CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. KOKOTT
van 11 januari 2007 (1)
Zaak C‑507/04
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Republiek Oostenrijk
„Behoud van de vogelstand – Omzetting van richtlijn 79/409”
I – Inleiding
1. In de onderhavige niet-nakomingsprocedure verwijt de Commissie Oostenrijk dat een aantal bepalingen van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand(2) in verschillende deelstaten niet juist is uitgevoerd.
2. De procedure is bij schriftelijke aanmaning van 13 april 2000 ingeleid en bij met redenen omkleed advies van 17 oktober 2003 voortgezet. Het onderhavige beroep is door de Commissie op 8 december 2004 ingesteld.
3. Oostenrijk heeft zijn wetgeving in de loop van de procedure op verschillende punten gewijzigd. Thans verzoekt de Commissie het Hof:
1) vast te stellen dat de Republiek Oostenrijk, door artikel 1, leden 1 en 2, artikel 5, artikel 6, lid 1, artikel 7, leden 1 en 4, artikel 8, artikel 9, leden 1 en 2, en artikel 11 van de vogelrichtlijn niet volledig respectievelijk niet juist in Oostenrijks recht te hebben omgezet, haar verplichting tot juiste respectievelijk volledige uitvoerlegging van die richtlijn niet is nagekomen;
2) de Republiek Oostenrijk te verwijzen in de kosten.
4. De Republiek Oostenrijk verzoekt het Hof:
1) het onderhavige beroep ongegrond te verklaren, in elk geval voor zover het Oostenrijkse recht inmiddels is aangepast;
2) de Commissie te verwijzen in de kosten.
II – Beoordeling
5. Het beroep dient te worden beoordeeld in het licht van de rechtssituatie bij het verstrijken van de door de Commissie in haar met redenen omkleed advies gestelde termijn. Aangezien dit advies op 17 oktober 2003 bij de Permanente Vertegenwoordiging van Oostenrijk is binnengekomen, is het relevante tijdstip 17 december 2003.
A – Gedeeltelijke erkenning van de middelen
6. Oostenrijk betwist niet dat artikel 1, leden 1 en 2, in Kärnten, Niederösterreich en Steiermark, artikel 5 in Niederösterreich en Steiermark, artikel 7, lid 1, in Niederösterreich en de artikelen 7, lid 4, en 9, in Steiermark niet naar behoren zijn uitgevoerd, maar heeft wel toegezegd, zijn wetgeving te zullen aanpassen. Aangezien deze aanpassing bij het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn nog niet had plaatsgevonden, is de niet-nakoming hiermee in zoverre een feit.
B – Artikel 1 van de vogelrichtlijn
7. Artikel 1 van de vogelrichtlijn legt de werkingssfeer, dat wil zeggen de met de richtlijn nagestreefde omvang van de bescherming vast. Het Hof heeft reeds vastgesteld dat deze bepaling in nationaal recht moet worden omgezet.(3) De leden 1 en 2 ervan bepalen het volgende:
„1. Deze richtlijn heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. Zij betreft de bescherming, het beheer en de regulering van deze soorten en stelt regels voor de exploitatie daarvan.
2. Deze richtlijn is van toepassing op vogels, hun eieren, hun nesten en hun leefgebieden.”
1. Burgenland
8. Met betrekking tot Burgenland laakt de Commissie dat volgens § 16, lid 1, sub b, van het Burgenländisches Naturschutz- und Landschaftspflegegesetz (wet op de natuurbescherming en landschapsbeheer in Burgenland) „alle overige in het wild levende vogelsoorten met uitzondering van de spreeuw (Sturnus vulgaris) overeenkomstig § 88 a van het Burgenländisches Jagdgesetz (wet op de jacht in Burgenland) [...] beschermd” zijn. Een andere algemene bepaling ter bescherming van de spreeuw is niet aangevoerd.
9. Met betrekking tot de uitvoering verwijst Oostenrijk uitsluitend naar bepalingen van het jachtrecht, die behelzen dat de jacht op spreeuwen alleen in de periode van 15 juli tot en met 30 november met het oog op de bescherming van de wijnbouw kan worden toegestaan. Hiervoor is een verordening op basis van § 88 a, lid 1, van het Burgenländisches Jagdgesetz (wet op de jacht in Burgenland) vereist, die kan worden vastgesteld wanneer een massaal optreden van spreeuwen in wijnbouwgebieden moet worden verwacht.
10. Los van de vraag of deze bepalingen verenigbaar zijn met artikel 9, lid 1, sub a, derde gedachtestreepje, van de vogelrichtlijn, zoals door Oostenrijk wordt gesteld(4), kunnen zij in elk geval niet rechtvaardigen dat de spreeuw in het geheel niet onder bescherming wordt geplaatst. Niet alleen met betrekking tot de in artikel 7 geregelde jacht, maar ook met het oog op andere storingen in de zin van artikel 5 is het belangrijk dat alle vogels in de zin van artikel 1 in aanmerking worden genomen.
