel Corp., JFE Steel Corp. en Sumitomo Metal Industries tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen (gevoegde zaken T‑67/00, T‑68/00, T‑71/00 en T‑78/00), waarbij beschikking 2003/382/EG van de Commissie van 8 december 1999 betreffende een procedure overeenkomstig artikel 81 van het EG-Verdrag (IV/E‑1/35.860‑B – naadloze stalen buizen) gedeeltelijk nietig wordt verklaard en het bedrag van de aan rekwirantes opgelegde geldboete wordt verminderd.”
I – Inleiding
II – De litigieuze beschikking
III – De procedure voor het Gerecht van eerste aanleg en het bestreden arrest
IV – De procedure voor het Hof
V – Het beroep van Sumitomo
A – De reikwijdte van het beroep
B – Het eerste middel: schending van het gemeenschapsrecht bij de vaststelling van een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG met betrekking tot „project”-transportbuizen
1. De redenering van het Gerecht
2. De argumenten van verzoekster
a) De verklaringen van Becher
b) Het „Gruber+Weber”punt
c) De verklaringen van Vallourec
3. De tegenargumenten van de Commissie
a) Prealabele opmerking
b) De argumenten ten aanzien van de verklaring van Becher
c) De argumenten betreffende omkering van de bewijslast: het „Gruber+Weber”‑punt
d) De argumenten betreffende Verluca’s verklaringen
4. Beoordeling
a) Prealabele opmerkingen
b) De verklaringen van Verluca
c) De verklaringen van Becher
d) Het „Gruber+Weber”‑punt
C – Het tweede middel – de buitensporige lengte van de procedure
1. Argumenten van verzoekster
2. Argumenten van de Commissie
3. Beoordeling
VI – Het beroep van Nippon Steel
A – Het eerste middel: het Gerecht heeft het recht miskend door een onjuiste bewijsstandaard te hanteren waar is aangetoond dat de beweringen van de Commissie niet stroken met de commerciële belangen van verzoekster en dus onlogisch zijn
1. De relevante onderdelen van het bestreden arrest
2. De argumenten van verzoekster
3. De argumenten van de Commissie
4. Beoordeling
B – Het tweede middel: het Gerecht heeft het recht miskend door een onjuiste bewijsstandaard te hanteren in een zaak waarin de bewijsdocumenten dubbelzinnig zijn en dat verzoekster een alternatieve plausibele verklaring voor het in geding zijnde gedrag heeft gegeven
C – Het derde middel: het Gerecht heeft het recht miskend door een onjuiste bewijsstandaard te hanteren ten aanzien van het niveau van het bewijs dat moet worden geleverd ter ondersteuning van de omstreden verklaringen die de Commissie heeft gebruikt als belangrijkste bewijselementen, maar die weinig waarschijnlijk waren, uiterst dubbelzinnig en in tegenspraak met andere bewijselementen
D – Het vierde middel: het Gerecht heeft het recht miskend door op tegenstrijdiger en onjuiste gronden zijn zienswijze te baseren dat de verklaring van Becher van 21 april 1997 de verklaringen van Verluca ondersteunt voor wat betreft de beweerdelijke inbreuk ten aanzien van „project”-transportbuizen
1. Argumenten van verzoekster
2. De argumenten van de Commissie.
3. Beoordeling
VII – De kosten.
VIII – Conclusie
I – Inleiding
1. De onderhavige zaak heeft als voorwerp de hogere voorzieningen van Sumitomo Metal Industries Ltd. (hierna: „Sumitomo”) en Nippon Steel Corp. (hierna: „Nippon Steel”) tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 8 juli 2004, JFE Engineering Corp. e.a. tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen (T‑67/00, T‑68/00, T‑71/00 en T‑78/00) voor zover dat arrest hen betreft.(2)
2. In het bestreden arrest heeft het Gerecht de boetes verminderd die aan verzoeksters waren opgelegd bij beschikking 2003/382/EG van de Commissie van 8 december 1999 betreffende een procedure overeenkomstig artikel 81 van het EG-Verdrag (zaak IV/E‑1/35.860‑B–naadloze stalen buizen)(3) (hierna: „beschikking”), en voor het overige de beroepen tot vernietiging van deze beschikking verworpen.
II – De litigieuze beschikking
3. De Commissie heeft de beschikking gericht aan acht producenten van naadloze koolstofstalen buizen. Van deze acht producenten ging het om vier Europese ondernemingen (hierna: „communautaire producenten”), te weten MannesmannröhrenWerke AG (hierna: „Mannesmann”), Vallourec SA (hierna: „Vallourec”), Corus UK Ltd (voorheen British Steel; hierna: „Corus”) en Dalmine SpA (hierna: „Dalmine”). De vier andere geadresseerden van de beschikking waren Japanse ondernemingen (hierna: „Japanse producenten”), te weten: NKK Corp., Nippon Steel, Kawasaki Steel Corp. en Sumitomo.
4. Naadloze koolstofstalen buizen worden gebruikt in de olie‑ en gasindustrie. Zij omvatten twee groepen producten.
5. De eerste productgroep omvat buizen voor boringen, die gewoonlijk „Oil Country Tubular Goods” of „OCTG” worden genoemd. Deze buizen kunnen zonder schroefdraad worden verkocht („gladde buizen”) of met schroefdraad. De schroefdraad dient om de OCTG-buizen met elkaar te verbinden. De schroefdraad kan worden gesneden overeenkomstig de normen van het American Petroleum Institute (API). Van schroefdraad voorziene buizen die volgens deze normen zijn vervaardigd worden hierna „standaard-OCTG-buizen” genoemd. Daarnaast wordt schroefdraad op OCTG-buizen aangebracht volgens speciale, doorgaans geoctrooieerde, methodes. In het laatste geval spreekt men van schroefdraad of van verbindingen „van eerste kwaliteit” dan wel van „premium”-schroefdraad of verbindingen. De buizen waarvan de schroefdraad volgens deze bijzondere methoden is gesneden worden hierna verder „premium-OCTG-buizen” genoemd.
6. De tweede productgroep bestaat uit naadloze koolstofstalen buizen voor het transport van olie en gas („linepipe”), waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen buizen die volgens standaardnormen zijn vervaardigd en die welke op maat worden gemaakt voor de uitvoering van bijzondere projecten (hierna: „‚project’-transportbuizen”).
7. In november 1994 heeft de Commissie besloten een onderzoek in te stellen naar het bestaan van concurrentiebeperkende gedragingen met betrekking tot koolstofstalen buizen die in de aardolie-industrie worden gebruikt. In december 1994 heeft zij bij verschillende producenten verificaties verricht, waaronder Sumitomo. Tussen september 1996 en december 1997 heeft de Commissie aanvullende verificaties verricht bij Vallourec, Dalmine en Mannesmann.
Ter gelegenheid van een verificatie bij Vallourec op 17 september 1996, heeft de president van Vallourec Oil & Gas, de heer Verluca, een verklaring afgelegd (hierna: „verklaring van Verluca”), die een grote rol speelt in de aangevochten beschikking van de Commissie.
Bij een verificatie bij Mannesmann heeft de directeur van deze onderneming, de heer Becher, antwoord gegeven op een aantal hem door de Commissie gestelde vragen (hierna: „beantwoording van Becher”). Ook deze beantwoording ligt uitdrukkelijk aan de beschikking mede ten grondslag.
8. Volgens de beschikking hebben de acht daardoor geadresseerde ondernemingen een overeenkomst gesloten die, onder meer, inhield dat zij zouden wegblijven van elkaars thuismarkten (punten 62 tot en met 67 van de beschikking). Volgens deze overeenkomst verbond elke onderneming zich ertoe om geen standaard-OCTG-buizen en „project”-transportbuizen op de nationale markt van een andere partij bij de overeenkomst te verkopen. De overeenkomst zou zijn gesloten in het kader van de zogenaamde „Europa-Japan-club”. Het beginsel van de eerbiediging van de thuismarkten werd aangeduid met de term „fundamentele regels” („Fundamentals”). De Commissie heeft opgemerkt dat de fundamentele regels daadwerkelijk in acht zijn genomen en dat de overeenkomst dus mededingingsverstorende effecten op de gemeenschappelijke markt heeft gehad.
9. De overeenkomst berustte op drie pijlers. Ten eerste de fundamentele regels betreffende de eerbiediging van de thuismarkten, die de in artikel 1 van de beschikking vastgestelde inbreuk vormen. Ten tweede de vaststelling van prijzen voor opdrachten en van minimumprijzen voor de „speciale markten”, en, ten derde de verdeling van de markten elders ter wereld, met uitzondering van Canada en de Verenigde Staten van Amerika, volgens verdeelsleutels („sharing keys”) (punt 61 van de beschikking).
10. De Commissie baseert haar conclusies omtrent het bestaan van de „fundamentele regels” op een reeks van in de punten 62 tot en met 67 van de beschikking opgesomde schriftelijke aanwijzingen en op de tabel in punt 68. Volgens haar blijkt uit deze tabel dat het aandeel van de nationale producent in de door de adressaten van de bestreden beschikking verrichte leveringen van OCTG‑ en transportbuizen in Japan en op de thuismarkt van elk van de vier communautaire producenten zeer hoog was. De Commissie leidt hieruit af dat de thuismarkten in hun geheel genomen daadwerkelijk werden geëerbiedigd door de partijen bij de overeenkomst. Voor de beide andere pijlers van de betrokken overeenkomst, heeft de Commissie de bewijselementen uiteengezet in de punten 70 tot en met 77 van de beschikking.
11. Volgens de Commissie (punten 59 en 60 van de beschikking) zou de Europa-Japan-club ongeveer twee maal per jaar vanaf 1977 tot in 1994 zijn bijeengekomen.
12. De Commissie heeft echter gemeend het jaar 1990 te moeten aanhouden als het beginpunt van de inbreuk, aangezien er van 1977 tot 1990 overeenkomsten inzake de vrijwillige beperking van de uitvoer tussen de Gemeenschap en Japan bestonden (punt 108 van de beschikking). Volgens de Commissie is de inbreuk in 1995 beëindigd (punten 96 ent 97 van de beschikking).
13. Voorzover voor de onderhavige beroepen van belang, luidt het dispositief van de beschikking als volgt:
„Artikel 1
1) […] Sumitomo Metal Industries Limited, [en] Nippon Steel Corporation, […] hebben het bepaalde van artikel 81, lid 1, van het EG-Verdrag geschonden door, op de wijze en in de mate die in de toelichting op deze beschikking zijn uiteengezet, deel te nemen aan een overeenkomst welke onder andere bepaalde dat hun respectieve nationale markten voor naadloze OCTG-buizen met standaardschroefdraad en naadloze project-linepipe moesten worden geëerbiedigd.
2) De inbreuk duurde van 1990 tot 1995 voor […] Sumitomo Metal Industries Limited [en] Nippon Steel Corporation, […]
[…]
Artikel 4
De volgende geldboeten worden opgelegd aan de in artikel 1 genoemde ondernemingen wegens de in hetzelfde artikel gestelde inbreuk:
[…]
5. Sumitomo Metal Industries Limited 13 500 000 EUR
6. Nippon Steel Corporation 13 500 000 EUR
[…]”
III – De procedure voor het Gerecht van eerste aanleg en het bestreden arrest
14. Bij zeven verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht tussen 28 februari en 3 april 2000, hebben zeven van de acht beboete ondernemingen, waaronder Sumitomo en Nippon Steel, beroep ingesteld tegen de beschikking. Alle concludeerden tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de beschikking en, tot de vernietiging van de hun opgelegde geldboeten of, subsidiair, ingeval van gehele of gedeeltelijke handhaving van de beschikking, tot verlaging van de geldboete.
15. In het bestreden arrest heeft het Gerecht:
– artikel 1, lid 2, van de beschikking vernietigd voor zover daarin is vastgesteld dat de verweten inbreuk voor 1 januari 1991 is begonnen en tot na 30 juni 1994 heeft voortgeduurd;
– het bedrag van de opgelegde boeten voor elk van beide verzoeksters op 10 935 000 EUR vastgesteld;
– het beroep voor het overige verworpen;
– iedere partij in de eigen kosten veroordeeld.
IV – De procedure voor het Hof
16. In hogere voorziening concludeert Sumitomo tot:
– gehele of gedeeltelijke vernietiging van het bestreden arrest;
– vernietiging, geheel of gedeeltelijk, van artikel 1 en de artikelen 3 tot en met 6 van de beschikking voorzover zij tot Sumitomo zijn gericht;
– zonodig, tot de opdracht aan de Commissie tot schadeloosstelling van Sumitomo voor de buitensporige duur van de procedure voor het Gerecht, ten belope van ten minste 1 012 332 EUR;
– veroordeling van de Commissie in de kosten van de procedures voor het Gerecht en voor het Hof.
17. In hogere voorziening concludeert Nippon Steel tot:
– vernietiging van het bestreden arrest;
– vernietiging van de beschikking, voorzover deze Nippon Steel betreft;
– subsidiair, in het geval dat de hogere voorziening slechts gegrond wordt verklaard voorzover deze betrekking heeft op speciale transportbuizen, vermindering van de opgelegde boete met twee derden;
– veroordeling van de Commissie in de kosten van de procedures voor het Gerecht en voor het Hof.
18. De Commissie concludeert tot verwerping van beide hogere voorzieningen en tot veroordeling van verzoeksters in de kosten.
19. Bij beschikking van de president van het Hof van 15 maart 2005, zijn de beroepen van Sumitomo en Nippon Steel in hogere voorziening gevoegd.
20. Ter zitting van 8 december 2005 zijn partijen in hun mondelinge pleidooien gehoord.
V – Het beroep van Sumitomo
A – De reikwijdte van het beroep
21. In haar beroepsschrift (punt 2.3) zet Sumitomo uiteen dat zij in het belang van de proceseconomie de argumenten overneemt die Nippon steel in haar beroep aanvoert. Die argumenten betreffen zowel standaard-OCTG als „project”-transportbuizen, terwijl de argumenten van Sumitomo in deze procedure alleen betrekking hebben op de overwegingen van het Gerecht die hebben geleid tot de conclusie dat zij betrokken was bij een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG ter zake van „project”-transportbuizen. Sumitomo voegt daaraan het verzoek toe tot voeging van beide beroepen.
22. Het komt mij voor dat deze poging van Sumitomo tot verbreding van de reikwijdte van haar beroep, door „mee te liften” op een beroep van een andere partij, niet kan slagen.
23. Ingevolge artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof dient het verzoekschrift in hogere voorziening de aangevoerde middelen en argumenten rechtens te bevatten.
24. In een inmiddels omvangrijke en eenduidige rechtspraak heeft het Hof uitgemaakt dat de aangevoerde middelen betrekking moeten hebben op de beslissing van het Gerecht(4) en dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, duidelijk moet worden aangegeven op en in welke punten van de beslissing het Gerecht het recht heeft geschonden.(5) Uit dit nauwkeurigheidsvereiste vloeit, onder meer, voort dat niet kan worden volstaan met het noemen van een middel zonder daaraan een uitwerking te geven.(6)
25. Een algemene verwijzing in een beroepsschrift naar de middelen en argumenten die een verzoekster in hogere voorziening een analoge procedure aanvoert mist mijns inziens de precisie die het nauwkeurigheidsvereiste stelt, ook al zijn de middelen en argumenten in het analoge beroepsschrift wél uitgewerkt.
