CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
F. G. JACOBS
van 17 november 2005 1(1)
Zaak C‑493/04
L. H. Piatkowski
tegen
Inspecteur van de Belastingdienst/Grote ondernemingen Eindhoven
1. In de onderhavige zaak vraagt het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch of het gemeenschapsrecht eraan in de weg staat dat Nederland premie voor de volksverzekeringen heft over rente-inkomsten die door een in Nederland gevestigde vennootschap zijn betaald aan een in België woonachtige Nederlandse onderdaan, op wie krachtens verordening nr. 1408/71(2) zowel de Nederlandse als de Belgische socialezekerheidswetgeving van toepassing is.
2. Deze vraag is gerezen in een geschil tussen L. H. Piatkowski en de inspecteur van de bevoegde belastingdienst (hierna: „Inspecteur”).
Relevante communautaire regelgeving
3. Titel II van verordening nr. 1408/71 bevat een aantal collisieregels teneinde te bepalen welke socialezekerheidswetgeving van toepassing is op de onder de verordening vallende personen. Deze regels zijn gebaseerd op het beginsel dat de werknemer of zelfstandige aan de wetgeving van slechts één lidstaat is onderworpen (hierna: „beginsel dat slechts één nationale wetgeving toepasselijk is”). Zo bevat artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1408/71 de volgende algemene regel:
„Onder voorbehoud van de artikelen 14 quater en 14 septies zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat onderworpen. De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld.”
4. Het beginsel dat slechts één nationale wetgeving toepasselijk is, is van toepassing op personen die werkzaamheden in loondienst uitoefenen in meer dan één lidstaat(3), op personen die werkzaamheden als zelfstandige uitoefenen in meer dan één lidstaat(4) en (in het algemeen) op personen die werkzaamheden in loondienst in de ene lidstaat en werkzaamheden als zelfstandige in een andere lidstaat uitoefenen.(5)
5. Blijkens de bewoordingen van artikel 13, lid 1, bevat titel II slechts twee uitzonderingen op dat beginsel.
6. Artikel 14 septies betreft ambtenaren die gelijktijdig in twee of meer lidstaten werkzaam zijn. Deze bepaling is hier niet aan de orde.
7. In artikel 14 quater, sub a, is de algemene regel neergelegd dat op degene die gelijktijdig werkzaamheden in loondienst op het grondgebied van een lidstaat en werkzaamheden als zelfstandige op het grondgebied van een andere lidstaat uitoefent, de wetgeving van toepassing is van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij werkzaamheden in loondienst uitoefent.
8. Artikel 14 quater, sub b, beperkt deze regel in bepaalde gevallen. Volgens dit artikel zijn
„[o]p degene die gelijktijdig werkzaamheden in loondienst en werkzaamheden anders dan in loondienst op het grondgebied van verschillende lidstaten uitoefent:
[...]
b) [...] in de in bijlage VII genoemde gevallen van toepassing:
– de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij werkzaamheden in loondienst uitoefent [...], en
– de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent [...].”
9. Bijlage VII bij verordening nr. 1408/71 noemt in de lijst van gevallen waarin op een persoon gelijktijdig de wetgeving van twee lidstaten van toepassing is:
„1. Uitoefening van werkzaamheden anders dan in loondienst in België en van werkzaamheden in loondienst in een andere lidstaat.”
Toepasselijke nationale wetgeving
10. In de relevante periode bepaalde de Nederlandse socialezekerheidswetgeving dat een niet-ingezetene die wegens in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid was onderworpen aan de loonbelasting, verplicht verzekerd was voor de vier Nederlandse algemene socialezekerheidsregelingen.(6)
11. Deze persoon was tevens premieplichtig voor de volksverzekeringen.(7)
12. In het geval van een niet-ingezetene werd de maatstaf van heffing gevormd door het belastbare binnenlandse inkomen van de verzekerde in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.(8)
13. Het binnenlandse inkomen werd omschreven als het binnenlandse onzuivere inkomen(9), dat op zijn beurt werd gedefinieerd als het gezamenlijke bedrag dat een persoon genoot als onder meer i) zuivere inkomsten uit arbeid en ii) zuivere inkomsten uit schuldvorderingen ten laste van een in Nederland gevestigde vennootschap, indien de genieter een niet tot het vermogen van een onderneming behorend aanmerkelijk belang had in die vennootschap.(10)
14. Bij een ingezetene werd de maatstaf van premieheffing voor de volksverzekeringen gevormd door het wereldinkomen van de verzekerde in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting.
