CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. POIARES MADURO
van 13 juli 2006 (1)
Zaak C‑434/04
Jan-Erik Anders Ahokainen
Mati Leppik
tegen
Virallinen syyttäjä
[Verzoek van het Korkein oikeus (Finland) om een prejudiciële beslissing]
1. „[W]ijn is een heel goedaardig duiveltje, als je ermee weet om te springen”.(2) Het is echter verbazingwekkend dat „wij een vijand in de mond nemen om ons verstand te laten roven”(3), wanneer deze vijand, anders dan goede wijn, zo meedogenloos is als nagenoeg pure ethylalcohol. Toch blijkt uit de in deze procedure door de Finse regering verstrekte informatie dat er van de zijde van de consument wel degelijk vraag is naar spiritualiën met een extreem hoog alcoholgehalte. De Finse wetgeving verbiedt de detailverkoop van substanties waarvan het gehalte aan niet-gedenatureerde ethylalcohol meer dan 80 % bedraagt („wijngeest”). Voor het gebruik van wijngeest voor industriële doeleinden dan wel als grondstof geldt een vergunningenstelsel. De Korkein oikeus (hoogste rechterlijke instantie van Finland) heeft het Hof de prejudiciële vraag voorgelegd, of het met de artikelen 28 en 30 EG verenigbaar is dat de invoer uit een andere lidstaat van substanties met een gehalte aan niet-gedenatureerde ethylalcohol van meer dan 80 % vergunningplichtig is. Deze vraag is gerezen in een strafzaak tegen Ahokainen en Leppik wegens het in Finland binnensmokkelen van niet-gedenatureerde ethylalcohol uit Duitsland.
I – De toepasselijke nationale wetgeving
2. Ingevolge artikel 1 van wet nr. 1143/94 betreffende alcohol [alkoholilaki (1143/1994); hierna: „alcoholwet”] is het doel van deze wet de alcoholconsumptie aldus te sturen, dat schadelijke gevolgen voor de gezondheid en voor de maatschappij door alcoholhoudende substanties, worden voorkomen.
3. De alcoholwet maakt onderscheid tussen „alcoholhoudende dranken” en „wijngeest”. Volgens artikel 3, lid 2, zoals gewijzigd bij wet nr. 1/2001, wordt onder „alcoholhoudende drank” verstaan een voor consumptie bestemde drank waarvan het gehalte aan ethylalcohol 80 volumeprocent of minder bedraagt, en is „wijngeest” niet-gedenatureerde ethylalcohol of een niet-gedenatureerde oplossing van ethylalcohol in water met een ethylalcohol-volumepercentage van meer dan 80 %.
4. Artikel 8 van de alcoholwet regelt de commerciële invoer van alcoholhoudende drank en wijngeest. Volgens lid 1 van dit artikel mag alcoholhoudende drank voor eigen gebruik en voor commerciële of andere economische doeleinden zonder invoervergunning worden ingevoerd. Voor de invoer van wijngeest is daarentegen wel een vergunning vereist. Volgens artikel 8, lid 2, mag een handelaar die in het bezit is van een door Tuotevalvontakeskus (nationaal agentschap voor productcontroles) verleende invoervergunning, wijngeest invoeren. Artikel 8, lid 3, bepaalt dat dit controleorgaan een invoervergunning mag verlenen aan „personen die worden geacht over de voor de [invoer‑]activiteit vereiste kwalificaties en mate van betrouwbaarheid te beschikken”.
5. Artikel 8, lid 2, bepaalt voorts dat wijngeest voor eigen gebruik mag worden ingevoerd door particulieren aan wie door het agentschap voor productcontroles een bijzondere gebruiksvergunning is verleend overeenkomstig artikel 17 van de wet, nadat zij zich bij dit orgaan als importeur hebben aangemeld. Artikel 17 beperkt de kring van personen die voor een dergelijke vergunning in aanmerking komen, in wezen tot degenen die het product nodig hebben voor professioneel gebruik dan wel als grondstof. Volgens artikel 17, lid 3, moet de aanvrager, die gekwalificeerd en betrouwbaar moet zijn, aantonen dat hij een gerechtvaardigd belang bij de vergunning heeft.
6. Overeenkomstig artikel 82 van wet nr. 459/1968 ? die, behoudens de sanctiebepalingen, is vervangen door de alcoholwet ? is eenieder die alcoholhoudende drank of wijngeest wederrechtelijk invoert of uitvoert, dan wel wederrechtelijk poogt in te voeren of uit te voeren, strafbaar wegens smokkel van alcoholhoudende substanties.