26. Immers, ook indien er inhoudelijk een verregaande parallellie tussen twee of meer beroepen in hogere voorziening bestaat, met het oog waarop zij ter fine van procedure en arrest gevoegd kunnen zijn, elk der verzoeksters blijven, ingevolge artikel 112 van het Reglement voor de procesvoering verplicht in hun beroepschrift nauwkeurig aan te geven met welke middelen en argumenten zij welke onderdelen van de bestreden uitspraak aanvechten, alsmede de conclusies die daaraan huns inziens dienen te worden verbonden.(7)
27. Die nauwkeurigheid in de afbakening en detaillering van het beroep in hogere voorziening is een noodzakelijke voorwaarde voor een ordelijke en adequate procesvoering in deze uitsluitend op de toetsing van rechtsvragen ingerichte procedure. Zij is, bovendien, vereist in het belang van de wederpartij, bij wie geen onduidelijkheid mag bestaan omtrent de grieven en argumenten waartegen zij verweer moet voeren.
28. Dit leidt mij tot de slotsom dat het beroep van Sumitomo niet-ontvankelijk dient te zijn, voor zover daarin de grieven en argumenten aangevoerd door Nippon Steel in haar beroep tegen de bestreden beschikking, worden aangevoerd.
B – Het eerste middel: schending van het gemeenschapsrecht bij de vaststelling van een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG met betrekking tot „project”-transportbuizen
1. De redenering van het Gerecht
29. In het aangevallen arrest heeft het Gerecht het door verzoeksters in eerste aanleg aangevoerde eerste middel, dat de Commissie de in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk niet genoegzaam bewezen had, als volgt beoordeeld.
30. In de punten 173 tot en met 188 van het bestreden arrest heeft het Gerecht de criteria uiteengezet waaraan de Commissie in haar bewijsvoering moest voldoen.
31. Vervolgens onderzoekt het Gerecht eerst het tweede deel van het eerste middel dat de stelling inhoudt dat de bewijselementen geen bewijskracht hebben en, subsidiair, het eerste deel van dat middel, namelijk dat het bestaan van de gestelde overeenkomst niet valt te rijmen met de op de Britse offshore-markt en de andere markten bestaande situatie (punten 189 tot en met 337).
32. Het Gerecht kent een bijzondere waarde toe aan de verklaring van de heer Verluca van 17 september 1996, aangevuld door zijn verklaring van 14 oktober 1996, en door het document „Vérification auprès de Vallourec” (hierna, tezamen: „verklaringen van Verluca”). Het belang van de verklaringen van Verluca is daarom zo groot omdat zij de enige bewijselementen zijn die strekking hebben op alle aspecten van de inbreuk, met name de duur ervan en de producten (dus standaard-OCTG-buizen én „project”-transportbuizen) waarop zij betrekking heeft (punt 189).
33. In de punten 205 tot en met 212 zet het Gerecht uiteen waarom het de verklaringen van Verluca betrouwbaar kan achten en daaraan dus een bijzondere betekenis kán hechten.
34. In de punten 219 tot en met 221 rondt het Gerecht dit onderdeel van zijn toetsing als volgt af:
„219 Verder dient eraan te worden herinnerd dat volgens de rechtspraak van het Gerecht de verklaring van een onderneming die van deelneming aan een kartel wordt beschuldigd, waarvan de juistheid door verschillende andere beschuldigde ondernemingen wordt betwist, niet kan worden beschouwd als een voldoende bewijs dat deze laatste ondernemingen een inbreuk hebben gepleegd, […] Bijgevolg moeten de verklaringen van Verluca, hoe betrouwbaar ook, door andere bewijselementen worden gestaafd om het bestaan van de door artikel 1 van de bestreden beschikking bestrafte inbreuk te kunnen aantonen.
220 Gezien hun betrouwbaarheid behoeven de verklaringen van Verluca evenwel een minder precieze en minder nadrukkelijke bevestiging dan wanneer zij niet bijzonder geloofwaardig waren geweest. Mocht aldus worden vastgesteld dat het bestaan en bepaalde specifieke aspecten van de door Verluca genoemde, in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde marktverdelingsovereenkomst steun vinden in een reeks onderling overeenstemmende aanwijzingen, dan kunnen zijn verklaringen […], op zich volstaan als bewijs van andere aspecten van de bestreden beschikking. Bovendien volstaat het dat een stuk, voorzover het niet in kennelijke tegenspraak is met de verklaringen van Verluca over het bestaan of de wezenlijke inhoud van de marktverdelingsovereenkomst, wezenlijke onderdelen van de door hem beschreven overeenkomst bevestigt, opdat het enige waarde zou hebben als element ter ondersteuning van deze verklaringen in het kader van de reeks bewijselementen à charge […]”
35. In de punten 222 tot en met 331 onderzoekt het Gerecht vervolgens de overige bewijselementen in de litigieuze beschikking van de Commissie. Een bijzonder belang heeft de beoordeling door het Gerecht van de namens Mannesmann afgelegde verklaring van de heer Becher in de punten 294 tot en met 302.
36. Ten aanzien van de door verzoekster in eerste aanleg bestreden betrouwbaarheid van Becher’s verklaring, omdat deze niet zou berusten op persoonlijke kennis, heeft het Gerecht in punt 297 gesteld: „Wanneer immers, zoals in casu in het geval van Mannesmann, een persoon die geen persoonlijke kennis heeft van de relevante feiten, als vertegenwoordiger van een vennootschap een verklaring aflegt waarin hij erkent dat deze samen met andere ondernemingen een inbreuk heeft gepleegd, baseert hij zich noodzakelijkerwijs op informatie die is verstrekt door deze vennootschap en in het bijzonder door haar werknemers die persoonlijk kennis hebben van de betrokken praktijken. […]”
37. In punt 302 heeft het Gerecht omtrent de betrouwbaarheid van Becher’s verklaring het volgende opgemerkt: „Weliswaar doet het feit dat Becher heeft ontkend dat de fundamentele regels een intra-Europees aspect hadden, in die zin dat de Europese producenten verplicht waren van elkaars thuismarkten weg te blijven, enigszins af aan de bewijskracht van zijn verklaring als bewijselement ter ondersteuning van de verklaringen van Verluca, maar de betrokkene heeft wel ondubbelzinnig bevestigd dat de Europese en de Japanse producenten een marktverdelingsovereenkomst voor OCTG-buizen en ‚project’-transportbuizen hadden gesloten […] Aldus bevestigt zijn verklaring die van Verluca met betrekking tot dit aspect van de inbreuk, en dus met betrekking tot het feit dat de Japanse verzoeksters betrokken waren bij een marktverdelingsovereenkomst waarbij zij zich ertoe verbonden geen standaard-OCTG-buizen en ‚project’-transportbuizen op de communautaire markten in de handel te brengen. […]”
38. Het Gerecht besluit zijn beoordeling van het door de Commissie in de aangevallen beschikking aangevoerde bewijs als volgt:
„332 Uit de meeste elementen van deze reeks aanwijzingen blijkt niet duidelijk op welke naadloze stalen buizen deze verdeling betrekking had, maar er blijkt wel ondubbelzinnig uit dat standaard-OCTG-buizen deel uitmaakten van de bedoelde producten. De specifieke verwijzingen naar deze producten in de nota Strategische overwegingen, de nota Overwegingen over de VAM-overeenkomst, het document Verdeelsleutel en het antwoord van Mannesmann, alsook de niet verder gespecificeerde verwijzingen naar OCTG-buizen in het algemeen in andere door de Commissie genoemde documenten, bevestigen immers klaar en duidelijk de verklaringen van Verluca, volgens welke de fundamentele regels voor deze producten golden.
333 Wat de ‚project’-transportbuizen betreft, is er één enkel bewijselement, namelijk het door Becher in naam van Mannesmann gegeven antwoord, dat de verklaring van Verluca dat de ongeoorloofde overeenkomst ook gold voor ‚project’-transportbuizen, ondubbelzinnig bevestigt. Aangezien evenwel dit antwoord bijzonder bewijskrachtig is, zoals hierboven in de punten 294 tot en met 302 is opgemerkt, dient te worden geoordeeld dat het volstaat om de verklaringen van Verluca met betrekking tot deze producten, die op zich reeds erg betrouwbaar zijn […], te bevestigen.
334 In elk geval is reeds geoordeeld dat, indien de door de Commissie aangevoerde reeks onderling overeenstemmende aanwijzingen het bewijs vormen van het bestaan en bepaalde specifieke aspecten van de door Verluca genoemde marktverdelingsovereenkomst die in artikel 1 van de bestreden beschikking is vastgesteld, diens verklaringen volgens de door de Commissie genoemde regel […] uit het hierboven in punt 66 aangehaalde cement-arrest (punt 1838) op zich kunnen volstaan als bewijs van andere aspecten van de bestreden beschikking. Zoals hierboven in de punten 330 en 332 reeds is geoordeeld, volstaat de door de Commissie aangevoerde reeks aanwijzingen om de verklaringen van Verluca op meerdere punten, met name met betrekking tot standaard-OCTG-buizen, te bevestigen.
335 In deze omstandigheden dient te worden geoordeeld dat de verklaringen van Verluca duidelijk op waarheid berusten, en dat deze verklaringen dus voldoende bewijs opleveren dat de overeenkomst tot verdeling van de thuismarkten van de leden van de Europa-Japan-club niet enkel betrekking had op standaard-OCTG-buizen, zoals blijkt uit verschillende andere bewijselementen, maar ook op ‚project’-transportbuizen. Er is immers geen enkele reden om aan te nemen dat Verluca, die persoonlijk kennis had van de feiten, onjuiste verklaringen over transportbuizen zou hebben afgelegd, terwijl andere bewijselementen zijn verklaringen over het bestaan van de overeenkomst en de toepassing ervan op standaard-OCTG-buizen bevestigen.
336 Gesteld ten slotte dat de Japanse verzoeksters twijfel hadden kunnen doen rijzen over de vraag op welke specifieke producten de in artikel 1 van de bestreden beschikking bestrafte overeenkomst betrekking had, wat niet is aangetoond, dient te worden opgemerkt dat deze beschikking, indien zij in haar geheel genomen aantoont dat de vastgestelde inbreuk betrekking had op een specifiek soort producten, en de bewijselementen vermeldt die deze conclusie staven, niet nietig kan worden verklaard op de loutere grond dat zij geen precieze en uitputtende opsomming bevat van alle soorten producten waarop de inbreuk betrekking had (zie, naar analogie, in het kader van een middel inzake ontoereikende motivering, arrest Gruber+Weber/Commissie, hierboven aangehaald in punt 203, punt 214). Anders zou een onderneming zich aan elke sanctie kunnen onttrekken, ook al zou de Commissie met zekerheid hebben aangetoond dat zij een inbreuk heeft gepleegd, wanneer niet is aangetoond op welke specifieke producten binnen een assortiment van soortgelijke producten die door de betrokken onderneming in de handel worden gebracht, de inbreuk betrekking had.”
2. De argumenten van verzoekster
39. Verzoeksters argumenten ter staving van haar middel dat het Gerecht het gemeenschapsrecht heeft geschonden door te concluderen dat de Japanse verzoeksters partij waren bij een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG met betrekking tot „project”-transportbuizen, vallen in drie groepen uiteen:
a) argumenten die gericht zijn tegen de conclusie van het Gerecht dat de verklaring van Becher voldoende bevestiging van de verklaringen van Verluca oplevert;
b) argumenten tegen de omkering van de bewijslast die uit punt 336 van het bestreden arrest zou voortvloeien (zogenaamde „Gruber+Weber”‑punt);
c) argumenten die gericht zijn tegen de conclusie van het Gerecht dat Verluca’s verklaringen als betrouwbaar moeten worden aangemerkt.
40. In deze volgorde zal ik, overeenkomstig het beroepsschrift deze drie onderdelen van het eerste middel hieronder weergeven
a) De verklaringen van Becher
41. Ten aanzien van de verklaring van Becher stellen verzoeksters in de eerste plaats dat het Gerecht daaraan een onjuiste bewijswaarde heeft toegekend met zijn vaststelling dat deze verklaring ondubbelzinnig het bestaan van een marktverdelingsovereenkomst met betrekking tot „project”-transportbuizen bevestigt.
42. In het bijzonder had het Gerecht rekening moeten houden met het gegeven dat Becher in zijn verklaring twee reserves heeft gemaakt: namelijk dat hij sprak over feiten die plaatsvonden voordat hij manager van Mannesmann werd en dat uit zijn bewoordingen een zekere onzekerheid of twijfel blijkt omtrent hetgeen hem over de desbetreffende gebeurtenissen was verteld.(8) De stelling van het Gerecht, in punt 297 van het bestreden arrest, dat de verklaring van Becher op informatie berust hem verstrekt door zijn onderneming en, in het bijzonder, door werknemers die persoonlijk kennis hebben van de betrokken praktijken, zou in dit verband zuiver speculatief zijn, en op haar beurt ook een onjuiste beoordeling van de bewijswaarde inhouden.
43. De tweede misslag zou zijn dat het Gerecht Becher’s verklaring heeft gekwalificeerd als een betrouwbaar bewijselement dat de eerste verklaring van Verluca kon ondersteunen, niettegenstaande de erkenning van het Gerecht dat de ontkenning door Becher van het intra-Europese aspect van de „Fundamentals” onjuist was.(9)
44. Zodra het Gerecht had vastgesteld dat er een belangrijke inhoudelijke onjuistheid bestond in de verklaring van Becher, stond het hem niet meer vrij uit die verklaring elementen te selecteren die als een ondersteuning van Verluca’s verklaring zouden kunnen worden aangevoerd.
45. In dit verband wijzen verzoeksters er nog op dat, hoe dan ook, Becher’s verklaring, of elementen daaruit, niet konden worden aangevoerd als een ondubbelzinnige ondersteuning van Verluca’s verklaring (cf. het eerste hierboven aangehaalde argument) en waar zij diens uitspraken over de verdeelsleutel bevestigde, geen enkele bewijskracht had ten aanzien van „project”-transportbuizen, aangezien de verdeelsleutel slechts betrekking had op standaard-OCTG-buizen, naar het Gerecht in punt 278 van het bestreden arrest al had aangenomen.(10)
46. De derde misslag zou zijn dat het Gerecht tegenstrijdige en onvoldoende argumenten heeft aangevoerd voor zijn conclusie dat deze verklaring als ondersteuning kon dienen voor de gestelde inbreuk met betrekkend tot „project”-transportbuizen.
47. Behalve de hierboven al aangevoerde argumenten tegen een dergelijke conclusie, is de aanpak van het Gerecht op zichzelf beschouwd al inconsistent waar het in punt 220 van het bestreden arrest (hierboven aangehaald in punt 34) als zijn uitgangspunt had aangenomen dat documenten enkel als ondersteunend bewijsmateriaal mochten worden aanvaard indien zij niet klaarblijkelijk in tegenspraak waren met Verluca’s verklaringen over de wezenlijke elementen van de markverdelingsovereenkomst.