Het hoofdgeding en de prejudiciële vraag
15. De verwijzende rechter omschrijft de achtergrond van het hoofdgeding als volgt:
16. Piatkowski, die de Nederlandse nationaliteit bezit, heeft in Nederland gewoond tot 1996, toen hij naar België verhuisde. Hij woonde in België gedurende het gehele jaar 1998, in welk jaar hij zowel in Nederland als in België werkzaam was.
17. In Nederland was hij werkzaam als directeur van Vanderheide Beheer BV (hierna: „Vanderheide”), een in Nederland gevestigde vennootschap. Vanderheide is een volledige dochtervennootschap van Marlon NV, een in België gevestigde vennootschap, waarvan alle aandelen in handen zijn van Piatkowski en zijn echtgenote. Piatkowski’s salaris bij Vanderheide is in Nederland onderworpen aan de heffing van loonbelasting, zodat hij krachtens de regels inzake de Nederlandse volksverzekeringen verplicht verzekerd en derhalve premieplichtig was.
18. In België verrichtte Piatkowski werkzaamheden als zaakvoerder van een of meer in België gevestigde vennootschappen. Voor de toepassing van de Belgische socialezekerheidswetgeving worden deze activiteiten aangemerkt als werkzaamheden anders dan in loondienst.
19. Piatkowski had een vordering op DuvedeC BV, een in Nederland gevestigde vennootschap, waarvan 41 % van de aandelen werd gehouden door Vanderheide. Op deze vordering heeft Piatkowski in 1998 rente ontvangen. Aangezien deze rentebetaling voldeed aan de voorwaarden van artikel 49, lid 1, sub c, punt 4, van de Wet op de inkomstenbelasting(11), behoorde deze naar Nederlands recht tot Piatkowski’s belastbare binnenlandse inkomen.
20. De Inspecteur betrok de rente derhalve in de grondslag voor de heffing van de premies volksverzekeringen die Piatkowski in Nederland over 1998 verschuldigd was.
21. De rente werd in België niet betrokken in de heffing van Piatkowski’s socialezekerheidspremies over dat jaar.(12)
22. Piatkowski stelt zich op het standpunt dat de bevoegdheid tot heffing van premies volksverzekeringen over de rente overeenkomstig verordening nr. 1408/71 toekomt aan België op grond van zijn woonplaats.
23. De verwijzende rechter heeft twijfel over de juiste uitlegging van artikel 14 quater, sub b, van verordening nr. 1408/71. Hij heeft derhalve besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:
„Staat het gemeenschapsrecht, in het bijzonder het recht op vrij verkeer en het bepaalde in artikel 14 quater, onderdeel b, van verordening nr. 1408/71 (tekst 1998), eraan in de weg dat Nederland premie voor de volksverzekeringen heft over rente-inkomsten die door een in Nederland gevestigde vennootschap zijn betaald aan een ingezetene van België, op wie krachtens artikel 14 quater, onderdeel b, in samenhang met bijlage VII [...], van verordening nr. 1408/71 zowel de Nederlandse als de Belgische socialezekerheidswetgeving van toepassing is?”
24. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door de Nederlandse regering en de Commissie. Een terechtzitting, waarom niet is verzocht, heeft niet plaatsgevonden.
Beoordeling
25. Zowel de Nederlandse regering als de Commissie betogen dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord. Ik ben het hiermee eens.
Toepasselijke regeling
26. Op het eerste gezicht vallen de feiten precies onder artikel 14 quater, sub b. Piatkowski „[oefent] gelijktijdig werkzaamheden in loondienst op het grondgebied van een lidstaat en werkzaamheden anders dan in loondienst op het grondgebied van een andere lidstaat uit”, zoals artikel 14 quater in algemene zin vereist, en oefent met name „werkzaamheden anders dan in loondienst in België en [...] werkzaamheden in loondienst in een andere lidstaat [uit]” in de zin van bijlage VII, zoals artikel 14 quater, sub b, vereist.
27. In dat geval bepaalt artikel 14 quater, sub b, dat op hem, in afwijking van de algemene regel van artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1408/71, volgens hetwelk degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat zijn onderworpen, gelijktijdig de wetgeving van beide betrokken lidstaten van toepassing is.