II – De feiten en het verzoek om een prejudiciële beslissing
7. Op 1 augustus 2002 trof de Finse douane in een vrachtauto uit Duitsland 9 492 liter heldere vloeistof aan, die verpakt was in literflessen. Volgens de vrachtbrief was de vrachtauto geladen met 32 pallets sesamolie. Uit een door het douanelaboratorium uitgevoerde analyse bleek dat de heldere vloeistof zuivere wijngeest (niet-gedenatureerde ethylalcohol met een alcoholgehalte van 96,4?96,5 volumeprocent) was.
8. De Raaseporin käräjäoikeus (Gerecht van eerste aanleg te Raasepori) achtte bewezen dat Ahokainen en Leppik 9 492 liter wijngeest illegaal hadden ingevoerd. Bij vonnis van 21 november 2001 veroordeelde deze rechterlijke instantie beide mannen tot een gevangenisstraf wegens georganiseerde smokkel van alcoholhoudende substanties. Tevens gelastte zij inbeslagname van de ethylalcohol ten behoeve van de staat. Bij arrest van 30 mei 2003 heeft de Helsingin hovioikeus (Hof van beroep te Helsinki) dit vonnis bevestigd.
9. Ahokainen en Leppik hebben tegen dat arrest beroep ingesteld bij de Korkein oikeus (hoogste rechterlijke instantie), die het Hof bij beslissing van 6 oktober 2004 de volgende vragen heeft voorgelegd:
„1) Moet artikel 28 EG aldus worden uitgelegd, dat het zich verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat volgens welke slechts degene die beschikt over een vergunning, niet-gedenatureerde ethylalcohol met een alcohol-volumegehalte van 80 % of meer (wijngeest) mag invoeren?
2) Zo ja, moet worden aangenomen dat artikel 30 EG het vergunningstelsel toestaat?”
10. De Virallinen Syyttäjä (Openbaar Ministerie), de Finse, de Zweedse en de Portugese regering alsmede de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen bij het Hof ingediend. Op 17 mei 2006 heeft het Hof de Finse regering en de Commissie in hun pleidooien gehoord.
III – Beoordeling
A – De eerste vraag
11. De verwijzende rechter vraagt in de eerste plaats, of artikel 28 EG in de weg staat aan een wettelijke regeling die een vergunning voorschrijft voor de invoer uit een andere lidstaat van substanties waarvan het gehalte aan niet-gedenatureerde ethylalcohol meer dan 80 % bedraagt („wijngeest”).
12. De Portugese regering, die als enige uitvoerig op dit punt is ingegaan, stelt dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Haars inziens verzet artikel 28 EG zich niet tegen een stelsel van voorafgaande vergunning voor de invoer van wijngeest, zoals dat waarin het Finse recht voorziet. De litigieuze voorwaarde komt in feite neer op een eenvoudige verklaring van een handelaar, die de autoriteiten in staat stelt de aan accijns onderworpen producten te controleren en de inning van de belastingschuld te waarborgen. Dit is volgens de Portugese regering in overeenstemming met richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992.(4) Zij concludeert dan ook dat het stelsel van voorafgaande vergunning noch een kwantitatieve invoerbeperking, noch een maatregel van gelijke werking als een dergelijke beperking is.
13. Naar mijn mening wijst de rechtspraak van het Hof echter juist in de tegengestelde richting. Sinds het arrest Dassonville(5) is het vaste rechtspraak dat artikel 28 EG ziet op elke maatregel die de intracommunautaire handel, al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren.(6) Bovendien heeft het Hof herhaaldelijk te kennen gegeven dat artikel 28 EG in de weg staat aan nationale wetgeving die, zij het ook zuiver formeel, een vergunning voorschrijft voor de invoer van goederen uit een lidstaat.(7)
14. Overigens valt de procedure van voorafgaande vergunning voor de invoer van wijngeest in Finland, anders dan de Portugese regering stelt, buiten het bestek van richtlijn 92/12. Deze procedure wordt namelijk naast de in die richtlijn bedoelde maatregelen toegepast.
15. Het antwoord op de eerste vraag van de verwijzende rechter moet dan ook luiden, dat artikel 28 EG in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling die een vergunning voorschrijft voor de invoer uit een andere lidstaat van substanties waarvan het gehalte aan niet-gedenatureerde ethylalcohol meer dan 80 volumeprocent bedraagt.
B – De tweede vraag
16. De verwijzende rechter vraagt of het stelsel van voorafgaande vergunning voor de invoer van wijngeest desondanks gerechtvaardigd kan zijn op basis van artikel 30 EG.
17. Zowel de Finse als de Zweedse regering acht het vereiste van voorafgaande invoervergunning gerechtvaardigd om redenen van volksgezondheid en openbare orde.