48. Welnu, in het geval van Becher’s verklaring heeft het Gerecht deze als ondersteunend bewijselement aangemerkt, niettegenstaande het gegeven dat die verklaring Verluca’s bewering dat er een intra-EU Overeenkomst zou zijn, op een wezenlijk onderdeel weersprak. Voor een dergelijk zo belangrijk verschil in waardering van documenten en verklaringen als bewijsmateriaal heeft het Gerecht geen verklaring gegeven.
b) Het „Gruber+Weber”punt
49. Uit het gestelde in punt 336 van het bestreden arrest (hierboven aangehaald in punt 38) zou een ontoelaatbare omkering van de bewijslast voortvloeien.
50. Volgens de in dat punt gevolgde redenering kan de Commissie een inbreuk met betrekking tot product X aannemen, zelfs als zij niet in staat bleek zo’n inbreuk precies aan te geven, mits zij een inbreuk in een reeks vergelijkbare producten door de verwerende onderneming had vastgesteld. Door deze redenering te volgen ter ondersteuning van zijn conclusie dat de Commissie een inbreuk met betrekking tot „project”-transportbuizen had aangetoond, heeft het Gerecht de bewijslast omgekeerd.
51. Evenwel bij het plegen van die kunstgreep had het Gerecht zijn eigen rechtspraak in de zaak Gruber+Weber/Commissie(11) onjuist geïnterpreteerd, door aan te nemen dat dit arrest van toepassing zou zijn op de onderhavige zaak, waar het niet gaat om de vraag of een bepaald product valt onder de groep producten ten aanzien waarvan een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG wordt gesteld, maar om de vraag of de Commissie in de aangevallen beschikking erin is geslaagd zo’n inbreuk ten aanzien van één bepaald product, namelijk „project”-transportbuizen aan te tonen.
52. Bovendien, in casu kan niet worden aangenomen dat standaard-OCTG-buizen en „project”-transportbuizen tot eenzelfde categorie producten behoren. Het gaat hier om twee duidelijk verschillende productgroepen, met onvergelijkbare toepassingen en geografische bestemmingen, die de Commissie in haar beschikking Mannesmann/Vallourec(12) terecht als twee te onderscheiden productmarkten zou hebben aangemerkt.
c) De verklaringen van Vallourec
53. Het derde onderdeel van het eerste middel is in het bijzonder gericht tegen de aanname van het Gerecht, in de punten 219 en 220 van het bestreden arrest (hierboven aangehaald in punt 34), voor zover daaruit zou voortvloeien dat op grond van alleen de verklaringen van Verluca kon worden aangenomen dat de aan de Japanse producenten verweten gedragingen ook betrekking zouden hebben op „project”-transportbuizen.
54. In de eerst plaats zou het Gerecht voor zijn opvattingen geen beroep kunnen doen op punt 1838 van het zogenaamde cement-arrest.(13) Anders dan in die zaak – waar het ging om de bewijskracht van een document opgemaakt onmiddellijk nadat de vergadering waarvan het verslag gaf, had plaatsgevonden – zijn Verluca’s verklaringen afgelegd geruime tijd na de gebeurtenissen waarop ze betrekking hebben. Daarmee zou de redenering van het Gerecht in tegenspraak komen met zijn eerdere opvatting, neergelegd in punt 91 van het arrest Enso-Gutzeit/Commissie(14), inhoudende dat de verklaring van één onderneming geen adequaat bewijs oplevert voor de betrokkenheid van andere ondernemingen bij de gestelde inbreuk, tenzij dat door andere bewijselementen wordt gestaafd.
55. In dit verband zou, bovendien, de conclusie van het Gerecht in punt 220 (hierboven aangehaald in punt 34) omtrent de betrouwbaarheid van Verluca’s verklaringen aanvechtbaar zijn. Op een tweetal onderdelen heeft het Gerecht uitdrukkelijk vastgesteld dat er onjuistheden (met name in de punten 281 tot en met 284 van het bestreden arrest), c.q. onduidelijkheden (met name in punt 349 van het bestreden arrest) in Verluca’s verklaringen zaten.
56. Evenwel een element in Verluca’s verklaringen van 18 december 1997 waaruit zou kunnen worden afgeleid dat diens verklaringen omtrent de toepasselijkheid van de afspraken op „project”-transportbuizen niet correct waren, werd door het Gerecht met een interpretatieve kunstgreep gedekt.
57. In het licht van het gegeven dat het Gerecht vaststelde dat de mededelingen van Verluca op twee onderdelen niet betrouwbaar waren, ligt het volgen van een andere benadering op een derde onderdeel, waaromtrent ook gerede twijfel kan bestaan, niet voor de hand. Dit te meer in het licht van het gegeven dat blijkens het document over de verdeelsleutel de marktverdelingsovereenkomsten alleen van toepassing waren op standaard-OTCG-buizen en de getuigenis van een werknemer van Dalmine, de heer Jachia, dat de „stilzwijgende” overeenkomst alleen van toepassing was op standaard-OCTG-buizen.
58. Met deze benadering heeft het Gerecht volgens verzoekster op verschillende manieren het recht geschonden:
– in de eerste plaats heeft het Gerecht de bewijswaarde van de notitie over de vergadering met JF onjuist opgevat;
– het ging voorbij aan de bewijswaarde van het document over de verdeelsleutel en Jachia’s verklaring dat de gewraakte overeenkomsten geen betrekking zouden hebben op „project”-transportbuizen;
– de motivering is inadequaat en innerlijk tegenstrijdig;
– het Gerecht heeft ten onrechte een kunstgreep gehanteerd bij zijn uitleg van Verluca’s verklaring van 18 december 1997. Hierdoor zou de bewijslast ten nadele van verzoekster zijn omgekeerd.
59. Tenslotte, stelt verzoekster dat het Gerecht het recht heeft geschonden door aan te nemen dat er met betrekking tot „project”-transportbuizen een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG heeft plaatsgevonden, terwijl het op basis van de beschikbare bewijsmiddelen niet in staat was aan te geven wanneer die inbreuk begon en wanneer die eindigde.
3. De tegenargumenten van de Commissie
a) Prealabele opmerking
60. Aangaande de argumenten van verzoekster met betrekking tot de bewijswaarde van Becher’s verklaring als ondersteuning van de verklaringen van Verluca merkt de Commissie prealabel op, dat het Gerecht de aanwijzingen in bevestigende zin ter ondersteuning van Verluca’s verklaring met betrekking tot „project”-transportbuizen eerder heeft ondergewaardeerd dan overgewaardeerd in punt 333 (hierboven aangehaald in punt 38) van het bestreden arrest.
61. In het bijzonder heeft het Gerecht ervan afgezien in de omstandigheid dat verschillende deelnemers aan het kartel de hun in de beschikking verweten gedragingen – met inbegrip van die welke betrekking hadden op „project”-transportbuizen – hebben toegegeven, als een element ter ondersteuning van Verluca’s verklaringen aan te merken. In dit verband noemt de Commissie de expliciete of impliciete erkenning van de in de beschikking gestelde feiten door Vallourec, Dalmine en Corus.
b) De argumenten ten aanzien van de verklaring van Becher
62. De Commissie is van oordeel dat de drie argumenten van verzoekster ter onderbouwing van haar stelling dat het Gerecht een onjuiste bewijswaarde heeft toegekend aan Becher’s verklaring als ondersteuning van Verluca’s verklaringen omtrent de toepasselijkheid van de marktverdelingsovereenkomst[en] op „project”-transportbuizen een nauwelijks verkapte poging zijn om het Hof te bewegen tot een beoordeling van de feiten in hoger beroep. Daarom zouden zij niet-ontvankelijk zijn.
63. Indien zij wel ontvankelijk zouden worden geacht, dienen zij als – klaarblijkelijk – ongegrond van de hand te worden gewezen.
64. Het eerste argument suggereert een andere uitleg van het kwalificerende voorbehoud: „voor zover ik weet” (origineel: „nach meiner Kenntnis”) dan gelet op de context ervan gerechtvaardigd zou zijn. In casu heeft Becher commentaar gegeven op de in een aan hem voorgelegd document voorkomende lezing van de feiten die anders was dan de zijne. Enig algemeen voorbehoud ten aanzien van de betrouwbaarheid van zijn eigen verklaring is in die zinsnede niet te vinden.
65. Evenmin zou het feit dat Becher zijn verklaring heeft gebaseerd op gegevens die hem zijn verstrekt door werknemers van zijn onderneming – Mannesmann – die wél een persoonlijke kennis van de verweten gedragingen hadden, iets kunnen afdoen aan de geloofwaardigheid ervan. In dit verband verwijst de Commissie naar punt 205 van het bestreden arrest, waar het Gerecht onweersproken stelt: „[…] Antwoorden die in naam van een onderneming als zodanig zijn gegeven, zijn geloofwaardiger dan antwoorden die afkomstig zijn van een personeelslid, ongeacht diens persoonlijke ervaring of mening […]”
66. Het tweede argument snijdt al evenmin hout volgens de Commissie. Ofschoon Becher’s verklaring bemantelt dat de marktverdelingsafspraak zich ook tot de Europese deelnemers onderling uitstrekte, is zij wel terdege geloofwaardig voor zover zij betrekking heeft op „project”-transportbuizen. Immers dat onderdeel van de verklaring was zeker niet in overeenstemming met de belangen van Mannesmann, Becher’s onderneming. Dat een verklaring niet zo zelfincriminerend is als zij zou kunnen zijn, maakt de wel erin gedane bekentenissen niet per definitie onbetrouwbaar.
67. Overigens is Becher’s ontkenning van het bestaan van een marktverdelingsafspraak tussen de Europese producenten als zodanig niet onverenigbaar met het verdeelsleuteldocument. Dat document heeft uitsluitend betrekking op tussen, enerzijds, de Europese producenten en, anderzijds, de Japanse producenten gemaakte afspraken. Het zwijgt over het bestaan van inter-Europese afspraken.
68. Het derde argument is al helemaal niet houdbaar. Voor haar stelling dat het Gerecht zijn aanvaarding van Becher’s verklaring als ondersteuning van de verklaringen van Verluca baseerde op een onvoldoende en innerlijk tegenstrijdige redenering, verwijst verzoekster naar haar – eveneens onhoudbare – eerste en tweede argumenten.
c) De argumenten betreffende omkering van de bewijslast: het „Gruber+Weber”‑punt
69. Verzoeksters stelling dat standaard-OCTG-buizen en „project”-transportbuizen niet als behorend tot een assortiment van vergelijkbare producten kunnen worden aangemerkt in de zin van het arrest Gruber+Weber(15) is van feitelijke aard. Kennisneming en toetsing daarvan is uitsluitend aan het Gerecht overgelaten. Derhalve is zij in beroep in hogere voorziening niet-ontvankelijk.
70. Overigens gaat het bij dit argument niet om een – ontoelaatbare – omkering van de bewijslast, zoals verzoekster stelt, maar om een verschil van opvatting over de waardering van het bewijs tussen verzoekster en dit Gerecht. Dat meningsverschil over de feiten is onttrokken aan de bevoegdheid van het Hof.
d) De argumenten betreffende Verluca’s verklaringen
71. De Commissie stelt dat dit onderdeel van het eerste middel niet-ontvankelijk is, omdat het gericht is op punt 220 van het bestreden arrest, waar het Gerecht vaststelde dat Verluca’s verklaringen indien „het bestaan en bepaalde specifieke aspecten van de door Verluca genoemde, in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde marktverdelingsovereenkomst steun vinden in een reeks onderling overeenstemmende aanwijzingen, dan kunnen zijn verklaringen […] op zich volstaan als bewijs van andere aspecten van de bestreden beschikking.”
72. Dit onderdeel had echter gericht moeten zijn op punt 335 van het arrest waar het Gerecht juist met het oog op „project”-transportbuizen vaststelde dat: „[…] de verklaringen van Verluca duidelijk op waarheid berusten, en dat deze verklaringen dus voldoende bewijs opleveren dat de overeenkomst tot verdeling van de thuismarkten van de leden van de Europa-Japan-club niet enkel betrekking had op standaard-OCTG-buizen, zoals blijkt uit verschillende andere bewijselementen, maar ook op ‚project’-transportbuizen […]”
73. Waar verzoekster dus nalatig is in het met voldoende nauwkeurigheid aangeven van het onderdeel waartegen dit onderdeel van het eerste middel en de bijbehorende argumenten zich in het bijzonder richten, dienen zij niet-ontvankelijk te worden verklaard.(16)
74. Indien het Hof de Commissie hierin niet zou volgen, is zij van mening dat dit onderdeel en de ter sturing ervan aangevoerde argumenten toch niet-ontvankelijk is.
75. De toeleg van verzoekster zou eruit bestaan om de juridische houdbaarheid aan te vechten van de beslissing van het gerecht om zich in hoofdzaak op Verluca’s verklaringen te baseren en vervolgens, subsidiair, te beweren dat Verluca’s verklaring in ieder geval niet voldoende betrouwbaar was om voldoende bewijs op te leveren voor een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG met betrekking tot „project”-transportbuizen.
76. De eerste stap van deze benadering zou tot mislukken zijn gedoemd, omdat de door verzoeksters gestelde toepasselijkheid van ’s‑Hofs rechtspraak in het Enso-Gutzeit arrest(17) juist afhangt van de – feitelijke – waardering of er al dan niet andere bewijselementen zijn die de verklaring van één persoon staven.
77. De tweede stap zou ook prima facie tot niet-ontvankelijkheid moeten leiden, omdat zij noodzakelijkerwijs een herbeoordeling door het Hof van de in eerste aanleg al door het Gerecht beoordeelde feiten zou moeten meebrengen. Dat geldt zowel voor de waardering van de verklaring van Jachia, als voor de gestelde tegenstrijdigheid tussen de verklaringen van Verluca en Becher’s verklaring, alsmede voor de gestelde inconsistentie tussen het marktverdelingsdocument en Verluca’s verklaringen.
78. Weliswaar stelt verzoekster niet minder dan vier schendingen van het recht in de waardering van de bewijskracht van Verluca’s verklaringen, maar zij slaagt er niet in om de aard van die beweerde schendingen te omschrijven, anders dan door een betwisting van de feitelijke bevindingen van het Gerecht.
79. Subsidiair, voor het geval dat het Hof de argumenten van Sumitomo wel ontvankelijk zou achten, stelt de Commissie dat in geen van de vijf door verzoekster aangeduide gevallen het Gerecht de bewijswaarde van verklaringen of documenten onjuist heeft beoordeeld of die als bewijselementen onjuist heeft gekwalificeerd.