28. De onderhavige zaak kan worden vergeleken met de eerdere zaken waarin het Hof is gevraagd om een uitlegging van artikel 14 quater, sub b.(13) Die zaken hadden elk betrekking op de vraag of een verzekerde in een vergelijkbare situatie als die van Piatkowski krachtens die bepaling wettelijk kon worden verplicht om bij te dragen aan twee verschillende socialezekerheidsregelingen. In de zaken De Jaeck en Hervein I werd gesteld dat directeuren van vennootschappen, hoewel de betrokken lidstaat(14) hen als werkzaam in loondienst categoriseerde, in feite als zelfstandige werkzaam waren, zodat ingevolge artikel 14 bis, punt 2, van verordening nr. 1408/71(15) verzoekers in beide zaken derhalve uitsluitend onderworpen waren aan de socialezekerheidswetgeving van de lidstaat van de woonplaats. In beide zaken oordeelde het Hof dat voor de toepassing van de artikelen 14 bis en 14 quater onder „‚werkzaamheden in loondienst’ en ‚werkzaamheden anders dan in loondienst’ de werkzaamheden [dienen] te worden verstaan die als zodanig worden beschouwd voor de toepassing van de socialezekerheidswetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan deze werkzaamheden worden uitgeoefend”. In de zaak Hervein II betoogden verzoekers dat artikel 14 quater, sub b (ex artikel 14 quater, punt 1, sub b)(16), en bijlage VII, voorzover daarin werd bepaald dat op degene die werkzaamheden in loondienst in een lidstaat en werkzaamheden anders dan in loondienst in een andere lidstaat uitoefende, de wetgeving van ieder van deze lidstaten van toepassing was, in strijd waren met de artikelen 39 EG en 43 EG. Het Hof aanvaardde dit argument niet.
29. In casu betwist Piatkowski niet dat op hem twee verschillende socialezekerheidsregelingen van toepassing zijn, maar wel dat Nederland, anders dan België, de rente in de heffingsgrondslag betrekt. Piatkowski acht dit in strijd met het gemeenschapsrecht.
30. De verwijzende rechter merkt op dat artikel 14 quater, sub b(17), in zijn oorspronkelijke versie voorzag in de gelijktijdige toepassing van de wetgeving van ieder van deze lidstaten „voor wat de op hun grondgebied uitgeoefende werkzaamheden betreft”. Volgens die bewoordingen kon ieder van de betrokken lidstaten slechts premies heffen over de inkomsten die op zijn grondgebied waren verworven.(18) De verwijzende rechter erkent dat de huidige versie van artikel 14 quater, sub b, geen equivalent bevat, maar merkt op dat de considerans van verordening nr. 3811/86(19), waarbij deze versie met ingang van 1 januari 1987 werd ingevoerd, geen aanwijzingen geeft dat hiermee een materiële wijziging werd beoogd. Indien de huidige versie van artikel 14 quater, sub b, op dezelfde wijze moet worden toegepast als de vorige, dan zou in de onderhavige zaak moeten worden bepaald of de rente als in België of als in Nederland verworven inkomen moest worden aangemerkt.
31. Zoals de Nederlandse regering in de onderhavige zaak aanvoert, zijn de woorden „voor wat de op hun grondgebied uitgeoefende werkzaamheden betreft” na de wijziging van de bepaling overbodig geworden. De oorspronkelijke versie van artikel 14 quater, punt 1, sub b, luidde:
„Op degene die gelijktijdig werkzaamheden in loondienst op het grondgebied van een lidstaat en werkzaamheden anders dan in loondienst op het grondgebied van een andere lidstaat uitoefent:
[...]
b) is, in de in bijlage VII genoemde gevallen, de wetgeving van toepassing van ieder van deze lidstaten voor wat de op hun grondgebied uitgeoefende werkzaamheden betreft.”
32. In de gewijzigde versie ligt thans evenwel impliciet besloten dat op de verzekerde, in de in bijlage VII genoemde gevallen, voor wat betreft werkzaamheden in loondienst de wetgeving van toepassing is van de lidstaat waar hij die werkzaamheden in loondienst uitoefent, en voor wat betreft werkzaamheden anders dan in loondienst de wetgeving van de lidstaat waar hij die werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent.