11. Dit betekent dat artikel 1 van de vogelrichtlijn in Burgenland niet juist is omgezet.
2. Oberösterreich
12. In Oberösterreich wordt de categorie van de te beschermen vogels gedefinieerd door een op basis van § 27, leden 1 en 2, van het Oberösterreichisches Naturschutz- und Landschaftsschutzgesetz (wet op de natuurbescherming en landschapsbeheer in Oberösterreich) vastgestelde Artenschutzverordnung (verordening inzake de bescherming voor de soorten). Voor bescherming komen in aanmerking in het wild levende, niet jaagbare dieren „voor zover de betrokken soort in het inheemse landschap zelden voorkomt of het bestand ervan bedreigd is of voor zover de instandhouding ervan om ecologische redenen van openbaar belang is”.
13. De Commissie stelt dat deze rechtsgrondslag niet de bescherming van alle onder artikel 1 van de vogelrichtlijn vallende vogelsoorten waarborgt. In het bijzonder de ekster (Pica pica), de Vlaamse gaai (Garrulus glandarius), de zwarte kraai (Corvus corone corone) en de bonte kraai (Corvus corone cornix) behoren uitdrukkelijk niet tot de beschermde vogelsoorten.
14. Aangaande het bezwaar met betrekking tot de rechtsgrondslag betoogt Oostenrijk dat § 27, leden 1 en 2, van het Oberösterreichisches Naturschutz- und Landschaftsschutzgesetz (wet op de natuurbescherming en landschapsbeheer in Oberösterreich) in overeenstemming met de vogelrichtlijn moet worden uitgelegd en toegepast en dat met name uitdrukkelijk is vastgelegd dat de artikelen 5, 6, 7 en 9 van die richtlijn ervan moeten worden geëerbiedigd.
15. Aan de omzetting van een richtlijn moeten echter hogere eisen worden gesteld. Deze dient namelijk te waarborgen dat een ieder die het recht toepast de uitvoeringsbepalingen toepast op de door de richtlijn voorgeschreven wijze, zelfs al kent hij deze richtlijn niet. Volgens vaste rechtspraak kan de enkele uitvoering conform de richtlijn door de nationale instanties niet de helderheid en nauwkeurigheid hebben die met het oog op de rechtszekerheid noodzakelijk zijn.(5) Ook kunnen eenvoudige administratieve praktijken, die naar hun aard volgens goeddunken van de administratie kunnen worden gewijzigd en waaraan onvoldoende bekendheid is gegeven, niet worden beschouwd als een correcte uitvoering van de verplichtingen die het gemeenschapsrecht oplegt.(6) De nauwkeurigheid van de omzetting is bovendien van bijzonder belang wanneer de vogelrichtlijn in geding is, aangezien het beheer van het gemeenschappelijk patrimonium wordt toevertrouwd aan de lidstaten voor hun respectieve grondgebied.(7)
16. In casu waarborgen de bewoordingen van § 27, leden 1 en 2, van het Oberösterreichisches Naturschutz- und Landschaftsschutzgesetz (wet op de natuurbescherming en landschapsbeheer in Oberösterreich) geen volledige uitvoering van artikel 1 van de vogelrichtlijn, aangezien jaagbare vogels niet onder een verordening inzake soortenbescherming kunnen vallen, alhoewel zij volgens de richtlijn bescherming genieten. Bovendien kunnen alleen zeldzame soorten worden beschermd. Ook deze beperking is onverenigbaar met artikel 1 van de vogelrichtlijn. De verwijzing naar de artikelen 5, 6, 7 en 9 kan deze leemten niet aanvullen, aangezien artikel 1 ontbreekt.
17. Problematisch is overigens ook dat Oostenrijk wellicht alleen inheemse soorten wil beschermen, alhoewel dit niet dwingend uit § 27 voortvloeit. Het Hof heeft reeds vastgesteld dat de vogelrichtlijn in elke lidstaat alle in het wild levende vogelsoorten beschermt die op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is, leven. Dit betreft zowel de blijvend in de betrokken lidstaat levende soorten als soorten die slechts in andere lidstaten voorkomen.(8) Verschillen bestaan uitsluitend ten aanzien van de beschermingsbepalingen die per geval moeten worden toegepast.
18. De Commissie bekritiseert daarnaast terecht dat bepaalde soorten, namelijk de ekster, de Vlaamse gaai en de zwarte en de bonte kraai niet worden beschermd. Ook deze soorten vallen onder artikel 1 van de vogelrichtlijn.
19. Dit betekent dat artikel 1 van de vogelrichtlijn ook in Oberösterreich niet juist is uitgevoerd.
C – Artikel 5 van de vogelrichtlijn
20. Artikel 5 bepaalt:
„Onverminderd de artikelen 7 en 9 nemen de lidstaten de nodige maatregelen voor de invoering van een algemene regeling voor de bescherming van alle in artikel 1 bedoelde vogelsoorten; deze maatregelen omvatten met name de volgende verbodsbepalingen:
a) een verbod om, ongeacht de gebruikte methode, opzettelijk de bedoelde vogels te doden of te vangen;
b) een verbod om opzettelijk hun nesten en eieren te vernielen of te beschadigen of hun nesten weg te nemen;
c) een verbod om in de natuur eieren van deze vogels te rapen en deze – zelfs leeg – in bezit te hebben;
d) een verbod om deze vogels, met name gedurende de broedperiode, opzettelijk te storen, voor zover een dergelijke storing, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn, van wezenlijke invloed is;
e) een verbod om vogels te houden van soorten die niet mogen worden bejaagd of gevangen.”