80. In de eerste plaats heeft het Gerecht geen onjuiste conclusies getrokken uit de – schijnbare – tegenstrijdigheid tussen Verluca’s verklaringen en het verdeelsleuteldocument:
– ofschoon het Gerecht vaststelde, in punt 278 van het arrest(18) dat het verdeelsleuteldocument slechts betrekking had op OCTG-buizen, vloeit daaruit niet zonder meer voort dat er geen inbreuk met betrekking tot „project”-transportbuizen zou bestaan;
– ofschoon er een zekere tegenstrijdigheid tussen het verdeelsleuteldocument en Verluca’s verklaringen lijkt te bestaan ten aanzien van de betrokkenheid van de Zuid-Amerikaanse producenten, blijkt dat die tegenstrijdigheid vooral schijn is, omdat het verdeelsleuteldocument vooral de marktverdelingsafspraken met de Zuid-Amerikaanse producenten op markten buiten Europa tot onderwerp had, terwijl de preoccupaties van Verluca vooral gericht waren op de Europese markten, waar in de praktijk de marktverdelingsafspraken met die producenten niet functioneerden;
– het Gerecht heeft derhalve in de punten 283 en 284 van het bestreden arrest de juiste gevolgtrekking gemaakt uit deze – schijnbare – tegenstrijdigheid door vast te stellen dat deze niet wezenlijk afdoet aan de geloofwaardigheid van Verluca’s verklaring.(19)
81. In de tweede plaats laat de waardering door het Gerecht van de verklaringen aan de procureur van de Republiek te Bergamo geen schending van het recht zien:
– in feite komt de stelling van verzoekster dat het Gerecht heeft nagelaten acht te slaan op de verklaring van Jachia erop neer dat zij het niet eens is met de bewijswaardering van het Gerecht, terwijl zij niet nader adstrueert waar de beweerde schending van het recht uit bestaat. Dat als zodanig volstaat reeds om dit argument kennelijk niet-ontvankelijk, dan wel kennelijk ongegrond te verklaren;
– overigens heeft verzoekster in eerste aanleg zelf reeds verklaard dat niet diende te worden afgegaan op Jachia’s verklaring, aangezien daarnaar in de beschikking van de Commissie niet is verwezen;
– de verklaring van de heer Biasizzo kon het Gerecht van betekenis achten, omdat deze rechtstreekse persoonlijke kennis had van de materie, omdat hij verantwoordelijk was voor de desbetreffende divisie van Dalmine, en omdat hij, mede op grond van zijn bekentenis omtrent het smeergeld betaald aan Agip-werknemers, kon worden aangemerkt als een betrouwbare getuige (vergelijk punten 311 en 312 van het bestreden arrest).
82. In de derde plaats ondermijnt Verluca’s commentaar op de notitie naar aanleiding van de vergadering met JF niet de geloofwaardigheid van zijn uitspraken over „project”-transportbuizen:
– inderdaad heeft Verluca in zijn antwoord op de eerste vraag die hem in december 1997 werd gesteld nog eens zijn eerdere mededelingen bevestigd;
– in zijn commentaar op de notitie die naar aanleiding van een vergadering met JF in 1994 was gemaakt, heeft hij uitgelegd dat binnen de algemene structuur van de Europa-Japan-Club er een verdeelsleutel bestond voor internationale uitnodigingen tot bieding voor standaardproducten, dat wil zeggen standaard-OCTG-buizen;
– dit bewijst evenwel niet dat er geen inbreuk met betrekking tot „project”-transportbuizen zou bestaan. Immers een document dat een aanwijzing vormt voor de ene inbreuk, kan daarmee het niet-bestaan van de andere inbreuk niet aantonen;
– overigens zou Vallourec, indien de beschikking Verluca’s verklaring verkeerd had uitgelegd, een beroep tot nietigverklaring ervan hebben aangespannen, voor zover zij betrekking had op „project”-transportbuizen.
83. In de vierde plaats is er geen sprake van dat het Gerecht aan de Commissie het voordeel van de twijfel heeft gegeven, noch dat het de bewijslast heeft omgekeerd:
– de verklarende kanttekening die het Gerecht ten onrechte zou hebben geplaatst in punt 217 van het bestreden arrest wordt niet nader geadstrueerd.(20) In feite bevestigt het Gerecht slechts de onweerlegbare feiten dat dit onderdeel van Verluca’s verklaringen betrekking had op het verslag over het onderhoud met JF, een verslag dat uitsluitend betrekking had op standaard-OCTG-buizen, waaruit voortvloeit dat ook het desbetreffende onderdeel van Verluca’s verklaringen zich tot dat product beperkt;
– de stelling dat het Gerecht op dit onderdeel de bewijslast heeft omgekeerd door de verklaringen van Verluca anders te waarderen dan eisers is niet meer dan het als een rechtsvraag inkleden van een uitnodiging aan het Hof om de feiten te herwaarderen.
84. In de vijfde plaats stelt de Commissie dat aan het feit dat Verluca’s verklaringen vaag waren over het moment van beëindiging van de inbreuk geen argument kan worden ontleend tegen de betrouwbaarheid van diens verklaring. In dit opzicht heeft het Gerecht aan het gebrek aan nauwkeurigheid de – juiste – gevolgtrekking verbonden in punt 349 van het bestreden arrest(21) dat zijn verklaring onvoldoende duidelijk was op dit punt en op zichzelf niet kon volstaan. Overigens, aangenomen dat er een inbreuk met betrekking tot „project”-transportbuizen is vastgesteld, die heeft plaatsgevonden in de context van de Europa-Japan-club, dan bepaalt de duur waarin dat gezelschap actief is geweest de duur van de inbreuk voor dat product. In dit opzicht is volgens de Commissie de motivering van het bestreden arrest onaanvechtbaar.
4. Beoordeling
a) Prealabele opmerkingen
85. Uit de hierboven in punt 38 van deze conclusie weergegeven punten 333 tot en met 336 van het bestreden arrest blijkt dat het Gerecht verzoeksters betrokkenheid bij een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG met betrekking tot „project”-transportbuizen baseert op drie als alternatieven gepresenteerde gronden:
– Verluca’s verklaringen die op zichzelf voldoende bewijs zouden opleveren (punten 334 en 335);
– Verluca’s verklaringen zouden in ieder geval bevestigd worden door het door Becher in naam van Mannesmann gegeven antwoord (punt 333);
– het ontbreken van nader specifiek bewijs over een specifiek product, namelijk „project”-transportbuizen, tast de vaststelling van een inbreuk met betrekking tot dat product niet aan, indien voldoende bewijs is geleverd ten aanzien van het assortiment waartoe dat product behoort; („Gruber+Weber‑punt”, punt 336).
86. In deze volgorde zal ik de verschillende elementen van het aangevoerde middel behandelen.
87. De onderdelen van het middel die zich in het bijzonder op Verluca’s en Becher’s verklaringen richten, hebben gemeen dat zij de door het Gerecht aan die verklaringen toegekende bewijswaarde zoeken te bestrijden met argumenten die beogen aan te tonen dat zij niet betrouwbaar zijn, dan wel minder betrouwbaar dan het Gerecht heeft geoordeeld.
88. Op de keper beschouwd probeert verzoekster hier door een andere analyse van de verklaringen van Verluca en Becher aan te tonen dat het Gerecht daaruit onjuiste gevolgtrekkingen heeft gemaakt en mitsdien, door een onjuiste waardering van de bewijswaarde het recht zou hebben geschonden.
89. Deze benadering dwingt ertoe, om de door verzoekster aangevoerde argumenten tot hun recht te laten komen, tot een nauwkeurige weergave ervan, zoals blijkt uit de punten 39 tot en met 59 hierboven.
90. Daaraan kleeft echter nog een ander veel principiëler bezwaar, doordat, indien het Hof deze benadering zou toelaten, delen van het onderzoek naar en de waardering van de feiten door het Hof in hogere voorziening als het ware moeten worden overgedaan. Welnu, een dergelijk heronderzoek van de feiten wordt in hogere voorziening door artikel 225 EG juncto artikel 58 van het Statuut van het Hof, nu juist uitdrukkelijk uitgesloten.
91. Daarom dienen middelen en argumenten die zich richten tegen de door het Gerecht aan aangevoerde bewijsmiddelen toegekende bewijswaarde, kritisch te worden bezien om te voorkomen dat zij een verkapt middel worden om een heronderzoek van de feiten door het Hof uit te lokken.
92. Slechts indien en voor zover de door verzoekster ter adstructie van haar middel aangevoerde aan de feiten en bewijsmiddelen ontleende argumenten van dien aard zijn dat zij gerede twijfel kunnen wekken aan de juistheid van de door het Gerecht daaraan gegeven waardering, kunnen zij ontvankelijk worden geacht en anders worden onderzocht.
93. Aan de hand van dit criterium, dat uit ’s-Hofs rechtspraak valt af te leiden(22) zal ik de ontvankelijkheid van de verschillende onderdelen van dit middel beoordelen.
b) De verklaringen van Verluca
94. Deze onderdelen van het middel richten zich tegen de waardering die het Gerecht heeft gegeven aan de bewijswaarde van de verklaringen van Verluca, zoals die is uitgewerkt in de punten 219 en 220 van het bestreden arrest.(23)
95. Met de stelling van de Commissie dat verzoekster haar bezwaren had moeten richten op punt 335 van het bestreden arrest en dat, bijgevolg, het middel in zijn geheel niet kan slagen, omdat de vaststelling van het Gerecht in dat punt in ieder geval overeind blijft, ben ik het niet eens.
96. Immers, in de punten 219 en 220 heeft het Gerecht de premisse gedefinieerd op grond waarvan het, na een toetsing van het overige bewijsmateriaal, kon vaststellen dat ten aanzien van „project”-transportbuizen Verluca’s verklaringen alleen konden volstaan om een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG. vast te stellen.
97. Het is die premisse, namelijk dat de verklaringen van Verluca zo betrouwbaar zijn dat aanvullend bewijs volstaat om de inbreuk als zodanig bewezen te achten en, vervolgens, ook een inbreuk met betrekking tot een bepaald product ook al is daaromtrent geen aanvullend bewijs voorhanden, waartegen deze onderdelen van het middel zich richten. Indien die premisse niet houdbaar zou blijken, ontvalt de basis, niet alleen aan de conclusies van punt 335, maar wellicht ook aan die van de punten 333 en 336.
98. Evenwel de verschillende argumenten die verzoekster heeft aangevoerd tegen genoemde premisse acht ik deels ongegrond, deels niet-ontvankelijk.
99. Ongegrond is mijns inziens als zodanig het argument dat het Gerecht de „regel” vervat in punt 1838 van zijn cement-arrest(24) verkeerd heeft uitgelegd en toegepast.
100. Ingevolge die „regel” kan de Commissie afgaan op een bewijsstuk om vast te stellen dat artikel 81, lid 1, EG is geschonden, mits de bewijswaarde ervan boven iedere twijfel verheven is en dat het bewijsstuk zelf ondubbelzinnig het bestaan van de bewuste overtreding bevestigt.
101. Het is in beginsel aan het Gerecht voorbehouden om de bewijswaarde van een document of verklaring te toetsen en aan de hand daarvan te kwalificeren.
102. Aan de desbetreffende regel, in punt 1838, zoals in het aangehaalde arrest omschreven, valt geen argument te ontlenen dat zij slechts van toepassing zou zijn op verklaringen en documenten die gegeven, c.q. opgemaakt onmiddellijk na de gebeurtenissen waarop zij betrekking hebben. Bepalend is de ondubbelzinnigheid, dat wil zeggen het boven iedere redelijke twijfel verheven zijn van de bewijswaarde.
103. De poging van verzoekster om aan het feit dat Verluca’s verklaringen zijn afgelegd nadat de bewuste gedragingen hadden plaatsgevonden, een argument te ontlenen dat die verklaringen niet aan de in het cement-arrest omschreven standaard kon voldoen, acht ik van feitelijke aard en derhalve niet-ontvankelijk.
104. Aangenomen dus dat het de verklaringen van Verluca als betrouwbaar kon kwalificeren, mocht het Gerecht overeenkomstig het Enso-Gutzeitarrest(25) aannemen dat Verluca’s verklaringen zouden volstaan om de inbreuk bewezen te achten, mits zij door andere bewijselementen ondersteund werden, en dat, in die hypothese, deze verklaringen voldoende zouden zijn om daaruit tot een inbreuk met betrekking tot een specifiek product uit het assortiment te concluderen.
105. Niet-ontvankelijk zijn mijns inziens de argumenten waarmee verzoekster tracht aan te tonen, dat het Gerecht ten onrechte Verluca’s verklaringen als betrouwbaar heeft gekwalificeerd, voor zover deze op „project”-transportbuizen betrekking hadden. Dit geldt voor de argumenten die verzoekster ontleent aan de waardering door het Gerecht van de beweerde inconsistenties tussen Verluca’s verklaringen en het document Verdeelsleutel, het buiten beschouwing laten van de verklaringen van Jachia en de beweerde tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van Verluca en Becher’s verklaring.
106. Geen van de door verzoekster hier naar voren gebrachte feitelijke argumenten staaft bij benadering het vermoeden dat het Gerecht dusdanige fouten zou hebben begaan bij de toetsing van de relevante verklaringen en schriftelijke documenten dat het daarmee de bewijswaarde ervan rechtens onjuist zou hebben beoordeeld.
107. In feite plaatst verzoekster met deze argumenten de door haar wenselijk geachte waardering van de relevante verklaringen en documenten tegenover de daaraan door het Gerecht toegekende bewijswaarde. Door aan de verschillen tussen haar waardering en die van het Gerecht de gevolgtrekking te verbinden dat het Gerecht het bewijsmateriaal onjuist zou hebben gewaardeerd, tracht zij een beoordeling van de feiten in tweede instantie uit te lokken, waartoe de ontvankelijk-verklaring van deze argumenten zou leiden.
108. Zoals ik hierboven in de punten 90 tot en met 93 heb uiteengezet, zou een dergelijk resultaat in strijd zijn met de regel dat de hogere voorziening tot een toetsing aan het recht beperkt dient te blijven.
109. Ook ten aanzien van het argument dat het Gerecht in punt 217 van het bestreden arrest een ontoelaatbare toelichting had gegeven op Verluca’s verklaring en aldus de bewijslast had omgekeerd, ben ik van mening dat het niet-ontvankelijk is.
110. Ook hier plaatst verzoekster haar waardering tegenover die van het Gerecht en verbindt daaraan vervolgens de kwalificatie dat het om een omkering van de bewijslast zou gaan om aldus een hertoetsing van de feiten door het Hof uit te lokken. Een dergelijke toeleg is niet-ontvankelijk.(26)
111. Overigens vermag ik niet in te zien, waarom de feitelijke vaststelling in punt 217 van het bestreden arrest dat „Verluca met deze verklaring specifiek heeft geantwoord op een vraag over het Verslag onderhoud met JF” een omkering van de bewijslast zou inhouden. Hetzelfde geldt voor de constatering dat het onderhoud met JF uitsluitend betrekking had op OCTG-buizen en de daaraan verbonden conclusie dat deze verklaring van Verluca slechts kon slaan op dat product. Indien die constateringen en conclusie de betrouwbaarheid van Verluca’s verklaringen staven, is dat niet meer en niet minder dan het gevolg van de – in hogere voorziening onaantastbare – appreciatie van de feiten door het Gerecht.
112. Ook over het vijfde element van dit onderdeel van het middel kan ik kort zijn. Indien het al ontvankelijk is, is het in ieder geval klaarblijkelijk ongegrond.