33. Ik blijf derhalve bij het standpunt dat ik heb uiteengezet in mijn conclusie in de zaak Hervein II, dat het feit dat de zinsnede „voor wat de op hun grondgebied uitgeoefende werkzaamheden betreft” bij verordening nr. 3811/86 is geschrapt uit artikel 14 quater, lid 1, sub b, toen deze bepaling werd gewijzigd bij verordening nr. 3811/86, de wezenlijke betekenis ervan niet verandert.(20) Dit betekent evenwel slechts, zoals ik eveneens heb aangegeven in Hervein II, dat personen die onder artikel 14 quater, sub b, vallen, niet kunnen worden verplicht om over dezelfde inkomsten premies te betalen in meer dan één lidstaat.(21) Dit is een basisbeginsel van verordening nr. 1408/71.(22) In casu is er niets dat wijst op een dergelijke dubbele premieheffing. Integendeel, de verwijzende rechter verklaart uitdrukkelijk dat de rente in België niet in de berekening van de premies is betrokken.
Opneming van de rente in de heffingsgrondslag
34. In de onderhavige zaak gaat het er veeleer om dat Piatkowski’s premie in Nederland is verhoogd doordat de rente in de heffingsgrondslag is opgenomen. Piatkowski lijkt zich op het standpunt te stellen dat de bevoegdheid tot premieheffing over de rente is toebedeeld aan België, en dat met die betaling derhalve geen rekening mag worden gehouden voor de berekening van de socialezekerheidspremies in Nederland. De verwijzende rechter verklaart dat hij „in de verordening echter geen duidelijke aanknopingspunten [heeft] gevonden voor exclusieve toekenning van rente-inkomsten aan een van de betrokken lidstaten”.
35. De regels van titel II van verordening nr. 1408/71 hebben enkel tot doel te bepalen welke wetgeving van toepassing is op de onder de verordening vallende personen. Zij dienen niet te bepalen, onder welke voorwaarden het recht of de verplichting tot aansluiting bij een socialezekerheidsregeling ontstaat. Het staat aan de wettelijke regeling van elke lidstaat deze voorwaarden vast te stellen.(23) Wanneer eenmaal, met toepassing van de relevante regels van titel II, is vastgesteld dat de wetgeving van een bepaalde lidstaat van toepassing is, staat het derhalve aan die lidstaat om te bepalen welk inkomen in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de premies die moeten worden betaald ten behoeve van zijn socialezekerheidsregeling.
36. Het Hof heeft het argument aanvaard, dat wanneer krachtens verordening nr. 1408/71 de wetgeving van een bepaalde lidstaat van toepassing is, de nationale autoriteiten de wijze van financiering van de socialezekerheidsregeling van deze staat vrijelijk kunnen regelen(24), en heeft bovendien, in de bredere context van de verdragsregels inzake vrij verkeer van werknemers, verklaard dat „het bij gebreke van communautaire harmonisatie van de nationale wetgevingen in beginsel aan de lidstaten [is] om te bepalen, welke inkomsten voor de berekening van de socialezekerheidspremies in aanmerking moeten worden genomen”.(25)
37. Het Hof heeft ook beslist dat in de in bijlage VII bedoelde gevallen op degene die zowel werkzaamheden in loondienst in een lidstaat als werkzaamheden anders dan in loondienst in een andere lidstaat uitoefent, gelijktijdig de wetgeving van ieder van deze staten van toepassing is, en dat deze persoon „derhalve verplicht [is], de premies te betalen die eventueel van hem worden geheven op grond van elk van deze beide wetgevingen”.(26) Verordening nr. 1408/71 „laat aan de lidstaten de bevoegdheid hun socialezekerheidsregeling vast te stellen en, met name, de hoogte van de verlangde premies te bepalen”.(27) Het is inherent aan de bij verordening nr. 1408/71 ingevoerde coördinatieregeling, waarbij in titel II van de verordening wordt vastgesteld welke wetgeving van toepassing is op werknemers en zelfstandigen die in verschillende omstandigheden gebruikmaken van hun recht van vrij verkeer, dat de hoogte van de sociale premies die wegens de uitoefening van een werkzaamheid moeten worden betaald, verschilt naar gelang van de lidstaat waar deze werkzaamheid geheel of gedeeltelijk wordt uitgeoefend of naar gelang van de socialezekerheidswetgeving die op deze werkzaamheid van toepassing is.(28)
38. Ik ben het daarom met de Commissie eens, dat het opnemen van de betrokken rente in de heffingsgrondslag louter het gevolg is van het feit dat krachtens artikel 14 quater de Nederlandse wetgeving volledig op Piatkowski van toepassing is, met alle voor‑ en nadelen daarvan.