18. De Zweedse regering merkt op dat in Finland, net als in Zweden, van oudsher sterke alcoholhoudende dranken worden genuttigd. Om de consumptie van alcohol van meer dan 80 volumeprocent tegen te gaan, is het noodzakelijk de handel in wijngeest te reguleren. Het is aan de nationale rechter om met inachtneming van de sociale gebruiken en de consumentengewoonten in de betrokken lidstaat te beoordelen, of een stelsel van invoervergunningen een noodzakelijk en evenredig middel is om de volksgezondheid te beschermen.
19. De opmerkingen van de Finse regering sluiten hier grotendeels bij aan. Het stelsel van voorafgaande vergunning voor de invoer van wijngeest vormt een wezenlijk onderdeel van het algemene beleid in Finland op het gebied van alcohol. Alcoholgebruik vormt volgens de Finse regering een serieus gevaar voor de volksgezondheid. Het is verbonden met gewelddadig en crimineel gedrag en is de oorzaak van een groot aantal sterfgevallen onder de Finse beroepsbevolking. Bovendien is het in Finland een wijdverbreide gewoonte om nagenoeg pure wijngeest te drinken met geen ander doel dan dronken te worden. In dit verband wijst de Finse regering erop dat, voordat in de alcoholwet een definitie van „wijngeest” werd opgenomen waarin expliciet een ethylalcohol-volumepercentage van 80 % werd genoemd, restauranthouders zich tot het agentschap voor productcontroles hadden gewend met de vraag, of het was toegestaan substanties met een ethylalcoholgehalte van 96 % als drank te serveren. De Finse regering beklemtoont dat de consumptie van wijngeest een zeer groot gevaar voor de volksgezondheid oplevert. Zelfs het drinken van relatief kleine hoeveelheden kan al tot een ernstige en mogelijk dodelijke vergiftiging leiden. De risico’s zijn bijzonder groot voor jongeren, voor wie wijngeest een zeer krachtig alcoholproduct met een zeer lage prijs is. Gelet op deze overwegingen is de Finse regering dan ook van mening, dat het stelsel van voorafgaande invoervergunning een geschikt en noodzakelijk middel is om het gebruik van wijngeest voor privéconsumptie tegen te gaan.
20. Ik kan mij zonder meer vinden in de algemene hypothese dat onmatig alcoholgebruik tal van schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens en de openbare orde heeft. Dit is al sinds de tijd van het Oude Testament algemeen bekend.(8) Meer recentelijk heeft het Hof dit in zijn arrest Heikonen erkend.(9) De openbare orde en de bescherming van de volksgezondheid behoren tot de in artikel 30 EG uitdrukkelijk genoemde redenen van algemeen belang, die een beperking van het vrije goederenverkeer aan het verbod van artikel 28 EG kunnen doen ontkomen.(10) Bij gebreke van harmonisatie staat het de lidstaten daarom in beginsel vrij, nationale maatregelen te treffen om alcoholconsumptie tegen te gaan, zelfs wanneer deze maatregelen negatieve gevolgen hebben voor het vrije verkeer van goederen binnen de interne markt.(11) Dit is helemaal het geval in de onderhavige zaak, waarin de in geding zijnde wettelijke regeling onderscheid maakt tussen voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken en wijngeest voor industriële doeleinden, en de consumptie van laatstgenoemd product beoogt tegen te gaan.
21. De uitzonderingen op het fundamentele beginsel van het vrije verkeer van goederen moeten echter strikt worden geïnterpreteerd.(12) De betrokken lidstaat dient het bewijs te leveren dat de in geding zijnde maatregel geschikt is om het ermee beoogde doel te bereiken(13) en niet verder gaat dan ter verwezenlijking van dat doel noodzakelijk is.(14)
22. De Commissie betoogt dat Finland in casu de noodzaak van het vergunningenstelsel niet heeft aangetoond. Onder verwijzing naar het arrest Commissie/België stelt zij dat een stelsel van voorafgaande invoervergunning in beginsel een onevenredige maatregel is, aangezien ook minder beperkende maatregelen, zoals het vereiste van een door de importeur ondertekende verklaring, zouden moeten volstaan om de legitieme belangen van de lidstaat te beschermen.(15) De Commissie wijst erop dat het in de zaak Franzén door de Zweedse regering aangevoerde argument dat het in die zaak aan de orde zijnde stelsel van voorafgaande vergunning voor de invoer van alcoholhoudende dranken evenredig was met het ermee beoogde doel van bescherming van de volksgezondheid, door het Hof van de hand is gewezen.(16) Met de overweging dat wijngeest naar Fins recht volledig is uitgesloten van de markt voor privéconsumptie, vraagt de Commissie zich bovendien af in hoeverre een stelsel van voorafgaande vergunning voor de invoer van wijngeest voor commerciële doeleinden, rechtstreeks het doel van bescherming van de volksgezondheid en de openbare orde kan dienen. Tot slot merkt de Commissie op dat het intracommunautaire alcoholverkeer reeds strikt wordt gecontroleerd in het kader van richtlijn 92/12, die communautaire controles met het oog op de inning van accijnzen voorschrijft. Terwijl het Finse stelsel van voorafgaande invoervergunning de handelaren met een extra last opzadelt, lijkt het geen bijkomende voordelen op te leveren voor de bestrijding van de handel in niet-gedenatureerde ethylalcohol.
