CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. TIZZANO
van 17 november 2005 (1)
Zaak C‑419/04
Conseil général de la Vienne
tegen
Directeur général des douanes et droits indirects
[verzoek van de Cour d’appel de Poitiers (Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Verordening (EEG) nr. 2454/93 – Invoerrechten – Navordering – Artikel 871 – Verplichting tot raadpleging van de Commissie – Geen”
1. Bij op 30 september 2004 neergelegd arrest heeft de Cour d’appel de Poitiers het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 871 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek.(2) In het bijzonder wenst de verwijzende rechter te vernemen of die bepaling de nationale douaneautoriteiten verplicht om het geval aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor te leggen, wanneer zij de bij invoer van een goed ontdoken douanerechten willen navorderen, maar twijfelen of is voldaan aan de voorwaarden om niet tot navordering over te gaan.
I – Rechtskader
2. De procedure voor boeking en navordering van een douaneschuld wordt geregeld in de artikelen 868 en volgende van verordening nr. 2454/93. Ik beperk mij tot wat voor deze zaak van belang is en herinner eraan dat, volgens artikel 869 van die verordening, in de versie die ten tijde van de litigieuze feiten van toepassing was(3), de nationale douaneautoriteiten zelf kunnen beslissen om af te zien van boeking achteraf van niet-geïnde rechten wanneer zij minder dan 2 000 EUR bedragen. Voor hogere bedragen geldt echter artikel 871 dat in de ten tijde van de feiten toepasselijke versie luidde:
„Wanneer de douaneautoriteiten, in andere dan de in artikel 869 bedoelde gevallen, van oordeel zijn dat aan de in artikel 220, lid 2, sub b, van het [communautair douanewetboek] bedoelde voorwaarden is voldaan of twijfels hebben omtrent de toepasbaarheid van de criteria van deze bepaling op het betreffende geval, leggen zij dit geval aan de Commissie voor opdat het wordt behandeld overeenkomstig de procedure bedoeld in de artikelen 872 tot en met 876. Het aan de Commissie toegezonden dossier dient alle voor een volledig onderzoek van het voorgelegde geval noodzakelijke gegevens te bevatten [...]”
3. Artikel 220, lid 2, sub b, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (hierna: „communautair douanewetboek”)(4), waarnaar de genoemde bepaling van verordening nr. 2454/93 verwijst, bepaalt dat niet tot boeking achteraf wordt overgegaan wanneer:
„het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet was geboekt ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan”.
4. Verder herinner ik eraan dat in dezelfde omstandigheden ook rechten kunnen worden kwijtgescholden, een handeling die volgens artikel 235, sub b, bestaat in de gehele of gedeeltelijke niet-invordering van een douaneschuld. Artikel 236, lid 1, tweede alinea, van het douanewetboek bepaalt namelijk: „Tot kwijtschelding van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt overgegaan wanneer wordt vastgesteld dat het bedrag van deze rechten op het tijdstip van boeking niet wettelijk verschuldigd was, dan wel dat het bedrag in strijd met artikel 220, lid 2, werd geboekt.”
II – Feiten en procesverloop
5. Tussen 31 maart 1993 en 29 april 1993 heeft de Conseil général de la Vienne, lid van de raad van toezicht van de Société d’économie mixte locale du Parc du Futuroscope (hierna: „Futuroscope”), bij de Canadese vennootschap IMAX Corporation (hierna: „IMAX”) audiovisuele apparatuur gekocht en in het douanegebied van de Gemeenschap ingevoerd.
6. Volgens de koopovereenkomst moest in twee gedeelten worden betaald: de Conseil général de la Vienne diende aan IMAX enerzijds 3 431 650 USD bij levering van de apparatuur te betalen en anderzijds een vast bedrag van 1,8 FRF voor elk verkocht toegangsbiljet voor Futuroscope.
7. De Conseil général de la Vienne had als douanewaarde van bedoelde apparatuur echter alleen het eerstgenoemde bedrag aangegeven en slechts de invoerrechten betaald die de Franse douaneautoriteiten op die grondslag hadden berekend.