Beperkingen van de nationale bevoegdheid in socialezekerheidszaken
39. De rechtspraak heeft de lidstaten beperkingen opgelegd bij de uitoefening van de bevoegdheden die zij op het gebied van sociale zekerheid behouden. Zo moeten zij er bijvoorbeeld voor zorgen dat de nationale socialezekerheidsregeling de daadwerkelijke uitoefening van de door het Verdrag gegarandeerde vrijheden niet belet en met name dat de werknemer die van zijn recht van vrij verkeer gebruik heeft gemaakt, niet wordt benadeeld ten opzichte van een niet-migrerende werknemer.(29)
40. In casu is evenwel niet gebleken dat Piatkowski, die van zijn recht van vrij verkeer gebruik heeft gemaakt door van Nederland naar België te verhuizen, daardoor, wat de behandeling van de ontvangen rente betreft is benadeeld ten opzichte van een niet-migrerende werknemer. Kennelijk zou de rente in Nederland op dezelfde wijze zijn behandeld wanneer Piatkowski niet naar België was verhuisd, maar in Nederland was blijven wonen, aangezien de betaling zou zijn opgenomen in de heffingsgrondslag (uiteraard is deze vraag uiteindelijk een zaak voor de nationale rechter).
41. De verwijzende rechter verwijst ook naar de rechtspraak volgens welke de socialezekerheidsregeling van een lidstaat in strijd is met de artikelen 39 EG en 43 EG, wanneer de premies die van een verzekerde worden gevorderd niet resulteren in een extra sociale bescherming.(30) In casu stelt de verwijzende rechter dat tegenover de door Piatkowski verschuldigde premies over de rente geen verhoogde sociale bescherming staat, al betwijfelt hij of dit het vrije verkeer beperkt, aangezien van iedere verhoging van de premies volksverzekeringen kan worden gezegd dat tegenover deze verhoging geen aanvullende sociale bescherming staat.
42. Ik ben het ermee eens dat het simpele feit dat de premies van een verzekerde zijn gestegen omdat de betrokken lidstaat een bepaalde inkomstenbron in aanmerking neemt, op zichzelf geen belemmering is voor het vrije verkeer van werknemers. Zoals zowel de Nederlandse regering als de Commissie betogen, is, hoewel de premieheffing over de rente niet leidt tot een specifieke aanvullende sociale bescherming, aangezien Piatkowski reeds verzekerd is, van belang of tegenover het feit dat een persoon premieplichtig is, sociale bescherming staat. De omvang van de bescherming en de exacte berekeningswijze zijn niet relevant. De hiervóór aangehaalde rechtspraak(31) had betrekking op situaties waarin het feit dat werd bijgedragen aan de socialezekerheidsregeling van een bepaalde lidstaat de betrokken werknemers geen enkel recht gaf op sociale voorzieningen(32), extra sociale bescherming(33) of aanvullende sociale dekking.(34) In casu liggen mijns inziens de zaken anders. Door bij te dragen aan de Nederlandse regeling heeft Piatkowski recht op dekking in het kader van de Algemene Ouderdomswet, de Algemene Nabestaandenwet, de Algemene Kinderbijslagwet en de Algemene wet bijzondere ziektekosten.
43. Tot slot vraagt de verwijzende rechter of het verenigbaar is met het vrij verkeer van werknemers wanneer zowel Nederland als België premies voor de volksverzekeringen zou heffen over de rentebetaling. Aangezien uit de feiten echter duidelijk blijkt dat deze situatie zich in casu niet voordoet, lijkt het mij niet aangewezen dat het Hof zich over deze kwestie uitspreekt.
Conclusie
44. Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de door het Gerechtshof te ’s‑Hertogenbosch voorgelegde vraag te beantwoorden als volgt:
„Noch de artikelen 39 EG en 43 EG, noch artikel 14 quater, sub b, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, staan eraan in de weg dat een lidstaat premie voor de volksverzekeringen heft over rente-inkomsten die door een in die lidstaat gevestigde vennootschap zijn betaald aan een ingezetene van een andere lidstaat, op wie krachtens artikel 14 quater, sub b, in samenhang met bijlage VII, van verordening nr. 1408/71 gelijktijdig de socialezekerheidswetgeving van deze beide lidstaten van toepassing is.”