23. Het lijkt mij zinnig om, alvorens deze argumenten te onderzoeken, eerst nader in te gaan op de werking van het evenredigheidsbeginsel in het kader van artikel 30 EG. Toepassing van dit beginsel komt in wezen neer op een afweging van de kosten en baten van een door een lidstaat genomen maatregel in het licht van de verschillende belangen die volgens het gemeenschapsrecht bescherming verdienen.(17) Wanneer een nationale maatregel in beginsel onder het verbod van artikel 28 EG valt, is het aan de lidstaat om aan te tonen dat het nut van deze maatregel voor het door het gemeenschapsrecht erkende openbaar belang, zwaarder weegt dan de uit de beperking van het vrije verkeer voortvloeiende kosten. Wil het stelsel van voorafgaande invoervergunning met het Verdrag verenigbaar zijn, dan zal Finland dus moeten aantonen dat de voordelen van dit stelsel uit het oogpunt van de openbare orde en de gezondheid van personen, de uit de beperking van het vrije goederenverkeer voortvloeiende kosten rechtvaardigen. Wanneer het Hof nagaat of een maatregel van een lidstaat aan de evenredigheidseis voldoet, toetst het echter niet rechtstreeks de algemene kosten/baten-analyse die door die lidstaat is verricht, maar past het in de praktijk altijd een of meer van de hieronder besproken sub-tests toe.(18)
24. De eerste is een geschiktheidstest: de in geding zijnde maatregel moet daadwerkelijk tot de verwezenlijking van het beoogde doel bijdragen. Zo heeft het Hof in het arrest Aragonesa geoordeeld dat een regeling die de reclamemogelijkheden voor alcoholhoudende dranken beperkt, een geschikt middel is om de volksgezondheid te beschermen.(19) Daarentegen heeft het zich in het arrest Commissie/Verenigd Koninkrijk („UHT-melk”) op het standpunt gesteld, dat een regeling volgens welke geïmporteerde UHT-melk in het Verenigd Koninkrijk een tweede warmtebehandeling moest ondergaan, geen geschikt middel was om de volksgezondheid te beschermen.(20) Het wees erop dat het Verenigd Koninkrijk bepaalde importen had toegelaten zonder een nieuwe warmtebehandeling te eisen en dat „niet [was] komen vast te staan dat de volksgezondheid in het Verenigd Koninkrijk hiervan ook maar enig nadeel [had] ondervonden”.(21) Bij de geschiktheidstest gaat het erom of de maatregel ook maar enigszins ten goede komt aan de legitieme belangen waarop de lidstaat zich beroept. Wanneer dit niet het geval is, is de maatregel per definitie in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
25. De tweede test betreft de noodzaak van de maatregel. Preciezer gezegd gaat het hierbij om de vraag of er daadwerkelijk een alternatieve maatregel voorhanden is die de legitieme belangen van de lidstaat even doeltreffend zou beschermen, maar tegelijkertijd het vrije goederenverkeer minder zou belemmeren. Of, om het anders te formuleren: zou de lidstaat, door een vergelijkbare hoeveelheid van zijn middelen te spenderen aan een alternatieve maatregel, hetzelfde, maar voor de intracommunautaire handel minder belastend resultaat kunnen bereiken? Ook op dit punt is het arrest „UHT-melk” illustratief. Het Verenigd Koninkrijk trachtte het bestaan van een stelsel van specifieke invoervergunningen voor UHT-melk te rechtvaardigen met een beroep op de bescherming van de gezondheid van dieren. Het Hof oordeelde evenwel dat het vergunningenstelsel „voor het intracommunautaire handelsverkeer [...] een belemmering [vormde] die [...] zou kunnen worden weggenomen zonder de doeltreffendheid van de bescherming van de gezondheid van dieren te schaden en zonder de administratieve of financiële lasten die de behartiging van dit belang meebrengt, te verzwaren”.(22) Indien de lidstaat kan aantonen dat vaststelling van de alternatieve maatregel nadelige gevolgen zou hebben voor andere legitieme belangen (bijvoorbeeld voor fundamentele rechten), moet deze omstandigheid uiteraard in aanmerking worden genomen.(23) Wanneer niet voor het minst beperkende alternatief wordt gekozen, levert dit normaal gesproken echter schending van het evenredigheidsbeginsel op.(24)