8. Toen bij een latere controle bleek dat de koopprijs uit twee gedeelten had bestaan, verzochten de Franse autoriteiten de Conseil général de la Vienne om betaling van de betrokken invoerrechten. Deze laatste heeft de zaak voorgelegd aan de Commission de conciliation et d’expertise douanière (hierna: „CCED”), een uit rechters en beroepsbeoefenaren samengestelde arbitrage-instantie, die de importeurs (of exporteurs) in geval van geschillen met de douaneautoriteiten kunnen inschakelen. In een advies van 13 april 1999 concludeerde de CCED dat de douanewaarde van de ingevoerde apparatuur ten onrechte met 5 517 281 FRF (zijnde 841 104 EUR) was ondergewaardeerd.
9. Daarop verzocht de Conseil général de la Vienne de Franse autoriteiten om kwijtschelding in de zin van artikel 236 van het communautair douanewetboek. Dit verzoek werd echter bij beschikking van 6 juni 2000 afgewezen.
10. Tegen deze beschikking heeft de Conseil général de la Vienne op 17 juli daaraanvolgend administratief beroep ingesteld bij de Ministre de l’Économie, des Finances et de l’Industrie.
11. Nadat een compromisvoorstel was gestrand, zond het hoofd van de Franse douanedienst de Conseil général de la Vienne op 16 juli 2001 een brief waarin hij aan het bestaan van de genoemde beschikking tot weigering van kwijtschelding herinnerde, verklaarde dat hij had vernomen dat er een administratief beroep aanhangig was, en meedeelde dat hij had besloten „om het probleem aan de Commissie voor te leggen”.(5)
12. Niettemin heeft de douanedienst op 19 juli 2001 bij het Tribunal d’instance de Poitiers beroep ingesteld, met het verzoek de Conseil général de la Vienne te veroordelen tot betaling van de douaneschuld van 1 451 541 FRF (gelijk aan 221 286 EUR), die was voortgevloeid uit het tweede gedeelte van de prijs van de ingevoerde audiovisuele apparatuur.
13. Op 18 september 2001, toen nog geen vonnis was gewezen, verzochten de Franse douaneautoriteiten hun regering om doorgeleiding aan de Commissie van een brief waarin zij vroegen om een bevestiging van de juistheid van de analyse op grond waarvan zij de genoemde douaneschuld wilden invorderen. Deze brief, die op 11 december 2001 werd verzonden, bleef onbeantwoord.
14. Op 20 december 2002 heeft het Tribunal d’instance de Poitiers de Conseil général de la Vienne in het ongelijk gesteld. Tegen dit vonnis is de Conseil général in hoger beroep gegaan bij de Cour d’appel de Poitiers.
15. De Cour d’appel begon met de opmerking dat de douaneautoriteiten volgens artikel 871 van verordening nr. 2454/93 het geval aan de Commissie voorleggen, wanneer zij twijfelen over de precieze draagwijdte van de criteria om af te zien van boeking achteraf, in het bijzonder wanneer het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet was geboekt ten gevolge van hun eigen vergissing, die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij hij te goede trouw heeft gehandeld en aan alle geldende voorschriften inzake de douaneaangifte heeft voldaan.
16. Verder was de Cour d’appel van oordeel dat de nationale douaneautoriteiten in dit geval kennelijk hadden getwijfeld over de precieze draagwijdte van de toepassingscriteria van de voorwaarden om af te zien van boeking achteraf van de douaneschuld, aangezien zij de Conseil général de la Vienne bij brief van 16 juni 2001 in kennis hadden gesteld van hun besluit om zich tot de Commissie te wenden.