1. Burgenland
a) Bescherming van de spreeuw
21. Met betrekking tot Burgenland bekritiseert de Commissie de reeds vermelde ontoereikende bescherming van de spreeuw door § 16, lid 1, sub b, van het Burgenländisches Naturschutz- und Landschaftspflegegesetz juncto § 88 a, leden 1 en 2, van het Burgenländisches Jagdgesetz(9) en stelt zij schending van artikel 5 van de vogelrichtlijn. Aangezien de spreeuw, zoals ik reeds heb vastgesteld, in strijd met artikel 1 van de vogelrichtlijn is uitgesloten van bescherming, wordt tegelijkertijd artikel 5 van die richtlijn geschonden, aangezien de bescherming uit hoofde van dit artikel betrekking heeft op alle onder artikel 1 vallende vogelsoorten.
22. Een afwijking van artikel 5 van de vogelrichtlijn kan in beginsel worden gerechtvaardigd door artikel 9, lid 1, indien één van de daarin genoemde redenen aanwezig is en er geen andere bevredigende oplossing bestaat. Met betrekking tot de spreeuw wordt gesteld dat deze in de wijnbouw aanzienlijke schade kan veroorzaken. Deze reden kan onder bepaalde omstandigheden afwijkingen van artikel 5 rechtvaardigen.(10) Dit betekent echter niet dat de spreeuw volledig van bescherming mag worden uitgesloten, zoals in casu het geval is. Er is immers uitgesloten dat deze soort op elk moment en onafhankelijk van de grootte van de populatie aanzienlijke schade veroorzaakt. Derhalve is het verwijt van schending van artikel 5 met betrekking tot de spreeuw gegrond.
b) Bescherming van nesten
23. De Commissie bekritiseert bovendien dat de Burgenländische Artenschutzverordnung (verordening inzake de bescherming van soorten van Burgenland) in strijd met de artikelen 5 en 9 van de vogelrichtlijn ook met betrekking tot opzettelijke aantastingen van broed‑, parings‑, rust‑ en overwinteringsplaatsen van beschermde soorten een algemene uitzondering creëert. Dit volgt haars inziens uit § 6 van voornoemde verordening, die bepaalt dat haar bepalingen geen gevolgen hebben voor de rechtmatige uitoefening van de jacht en de visserij.
24. Oostenrijk brengt hiertegen in dat de bescherming van de soorten in al hun ontwikkelingsvormen ondanks de regeling van § 6 van de Burgenländische Artenschutzverordnung wordt gewaarborgd door de §§ 16 tot en met 16 b van het Burgenländische Naturschutz- und Landschaftspflegegesetz.
25. Feitelijk mogen vogels – met uitzondering van spreeuwen – volgens § 16, leden 1 en 4, eerste zin, van het Burgenländische Naturschutz- und Landschaftspflegegesetz in al hun ontwikkelingsvormen niet worden vervolgd, noch verstoord, gevangen, vervoerd, gehouden, verwond, gedood, bewaard, uit het nest gehaald of geschaad. Alhoewel nesten en eieren niet uitdrukkelijk worden genoemd, lijken de verboden van artikel 5 van de vogelrichtlijn daardoor principieel te zijn uitgevoerd. De in Burgenland geldende verboden zijn ten dele zelfs strenger, aangezien zij zich niet tot opzettelijke handelingen beperken.
26. De wetgever van Burgenland ging echter ervan uit dat in het bijzonder met betrekking tot de krachtens artikel 5, sub b, van de vogelrichtlijn te beschermen nesten een bijkomende regeling noodzakelijk is. Volgens § 16, lid 2, sub d, van het Burgenländische Naturschutz- und Landschaftspflegegesetz moet de deelstaatregering namelijk in een verordening de diersoorten opsommen ten aanzien waarvan het verboden is de nesten, de standplaatsen ervan evenals de balts‑, parings‑, rust‑ en overwinteringsplaatsen (bomen met horsten of holle bomen, broedrotsen en ‑wanden, rietgordels, grondnesten en dergelijke) te verwijderen, aan te tasten of te vernietigen. Hieruit kan a contrario worden geconcludeerd dat de algemene verboden van § 16, lid 4, van het Burgenländische Naturschutz- und Landschaftspflegegesetz (wet op de natuurbescherming en landschapsbeheer van Burgenland) deze vormen van aantasting niet bestrijken, alhoewel het overgrote deel ervan in strijd is met artikel 5 van de vogelrichtlijn. Het recht van Burgenland is dus in zoverre voor misverstanden vatbaar.