113. Dat het Gerecht in punt 349 vaststelt dat de verklaring van Verluca onvoldoende nauwkeurig is over het tijdstip waarop de inbreuk is beëindigd, doet niet af aan de eerder in het bestreden arrest vastgestelde, en door andere bewijselementen gestaafde, betrouwbaarheid van de verklaring ten aanzien van de inhoud van de inbreuk.
114. De aan de vaststelling van de onnauwkeurigheid met betrekking tot het tijdstip verbonden consequentie, namelijk dat hieromtrent Verluca’s verklaring onvoldoende houvast biedt en derhalve niet volstaat om de einddatum rechtens genoegzaam aan te tonen, lijkt mij overigens onomstotelijk.
c) De verklaringen van Becher
115. De argumenten die verzoekster heeft aangevoerd tegen de betrouwbaarheid van de verklaringen van Becher en, daarmee, tegen de waardering door het Gerecht als bewijselement dat de verklaringen van Verluca kan ondersteunen, zijn mijns inziens deels niet-ontvankelijk deels ongegrond.
116. Ongegrond is het eerste argument dat het Gerecht, door geen rekening te houden met de twee reserves die Becher in zijn verklaring heeft gemaakt, de bewijswaarde van zijn verklaring onjuist heeft gewaardeerd.
117. Dat Becher geen persoonlijke kennis droeg van de verweten inbreuk, maakt het voorbehoud „nach meiner Kenntnis” op zichzelf begrijpelijk, zeker waar hij meteen naar de bronnen van zijn „Kenntnis” verwijst, namelijk de eerdere rapporten waarvan hij had kennisgenomen, wanneer hem om commentaar wordt gevraagd op een aan hem voorgelegd document. Dit tot de specifieke context van het desbetreffende onderdeel van zijn verklaring beperkte voorbehoud, kan niet worden opgevat als een algemeen voorbehoud bij zijn verklaring.
118. Evenmin ondermijnt de stelling dat Becher’s verklaring is gebaseerd op hem door medewerkers van de onderneming waarvan hij bestuurder was verstrekte informatie, de betrouwbaarheid ervan. Zoals het Gerecht in punt 205 van het bestreden arrest, refererend aan eerdere rechtspraak(27) onweersproken heeft gesteld, zijn antwoorden die in naam van een onderneming zijn gegeven, geloofwaardiger dan antwoorden die afkomstig zijn van een personeelslid.
119. Er is dan ook niets speculatiefs aan de vaststelling van het Gerecht in punt 297 dat een persoon die geen persoonlijke kennis heeft van de relevante feiten, wanneer hij als vertegenwoordiger van een vennootschap een verklaring aflegt waarin hij erkent dat hij samen met andere ondernemingen een inbreuk heeft gepleegd, zich noodzakelijkerwijs moet baseren op hem door de onderneming verstrekte informatie en in het bijzonder door werknemers die persoonlijk kennis hebben van de betrokken praktijken. Gelet op de niet-onaanzienlijke juridische en economische risico’s die zo’n verklaring kan hebben, zou het afleggen ervan zonder over die informatie te beschikken pas bij uitstek riskant zijn.
120. Dit argument – zo het al ontvankelijk is – doet dan ook in geen enkel opzicht af aan de bewijswaarde die het Gerecht aan Becher’s verklaring heeft toegekend.
121. Met het tweede argument, geeft verzoekster nog eens haar lezing van de betrouwbaarheid en dus de bewijswaarde van Becher’s verklaring, die zij afzet tegen de lezing van het Gerecht, waaruit zij vervolgens afleidt dat het Gerecht de bewijswaarde onjuist zou hebben gewaardeerd.
122. Ik kan hierin moeilijk iets anders zien dan een verkapte poging om het Hof te bewegen in tweede instantie de feiten te hertoetsen. Dit argument dient, met een beroep op het in de punten 91 tot en met 93 hierboven gestelde, derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.(28)
123. Ten overvloede merk ik hierbij op dat de inhoudelijke verwijten die met dit argument het Gerecht worden gemaakt, zelfs indien zij prima facie hout zouden snijden, ten enenmale onvoldoende zijn om een begin van vermoeden te scheppen dat het Gerecht een substantiële misslag in de waardering van de bewijswaarde van Becher’s verklaring zou hebben gemaakt. Dit geldt zowel voor de consequenties die het Gerecht verbindt aan de beweerdelijke strijdigheid van Becher’s verklaring met het document Verdeelsleutel, als ten aanzien van de redenering die het Gerecht volgt ten aanzien van de consequenties van het bemantelen van het intra-Europese aspect van de inbreuk voor de geloofwaardigheid van de andere elementen van die verklaring.
124. Het derde argument verwijst ter adstructie van de stelling dat de conclusie van het Gerecht volgens welke Becher’s verklaring die van Verluca kan staven voor wat betreft „project”-transportbuizen, gebaseerd is op een innerlijk tegenstrijdige en onvolledige motivering, op hetgeen zij ter ondersteuning van het eerste en tweede argument te berde heeft gebracht.
125. Voor zover het hier gaat om het hergebruik van stellingen van feitelijke aard die nu onder de noemer van een motiveringsgebrek worden opgediend, zijn zij klaarblijkelijk niet-ontvankelijk.
126. Hetzelfde geldt voor de als aanvullend gepresenteerde stelling dat het Gerecht ten onrechte aan Becher’s verklaring een andere bewijswaarde heeft toegekend dan volgens de door het gerecht zelf in punt 220 van het bestreden arrest toelaatbaar was.
127. Hiermee wordt immers andermaal de waardering door het Gerecht van Becher’s ontkenning van het intra-Europese aspect voor de geloofwaardigheid van de andere onderdelen van diens verklaring in het geding gebracht.
128. Ik concludeer dat ook dit onderdeel van het eerste middel niet kan slagen, en dat mitsdien de conclusie in punt 333 van het bestreden arrest, namelijk dat Verluca’s verklaring dat de inbreuk ook betrekking had op „project”-transportbuizen, niet wordt aangetast.
d) Het „Gruber+Weber”‑punt
129. Het derde onderdeel van het eerste middel is gericht tegen de redenering die het Gerecht, met een beroep per analogiam op punt 214 van het arrest Gruber+Weber(29), hanteert om te concluderen dat, zelfs indien verzoeksters in eerste aanleg erin waren geslaagd twijfel te doen rijzen over de vraag op welke specifieke producten de in de beschikking bestrafte overeenkomst betrekking had, die beschikking niet nietig behoeft te worden verklaard.
130. Uit de wijze waarop de aanhef van dit punt is geformuleerd: „Gesteld dat […], wat niet is aangetoond, […]” blijkt dat het hier gaat om een hypothetische overweging ten overvloede, die niets toevoegt aan de conclusies die het Gerecht in de voorgaande punten 333 en 335 heeft getrokken.
131. Nu de twee eerste onderdelen van dit beroep, die achtereenvolgens de conclusies van punt 335 en punt 333 betreffen, naar mijn oordeel niet kunnen slagen, is het derde onderdeel, dat tegen punt 336, ondoeltreffend geworden, dat wil zeggen dat het, zelfs indien het mocht slagen, niets kan veranderen aan het dispositief van de bestreden uitspraak.
132. Naar vaste rechtspraak kunnen dergelijke, tegen niet dragende rechtsoverwegingen gerichte (onderdelen van) middelen niet slagen.(30)
133. Daarom acht ik dat het derde onderdeel van het eerste middel, als zijnde ondoeltreffend, buiten behandeling moet blijven.
C – Het tweede middel – de buitensporige lengte van de procedure
1. Argumenten van verzoekster
134. Volgens verzoekster is de lengte van de procedure voor het Gerecht met ongeveer 4 jaar en 3 maanden excessief geweest. Meer in het bijzonder zouden het tijdsverloop van twee jaar tussen het einde van de schriftelijke procedure en de beslissing tot opening van de mondelinge procedure en de 16 maanden tussen het sluiten van de mondelinge procedure en de uitspraak van het arrest disproportioneel lang zijn geweest.
135. Daarmee zou het Gerecht een inbreuk hebben gemaakt op artikel 6, lid 1, van de Europese Conventie voor de Rechten van de Mens (hierna: „ECRM”).
136. In vergelijking met de zaak Baustahlgewebe(31), waarin het Hof heeft vastgesteld dat een duur van de behandeling in eerste aanleg van 5 jaar en 6 maanden een inbreuk opleverde op het in artikel 6, lid 1, ECRM neergelegde beginsel van effectieve toegang tot de rechter binnen een redelijke termijn, zou de onderhavige zaak met acht betrokken ondernemingen, waarvan er zeven beroep hebben ingesteld, zich bedienend in totaal drie procestalen, wat eenvoudiger zijn dan de zaak Baustahlgewebe waar het om elf beroepen ging.
137. In ieder geval dient het tijdsverloop van twee jaar tussen het sluiten van de schriftelijke procedure in de onderhavige zaken en het openen van de mondelinge procedure als buitensporig lang te worden aangemerkt, zeker in het licht van het gegeven dat met de maatregelen voor de organisatie van de procedure slechts twee maanden was gemoeid.
138. Ook vergeleken met de gemiddelde duur van de procedures voor het Gerecht voor vergelijkbare categorieën zaken heeft de behandeling van de onderhavige zaken onevenredig veel tijd in beslag genomen.(32)
139. Verzoekster stelt financiële schade te hebben ondervonden door de lengte van de procedure in de vorm van extra rentebetalingen wegens achterstalligheid met de betaling van de opgelegde boete en extra kosten voor het stellen van de nodige bankgarantie, die volgens haar berekeningen een totaal van 827 332 EUR belopen.
140. Daarenboven acht zij, overeenkomstig de matiging die het Hof op de boetes heeft toegepast, een genoegdoening van 175 000 EUR passend.
2. Argumenten van de Commissie
141. De Commissie vestigt er de aandacht op dat het Hof, bij de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht, een boete kan verminderen teneinde een redelijke genoegdoening te verlenen voor een inbreuk op het rechtsbeginsel van een onafhankelijke rechterlijke toetsing binnen een redelijke termijn.
142. Echter in het hypothetische geval dat het Hof de opgelegde boete volledig zou ecarteren, is er geen basis meer waarop de door verzoekster geleden schade in mindering kan worden gebracht. Omdat de procedure in hogere voorziening nooit kan dienen als een zelfstandig vehikel voor een schadevorderingsactie, zou in dat geval verzoekster een vordering op grond van artikel 235 EG moeten aanspannen. Overigens, zo merkt de Commissie op, het zou in die hypothese ongepast zijn de verplichting tot schadevergoeding bij haar te leggen, aangezien de lengte van de procedure voor het Gerecht haar niet te verwijten valt.
143. Overigens was de lengte van de procedure in het licht van de omstandigheden – het aantal partijen, de interventie van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, het aantal procestalen, alsmede de omvang en complexiteit van het aan de aangevallen beschikking ten grondslag liggende dossier – niet buitensporig, ook niet indien de lengte van de procedure wordt vergeleken met de gemiddelde duur van vergelijkbare procedures voor het Gerecht in de desbetreffende periode, dat wil zeggen in de periode van 2000 tot en met 2004.
144. De Commissie bestrijdt verder de stelling dat verzoekster door de beweerde buitensporige duur van de procedure financiële schade zou hebben opgelopen:
– verzoekster zou geen rekening hebben gehouden met de opbrengsten van het boetebedrag waarover zij gedurende de loop van de procedure de beschikking had gehouden;
– verzoekster zou hebben nagelaten de nodige initiatieven te nemen om haar kosten in verband met de opgelegde boete zoveel mogelijk te beperken.
145. Ten slotte zou verzoekster haar aanvullende vordering van 175 000 EUR als een redelijke genoegdoening zonder meer voor de inbreuk op het beginsel van een adequate rechterlijke beoordeling baseren op een onjuiste lezing van de desbetreffende passages van het arrest Baustahlgewebe. Uit punt 31 van dat arrest zou blijken dat het Hof wel terdege rekening had gehouden met de door verzoekster in die zaak geleden schade wegens onnodige rentekosten.
3. Beoordeling
146. In het arrest Baustahlgewebe heeft het Hof aan zijn vaststelling dat in die zaak de procedure in eerste aanleg buitensporig lang had geduurd de volgende criteria gehanteerd(33):
– de absolute lengte van de procedure;
– het belang ervan voor de betrokkenen;
– het aantal beroepen en het aantal procestalen;
– het volume van de documenten en de ingewikkeldheid van de feitelijke en rechtsvragen;
– eventuele gedragingen van verzoekende partijen en de bevoegde autoriteiten die tot verlenging van de procedure hebben bijgedragen;
– het tijdsverloop tussen de beëindiging van de schriftelijke procedure en het besluit om tot mondelinge behandeling over te gaan;
– eventuele tussentijdse maatregelen tot organisatie van de procesgang en maatregelen van instructie;
– het tijdsverloop tussen de beëindiging van de mondelinge procedure en het arrest.
147. In vergelijking met de zaak Baustahlgewebe heeft de onderhavige procedure in eerste aanleg significant minder tijd in beslag genomen, namelijk vier jaar en drie maanden tegen vijf jaar en zes maanden.
148. Ten aanzien van het belang van betrokkene verschilt de situatie niet wezenlijk van die in het arrest Baustahlgewebe. Weliswaar brengt de lengte van de procedure de continuïteit van verzoeksters onderneming op geen enkele wijze in het geding, maar de procesduur kan wel terdege haar financiële belangen raken. Dat over de omvang van de kosten die aan de buitensporige lengte van de procedure zouden zijn veroorzaakt verschil van mening tussen verzoekster en de Commissie bestaat, doet aan deze vaststelling niet af.
149. Het aantal ingediende beroepen (zeven) is duidelijk minder dan in de zaak Baustahlgewebe (elf); het aantal procestalen is hetzelfde (drie).
150. Een vergelijking van de complexiteit van de feitelijke en rechtsvragen, alsmede van de volumes van de onderliggende documenten, is hachelijk. Niettemin ben ik geneigd na bestudering van de in eerste aanleg gewezen arresten, de complexiteit van de te onderzoeken feitelijke en rechtsvragen in de onderhavige zaken wat hoger aan te slaan dan in de zaak Baustahlgewebe.
151. Vrijwel alle feiten die aan de beschikking van de Commissie ten grondslag lagen, zijn tijdens de procedure in eerste aanleg bestreden en moesten worden onderzocht, en de daaromtrent beschikbare verklaringen en documenten dienden op hun bewijswaarde te worden gewaardeerd.
152. Verder kenmerken de onderhavige procedures zich door een grote verscheidenheid aan lastige rechtsvragen, zoals de betrokkenheid van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, de status van de off-shoremarkten van de Gemeenschap en die van het Verenigd Koninkrijk in het bijzonder. Weliswaar waren die rechtsvragen niet alle nieuw, maar hun beantwoording in de feitelijke context van deze procedures vergde een grondige prealabele analyse.
153. In het dossier van de procedure in eerste aanleg zijn geen aanwijzingen te vinden dat verzoekster acties heeft ondernomen of gevraagd van het Gerecht, die zouden kunnen hebben bijgedragen tot de verlenging van de procedure.