26. In de doctrine wordt de derde test dikwijls aangeduid als „proportionaliteit stricto sensu”.(25) Dit aspect van de evenredigheidsbeoordeling kan in de vorm van de volgende regel worden uitgedrukt: hoe ernstiger de belemmeringen van het vrije goederenverkeer zijn, des te meer gewicht dient toe te komen aan de bescherming van het door de lidstaten ingeroepen openbaar belang.(26) De lidstaat dient derhalve aan te tonen dat de mate waarin hij zijn legitieme belangen beschermd wenst te zien, in verhouding staat tot de daardoor veroorzaakte belemmeringen van het intracommunautaire handelsverkeer.(27) Het verschil met de tweede test is, dat op basis van de uitkomst van de derde test van een lidstaat kan worden verlangd dat hij een maatregel treft die het intracommunautaire handelsverkeer minder belemmert, ook al zou als gevolg daarvan het niveau van bescherming van zijn legitieme belangen lager uitvallen. In het kader van deze test kent het Hof de lidstaat gewoonlijk een zekere beoordelingsvrijheid toe bij de keuze van het gewenste niveau van bescherming van het in geding zijnde openbaar belang.(28) Verschillende lidstaten kunnen derhalve aan de legitieme belangen waarvan zij de bescherming wensen te verzekeren, een verschillende waarde toekennen. Alleen op gebieden waarop het gemeenschapsrecht reeds duidelijk een gemeenschappelijk niveau van bescherming van het betrokken legitieme belang vastlegt, past het Hof de test strikter toe. In dergelijke gevallen moeten de lidstaten meer moeite doen om maatregelen die het vrije verkeer beperken, te rechtvaardigen. Zo heeft het Hof in een reeks zaken op het gebied van consumentenbescherming geoordeeld, dat het evenredigheidsbeginsel stricto sensu was geschonden.(29) Met name in het arrest Estée Lauder heeft het overwogen dat de lidstaten, wanneer zij ter bescherming van de consument maatregelen vaststellen die het intracommunautaire handelsverkeer belemmeren, het niveau van bescherming moeten afstemmen op „de vermoedelijke verwachting van een gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument”.(30) In het merendeel van de gevallen waarin het Hof de evenredigheid van een maatregel heeft beoordeeld, zijn echter de eerste twee tests toegepast.
27. Een maatregel die de algehele evenredigheidstoets niet doorstaat, vormt ? om de woorden van artikel 30 EG te gebruiken ? „een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten”. Dergelijke beperkingen zijn zonder meer verboden.
28. Het in artikel 30 EG bedoelde onderzoek is hiermee echter nog niet afgerond. Een onder artikel 28 EG vallende maatregel van een lidstaat die de hierboven beschreven evenredigheidstoets doorstaat, moet namelijk nog aan een andere voorwaarde voldoen: hij mag geen „middel tot willekeurige discriminatie”(31) vormen. Ook hier moet de evenredigheid van de maatregel worden beoordeeld, maar dan vanuit een heel ander perspectief.
29. Het arrest Conegate is in dit verband zeer illustratief.(32) Blijkens de conclusie van de advocaat-generaal ging het in die zaak om „Love Love Dolls”, „Miss World Specials”, „Rubber Ladies” en „Sexy Vacuum Flasks”. Wij zouden ons kunnen afvragen wat dit precies zijn. Voor de onderhavige analyse volstaat het echter te weten dat de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk de producten als aanstotelijk of ontuchtig beschouwden en daarom de invoer ervan verboden. Ofschoon het Hof erkende dat overwegingen van openbare zedelijkheid een dergelijk verbod konden rechtvaardigen, was het van mening dat het Verenigd Koninkrijk niet met een beroep op dergelijke overwegingen „de invoer van bepaalde, uit andere lidstaten afkomstige goederen [kon] verbieden, wanneer zijn wetgeving de vervaardiging of het in de handel brengen van dezelfde goederen op zijn grondgebied niet [verbood]”.(33) Doordat uitsluitend de invoer van ontuchtige producten werd verboden, was het door het Verenigd Koninkrijk ingestelde verbod discriminerend. Die discriminatie was willekeurig en dus ontoelaatbaar, aangezien er geen objectieve rechtvaardiging voor bestond ? of, indien een dergelijke rechtvaardiging wel bestond, het Verenigd Koninkrijk niet kon aantonen dat het verschil in behandeling tussen ingevoerde en binnenlandse goederen proportioneel was.(34)