27. Deze gebrekkige omzetting wordt door de bepalingen van de Burgenländische Artenschutzverordnung niet gecompenseerd. Hierin worden namelijk niet alle te beschermen vogelsoorten vermeld, maar slechts een klein aantal meer in het bijzonder bedreigde soorten (in § 2). Derhalve moet worden gevreesd dat de nesten van andere soorten niet beschermd worden. Bovendien is de verordening, zoals de Commissie terecht benadrukt, volgens § 6 ervan niet van toepassing op de uitoefening van de jacht en de visserij. Jagers en vissers zouden dit als een vrijbrief voor de aantasting van nesten kunnen opvatten.
28. Aangezien Oostenrijk geen rechtvaardiging voor deze regelingen aanvoert, zijn de argumenten van de Commissie betreffende de onverenigbaarheid met artikel 9 van de vogelrichtlijn hier irrelevant.
29. Het beroep is derhalve ook wat dit aspect betreft gegrond.
2. Kärnten
30. Met betrekking tot Kärnten bekritiseert de Commissie dat bijlage I van de in die deelstaat geldende Tierartenschutzverordnung (verordening inzake de bescherming van diersoorten) bepaalde vogelsoorten [zwarte kraai, bonte kraai, Vlaamse gaai, kauw (Corvus monedula), ekster en huismus (Passer domesticus)] in strijd met de vogelrichtlijn niet tot de „volledig beschermde diersoorten” rekent.
31. Deze omstandigheid wordt door de Commissie reeds als reden voor ontoereikende uitvoering van artikel 1 van de vogelrichtlijn aangevoerd en zij wordt door Oostenrijk niet tegengesproken.(11) Zoals ik reeds heb toegelicht, impliceert het feit dat bepaalde onder artikel 1 van de vogelrichtlijn vallende vogelsoorten niet worden beschermd, tegelijkertijd schending van artikel 5 van die richtlijn, aangezien dit uitdrukkelijk op alle onder artikel 1 vallende vogelsoorten betrekking heeft.(12)
32. De Commissie vermeldt weliswaar ook de verwilderde huisduif (Columba livia), maar heeft in de inleiding van haar beroep duidelijk gemaakt dat deze soort haars inziens (in Oostenrijk) niet binnen de werkingssfeer van de vogelrichtlijn valt. Aangezien het beroep op dit punt tegenstrijdig is, voldoet het in zoverre niet aan artikel 38, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering en is het met betrekking tot de verwilderde huisduif niet-ontvankelijk.(13)
33. De Commissie bekritiseert bovendien dat § 68, lid 1, punt 19, van het Kärntner Jagdgesetz (wet op de jacht in Kärnten) voor vederwild dat onder het jachtrecht valt de in artikel 5, sub a en e, van de vogelrichtlijn neergelegde verboden op het opzettelijk doden of vangen respectievelijk het houden van de in artikel 1 bedoelde vogelsoorten niet uitvoert. Deze bepaling verbiedt alleen het beschadigen van nesten. De door Oostenrijk aangevoerde bepalingen, § 68, lid 1, punt 19, en § 51, lid 4 a, van het Kärntner Jagdgesetz bevatten evenmin adequate omzettingsbepalingen.
34. Het beroep van de Commissie is derhalve, afgezien van de niet-ontvankelijke grief betreffende de verwilderde huisduif, ook op dit punt gegrond.
3. Oberösterreich
35. De Commissie bekritiseert om te beginnen dat de in § 27, lid 1, van het Oberösterreichisches Natur- und Landschaftsschutzgesetz neergelegde verordeningsbevoegdheid zich tot inheemse soorten beperkt. Hierin is bepaald dat „[...] in het wild levende niet jaagbare dieren [...] bij verordening van de deelstaatregering [kunnen] worden beschermd voor zover de betrokken soort in het inheemse landschap zelden voorkomt of het bestand ervan bedreigd is of voor zover de instandhouding ervan van openbaar belang is [...]”. Bovendien laakt de Commissie dat § 5, lid 1, van de Oberösterreichische Artenschutzverordnung de ekster, de Vlaamse gaai alsook de zwarte en de bonte kraai niet tot de beschermde vogelsoorten rekent.
36. De grief van de Commissie beperkt zich met betrekking tot Oberösterreich dus tot het feit dat niet alle soorten de krachtens de vogelrichtlijn vereiste bescherming genieten. In dit verband heb ik reeds vastgesteld dat noch § 27 van het Oberösterreichisches Natur- und Landschaftsschutzgesetz, noch § 5, lid 1, van de Oberösterreichische Artenschutzverordnung een adequate bescherming van de in artikel 1 van de vogelrichtlijn bedoelde vogelsoorten waarborgen. Dit impliceert tegelijkertijd schending van artikel 5 van de vogelrichtlijn, dat met betrekking tot de beschermde soorten dezelfde draagwijdte heeft als artikel 1 ervan.(14)
D – Artikel 6, lid 1, van de vogelrichtlijn
37. Artikel 6, lid 1, van de vogelrichtlijn verbiedt de handel in de onder artikel 1 vallende vogelsoorten:
„Onverminderd het bepaalde in de leden 2 en 3 verbieden de lidstaten voor alle in artikel 1 bedoelde vogelsoorten de verkoop, het vervoer voor verkoop en het in bezit hebben voor verkoop alsmede het ten verkoop aanbieden van levende en dode vogels alsmede van gemakkelijk herkenbare delen van deze vogels of op uit deze vogels verkregen producten.”