154. Tussen de beëindiging van de schriftelijke procedure op 1 februari 2001 en de opening van de mondelinge procedure op 4 februari 2003 zijn twee jaar verlopen.
155. Het Gerecht heeft op 18 juni, 11 juli en 31 juli 2002 maatregelen ter organisatie van de procedure genomen.
156. Het tijdsverloop tussen de beëindiging van de mondelinge procedure op 21 maart 2003 en het uitspreken van het arrest op 8 juli 2004 beliep bijna 15 en een halve maand.
157. Op grond van het bovenstaande kom ik tot de vaststelling dat in termen van werkbelasting voor het Gerecht de onderhavige procedures in hun totaliteit grosso modo gelijk waren aan de groep zaken, waarvan de zaak Baustahlgewebe deel uitmaakte, maar de totale duur van de procedure in eerste aanleg van de onderhavige groep zaken significant minder was, namelijk een jaar en drie maanden.
158. Mijns inziens komt aan het feit dat het twee jaar heeft geduurd voordat, na de beëindiging van de schriftelijke procedure, de mondelinge procedure formeel is geopend, geen beslissende betekenis toe. De analyse van de omvangrijke procesdossiers en de onderliggende documenten, alsmede de synthese daarvan in een omvangrijk rapport ter terechtzitting – 135 bladzijden, die van de werktaal van het Gerecht naar de drie procestalen moesten worden vertaald – brengen noodzakelijkerwijs mee dat met de desbetreffende voorbereidende activiteiten een aanvang moet zijn gemaakt vér voordat de beslissing tot opening van de mondelinge procedure kon worden genomen.
159. Ook de diverse maatregelen die het Gerecht vanaf medio juni 2002 heeft genomen tot organisatie van de procedures veronderstellen een voorafgaande analyse van – delen van – de procesdossiers.
160. Het tijdsverloop van bijna zestien maanden tussen de hoorzitting en het wijzen van het arrest is lang, maar ik aarzel dat als buitensporig te kwalificeren, gelet op de omstandigheid dat de hoorzittingen twee en een halve dag in beslag hebben genomen en op de arresten zelf, die qua lengte en opbouw de juridische en feitelijke complexiteit van de onderhavige zaken afspiegelen.
161. Daarbij komt nog een omstandigheid die door de Commissie weliswaar is aangeduid, maar die een wat indringender beschouwing vergt.
162. In de periode dat de onderhavige procedures bij het Gerecht aanhangig waren – van 2000 tot en met 2004 – is de werkbelasting van het Gerecht in termen van aanhangige zaken ongeveer verdubbeld van 520 tot 1012 zaken. Deze stijging laat zien dat in die periode de vraag naar rechtsbedeling door het Gerecht de beschikbare capaciteit klaarblijkelijk heeft overschreden.
163. Naarmate de werkvoorraad van een gerechtelijke instantie groeit zal de gemiddelde duur van de procedures toenemen. Ook dit komt in de statistieken van het Gerecht tot uiting. De gemiddelde duur van de groep procedures, waartoe mededingingszaken behoren, is van 2001 tot 2005 geleidelijk toegenomen van ruim 30 maanden tot ruim 35 maanden.(34)
164. Dit verschijnsel dat bij een instantie, wier werkbelasting haar capaciteit overschrijdt, de gemiddelde doorloopsnelheid van de zaken afneemt, vloeit voort uit de „wachtkamereffecten” die zich vooral manifesteren na beëindiging van de schriftelijke procedure en na beëindiging van de mondelinge procedure. Op die momenten dient de rechtsprekende formatie eerst de voorgaande zaken gereed temaken voor de mondelinge behandeling, c.q. met een arrest te voltooien, voordat zij kan toekomen aan de behandeling van de volgende zaken. In dit licht spreekt het gegeven dat de behandeling van de onderhavige zaken aanzienlijk minder tijd in beslag heeft genomen dan die van de zaken die in het arrest Baustahlgewebe(35) zijn afgedaan, voor de diligentie die het Gerecht heeft betracht.
165. Tegen deze achtergrond is een periode van vier jaar en drie maanden voor de onderhavige omvangrijke en ingewikkelde zaken niet als onevenredig lang te kwalificeren.
166. Daarom concludeer ik dat dit middel niet kan slagen.
167. Ten overvloede merk ik op dat indien de vraag naar rechtspraak van een rechterlijke instantie van de Gemeenschap haar capaciteit structureel te boven gaat en interne maatregelen tot vergroting van de productiviteit niet meer mogelijk zijn, zonder afbreuk te doen aan de kwaliteitseisen waaraan de rechtspraak van de instantie moet blijven voldoen, het tot de verantwoordelijkheid van de Verdragsgever behoort om de voorwaarden in stand te houden waaronder het Hof van Justitie als gemeenschapsinstelling zijn hem in artikel 220 EG opgedragen taak kan blijven vervullen.
168. Dat de Verdragsgever die verantwoordelijkheid onderkent wordt bevestigd door het Verdrag van Nice(36), waarin met betrekking tot het Gerecht verschillende voorzieningen zijn getroffen om diens capaciteit in overeenstemming te houden met de vraag naar rechtspraak. Ik denk hierbij in het bijzonder aan de door artikel 224 EG geopende mogelijkheid om voor het Gerecht meer rechters dan één per lidstaat te benoemen en aan de in artikel 225 A EG neergelegde bevoegdheid van de Raad tot instelling van rechterlijke kamers in eerste aanleg.
VI – Het beroep van Nippon Steel
A – Het eerste middel: het Gerecht heeft het recht miskend door een onjuiste bewijsstandaard te hanteren waar is aangetoond dat de beweringen van de Commissie niet stroken met de commerciële belangen van verzoekster en dus onlogisch zijn
1. De relevante onderdelen van het bestreden arrest
169. Dit middel heeft betrekking op de punten 173 tot en met 188 van het bestreden arrest waar het Gerecht uitzet welke beginselen met betrekking tot de bewijslast en de bewijsstandaard het hanteert bij zijn analyse van de argumenten van de Japanse producenten.
170. Voor wat betreft de juridische normering die van toepassing is op het bewijs dat moet worden geleverd voor de vaststelling van een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG stelt het Gerecht in de punten 179 en 180 het volgende vast:
„179 Aldus dient de Commissie, zoals de Japanse verzoeksters terecht in herinnering brengen, nauwkeurig bepaalde en onderling overeenstemmende bewijzen aan te voeren die de vaste overtuiging kunnen dragen dat de inbreuk is gepleegd (zie in die zin arrest CRAM en Rheinzink/Commissie, hierboven aangehaald in punt 57, punt 20, en houtslijparrest II, hierboven aangehaald in punt 56, punt 127; hierboven in punt 57 aangehaalde arresten SIV e.a./Commissie, punten 193-195, 198-202, 205-210, 220-232, 249-250 en 322-328, en Volkswagen/Commissie, punten 43 en 72).”(37)
„180. Evenwel dient te worden beklemtoond dat niet elk van de door de Commissie aangevoerde bewijzen noodzakelijkerwijs voor elk onderdeel van de inbreuk aan deze criteria hoeft te voldoen. Het is voldoende dat de door deze instelling aangevoerde verzameling aanwijzingen, in haar geheel beschouwd, aan dit vereiste voldoet (zie in die zin houtslijparrest II, hierboven aangehaald in punt 61, punten 768-778, in het bijzonder punt 777, op dit relevante punt in hogere voorziening bevestigd door het Hof in zijn arrest van 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, C‑238/99 P, C‑244/99 P, C-245/99 P, C247/99 P, C-250/99 P-C-252/99 P en C-254/99 P, Jurispr. blz. I‑8375, punten 513-523).”
171. Voorts richt het middel zich op de wezenlijke elementen die volgens het Gerecht dienen te worden bewezen om een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG te mogen aannemen. In dit verband wijst verzoekster op de volgende passages uit de punten 181 en 185 van het bestreden arrest:
„181 […] uit de tekst zelf van artikel 81, lid 1, EG volgt dat overeenkomsten tussen ondernemingen ongeacht of zij al dan niet gevolgen hebben, verboden zijn, wanneer zij een mededingingsverstorend doel hebben […]”
„185 […] het [is] voor het bestaan van de inbreuk irrelevant […] of de Japanse verzoeksters er al dan niet commercieel belang bij hadden om de door de Commissie in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde mededingingsverstorende overeenkomst te sluiten, indien aan de hand van de bewijselementen in het dossier van de Commissie is aangetoond dat zij daadwerkelijk deze overeenkomst hebben gesloten.”
2. De argumenten van verzoekster
172. Verzoekster stelt dat het Gerecht zich zou hebben vergist door niet de juiste juridische gevolgtrekkingen te verbinden aan het gegeven dat de Japanse producenten geen economisch belang hadden bij het begaan van de beweerdelijke inbreuk. Meer in het bijzonder zou de misslag erin bestaan dat het Gerecht niet de rechtsnorm, waaraan het bewijs voor de vaststelling van een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG moet voldoen, zou hebben aangepast aan het klaarblijkelijk ontbreken van een economisch belang. Het Gerecht zou eenvoudigweg hebben gemeend dat de afwezigheid van een economisch belang geen betekenis heeft, indien kan worden vastgesteld – op basis van het bewijsmateriaal in het dossier van de Commissie – dat de litigieuze overeenkomst is gesloten.
173. Verzoekster is daarentegen van mening dat:
1) de afwezigheid van economische motieven bij verzoekster om de litigieuze overeenkomst te sluiten tot gevolg zou moeten hebben gehad dat overtuigender bewijzen voor het bestaan ervan moesten worden geëist dan anders het geval zou zijn geweest;
2) de afwezigheid van economische motieven zou de gevolgtrekkingen die uit het dubbelzinnige bewijsmateriaal van de Commissie voor het bestaan van de overeenkomst konden worden gemaakt, moeten hebben beïnvloed. In ieder geval zou bij het bestaan van een andere verklaring voor het kwestieuze marktgedrag van verzoekster uit dat bewijsmateriaal geen inbreuk op artikel 81, lid 1, EG mogen worden afgeleid;
3) de afwezigheid van economische motieven zou gevolgen moeten hebben gehad voor de toelaatbaarheid als bewijs van verklaringen afgelegd namens een andere beweerdelijk bij het kartel betrokken partij om de stellingen van de Commissie te onderbouwen: een dergelijk bewijs zou slechts toelaatbaar zijn indien alle essentiële onderdelen van de overeenkomst (zoals de deelnemers, de duur, de betrokken producten en de aard van de inbreuk) al waren vastgesteld op basis van bewijsmateriaal dat los staat van die verklaringen. In dit verband wijst verzoekster op punt 91 van het arrest Enso-Gutzeit.(38)
3. De argumenten van de Commissie
174. De Commissie is van mening dat dit middel niet-ontvankelijk en in ieder geval ongegrond is.
175. Tegen de ontvankelijkheid van het middel voert de Commissie in hoofdzaak twee argumenten aan:
1) het middel kan niet slagen zonder een nadere beoordeling van de feitelijke waardering door het Gerecht van de duidelijkheid en de bewijswaarde van de door hem voorgelegde verklaringen, verslagen en andere documenten. (Dit argument pleit volgens de Commissie ook tegen de ontvankelijkheid van het tweede en derde middel);
2) het middel verruimt de reikwijdte van het beroep tot buiten het kader van de in eerste aanleg aangevoerde middelen, omdat bij die gelegenheid verzoekster haar argumenten betreffende het ontbreken van commerciële belangen bij de export van OCTG-buizen en „project”-transportbuizen naar Europa geheel los van de beoordeling van de bewijswaarde van het door de Commissie gepresenteerde materiaal heeft aangevoerd.
176. Ongegrond acht de Commissie het middel omdat:
1) de argumenten van verzoekster gericht zijn op de effecten en, meer in het algemeen, op de relevantie van de commerciële belangen van de betrokken ondernemingen voor de vaststelling van de inbreuk. Welnu, in punt 184 van het bestreden arrest heeft het Gerecht in overeenstemming met de geldende rechtspraak(39) uitgemaakt dat overeenkomsten die op zich een mededingingsbeperkend doel hebben, en uitdrukkelijk door artikel 81, lid 1, EG zijn verboden, niet kunnen worden gerechtvaardigd op basis van een analyse van de economische context, indien dat mededingingsbeperkende doel van overeenkomst op basis van schriftelijke bewijzen ontegenzeggelijk was aangetoond;(40)
2) ervan afgezien dat verzoeksters stelling dat zij geen commerciële belangen zou hebben bij de litigieuze overeenkomst in eerste aanleg niet onweersproken is gebleven, het Gerecht, geconfronteerd met een dossier dat ruimschoots rechtstreeks bewijs verschafte aangaande het clandestiene gedrag van verzoekster, kon volstaan met een onderzoek naar dat bewijsmateriaal en op grond daarvan vaststellen dat het verbod van artikel 81, lid 1, EG was geschonden.
3) de argumenten die verzoeksters aan het arrest Enso-Gutzeit ontlenen onjuist zijn, waar zij het hebben over de toelaatbaarheid van verklaringen als belastend bewijsmateriaal. Het ging in die zaak niet om de toelaatbaarheid van dat bewijsmateriaal, maar om de geloofwaardigheid ervan in het kader van de toepassing van het beginsel van de vrije bewijswaardering.(41)
4. Beoordeling
177. De argumenten van de Commissie tegen de ontvankelijkheid van dit middel overtuigen mij niet. De vraag of het Gerecht rechtens de juiste maatstaf heeft gehanteerd bij de toetsing van het ter staving van de bestreden inbreuk aangevoerde bewijsmateriaal, is, in abstracto bij uitstek een rechtsvraag.
178. Overigens kon de manier waarop verzoekster dit middel heeft gepresenteerd en geadstrueerd, namelijk door haar argumenten deels te ontlenen aan de feitelijke beoordeling door het Gerecht van het presenteerde bewijsmateriaal, wel de indruk wekken dat zij primair een herbeoordeling van dat materiaal door het Hof in hogere voorziening beoogde. Die onhandigheid hoeft mijns inziens geen niet-ontvankelijkheid tot gevolg te hebben.
179. Evenmin vermag het argument mij te overtuigen dat verzoekster de reikwijdte van haar in eerste aanleg aangevoerde middelen heeft opgerekt door te stellen dat het Gerecht bij zijn waardering van het bewijsmateriaal de omstandigheid had moeten betrekken dat verzoekster geen commerciële belangen zou hebben gehad bij de litigieuze overeenkomst. Weliswaar had verzoekster dat argument in eerste aanleg apart naar voren gebracht, maar juist bij de toepassing van het beginsel van de vrije bewijswaardering behoren dergelijke contextuele elementen in principe wel in aanmerking te worden genomen.
180. Bij de beoordeling van het middel ten gronde wil ik mij beperken tot de vraag of de beweerde afwezigheid van commerciële belangen bij de in de beschikking van de Commissie vastgestelde inbreuk op artikel 81, lid 1, EG, voor het Gerecht aanleiding had moeten zijn tot een andere waardering van het gepresenteerde bewijsmateriaal dan in het bestreden arrest heeft plaatsgevonden.