30. Discriminatie is niet „willekeurig” wanneer het verschil in behandeling gerechtvaardigd en proportioneel is.(35) In het arrest Deutscher Apothekerverband oordeelde het Hof dat de Duitse wettelijke regeling die de rechtstreekse verkoop van geneesmiddelen door apotheken via internet verbood, grotere gevolgen had voor apotheken in andere lidstaten, aangezien „internet [...] een belangrijker middel [is] voor niet op Duits grondgebied gevestigde apotheken om [de Duitse] markt rechtstreeks te bereiken”.(36) Toch was het van mening dat het verbod, ondanks het eruit voortvloeiende verschil in behandeling, op basis van artikel 30 EG kon worden gerechtvaardigd voor zover het voor receptplichtige geneesmiddelen gold:
„Gelet op de risico’s die aan het gebruik van deze geneesmiddelen verbonden kunnen zijn, zou de noodzaak om de echtheid van de door de artsen opgestelde recepten op doeltreffende en verantwoordelijke wijze te controleren en om aldus te verzekeren dat het geneesmiddel wordt afgegeven aan de klant zelf of aan iemand die van de klant de opdracht heeft gekregen om het op te halen, een rechtvaardiging kunnen vormen voor een verbod op postorderverkoop. [...] Bovendien kan de reële mogelijkheid dat de etikettering van het geneesmiddel dat wordt gekocht in een apotheek in een andere lidstaat dan die waarin de koper woont, is opgesteld in een andere taal dan die van deze koper, schadelijkere gevolgen hebben wanneer het om receptplichtige geneesmiddelen gaat.”(37)
Anders gezegd: een zekere mate van verschil in behandeling van dan wel uitwerking voor ingevoerde producten kan worden aanvaard, indien dit verschil in verhouding staat tot de objectieve verschillen die tussen de binnenlandse en de ingevoerde producten bestaan. Hier dient de evenredigheidstoets om een onderscheid te maken tussen aanvaardbare discriminatie en willekeurige discriminatie.
31. Voor de toetsing van een door een lidstaat vastgestelde maatregel aan artikel 30 EG moeten bijgevolg een of meer van de volgende beoordelingsmethoden worden toegepast: een beoordeling van de geschiktheid, de noodzaak en/of de proportionaliteit stricto sensu, en een onderzoek naar de vraag of de maatregel een middel tot willekeurige discriminatie oplevert, dat op zijn beurt een beoordeling van de evenredigheid van het discriminerend effect van de maatregel impliceert.
32. In het kader van de prejudiciële procedure wordt de uiteindelijke beoordeling van de evenredigheid dikwijls overgelaten aan de verwijzende rechter.(38) Het is echter aan het Hof om de verwijzende rechter de toe te passen normatieve criteria te verschaffen. Het Hof dient daarbij te wijzen op de specifieke aspecten die de verwijzende rechter eventueel zou moeten beoordelen teneinde de hem opgedragen taak naar behoren te kunnen uitvoeren.
33. In casu dient de verwijzende rechter na te gaan, of het stelsel van voorafgaande vergunning voor de invoer van wijngeest voor commerciële doeleinden, gelet op andere relevante voorschriften op het gebied van de handel in en de consumptie van alcohol, een bepaalde meerwaarde heeft voor de beoogde bestrijding van de privéconsumptie van wijngeest. Dit zal hem helpen bij de beoordeling of de maatregel werkelijk noodzakelijk is, dan wel of het ermee beoogde doel ook kan worden bereikt met alternatieve maatregelen die de intracommunautaire handel minder beperken.
34. De verwijzende rechter dient zich tevens ervan te vergewissen dat het vergunningenstelsel niet leidt tot willekeurige discriminatie in de zin van artikel 30 EG. Ter terechtzitting heeft de Finse regering beklemtoond dat ook een vergunningplicht geldt voor handelaren of fabrikanten die voor commercieel gebruik bestemde wijngeest willen betrekken van binnenlandse producenten. Het staat aan de verwijzende rechter om door middel van een globale beoordeling(39) van de betrokken nationale voorschriften en de administratieve praktijk na te gaan, of het vergunningenstelsel voor ingevoerde wijngeest gelijkwaardig is aan dat voor wijngeest die in het binnenland is geproduceerd. Zo er verschillen bestaan ? bijvoorbeeld ten aanzien van de kosten of de voorwaarden waaronder de vergunning wordt verleend ? moeten deze objectief gerechtvaardigd en proportioneel zijn.
IV – Conclusie
35. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging, de vragen van de Korkein oikeus te beantwoorden als volgt:
„1) Artikel 28 EG staat in de weg aan een nationale wettelijke regeling die een vergunning voorschrijft voor de invoer uit een andere lidstaat van substanties waarvan het gehalte aan niet-gedenatureerde ethylalcohol meer dan 80 volumeprocent bedraagt (‚wijngeest’).