38. Bijlage III, delen 1 en 2, vermeldt een aantal soorten waarvoor het verkoopverbod onder bepaalde omstandigheden niet geldt.
39. De Commissie bekritiseert dat dit verbod voor de ekster, de Vlaamse gaai, de zwarte en de bonte kraai in Oberösterreich niet is omgezet. Oostenrijk stelt daarentegen dat deze vogelsoorten slechts per abuis niet op de lijst van de in Oostenrijk jaagbare vogels in bijlage II bij de vogelrichtlijn zijn opgenomen. Dit argument snijdt met betrekking tot de onderhavige grief echter geen hout, aangezien de mogelijkheid om op de betrokken vogels te jagen niet automatisch een uitzondering op het verkoopverbod met zich meebrengt.
40. Ook ten aanzien van dit aspect is het beroep dus gegrond.
E – Artikel 7, lid 1, van de vogelrichtlijn
41. Artikel 7, lid 1, eerste zin, van de vogelrichtlijn regelt op welke vogelsoorten mag worden gejaagd:
„Op de in bijlage II vermelde soorten mag, vanwege hun populatieniveau, hun geografische verspreiding en de omvang van hun voortplanting in de hele Gemeenschap, worden gejaagd volgens de bepalingen van de nationale jachtwetgeving.”
1. Kärnten
42. De Commissie bekritiseert dat § 9, lid 2, van de verordening tot uitvoering van het Kärntner Jagdgesetz voor de kraai (bedoeld worden de zwarte en de bonte kraai), de Vlaamse gaai en de ekster nog steeds in een jachtseizoen voorziet, alhoewel dit geen jaagbare soorten in de zin van bijlage II van de vogelrichtlijn zijn.
43. Oostenrijk stelt ook in dit opzicht dat bijlage II bij de vogelrichtlijn met betrekking tot Oostenrijk onvolledig is en dat Oostenrijk zou moeten worden opgenomen op de lijst van landen waarin op kraaiachtigen mag worden gejaagd. Oostenrijk heeft derhalve bij de Commissie een verzoek ingediend om een dienovereenkomstige wijziging van bijlage II.
44. Voor de beoordeling van de onderhavige procedure speelt echter uitsluitend de vraag een rol welke inhoud bijlage II had op het relevante tijdstip, dat wil zeggen bij het verstrijken van de in de met het redenen omkleed advies gestelde termijn. Aangezien de genoemde vogelsoorten in die periode volgens bijlage II bij de vogelrichtlijn niet tot de soorten behoorden waarop in Oostenrijk mocht worden gejaagd, mocht die deelstaat hiervoor ook geen jachtseizoen vaststellen. Artikel 7, lid 1, van de vogelrichtlijn is in Kärnten dus niet juist uitgevoerd.
2. Oberösterreich
45. Met betrekking tot Oberösterreich geldt hetzelfde als met betrekking tot Kärnten. Ook in zoverre is het beroep van de Commissie derhalve gegrond.
F – Artikel 7, lid 4, van de vogelrichtlijn
46. Artikel 7, lid 4, tweede en derde zin, van de vogelrichtlijn regelt de duur van de sluiting van de jacht:
„Zij [de lidstaten] zien er in het bijzonder op toe dat soorten waarop de jachtwetgeving van toepassing is, niet worden bejaagd zolang de jonge vogels het nest nog niet hebben verlaten of gedurende de verschillende fasen van de broedperiode. Ten aanzien van trekvogels zien zij er met name op toe dat de soorten waarop de jachtwetgeving van toepassing is, niet worden bejaagd tijdens de broedperiode noch tijdens de trek naar hun nestplaatsen.”
47. De Commissie stelt ten aanzien van alle hieronder genoemde deelstaten dat de data van sluiting van de jacht voor bepaalde soorten afwijken van de volgens artikel 7, lid 4, tweede en derde zin, vereiste periodes, voor zover de jachtperiodes de nest‑ en broedperiodes overlappen zonder dat dit in de zin van artikel 9 van de vogelrichtlijn gerechtvaardigd is.
1. Algemene kwesties
48. Alvorens de situatie in de afzonderlijke deelstaten te beoordelen, ga ik in op een aantal algemene kwesties die losstaan van de concrete regeling. Het gaat hierbij enerzijds om de bewijzen ter onderbouwing van de door de Commissie genoemde data van sluiting van de jacht, en anderzijds om de jacht op het auerhoen (Tetrao urogallus), het korhoen (Tetrao tetrix), de hybride auerhoen x korhoen (Tetrao tetrix x Tetrao urogallus) en de houtsnip (Scolopax rusticola). Met betrekking tot deze soorten argumenteert Oostenrijk dat de baltsperiode niet moet worden beschouwd als deel van de periode waarin de jacht gesloten is, en dat de jacht gedurende de baltsperiode in elk geval volgens artikel 9 van de vogelrichtlijn gerechtvaardigd is.(15)
a) De wetenschappelijke bewijzen ter onderbouwing van de data van sluiting van de jacht
49. De Commissie vermeldt weliswaar in alle gevallen concrete data voor de sluiting van de jacht op de betrokken soorten, maar noemt geen bron voor deze gegevens.(16) Hieruit zou reeds kunnen worden afgeleid dat zij haar argumentatie onvoldoende onderbouwd heeft. Het is echter juister ervan uit te gaan dat verzoekster, door de betrokken data aan te geven, aan haar bewijslast heeft voldaan voor zover deze data niet worden betwist.