181. In dit verband moet worden nagegaan of de redenering juist is, die het Gerecht in de punten 179 tot en met 188 van het bestreden arrest volgt, op grond waarvan het besluit eerst over te gaan tot een beoordeling van het door de Commissie geleverde bewijsmateriaal en pas subsidiair, of het bestaan van de gestelde overeenkomst al dan niet te rijmen valt met de op de desbetreffende markten bestaande situatie.
182. Welnu, het komt mij voor dat de aanpak van het Gerecht duidelijk en, in het licht van de bestaande rechtspraak, onberispelijk is.
183. In punt 179 begint het Gerecht met te herinneren aan het uit een inmiddels overvloedige rechtspraak(42) voortvloeiend beginsel dat de Commissie nauwkeurig bepaalde en onderling overeenstemmende bewijzen dient aan te voeren die de vaste overtuiging kunnen dragen dat de inbreuk is gepleegd. Vervolgens beklemtoont het Gerecht in punt 180, opnieuw met een beroep op de vaste rechtspraak(43), dat het voldoende is dat de door de Commissie aangevoerde verzameling aanwijzingen, in haar geheel beschouwd, aan dat vereiste voldoet. In punt 181 rondt het Gerecht het eerste deel van zijn redenering af met een herinnering aan de vaste rechtspraak(44) dat uit de tekst van artikel 81, lid 1, EG volgt dat overeenkomsten tussen ondernemingen, ongeacht de gevolgen ervan, verboden zijn wanneer zij een mededingingsverstorend doel hebben. In casu heeft de Commissie zich primair gebaseerd op het mededingingsbeperkende doel van de overeenkomst, waarvan zij het bestaan en de strekking zoekt aan te tonen met een groot aantal schriftelijke bewijselementen.
184. Het Gerecht komt op basis van dit eerste deel van zijn redenering in punt 182 tot de constatering dat een en ander belangrijke gevolgen kan hebben voor het eerste onderdeel van verzoeksters eerste middel, waarin in wezen is gesteld dat de in artikel 1 van de beschikking bestrafte inbreuk geen mededingingsverstorende gevolgen heeft gehad.
185. Het tweede deel van de redenering van het Gerecht begint met de vaststelling dat het betoog van verzoekster dat de betrokken overeenkomst geen gevolgen voor de mededingingsverhoudingen heeft gehad, ook al zou dit gegrond zijn, in beginsel op zich niet kan leiden tot nietigverklaring van artikel 1 van de bestreden beschikking (punt 183).(45)
186. Meer in het bijzonder heeft het Gerecht voor overeenkomsten als de onderhavige, die de eerbiediging van de thuismarkten beogen, in het cement-arrest al geoordeeld dat deze op zich een mededingingsbeperkend doel hebben en behoren tot een groep overeenkomsten die uitdrukkelijk door artikel 81, lid 1, EG zijn verboden en dat dit doel, dat in de cement-zaak op basis van schriftelijke bewijzen ontegensprekelijk was aangetoond, niet kan worden gerechtvaardigd op basis van een analyse van de economische context waarbinnen de mededingingsverstorende gedragingen zijn gesteld (punt 184).
187. Daarom is het voor het bestaan van de inbreuk irrelevant of verzoeksters er al dan niet commercieel belang bij hadden om de onderhavige overeenkomst te sluiten, indien aan de hand van de bewijselementen in het dossier van de Commissie is aangetoond dat zij daadwerkelijk deze overeenkomst hadden gesloten (punt 185).
188. In casu is het argument dat de door verzoeksters aangetoonde omstandigheden een ander licht werpen op de door de Commissie vastgestelde feiten en daarvoor een andere plausibele verklaring bieden irrelevant. De rechtspraak waarop dit betoog is gebaseerd heeft immers betrekking op de situatie waarin de Commissie uitsluitend op basis van het marktgedrag van de betrokken ondernemingen een inbreuk vaststelt (punt 186).(46)
189. In de onderhavige zaak heeft de Commissie evenwel schriftelijke bewijselementen aangevoerd ter staving van haar vaststelling dat er sprake is van een mededingingsverstorende overeenkomst. Daarom kan de door verzoekster aangehaalde rechtspraak slechts relevant zijn voor zover de Commissie er niet in is geslaagd aan de hand van de door haar aangevoerde schriftelijke bewijzen de inbreuk aan te tonen. Het is dan ook onvoldoende om een plausibel alternatief te bieden voor de stelling van de Commissie, verzoekster zal moeten beginnen met te stellen dat de aangevoerde bewijzen voor de inbreuk ontoereikend zijn (punt 187).
190. Deze redenering van het Gerecht is volstrekt in overeenstemming met de bestaande rechtspraak van het Gerecht en het Hof. Verzoeksters stelling dat bij het bestaan van een plausibele verklaring voor de verweten gedragingen, namelijk het ontbreken van ieder commercieel belang, hogere eisen aan de bewijsvoering zouden moeten worden gesteld, zou meebrengen dat die rechtspraak aanzienlijk zou moeten worden aangescherpt.
191. Daarvoor is naar het mij voorkomt geen aanleiding. Zoals het Hof in zijn recente arrest Aalborg Portland e.a./Commissie(47), punten 55 tot en met 57, nog heeft gesteld is de bewijsvoering in mededingingszaken vaak buitengewoon lastig, omdat daarbij de partijen zich bewust zijn van het verboden karakter van mededingingsbeperkende gedragingen en van de boetes die zij daarmee riskeren. Daarom moet in de meeste zaken het bestaan van dergelijke gedragingen worden afgeleid uit coïncidenties en aanwijzingen die bij afwezigheid van een andere plausibele verklaring, tezamen het bewijs van een inbreuk op de mededingingsbepalingen opleveren.
192. Indien, zoals in het onderhavige geval, de Commissie erin is geslaagd een groot aantal schriftelijke bewijselementen te verzamelen ter adstructie van een door haar gestelde inbreuk, ligt het voor de hand dat de rechter eerst dat bewijsmateriaal beoordeelt. Alleen indien dat onvoldoende blijkt om de gestelde inbreuk te bewijzen, is het nodig, om daarenboven, na te gaan of het bestaan van die inbreuk kan worden afgeleid uit coïncidenties en aanwijzingen die met het marktgedrag samenhangen.
193. Verzoekster heeft haar stelling geïllustreerd met een aan de rechtspraak van het House of Lords ontleende metafoor(48) dat bij de waarneming van een groot bruin dier in Regent’s Park het waarschijnlijker is dat het om een herdershond dan om een leeuw gaat, en dat evenzo de stelling dat het toch een leeuw is een bijzondere bewijsvoering zal behoeven.
194. Die metafoor is in casu niet adequaat, omdat het hier niet gaat om een beoordeling van twee waarschijnlijkheden, waarvan de één in de gegeven context waarschijnlijker is dan de ander, maar om de determinatie van één waarschijnlijkheid aan de hand van verzameld bewijsmateriaal.
195. Welnu, indien dat bewijsmateriaal toereikend blijkt om het bestaan van de gestelde inbreuk aan te tonen, is voldaan aan de eis van een overtuigende bewijsvoering.
196. Anders gezegd, indien op basis van de veldkenmerken een vogel kan worden gedetermineerd als een eend, is het – ook al is er geen water in de buurt – een eend en geen kraai.
197. Ik kom zo tot de slotsom dat het eerste middel van verzoekster niet kan slagen.
B – Het tweede middel: het Gerecht heeft het recht miskend door een onjuiste bewijsstandaard te hanteren in een zaak waarin de bewijsdocumenten dubbelzinnig zijn en dat verzoekster een alternatieve plausibele verklaring voor het in geding zijnde gedrag heeft gegeven
C – Het derde middel: het Gerecht heeft het recht miskend door een onjuiste bewijsstandaard te hanteren ten aanzien van het niveau van het bewijs dat moet worden geleverd ter ondersteuning van de omstreden verklaringen die de Commissie heeft gebruikt als belangrijkste bewijselementen, maar die weinig waarschijnlijk waren, uiterst dubbelzinnig en in tegenspraak met andere bewijselementen
198. Ik zie ervan af om de argumenten van verzoekster ter adstructie van deze twee middelen weer te geven.
199. Beide middelen komen erop neer dat verzoekster begint met te stellen dat het Gerecht een onjuiste – te lage – standaard heeft gehanteerd bij zijn beoordeling van de bewijselementen, in de vorm van verklaringen en documenten, die de Commissie heeft aangevoerd ter staving van de in het geding zijnde inbreuk.
200. Hierboven bij de beoordeling van het eerste middel heb ik al vastgesteld dat de methode die het Gerecht heeft gevolgd bij zijn beoordeling van de vraag of de Commissie voldoende overtuigend bewijs heeft geleverd voor het bestaan van de inbreuk juist was: het Gerecht mocht op basis van de bestaande vaste rechtspraak tewerk gaan zoals het heeft gedaan.
201. Met deze twee middelen probeert verzoekster uit de beoordeling door het Gerecht van de feitelijke bewijswaarde van de aangevoerde bewijselementen inductief af te leiden, dat het Gerecht een te lage standaard zou hebben toegepast bij die beoordeling.
202. Mijns inziens kan deze poging om het Hof te brengen tot een hertoetsing van de waardering van de feiten door het Gerecht niet slagen, omdat daarmee het kader van de tot de beoordeling van rechtsvragen beperkte hogere voorziening wordt overschreden.
203. Daarom concludeer ik tot kennelijk niet-ontvankelijkheid van deze twee middelen.
D – Het vierde middel: het Gerecht heeft het recht miskend door op tegenstrijdiger en onjuiste gronden zijn zienswijze te baseren dat de verklaring van Becher van 21 april 1997 de verklaringen van Verluca ondersteunt voor wat betreft de beweerdelijke inbreuk ten aanzien van „project”-transportbuizen
1. Argumenten van verzoekster
204. Verzoekster verwijst naar punt 220 van het bestreden arrest waarin het Gerecht heeft gesteld: „[…] Bovendien volstaat het dat een stuk, voor zover het niet in kennelijke tegenspraak is met de verklaringen van Verluca over het bestaan of de wezenlijke inhoud van de marktverdelingsovereenkomst, wezenlijke onderdelen van de door hem beschreven overeenkomst bevestigt, opdat het enige waarde zou hebben als element ter ondersteuning van deze verklaringen in het kader van de reeks bewijselementen à charge […]”
205. Bij zijn beoordeling van de betekenis van Becher’s verklaring ter ondersteuning van de verklaringen van Verluca zou het Gerecht echter zijn afgeweken van de maatstaf die het in punt 220 van het bestreden arrest heeft geformuleerd. Door te stellen dat er geen marktverdelingsovereenkomst bestond tussen de Europese producenten onderling heeft Becher de verklaringen van Verluca op een zeer wezenlijk punt weersproken. Het Gerecht heeft dit overigens klaarblijkelijk onderkend waar het in punt 302 stelt dat die tegenstrijdigheid de geloofwaardigheid van Becher’s verklaring aantast. Niettegenstaande dat heeft het Gerecht toch gemeend dat diens verklaring die van Verluca ondersteunt voor wat betreft de toepasselijkheid van de marktverdelingsovereenkomst op „project”-transportbuizen.
206. In essentie aanvaardt het Gerecht aldus tegenstrijdig bewijsmateriaal waar het gaat om de verklaring van Becher, terwijl het, overeenkomstig zijn eigen norm, waarschijnlijk even tegenstrijdige verklaringen terzijde zou hebben gelaten als die in documenten waren vervat. Daarmee heeft het Gerecht een willekeurig onderscheid geschapen tussen de verklaringen en het in documenten neergelegde bewijsmateriaal.
207. Met dat willekeurige onderscheid zou het Gerecht het recht hebben miskend bij beoordeling van de bewijswaarde ven Becher’s verklaring. Die verklaring kan dan ook niet worden gehanteerd ter staving van het bestaan van een marktverdelingsovereenkomst voor „project”-transportbuizen.
2. De argumenten van de Commissie.
208. De Commissie wijst erop dat dit middel niet-ontvankelijk is, omdat het, waar het gericht is tegen slechts één van de drie op zichzelf staande conclusies van het Gerecht (punten 333, 334, 335, en 336) waarin de litigieuze inbreuk ook voor „project”-transportbuizen, niet kan slagen.
209. Subsidiair, stelt de Commissie dat het middel ongegrond is, omdat het Gerecht wel terdege een onderscheid kon maken tussen naderhand afgelegde verklaringen omtrent in onderzoek zijnde inbreuken, en contemporain documentair bewijsmateriaal.
210. Documenten die zijn opgemaakt tijdens de periode waarin de inbreuken plaatsvonden en voordat het onderzoek ernaar was begonnen, hebben in de regel dezelfde bewijswaarde voor al erin behandelde onderwerpen. Het is immers in dat stadium minder waarschijnlijk dat de inhoud ervan wordt beïnvloed door tactische overwegingen met het oog op een onderzoek. Indien de inhoud van dergelijke documenten naderhand afgelegde verklaringen duidelijk weerspreekt, dan is er aanleiding tot gerede twijfel over de betrouwbaarheid van die verklaring. In zo’n geval mag men niet concluderen dat er sprake is van een consistent bewijs.
211. Dat ligt anders met verklaringen die naderhand in de loop van een onderzoek zijn afgelegd. Daarin kunnen bepaalde feiten worden toegegeven, terwijl andere worden ontkend, omdat betrokkene, op de hoogte van het onderzoek van de Commissie, kan vermoeden dat deze al van bepaalde feiten en omstandigheden op de hoogte is. De in een dergelijke verklaring toegegeven feiten, die ook voor betrokkenen zelf belastend zijn, hebben wel terdege een zekere bewijswaarde.
212. De stelling van verzoekster zou erop neerkomen dat het Hof wordt gevraagd vast te stellen dat aan een verklaring die ook belastend is voor degene die haar aflegt geen enkele bewijswaarde meer mag worden toegekend, omdat zij onvolledig is of wordt verzacht door een gedeeltelijke ontkenning. Een dergelijke stelling is onverenigbaar met de verder niet weersproken opvatting van het Gerecht, in de punten 211 en 297, van de bestreden uitspraak dat aan verklaringen die tegen belangen ingaan van degene die ze aflegt in beginsel aanzienlijke waarde mag worden gehecht.
3. Beoordeling
213. Uit de formulering van de eerste volzin van punt 334(49) van het bestreden arrest „In elk geval is reeds geoordeeld dat, indien […], diens verklaringen […] op zich kunnen volstaan als bewijs van andere aspecten van de bestreden beschikking”, kan worden afgeleid dat de in punt 333 neergelegde conclusie, die stoelt op de verklaring van Becher als ondersteuning van de verklaringen van Verluca met betrekking tot „project”-transportbuizen, een subsidiair karakter heeft ten opzichte van de in de punten 334 en 335 vervatte conclusie volgens welke de verklaringen van Verluca zouden kunnen volstaan voor het bewijs dat de litigieuze inbreuk zich tot die producten uitstrekt.