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149, blz. 2). De gewijzigde tekst van de verordening is te vinden in deel I van bijlage A bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 tot wijziging en bijwerking van verordening nr. 1408/71 (PB 1997, L 28, blz. 1). De bepalingen waar het in deze zaak om gaat, zijn per 25 juli 1998 wederom (zij het niet wezenlijk) gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1606/98 van 29 juni 1998 (PB L 209, blz. 1).
3 – Artikel 14, sub 2, van verordening nr. 1408/71.
4 – Artikel 14 bis, sub 2, van verordening nr. 1408/71.
5 – Artikel 14 quater, lid 1, sub a, van verordening nr. 1408/71.
6 – Artikel 6, lid 1, sub b, van de Algemene Ouderdomswet en de overeenkomstige bepalingen van de Algemene Nabestaandenwet, de Algemene Kinderbijslagwet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
7 – Artikel 6 van de Wet financiering volksverzekeringen.
8 – Artikelen 7 en 8 van de Wet financiering volksverzekeringen.
9 – Artikel 48, lid 3, van de Wet op de inkomstenbelasting.
10 – Artikel 49, lid 1, sub c, punten 1 en 4, van de Wet op de inkomstenbelasting.
11 – Zie punt 13 supra.
12 – Volgens de Commissie wordt rente op een schuldvordering in België beschouwd als inkomsten uit roerende goederen, en wordt er geen rekening mee gehouden bij de berekening van socialezekerheidspremies, die enkel zijn gebaseerd op het beroepsinkomen.
13 – Arresten van 30 januari 1997, De Jaeck (C-340/94, Jurispr. blz. I-461), en Hervein en Hervillier (C-221/95, Jurispr. blz. I-609; hierna: „Hervein I”), en arrest van 19 maart 2002, Hervein e.a. (C-393/99 en C-394/99, Jurispr. blz. I-2829; hierna: „Hervein II”).
14 – In De Jaeck Nederland en in Hervein I Frankrijk.
15 – Dat in essentie bepaalt dat op degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent en in een van deze lidstaten woont, de wetgeving van die lidstaat van toepassing is.
16 – Ingevoegd bij verordening (EEG) nr. 1390/81 van de Raad van 12 mei 1981 houdende uitbreiding van verordening (EEG) nr. 1408/71 tot zelfstandigen en hun gezinsleden (PB L 143, blz. 1).
17 – Zie voetnoot 16.
18 – Arrest De Jaeck, aangehaald in voetnoot 13, punt 40.
19 – Verordening (EEG) nr. 3811/86 van de Raad van 11 december 1986 tot wijziging van verordening (nr. 1408/71 (PB L 355, blz. 5).
20 – Aangehaald in voetnoot 13, punt 60.
21 – Punt 60, cursivering van mij.
22 – Zie arrest van 8 maart 2001, Commissie/Duitsland (C-68/99, Jurispr. blz. I-1865, punt 25).
23 – Arrest van 3 mei 1990, Kits van Heijningen (C-2/89, Jurispr. blz. I-1755, punt 19).
24 – Arrest van 26 januari 1999, Terhoeve (C-18/95, Jurispr. blz. I-345, punten 33-35).
25 – Arrest Terhoeve, aangehaald in voetnoot 24, punt 51.
26 – Arrest De Jaeck, aangehaald in voetnoot 13, punt 39.
27 – Arrest Commissie/Duitsland, aangehaald in voetnoot 22, punt 29.
28 – Arrest Hervein II, aangehaald in voetnoot 13, punt 52.
29 – Zie conclusie van advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer in de zaak Commissie/Duitsland, aangehaald in voetnoot 22, punt 27, en aldaar aangehaalde rechtspraak.
30 – Arrest Hervein II, aangehaald in voetnoot 13, punt 64, en aldaar aangehaalde rechtspraak.
31 – Zie voetnoot 30.
32 – Arrest van 23 februari 1982, Seco (62/81 en 63/81, Jurispr. blz. 223, punt 7).
33 – Arrest van 15 januari 1996, Kemmler (C-53/95, Jurispr. blz. I-703, punt 13).
34 – Arrest Hervein II, aangehaald in voetnoot 13, punt 64.
Full & Egal Universal Law Academy