50. In geval van betwisting moeten ter staving wetenschappelijke onderzoeksresultaten worden voorgelegd, die de lidstaat in voorkomend geval moet kunnen ontkrachten.(17)
b) Jacht gedurende de baltsperiode
51. Partijen twisten over de vraag of de jacht volgens artikel 7, lid 4, tweede zin, van de vogelrichtlijn tijdens de baltsperiode moet worden gesloten. Dit meningsverschil is, althans ten dele, te wijten aan verschillen tussen de taalversies.
52. Volgens de Duitse versie van artikel 7, lid 4, tweede zin, van de vogelrichtlijn moet de jacht gedurende de nestperiode en de verschillende fasen van de broedtijd worden gesloten. Ook de Nederlandse en de Deense versie hebben blijkbaar net als de Duitse versie uitdrukkelijk betrekking op de broedperiode. De baltstijd maakt geen deel uit van de broedperiode, maar gaat hieraan, wanneer men onder dit begrip uitsluitend het bebroeden van de eieren begrijpt, in elk geval vooraf. Oostenrijk leidt hieruit af dat de jacht tijdens de baltsperiode van het korhoen, het auerhoen en de houtsnip niet behoeft te worden gesloten.
53. De Commissie is daarentegen van mening dat algemeen erkend wordt dat de baltsperiode deel uitmaakt van de voortplantingsperiode en dus ook van de broedperiode. De drie andere oorspronkelijke taalversies van de vogelrichtlijn geven haar hierin gelijk. De Engelse, de Franse en de Italiaanse versie bezigen niet het begrip broeden, maar het bredere begrip „reproductie”. Ook de balts is een noodzakelijk bestanddeel van de reproductie.
54. Tegen deze achtergrond is niet uitgesloten dat het begrip broeden in de Duitse, de Nederlandse en de Deense versie eveneens moet worden begrepen in de zin van reproductie, waartoe ook de balts behoort.
55. Een dergelijke ruime benadering van de sluiting van de jacht komt ook overeen met het door het Hof erkende doel van de richtlijn, die beoogt een volledig stelsel van bescherming te garanderen gedurende de perioden waarin de in het wild levende vogels in het bijzonder in hun voortbestaan worden bedreigd.(18) Er moet namelijk van worden uitgegaan dat iedere ingreep gedurende de voor de reproductie relevante periode negatieve gevolgen kan hebben voor de voortplanting. De baltsperiode maakt derhalve deel uit van de periode waarin de jacht volgens artikel 7, lid 4, tweede zin, van de vogelrichtlijn in beginsel verboden is.
56. Het door Oostenrijk voorgelegde advies impliceert echter ook dat de baltsperiode die de Commissie voor de reproductie relevant acht, te lang is. Met betrekking tot de data voor het auerhoen, het korhoen en de houtsnip gaat de Commissie blijkbaar uit van het tijdstip waarop de hennen op de baltsplaats aankomen.(19) Op dit tijdstip zijn de meeste hennen volgens het door Oostenrijk voorgelegde advies echter nog lang niet in staat eieren te produceren.(20)
57. Uit het beginsel van volledige bescherming volgt evenwel dat het niet erop aankomt of de meeste hennen bereid zijn tot reproductie. Het is voldoende dat de balts slechts met betrekking tot een deel van de populatie van een vogelsoort tot de reproductiefase behoort.(21)
58. De argumenten van Oostenrijk betreffende de baltsperiode kunnen de gegevens van de Commissie betreffende de sluiting van de jacht op het auerhoen, het korhoen en de houtsnip dus niet ontkrachten.
c) De rechtvaardiging van de jacht gedurende de baltsperiode
59. Artikel 9 biedt echter de mogelijkheid om wanneer aan de hierin genoemde voorwaarden is voldaan, de jacht op de in bijlage II vermelde soorten gedurende de in artikel 7, lid 4, van de richtlijn genoemde periodes toe te staan.(22) Doorslaggevend zijn de eerste twee leden van artikel 9:
„1. De lidstaten mogen, indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat, om onderstaande redenen afwijken van de artikelen 5, 6, 7 en 8:
a) – in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid,
– in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer,
– ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren,
– ter bescherming van flora en fauna;
b) voor doeleinden in verband met onderzoek en onderwijs, het uitzetten en herinvoeren van soorten en voor de met deze doeleinden samenhangende teelt;
c) ten einde het vangen, het houden of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.