214. Aangezien verzoeksters middelen niet expliciet op de conclusie van de punten 334 en 335 zijn gericht, is de gevolgtrekking mogelijk dat dit middel, zelfs als het zou slagen, niet tot vernietiging van het bestreden arrest kan leiden, en, derhalve, als niet doeltreffend, buiten behandeling kan blijven.(50)
215. Het is dan ook ten overvloede dat ik ten gronde nader inga op dit middel.
216. In essentie verwijt verzoekster het Gerecht dat het met twee maten meet door aan in documenten neergelegd bewijs dat de verklaringen van Verluca weerspreekt meer betekenis toe te kennen dan aan verklaringen die op onderdelen afwijken van Verluca’s verklaringen.
217. Met de Commissie ben ik het eens dat tijdens de onderzoeksprocedure afgelegde verklaringen namens ondernemingen, nadat de inbreuk al had plaatsgevonden, uit een oogpunt van bewijswaardering niet over dezelfde kam kunnen worden geschoren als schriftelijke documenten die ten tijde van de inbreuk, en voordat de onderzoeksprocedure is begonnen, zijn opgemaakt.
218. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat zij, die dergelijke verklaringen afleggen zullen trachten te verhelen wat zij denken dat redelijkerwijs verborgen kan blijven. Daarom zullen die verklaringen vaak onvolledig en, soms, verhullend blijken. Evenwel, voor zover die verklaringen uitspraken bevatten welke diegene die ze doet zelf belasten, kunnen die uitspraken naar het Gerecht terecht in de punten 211 en 297 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, als betrouwbaar worden aangemerkt.
219. Dit is a fortiori het geval wanneer het onderwerp waarom verschillende verklaringen van elkaar afwijken duidelijk losstaat van het onderwerp of de onderwerpen waarin die verklaringen elkaar bevestigen of versterken.
220. In casu wijken de verklaringen van Verluca en die van Becher van elkaar af, voor zover het gaat om de reikwijdte ratione loci van de inbreuk, echter zij stemmen met elkaar overeen voor zover het gaat om de reikwijdte ratione materiae van de inbreuk.
221. De omstandigheid dat Becher met zijn verklaring bevestigt dat zijn onderneming betrokken was bij een marktverdelingsovereenkomst die ook op „project”-transportbuizen betrekking had, en aldus zijn onderneming – verder – belast, kon dan ook voor het Gerecht voldoende reden zijn om die verklaring, voor zover zij op dat project betrekking had, als betrouwbaar aan te merken.
222. Ik kom derhalve tot de slotsom dat ook dit vierde middel van verzoekster, indien het al niet ondoeltreffend is, in ieder geval ongegrond is.
VII – De kosten.
223. Uit het voorgaande vloeit voort dat ik tot de conclusie kom dat de beroepen van Sumitomo en Nippon in hogere voorziening in hun geheel ongegrond zijn.
224. Nu de Commissie heeft geconcludeerd tot veroordeling van verzoeksters in de kosten van de procedure, dienen zij ingevolge artikel 122, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof daarin te worden veroordeeld.
VIII – Conclusie
225. Op grond van het bovenstaande geef ik het Hof in overweging:
A) In zaak C-403/04 P:
1. Het beroep in hogere voorziening ongegrond te verklaren.
2. Verzoekster in de kosten van de procedure in hogere voorziening te veroordelen.
B) In zaak C‑405/04 P:
1. Het beroep in hogere voorziening ongegrond te verklaren.
2. Verzoekster in de kosten van de procedure in hogere voorziening te veroordelen.
1 – Oorspronkelijke taal: Nederlands.
2 – Jurispr. 2004, blz. II‑2501.
3 – PB 2003, L 140, blz. 1.
4 – Niet-ontvankelijk zijn middelen die zich in essentie richten tegen de handeling of nalatigheid van de instelling(en). Het opnieuw aanvoeren van die middelen zou inhouden dat er van „gewoon” hoger beroep sprake zou zijn. Zie, onder meer, arresten Hof van 7 mei 1998, Somaco/Commissie (C‑401/96 P, Jurispr. blz. I‑2587, punt 49), en 22 april 1999, Kernkraftwerke Lippe-Ems/Commissie (C‑161/97 P, Jurispr. blz. I‑2057, punten 76-77).
5 – Zie onder meer arresten Hof van 10 december 1998, Schröder en Thamann/Commissie (C‑221/97 P, Jurispr. blz. I‑8255, punten 35, 38-42), en 9 september 1999, Lucaccioni/Commissie (C‑257/98 P, Jurispr. blz. I‑3251, punten 61-62).
6 – Arrest Hof van 8 juli 1999, Hercules/Commissie (C‑51/92 P, Jurispr. blz. I‑4235, punt 113).
7 – Ook in beroepen in eerste aanleg hebben het Hof en het Gerecht zich restrictief opgesteld tegen de uitbreiding van de reikwijdte van een beroep door middel van algemene verwijzingen. Zie, uitdrukkelijk, arrest Gerecht van 20 maart 2002, ABB Asea Brown Boveri/Commissie (T‑31/99, Jurispr. blz. II‑1881, punt 113) en de daar aangehaalde rechtspraak, alsmede de beginselen welke het Hof heeft opgesomd in het arrest van 14 september 1999, Commissie/Assidomen Kraft Products AB, (C‑310/97 P, Jurispr. blz. I‑5365, punten 52-63). Een en ander is onlangs door het Gerecht nog eens uitvoerig uiteengezet in zijn arrest van 14 december 2005, Honeywell International/Commissie (T‑209/01, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 53‑68).
8 – De desbetreffende passage van Becher’s verklaring luidt in de Engelse vertaling als volgt: „My only knowlegde of the term ‚Fundamentals’ is in conjunction with past behaviour by European and Japanese manufacturers (i.e. before I became the Manager of MWE on 1.4.95). As far as I know and this is based on earlier reports on the ‚Fundamentals’ […]”
9 – Volgens verzoeksters is de relevante passage in Becher’s verklaring: „In the Dalmine document submitted to me, the term ‚Fundamentals’ is used in conjunction with activities by seamless manufactures in Europe. The use of the term is incorrect as far as I know. […]”
10 – De relevante passage van deze overweging luidt: „Dienaangaande dient om te beginnen te worden opgemerkt dat, anders dan de Commissie stelt, het document Verdeelsleutel enkel betrekking heeft op naadloze OCTG-buizen en niet op transportbuizen. […]”
11 – Arrest Gerecht van 14 mei 1998 (T‑310/94, Jurispr. blz. II‑1043, punt 214).
12 – Beschikking van de Commissie van 3 juni 1997 waarbij een concentratie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard (Zaak nr. IV/M.906‑MANNESMANN/VALLOUREC) op grond van verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad (PB C 238, blz. 15).
13 – Arrest Gerecht van 15 maart 2000, Cimenteries CBR e.a. (T‑25/95, T‑26/95, T‑30/95–T‑32/95, T‑34/95–T‑39/95, T‑42/95–T‑46/95, T‑48/95, T‑50/95–T‑65/95, T‑68/95–T‑71/95, T‑87/95, T‑88/95, T‑103/95 en T‑104/95, Jurispr. blz. II‑491).
14 – Arrest Gerecht van 14 mei 1998 (T‑337/94, Jurispr. blz. II‑1571).
15 – Aangehaald in voetnoot 11.
16 – In dit verband verwijst de Commissie naar het arrest van het Hof van 17 april 1997, Campo Ebro Industrial e.a./Raad (C‑138/95 P, Jurispr. blz. I‑2027, punten 60 en 61).
17 – Aangehaald in voetnoot 14.
18 – De desbetreffende passage uit punt 278 luidt: „Dienaangaande dient […] te worden opgemerkt dat […] het document Verdeelsleutel enkel betrekking heeft op naadloze OCTG-buizen en niet op transportbuizen.”
19 – Voor zover hier relevant, luiden de punten 283 en 284 als volgt:
„283 […] De hierboven in punt 281 genoemde tegenstrijdigheid vermindert zeker de bewijskracht van het document Verdeelsleutel en in zekere mate die van de verklaringen van Verluca, maar het belang ervan dient sterk te worden gerelativeerd […]. Ook al zouden immers de Latijns-Amerikaanse producenten er mee hebben ingestemd voor andere markten dan de Europese een verdeelsleutel toe te passen, dan nog dient te worden opgemerkt dat de onderhandelingen met deze producenten uit Europees oogpunt grotendeels zijn mislukt, zodat de negatieve beoordeling van Verluca over de uitkomst van deze onderhandelingen op dit cruciale punt daadwerkelijk met het document Verdeelsleutel overeenstemt.
284 Gelet op een en ander, doet de door de Commissie zelf in punt 86 van de bestreden beschikking genoemde tegenstrijdigheid tussen een van de verklaringen van Verluca en het document Verdeelsleutel niet wezenlijk af aan de geloofwaardigheid van deze twee bewijselementen.”
20 – Punt 217 luidt: „Aangaande het argument van Sumitomo dat volgens het document Verificatie bij Vallourec de verdeelsleutel ‚enkel op standaardproducten’ van toepassing was, en dus niet op transportbuizen, die geen standaardproducten zijn, dient te worden opgemerkt dat Verluca met deze verklaring specifiek heeft geantwoord op een vraag over het Verslag onderhoud met JF. Uit dit verslag blijkt evenwel dat het uitsluitend betrekking heeft op OCTG-buizen en niet op transportbuizen, wat doet veronderstellen dat de verklaring van Verluca enkel betrekking heeft op OCTG-buizen.”
21 – De relevante passage van punt 349 luidt: „[…] Hoewel er geen twijfel bestaat over de waarachtigheid van de verklaring van Verluca over de duur van de inbreuk, heeft hij zich over het einde daarvan dermate vaag uitgelaten dat zijn verklaring op zich niet volstaat om deze datum rechtens genoegzaam aan te tonen.”
22 – Onder andere arresten Hof van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie (C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, Jurispr. blz. I‑135, punten 48-51), en 6 januari 2004 BAI en Commissie/Bayer (C‑2/01 P en C‑3/01 P, Jurispr. blz. I‑26, punten 47 en 48).
23 – Hierboven aangehaald in punt 34.
24 – Aangehaald in voetnoot 13.
25 – Aangehaald in voetnoot 14.
26 – Zie arrest Aalborg Portland e.a./Commissie (aangehaald in voetnoot 22, punt 132).
27 – Arrest Gerecht van 20 maart 2002, LRAF/Commissie (T‑23/99, Jurispr. blz. II‑1705, punt 45).
28 – Advocaat-generaal Tizzano heeft in zijn conclusie bij het hierboven, in noot 22, aangehaalde arrest BAI en Commissie/Bayer, punt 36, eenzelfde redenering gevolgd.
29 – Aangehaald in voetnoot 11.
30 – Uit de inmiddels omvangrijke rechtspraak zij verwezen naar de arresten van het Hof van 18 maart 1993, Parlement/Frederiksen (C‑35/92 P, Jurispr. blz. I‑991, punt 31); 16 september 1997, Blackspur/Raad en Commissie (C‑362/95 P, Jurispr. blz. I‑4775, punten 18-23), en beschikking van het Hof van 13 september 2001 CP/ECB (C‑467/00 P, Jurispr. blz. I‑6041, punten 34 – 36).
31 – Arrest Hof van 17 december 1998 (C‑185/95 P, Jurispr. blz. I‑8417, punten 26-49).
32 – Verzoekster refereert hier aan de gegevens die zijn te vinden in het Rapport over 2003 van de Werkzaamheden van het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg, bijlage 12.
33 – Aangehaald in voetnoot 31, punten 28-45.
34 – Ik heb hier het jaar 2000 buiten beschouwing gelaten, omdat de statistieken voor dat jaar significant worden vertekend door de zeer omvangrijke cement-zaken, (aangehaald in voetnoot 13). De behandeling van deze zaken nam gemiddeld ongeveer vijf jaar in beslag. Zij resulteerde in een arrest van 1265 bladzijden.
35 – Aangehaald in voetnoot 31.
36 – PB 2001, C 80, blz. 1.
37 – Arrest Hof van 29 maart 1984 (29/83 en 38/83, Jurispr. blz. 1679), en 31 maart 1993, Ahlström Osakeytiö e.a./Commissie, „houtslijparrest II” (C‑89/85, C‑104/85, C‑114/85, C‑116/85, C‑117/85 en C‑125/85-‑129/85, Jurispr. blz. I‑1307, I‑1445, punt 127); arresten Gerecht van 10 maart 1992, (T‑68/89, T‑77/89 en T‑78/89, Jurispr. blz. II‑1403), en 6 juli 2000 (T‑62/98, Jurispr. blz. II‑2707).
38 – Aangehaald in voetnoot 14.
39 – In deze context verwijst de Commissie ook naar het arrest Aalborg Portland e.a./Comissie (aangehaald in voetnoot 22, punten 55-57).
40 – Punt 184 van het bestreden arrest luidt letterlijk: „Wat het specifieke geval betreft van overeenkomsten die, zoals die welke de Commissie in casu heeft vastgesteld, de eerbiediging van de thuismarkten beogen, heeft het Gerecht in zijn hierboven in punt 66 aangehaalde cement-arrest (punten 1085-1088) geoordeeld dat deze op zich een mededingingsbeperkend doel hebben en behoren tot een groep overeenkomsten die uitdrukkelijk door artikel 81, lid 1, EG zijn verboden, en dat dit doel, dat in de betrokken zaak op basis van schriftelijke bewijzen ontegensprekelijk was aangetoond, niet kan worden gerechtvaardigd op basis van een analyse van de economische context waarbinnen de betrokken mededingingsverstorende gedragingen zijn gesteld.”
41 – In dit verband verwijst de Commissie naar de conclusie van Vesterdorf bij het arrest van het Gerecht van 24 oktober 1991, Rhône-Poulenc S.A./Commissie (T‑1/89, Jurispr. blz. II‑867, sectie E, par. 2 van de conclusie).
42 – Aangehaald in voetnoot 37.
43 – Hierboven al vermeld bij de weergave van punt 180 van het arrest in punt 170 van deze conclusie.
44 – O.m. arrest Hof van 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni (C‑49/92 P, Jurispr. blz. I‑4125, punt 123)
45 – Ter staving van deze stelling verwijst het Gerecht naar het arrest van het Hof van 11 januari 1990, Sandoz prodotti farmaceutici/Commissie (C‑277/87, Jurispr. blz. I‑45), en het arrest van het Gerecht van 6 april 1995, Ferriere Nord/Commissie (T‑143/89, Jurispr. blz. II‑917, punt 30).
46 – Hier verwijst het Gerecht in het bijzonder naar het arrest van het Gerecht van 20 april 1999, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, bekend als het „PVC II-arrest” (T‑305/94–T307/94, T‑313/94–T316/94, T‑318/94, T‑325/94, T‑328/94, T‑329/94 en T‑335/94, Jurispr. blz. II‑931, punten 727 en 728).
47 – Aangehaald in voetnoot 22.
48 – Secretary of State for the Home Department/Rehman [2001] UKHL47, annex D.4, point 5 (Lord Hoffman).
49 – In punt 38 van deze conclusie volledig aangehaald.
50 – Zie nader de in voetnoot 30 aangehaalde rechtspraak.
Full & Egal Universal Law Academy