17. Op grond daarvan heeft de Cour d’appel besloten, het Hof om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 871 te verzoeken met de volgende vraag:
„Moet artikel 871 van [de verordening houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van](6) het communautair douanewetboek, met betrekking tot de navordering van de douaneschuld, aldus worden uitgelegd dat daarin een verplichte en op straffe van nietigheid te volgen procedure is neergelegd voor het geval dat de nationale douaneautoriteiten op enig moment tijdens de navorderingsprocedure te kennen hebben gegeven, te twijfelen omtrent de toepasbaarheid, ten aanzien van een belastingschuldige te goeder trouw, van de criteria voor de navordering of de kwijtschelding van rechten die voortvloeien uit een douaneschuld die is ontdoken omdat zij niet is geboekt op de datum waarop zij had moeten worden geïnd, en de schuld betrekking heeft op het eventuele opnemen in de koopprijs van door een Canadese leverancier geleverde audiovisuele apparatuur, van een forfaitaire bijdrage die verplicht is inbegrepen in de entreeprijs voor het vrijetijdspark waarin die apparatuur wordt geëxploiteerd, ongeacht of de bezoeker die deze bijdrage heeft betaald, al dan niet van de exploitatie van deze apparatuur gebruik heeft gemaakt?”
18. In de aldus bij het Hof ingeleide procedure hebben de Conseil général de la Vienne, de Franse en de Slowaakse regering alsook de Commissie schriftelijke opmerkingen gemaakt. Met uitzondering van de Slowaakse regering hebben zij ook aan de mondelinge behandeling op 28 september 2005 deelgenomen.
III – Beoordeling
A – De ontvankelijkheid
19. Alvorens in te gaan op de grond van de zaak, moet ik enkele opmerkingen maken over de ontvankelijkheid ervan, die door de Franse regering wordt betwist.
20. Volgens deze regering is de uitlegging van artikel 871 niet noodzakelijk voor de beslechting van het hoofdgeding. Aangezien deze bepaling naar de voorwaarden van artikel 220, lid 2, sub b, van het communautair douanewetboek verwijst, is duidelijk dat zij enkel kan worden toegepast wanneer aan deze voorwaarden is voldaan, en dus alleen wanneer de nationale autoriteiten vrezen dat zij bij de vaststelling van het bedrag van de rechten een vergissing hebben begaan, „die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goede trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan”.
21. Aangezien de Conseil général de la Vienne zich in het hoofdgeding ertegen heeft verzet dat het tweede gedeelte van de koopprijs voor de ingevoerde audiovisuele apparatuur (gekoppeld aan het aantal bezoekers van het park dat deze apparatuur gebruikt) bij de berekening van de rechten werd betrokken, zonder zich te beroepen op een vergissing met de hiervoor genoemde kenmerken, zou de uitlegging van artikel 871 irrelevant zijn.
22. Die irrelevantie wordt, nog steeds volgens de Franse regering, bevestigd door het feit dat de twijfels waarover de Commissie daadwerkelijk is geraadpleegd – overigens niet in de bij artikel 871 voorgeschreven vorm –, betrekking hadden op de gegrondheid van de analyse die de Franse douaneautoriteiten ertoe had gebracht om het tweede gedeelte van de koopprijs voor de audiovisuele apparatuur achteraf bij de berekening van de rechten te betrekken, en niet op het bestaan van een vergissing in de zin van artikel 220, lid 2, sub b, van het communautair douanewetboek.
23. Ik kan niet uitsluiten dat de in de brief van 16 juli 2001 uitgedrukte twijfels van de nationale douaneautoriteiten inderdaad daarop betrekking hadden. Dat lijkt immers het punt te zijn dat de Conseil général de la Vienne had opgeworpen en waarover de autoriteiten uiteindelijk de Commissie wilden raadplegen.
24. Dit alles maakt het echter niet noodzakelijk om de exceptie van niet-ontvankelijkheid toe te wijzen. De nationale rechter, die zich zeker bewust was van de argumenten die de Conseil général de la Vienne tegen de navordering had aangevoerd, heeft immers niettemin vastgesteld dat de twijfels van de Franse autoriteiten, zoals beschreven in de brief van 16 juli 2001, in ieder geval geëigend konden zijn om het mechanisme van artikel 871 van verordening nr. 2454/93 in beweging te zetten. Juist om elke onzekerheid met betrekking tot de gestelde voorwaarden voor de toepassing van deze bepaling weg te nemen, heeft de nationale rechter zich tot het Hof gewend.