2. In de afwijkende bepalingen moet worden vermeld:
– voor welke soorten mag worden afgeweken,
– welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan,
– onder welke voorwaarden met betrekking tot het risico en onder welke omstandigheden van tijd en van plaats deze afwijkende maatregelen mogen worden genomen,
– welke autoriteit bevoegd is te verklaren dat aan die voorwaarden is voldaan, en te beslissen welke middelen, installaties of methoden mogen worden aangewend, binnen welke grenzen en door welke personen,
– welke controles zullen worden uitgevoerd.”
60. Artikel 9 van de vogelrichtlijn is een uitzonderingsbepaling, die strikt moet worden uitgelegd. Voor elke afwijking moet de autoriteit die het besluit daartoe neemt, bewijzen dat aan de gestelde voorwaarden is voldaan.(23) Derhalve dient Oostenrijk in de onderhavige procedure aan te tonen in hoeverre aan de voorwaarden van artikel 9 van de vogelrichtlijn is voldaan.(24)
61. Oostenrijk voert in het bijzonder aan dat het toestaan van de jacht op de betrokken soorten het belang van de jagers bij de instandhouding van die soorten bevordert. Dit is wederom noodzakelijk omdat de betrokken bestanden zonder intensief beheer van hun habitats achteruit zouden gaan. In dit verband heeft Oostenrijk kennelijk de in artikel 9, lid 1, sub a, vierde gedachtestreepje, van de vogelrichtlijn voorziene mogelijkheid van een afwijking ter bescherming van flora en fauna in gedachten. Artikel 9 is echter slechts van toepassing wanneer geen andere bevredigende oplossing bestaat.(25) De bescherming van de habitats van deze soorten kan evenwel ongetwijfeld ook los van de jacht worden gewaarborgd(26), waartoe de lidstaten overigens volgens artikel 4 ook verplicht zijn(27), en zulks zowel binnen als buiten de bijzondere beschermingsgebieden voor vogels.(28)
62. Voorts is het de vraag of de jachttijden als afwijkingen van artikel 9, lid 1, sub c, van de vogelrichtlijn kunnen worden gerechtvaardigd ten einde selectief en onder streng gecontroleerde omstandigheden een zinvol gebruik van bepaalde vogelsoorten in kleine hoeveelheden mogelijk te maken. Ook voor deze mogelijke afwijking geldt dat er geen andere bevredigende oplossing mag bestaan.
63. Volgens vaste rechtspraak bestaat er een bevredigend alternatief voor de jacht gedurende de periodes waarin de richtlijn een bijzondere bescherming wil bieden, wanneer de jacht op de betrokken vogelsoort in het desbetreffende gebied mogelijk is tijdens de periodes waarin de jacht niet gesloten is. In dat geval zou de uitzondering alleen tot doel hebben, de jachtperiode de verlengen.(29)
64. Tot dusver is het Hof ervan uitgegaan dat er een andere bevredigende oplossing bestaat wanneer een „niet te verwaarlozen hoeveelheid” respectievelijk „zekere hoeveelheden” vogels van de betrokken soort zich aan het begin van de herfst in de lentejachtgebieden ophouden.(30) Het Hof neemt hierbij op de koop toe dat in de herfst duidelijk minder exemplaren van de soort in het jachtgebied verblijven.(31) Slechts wanneer de soort in de periodes dat de jacht niet gesloten is, zich geheel niet in het gebied ophoudt, acht het Hof een afwijking van artikel 7, lid 4, van de vogelrichtlijn gerechtvaardigd.(32)
65. Oostenrijk erkent dat de betrokken soorten ook gedurende de jachtseizoenen in het land verblijven, maar stelt dat de jacht in die periodes niet of slechts bij hoge uitzondering mogelijk is. Wanneer in de bergen veel sneeuw ligt, is de jacht met honden niet mogelijk. Gedood of aangeschoten wild kan slechts met grote moeite respectievelijk in het geheel niet worden gelokaliseerd.
66. Deze argumentatie staat echter in tegenstelling tot het door Oostenrijk zelf voorgelegde advies, volgens hetwelk de herfstjacht op het auerhoen en het korhoen mogelijk is, zij het dat de omstandigheden, vooral wat de maatregelen tot instandhouding van de populatie betreft, minder gunstig zijn.(33) Met betrekking tot de houtsnip staat kennelijk zelfs vast dat de herfstjacht mogelijk is.(34) Derhalve kan ervan worden uitgegaan dat de herfstjacht op deze soorten mogelijk is.
67. Deze argumentatie van Oostenrijk verschilt echter van de vorige gevallen voor zover het ontbreken van een andere bevredigende oplossing ook wordt gemotiveerd met het feit dat de lentejacht selectiever is dan de herfstjacht. De jagers kunnen zich namelijk ertoe beperken individuele – niet dominante – hanen te doden die bij het auerhoen en het korhoen geen bijdrage tot de reproductie van de soort leveren. Bij de polygame houtsnip worden de gedode hanen bij de voortplanting door andere hanen vervangen. In de herfst en de winter kan dit niet worden gewaarborgd. Het gaat er dus niet alleen om, de jachtmogelijkheden uit te breiden. Het streven is ook, de jacht uit te oefenen op een wijze die de bestanden in sterkere mate spaart.