2) Het staat aan de verwijzende rechter om uit te maken of de betrokken wettelijke regeling in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel. Met name dient hij na te gaan of die regeling geschikt is om het ermee beoogde doel, namelijk het tegengaan van het gebruik van wijngeest voor privéconsumptie, te bereiken, of zij daartoe ook noodzakelijk is en of zij niet leidt tot willekeurige discriminatie in de zin van artikel 30 EG.”
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – William Shakespeare, Othello, tweede bedrijf, derde toneel (vertaling van B. Voeten, Amsterdam, 1986).
3 – Ibidem.
4 – Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (PB L 76, blz. 1).
5 – Arrest Hof van 11 juli 1974, 8/74, Jurispr. blz. 837, punt 5.
6 – Arresten van 2 december 2004, Commissie/Nederland, C‑41/02, Jurispr. blz. I‑11375, punt 39; 15 november 2005, Commissie/Oostenrijk, C‑320/03, Jurispr. blz. I‑9871, punt 67, en 24 november 2005, Schwarz, C‑366/04, Jurispr. blz. I‑10139, punt 28.
7 – Arresten van 15 december 1971, International Fruit Company NV e.a., gevoegde zaken 51/71–54/71, Jurispr. blz. 1107, punt 9; 8 februari 1983, Commissie/Verenigd Koninkrijk, 124/81, Jurispr. blz. 203, punt 9; 31 januari 1984, Commissie/Verenigd Koninkrijk, 40/82, Jurispr. blz. 283, punt 24; 5 juli 1990, Commissie/België, C‑304/88, Jurispr. blz. I‑2801, punt 9, en 17 november 1992, Commissie/Ierland, C‑235/91, Jurispr. blz. I‑5917, punt 5. Zie ook arrest van het EVA Hof van 16 december 1994, Restamark, E‑1/94, punten 49 en 50.
8 – „[D]e drank smaakt de drinkers bitter in de mond” (Jesaja 24:9). Zie ook: Leviticus 10:9; Rechters 13:4, 7, 14; Spreuken 20:1, 23:32 en 31:4 en 5, alsmede Jesaja 5:22.
9 – Arrest van 15 juni 1999, C‑394/97, Jurispr. blz. I‑3599, punt 33.
10 – Arrest van 25 juli 1991, Aragonesa de Publicidad Exterior en Publivía, C‑1/90 en C‑176/90, Jurispr. blz. I‑4151, punt 13.
11 – Met betrekking tot een regeling die de reclamemogelijkheden voor alcoholhoudende dranken beperkt, zie onder meer arrest Aragonesa, aangehaald in voetnoot 10, punten 15 en 16; arrest van 10 juli 1980, Commissie/Frankrijk, 152/78, Jurispr. blz. 2299, punt 17; arrest van 8 maart 2001, Gourmet International Products, C‑405/98, Jurispr. blz. I‑1795, punt 27; en, op het gebied van het vrij verkeer van diensten, arrest van 13 juli 2004, Bacardi France, C‑429/02, Jurispr. blz. I‑6613, punt 37.
12 – Arrest van 19 maart 1991, Commissie/Griekenland, C‑205/89, Jurispr. blz. I‑1361, punt 9.
13 – Arrest Hof van 20 februari 1979, Rewe, 120/78, Jurispr. blz. 649.
14 – Arresten van 23 oktober 1997, Franzén, C‑189/95, Jurispr. blz. I‑5909, punt 76, en 5 februari 2004, Commissie/Italië, C‑270/02, Jurispr. blz. I‑1559, punt 22.
15 – Aangehaald in voetnoot 7, punt 14.
16 – Arrest Franzén, aangehaald in voetnoot 14, punten 76 en 77.
17 – Voor de vraag welke maatregelen aldus door het Hof zouden moeten worden beoordeeld, zie mijn conclusie in de gevoegde zaken C‑158/04 en C‑159/04, Trofo Super-Markets, Jurispr. blz. I‑0000, inz. de punten 40, 41 en 46.
18 – Vgl. conclusie van advocaat-generaal Van Gerven in de zaken C‑312/89, Conforama e.a., en C‑332/89, Marchandise e.a. (Jurispr. blz. I‑997, punt 14, resp. blz. I‑1027). Zie ook F. G. Jacobs, „Recent developments in the principle of proportionality in European Community law”, en T. Tridimas, „Proportionality in Community law: searching for the appropriate standard of scrutiny”, in: The Principle of proportionality in the laws of Europe, 1999, blz. 65‑84; G. De Búrca, „The principle of proportionality and its application in EC law”, Yearbook of European Law, Deel 13 (1993), blz. 105‑150; J. H. Jans, „Proportionality revisited”, Legal Issues of Economic Integration, deel 27 (2000), nr. 3, blz. 239‑265.