25. Nu het probleem aldus is afgebakend, geloof ik dat de communautaire rechtspraak met betrekking tot de ontvankelijkheid niet toestaat om de prejudiciële vraag onbeantwoord te laten.
26. Zoals bekend, staat het volgens deze rechtspraak „in het kader van de in artikel [234 EG] voorgeschreven samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, uitsluitend aan de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt”. Slechts „in uitzonderlijke gevallen [staat het aan het Hof] om, ter toetsing van zijn eigen bevoegdheid, een onderzoek in te stellen naar de omstandigheden waaronder de nationale rechter hem om een prejudiciële beslissing heeft verzocht”.(7) Dat is met name het geval „wanneer duidelijk blijkt, dat de door die rechter gestelde vraag over de uitlegging of de geldigheid van een communautair voorschrift geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding [...] of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is”.(8)
27. Mijns inziens kan een uitspraak van het Hof op dit punt niet als irrelevant voor de beslechting van het hoofdgeding worden beschouwd, en zeker niet als duidelijk irrelevant, aangezien de nationale rechter heeft vastgesteld dat uit de bewoordingen van artikel 871 van verordening nr. 2454/93 niet duidelijk blijkt onder welke voorwaarden de verplichting ontstaat om een geval aan de Commissie voor te leggen. De verwijzende rechter zal de rechtmatigheid van de nationale procedure immers pas kunnen beoordelen, wanneer het Hof hem de uitlegging heeft verschaft op grond waarvan hij kan vaststellen of er in casu al dan niet een verplichting bestond om zich tot de Commissie wenden. Met behulp van de door het Hof verstrekte gegevens zal hij kunnen beslissen of de Conseil général de la Vienne terecht of ten onrechte is beroofd van de garantie van onpartijdigheid, die erin bestaat dat de Commissie beoordeelt of al dan niet aan de voorwaarden voor niet-navordering van de douaneschuld is voldaan.
28. Ik ben dus van mening dat de vraag ontvankelijk is, en zal nu overgaan tot de bespreking ervan.
B – Ten gronde
29. Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of uit artikel 871 van verordening nr. 2454/93 volgt dat de nationale douaneautoriteiten verplicht zijn om het probleem aan de Commissie voor te leggen wanneer zij, al is het maar tijdelijk, twijfels koesteren omtrent de vraag of in een bepaald geval is voldaan aan de noodzakelijke voorwaarden voor niet-navordering van een ontdoken douanerecht.
30. De Conseil général de la Vienne en de Slowaakse regering zijn van mening dat een dergelijke verplichting in elk geval bestaat.
31. Ook de Franse regering gaat ervan uit dat die verplichting bestaat, wanneer de twijfels bepaalde kenmerken vertonen. Vooraf heeft zij zich echter afgevraagd of in casu de oorspronkelijke versie van artikel 871 zou moeten worden toegepast, dan wel de bij verordening nr. 1335/2003 gewijzigde versie ervan (zie voetnoot 3), en zij heeft voor het tweede alternatief gekozen.
32. De Commissie heeft een andere mening over dit punt, maar ook over de grond van de zaak, aangezien de nationale autoriteiten zich haars inziens niet tot haar behoeven te wenden, wanneer zij er na de aanvankelijke twijfels van overtuigd raken dat niet aan de voorwaarden voor niet-navordering is voldaan.
33. Wat de vraag betreft, welke versie van artikel 871 van toepassing is, ben ik om te beginnen van mening dat enkel de oorspronkelijke versie in casu van belang is. Het staat namelijk vast dat het hier gaat om een procedureregel en dat, volgens vaste rechtspraak, „procedureregels [...] worden geacht te gelden voor alle bij hun inwerkingtreding aanhangige geschillen”.(9) Maar het staat ook vast dat de nieuwe wet, volgens de algemene beginselen, enkel onmiddellijk kan worden toegepast op situaties die, hoewel ontstaan onder de oude wet, op het tijdstip van de wijziging nog niet volledig voorbij zijn.
34. Mij komt het echter voor, dat toen artikel 871 op 1 augustus 2003 bij verordening nr. 1335/2003 werd gewijzigd, de in casu relevante juridische situatie volledig voorbij was. De aan de Commissie gezonden brief waarmee de douaneautoriteiten blijk gaven van hun twijfels, dateert immers van 16 juli 2001; de dagvaarding van de Conseil général de la Vienne voor het Tribunal d’instance de Poitiers draagt als datum 19 juli 2001, en dit Tribunal heeft op 20 december 2002 vonnis gewezen.
35. Nu dat duidelijk is gemaakt, zal ik ingaan op de grond van de zaak, dus onderzoeken of de douaneautoriteiten al dan niet verplicht waren zich tot de Commissie te wenden.
36. In dat verband herinner ik eraan dat artikel 871 luidt: „Wanneer de douaneautoriteiten [...] van oordeel zijn dat aan de in artikel 220, lid 2, sub b, van het [communautair douanewetboek] bedoelde voorwaarden is voldaan of twijfels hebben omtrent de toepasbaarheid van de criteria van deze bepaling op het betreffende geval, leggen zij dit geval aan de Commissie voor [...]”(10)
37. Uit het gebruik van de tegenwoordige tijd kan, gezien de gewoonlijk door de gemeenschapswetgever gevolgde redactietechniek, worden afgeleid dat het hier gaat om een verplichting het geval aan de Commissie voor te leggen.
38. Daarmee is over deze zaak echter nog niet alles gezegd. Mijns inziens moet namelijk nog worden nagegaan, of de betrokken verplichting vervalt en het de douaneautoriteiten vrij staat zelf te beslissen, wanneer de eerder door hen geuite twijfels zijn verdwenen. Zou men tot de slotsom komen dat die verplichting blijft voortbestaan, moet nog worden aangegeven waarop de twijfels betrekking moeten hebben om, ondanks hun tijdelijke aard, de raadpleging van de Commissie toch verplicht te maken.
39. a) Wat het eerste aspect betreft, lijkt het mij dat uit de bewoordingen van artikel 871 moet worden afgeleid, zoals ook de Commissie ter terechtzitting heeft gedaan, dat het haar voorleggen van het geval en het bestaan van twijfels gelijktijdig moeten zijn, wat die verplichting uitsluit wanneer de eventueel aanvankelijk bestaande twijfels zijn gevolgd door zekerheid.
40. Ik voeg hieraan toe dat de Franse douaneautoriteiten er in deze zaak uiteindelijk van overtuigd raakten dat niet aan de in artikel 220, lid 2, sub b, van het communautair douanewetboek gestelde voorwaarden was voldaan en dat de ontdoken rechten dus moesten worden nagevorderd. Mijns inziens zijn de nationale autoriteiten niet verplicht om zich eerst nog tot de Commissie te wenden, wanneer zij er uiteindelijk zeker van zijn dat zij in die zin moeten handelen.
41. Ik kom tot deze conclusie op grond van de in de rechtspraak van het Hof verankerde beginselen met betrekking tot de nieuwe, maar in wezen niet gewijzigde bepalingen van artikel 871 van verordening nr. 2454/93 en artikel 220 van het communautair douanewetboek.
42. Ik verwijs om te beginnen naar artikel 4 van verordening (EEG) nr. 1573/80 van de Commissie van 20 juni 1980 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van artikel 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide. (11) Deze bepaling, die in wezen niet verschilt van artikel 871 van verordening nr. 2454/93 luidde: „Wanneer de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de vergissing werd begaan zich er niet met eigen middelen van kan verzekeren dat aan alle in lid 2 van artikel 5 van de basisverordening gestelde voorwaarden is voldaan, [...] verzoekt zij de Commissie zich hierover uit te spreken [...]”
43. De bedoelde voorwaarden waren neergelegd in artikel 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide(12), in dezelfde bewoordingen die vervolgens zijn gebruikt in artikel 220 van het communautair douanewetboek. Het moest dus gaan om rechten die „niet [waren] geboekt ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan”.