19 – Arrest van 25 juli 1991, aangehaald in voetnoot 10, punt 15. Zie ook arrest Schwarz, aangehaald in voetnoot 6, punten 34‑36.
20 – Zaak 124/81, aangehaald in voetnoot 7.
21 – Punt 32 van het arrest. Zie ook arrest van 5 februari 2004, Commissie/Italië, C‑270/02, Jurispr. blz. I‑1559, punt 24.
22 – Arrest Commissie/Verenigd Koninkrijk („UHT-melk”), aangehaald in voetnoot 7, punt 18.
23 – Het is immers mogelijk dat de alternatieve maatregel, al levert hij misschien minder belemmeringen voor het vrije verkeer op en is hij geschikt om het oorspronkelijke doel van de nationale wetgeving te bereiken, leidt tot nieuwe kosten gelet op andere door het gemeenschapsrecht erkende legitieme belangen. Zie in die zin arrest van 8 april 1992, Commissie/Duitsland, C‑62/90, Jurispr. blz. I‑2575, punten 24 en 25.
24 – Wanneer de lidstaten voornemens zijn een maatregel in te voeren met drastische gevolgen voor het vrije verkeer, moeten zij „grondig ... onderzoeken of maatregelen konden worden getroffen die het vrije verkeer minder beperken”, omdat het Hof anders het evenredigheidsbeginsel geschonden zal achten zonder dat het zich zelf behoeft uit te spreken over het bestaan van alternatieven: arrest Commissie/Oostenrijk, aangehaald in voetnoot 6, punt 87.
25 – Bijvoorbeeld: W. Van Gerven, „The effect of proportionality on the actions of Member States of the European Community: national viewpoints from continental Europe”, in: The Principle of proportionality in the laws of Europe, 1999, blz. 38.
26 – R. Alexy, „On balancing and subsumption. A structural comparison”, Ratio Juris, deel 16 (2003), nr. 4, blz. 436.
27 – Zie in die zin arrest van 16 december 1992, Stoke-on-Trent, C‑169/91, Jurispr. blz. I‑6635, punt 15, en arrest van 12 juni 2003, Schmidberger, C‑112/00, Jurispr. blz. I‑5659, punt 81.
28 – Zie bijvoorbeeld arrest van 14 oktober 2004, Omega, C‑36/02, Jurispr. blz. I‑9609, inz. punten 32, 37 en 39.
29 – J. H. Jans, aangehaald werk, blz. 251‑252; G. Davies, Nationality discrimination in the European internal market, 2003, blz. 35‑36.
30 – Arrest van 13 januari 2000, Estée Lauder, C‑220/98, Jurispr. blz. I‑117, punt 27. Zie ook arresten van 6 november 2003, Commissie/Spanje, C‑358/01, Jurispr. blz. I‑13145, punten 53 en 58; 24 oktober 2002, Linhart en Biffl, C‑99/01, Jurispr. blz. I‑9375, punt 31, en 12 oktober 2000, Ruwet, C‑3/99, Jurispr. blz. I‑8749, punten 50‑53.
31 – Tweede zin van artikel 30 EG. Zie, meer recentelijk, arrest Schwarz, aangehaald in voetnoot 6, punt 37.
32 – Arrest Hof van 11 maart 1986, 121/85, Jurispr. blz. 1007.
33 – Arrest Conegate, aangehaald in voetnoot 32, punt 16.
34 – Zie ook, naar analogie (in de context van het vrije verkeer van werknemers), arrest Hof van 4 december 1974, Van Duyn, 41/74, Jurispr. blz. 1337. Het arrest Conegate kan worden vergeleken met het arrest van het Hof van 14 december 1979, Henn en Darby, 34/79, Jurispr. blz. 3795.
35 – Arrest Hof van 8 juli 1975, Rewe, 4/75, Jurispr. blz. 843, punt 8, en arrest Henn en Darby, aangehaald in voetnoot 34, punt 21.
36 – Arrest van 11 december 2003, Deutsche Apothekerverband, C‑322/01, Jurispr. blz. I‑14887, punt 74.
37 – Arrest Deutscher Apothekerverband, aangehaald in voetnoot 36, punt 119.
38 – Zie bijvoorbeeld arrest van 26 mei 2005, Burmanjer e.a., C‑20/03, Jurispr. blz. I‑4133, en arrest van 23 februari 2006, A‑Punkt Schmuckhandel, C‑441/04, Jurispr. blz. I‑0000.
39 – Arrest Henn en Darby, aangehaald in voetnoot 34, punt 21.
Full & Egal Universal Law Academy