44. Zoals het Hof heeft verklaard, betreft het genoemde artikel 4 van verordening nr. 1573/80 „niet het geval waarin de nationale autoriteiten ervan overtuigd zijn dat niet aan de voorwaarden van artikel 5, lid 2, van de verordening van de Raad is voldaan en zij dus menen tot navordering te moeten overgaan. Deze uitlegging stemt overeen met de doelstelling van de verordening van de Commissie. Door de toekenning van een beslissingsbevoegdheid aan de Commissie op het gebied van de navordering van douanerechten, dient een uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht te worden verzekerd. Deze uniforme toepassing zou in gevaar kunnen komen in de gevallen waarin een verzoek om van navordering af te zien, wordt ingewilligd. Omdat daartegen waarschijnlijk geen administratief beroep zal worden ingesteld, dreigt de beoordeling waarop een lidstaat een positieve beslissing zou kunnen baseren, zich in de praktijk te onttrekken aan een controle waarmee de uniforme toepassing van de door de communautaire wetgeving gestelde voorwaarden kan worden verzekerd. Zulks is evenwel niet het geval wanneer de nationale autoriteiten wel tot navordering overgaan [...]. Dan kan de betrokkene die beslissing namelijk aanvechten voor de nationale rechter. De uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht kan dan in voorkomend geval door het Hof van Justitie worden gewaarborgd in het kader van de prejudiciële procedure.”(13)
45. Gezien het feit dat de totstandkoming van het communautair douanewetboek en verordening nr. 2454/93 geen enkele invloed heeft op de door het Hof met betrekking tot de eerdere regeling genoemde beginselen, moet volgens mij in deze zaak dezelfde conclusie worden getrokken, aangezien de douaneautoriteiten hadden besloten om tot navordering over te gaan.
46. Hiermee is het eerste van de in punt 38 genoemde problemen afgehandeld en kan op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 871 van verordening nr. 2454/93 aldus moet worden uitgelegd, dat het de nationale douaneautoriteiten in omstandigheden als die van de onderhavige zaak niet verplicht het geval aan de Commissie voor te leggen.
47. b) Mocht het Hof van oordeel zijn dat de verplichting om zich tot de Commissie te wenden, ondanks de verdwenen twijfels en het besluit tot navordering blijft voortbestaan, dient – zoals in punt 38 aangekondigd – te worden gepreciseerd waarop die twijfels betrekking moeten hebben om artikel 871 van verordening nr. 2454/93 toepassing te doen vinden.
48. Volgens de bewoordingen van deze bepaling moeten de twijfels betrekking hebben op de „toepasbaarheid van de criteria” in artikel 220, lid 2, sub b, van het communautair douanewetboek voor niet-navordering van een douaneschuld.
49. Omdat deze bepaling vrijwel hetzelfde is geformuleerd als de eerdere bepaling, dus artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79, kan ik mij zonder meer beroepen op de rechtspraak waarin het Hof dat artikel heeft uitgelegd.(14)
50. De punten waarop de twijfels betrekking moeten hebben zijn volgens deze rechtspraak de volgende:
„– [wanneer] de rechten niet zijn geheven ten gevolge van een vergissing bij de uitlegging of de toepassing van de voorschriften betreffende de betrokken heffing die het gevolg is van een actieve gedraging van de bevoegde autoriteiten, dus met uitsluiting van vergissingen die zijn veroorzaakt door onjuiste verklaringen van de belastingschuldige,
– [wanneer] een te goeder trouw handelende belastingschuldige die vergissing redelijkerwijze niet kon ontdekken, zijn beroepservaring en de door hem te betrachten zorgvuldigheid ten spijt, en
– [wanneer] die belastingschuldige voor de aangifte van de gebeurtenis waaraan de inning van de betrokken heffing verbonden is, aan alle voorschriften van de geldende regelgeving heeft voldaan”.(15)
51. Zoals het Hof overigens heeft gepreciseerd, „staat het aan de nationale rechter om vast te stellen of, de omstandigheden van het geval in aanmerking genomen”, de door de nationale autoriteiten gekoesterde twijfels betrekking hebben op de genoemde punten.(16)
52. Ik kan hier volstaan met te herhalen dat, wanneer dit onderzoek een positief resultaat oplevert, de nationale autoriteiten niet verplicht zijn om zich tot de Commissie te wenden. Dat geldt uiteraard alleen voorzover, in tegenstelling tot mijn eerdere betoog, wordt aangenomen dat deze verplichting blijft voortbestaan ondanks het feit dat de nationale autoriteiten niet meer twijfelen en hebben besloten tot navordering over te gaan.
IV – Conclusie
53. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de vraag van de Cour d’appel de Poitiers te beantwoorden als volgt:
„Artikel 871 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek, moet aldus worden uitgelegd, dat het de nationale douaneautoriteiten in omstandigheden als die van de onderhavige zaak niet verplicht het geval aan de Commissie voor te leggen.”
1 – Oorspronkelijke taal: Italiaans.
2 – PB L 253, blz. 1.
3 – Enkele voor deze zaak relevante artikelen van verordening nr. 2454/93 zijn in 2003 gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1335/2003 van de Commissie van 25 juli 2003 tot wijziging van verordening nr. 2454/93 (PB L 187, blz. 16), maar, zoals hierna duidelijk zal worden (zie punten 31 e.v.), betreffen deze wijzigingen de onderhavige zaak niet.
4 – PB L 302, blz. 1.
5 – (Betreft slechts de oorspronkelijke taal).
6 – De verwijzende rechter heeft zich op dit punt vergist en naar een niet bestaand artikel 871 van het communautair douanewetboek zelf verwezen.
7 – Arresten van 13 maart 2001, PreussenElektra (C-379/98, Jurispr. blz. I-2099, punten 38 en 39), en 22 januari 2002, Canal Satélite Digital (C-390/97, Jurispr. blz. I-607, punten 18 en 19).
8 – Zie in het bijzonder arresten van 15 december 1995, Bosman (C-415/93, Jurispr. blz. I-4921, punt 61); 9 maart 2000, EKW en Wein & Co (C-437/97, Jurispr. blz. I- 1157, punt 52); 13 juli 2000, Idéal tourisme (C-36/99, Jurispr. blz. I- 6049, punt 20), en 21 januari 2003, Bacardi-Martini en Cellier des Dauphins (C-318/00, Jurispr. blz. I-905, punt 43) (cursivering van mij).
9 – Arresten van 12 november 1981, Salumi (212/80-217/80, Jurispr. blz. 2735, punt 9), en 6 juli 1993, CT Control (Rotterdam) en JCT Benelux/Commissie (C‑121/91 en C‑122/91, Jurispr. blz. I-3873, punt 22).
10 – Cursivering van mij.
11 – PB L 161, blz. 1.
12 – PB L 197, blz. 1.
13 – Arrest van 26 juni 1990, Deutsche Fernsprecher (C-64/89, Jurispr. blz. I-2535, punten 12 en 13). Zie ook arresten van 27 juni 1991, Mecanarte (C-348/89, Jurispr. blz. I-3277, punten 32 en 33), en 14 mei 1996, Faroe Seafood e.a. (C-153/94 en C-204/94, Jurispr. blz. I-2465, punten 79 en 80).
14 – In het arrest van 3 maart 2005, Biegi Nahringsmittel en Commonfood (C-499/03 P, Jurispr. blz. I-1751, punt 46), heeft het Hof artikel 220, lid 2, sub b, van het communautair douanewetboek uitgelegd door verwijzing „naar analogie” naar de rechtspraak met betrekking tot artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79.
15 – Beschikking van 11 oktober 2001, William Hinton & Sons (C-30/00, Jurispr. blz. I-7511, punt 74). Zie ook arresten van 1 april 1993, Hewlett Packard France (C-250/91, Jurispr. blz. I‑1819, punten 12 en 13); 12 december 1996, Olasagasti e.a. (C-47/95–C-50/95, C-60/95, C‑81/95, C-92/95 en C-148/95, Jurispr. blz. I-6579, punten 32-35), en 26 november 1998, Covita (C-370/96, Jurispr. blz. I-7771, punten 24-28).
16 – Zie reeds aangehaalde arresten Covita, punt 28, en Olasagasti e.a., punt 36.
Full & Egal Universal Law Academy