68. Volgens de Commissie is dit aspect met het oog op de toepassing van artikel 9 van de vogelrichtlijn irrelevant. Daarvan ben ik echter niet overtuigd. Indien de lentejacht op hanen de populaties van de betrokken soorten daadwerkelijk meer spaart dan de herfstjacht, hetgeen de Commissie niet betwist, dan dient gezien de doelstellingen van de vogelrichtlijn aan deze vorm van de jacht de voorkeur te worden gegeven. Dit betekent dat een andere bevredigende mogelijkheid dan de jacht gedurende de balts kan ontbreken wanneer de andere vormen van de jacht schadelijker zijn.
69. Dit is echter slechts dan het geval wanneer tegelijkertijd wordt afgezien van de minder selectieve jacht gedurende de periodes waarin de jacht volgens de vogelrichtlijn is toegestaan. Anders zou de selectievere jacht namelijk alleen een bijkomende belasting van de populaties tot gevolg hebben, waarop dan langer zou mogen worden gejaagd.
70. In hoeverre dit in de afzonderlijke Oostenrijkse deelstaten gewaarborgd is en of is voldaan aan de overige voorwaarden voor een afwijking in de zin van artikel 9 van de vogelrichtlijn, kan alleen aan de hand van de concrete regelingen van die deelstaten worden beoordeeld.
2. De afzonderlijke deelstaten
a) Burgenland
71. Met betrekking tot Burgenland bekritiseert de Commissie dat § 88 b, lid 2, van het Burgenländisches Jagdgesetz de jacht op de houtsnip tijdens de baltsvlucht (zogenoemde „schnepfenstrich”) van 1 maart tot en met 15 april toestaat, alhoewel op deze soort slechts van 11 september tot en met 19 februari mag worden gejaagd. In Burgenland is tevens de herfstjacht op deze soort toegestaan. Bovendien zijn de in § 76, lid 1, punten 13 en 16, van de Burgenländische Jagdverordnung (jachtverordening van Burgenland) vastgelegde sluitingsperiodes van de jacht voor de houtduif (Columba palumbus) (16 april tot en met 31 juli in plaats van 1 februari tot en met 31 augustus), de Turkse tortel (Streptopelia decaocto) (16 april tot en met 31 juli in plaats van 1 maart tot en met 20 oktober), de tortelduif (Streptopelia turtur) (1 november tot en met 31 juli in plaats van 11 april tot en met 31 augustus) en de houtsnip (1 januari tot en met 28 februari en 16 april tot en met 30 september in plaats van 20 februari tot en met 10 september) te kort.
72. Oostenrijk stelt van zijn kant onder meer dat bij de vaststelling van de data van sluiting van de jacht in § 76 van de Burgenländische Jagdverordnung (jachtverordening van Burgenland) de klimaatsomstandigheden in Oostenrijk in aanmerking zijn genomen. Dit is het enige geval waarin Oostenrijk los van de reeds aan de orde gestelde vraag of de jacht volgens artikel 7, lid 4, tweede zin, van de vogelrichtlijn ook tijdens de balts gesloten is, de juistheid van de door de Commissie aangevoerde sluitingsdata betwist.
73. Wil het beroep slagen, dan dient de Commissie ten aanzien van deze grief derhalve tenminste te verduidelijken waarom zij van mening is dat de jacht in de door haar aangegeven periodes in de zin van artikel 7, lid 4, van de vogelrichtlijn moet worden gesloten. De Commissie gaat echter niet op dit specifieke argument in.
74. Dit betekent dat de Commissie de duur van de periodes van sluiting van de jacht onvoldoende heeft onderbouwd en dat haar beroep op dit punt moet worden verworpen.
b) Kärnten
75. De Commissie bekritiseert dat § 9, lid 2, van de verordening tot uitvoering van het Kärntner Jagdgesetz voor de volgende vogelsoorten voorziet in jachtseizoenen die in de broedperiode vallen: auerhoen (10 mei tot en met 31 mei in plaats van 1 oktober tot en met 28 februari), korhoen (10 mei tot en met 31 mei in plaats van 21 september tot en met 31 maart), meerkoet (Fulica atra) (16 augustus tot en met 31 januari in plaats van 21 september tot en met 10 maart), houtsnip (1 september tot en met 31 december en 16 maart tot en met 10 april in plaats van 11 september tot en met 19 februari), houtduif (1 augustus tot en met 31 december en 16 maart tot en met 10 april in plaats van 1 september tot en met 31 januari) en Turkse tortel (1 augustus tot en met 31 december en 16 maart tot en met 10 april in plaats van 21 oktober tot en met 20 februari).
76. Oostenrijk betwist dit verwijt met betrekking tot de meerkoet, de houtduif en de Turkse tortel niet.
77. Met betrekking tot het auerhoen en het korhoen evenals de houtsnip noemt Oostenrijk de reeds aangevoerde redenen. Ik stel in dit verband vast dat op de houtsnip naast de lentejacht ook een herfstjacht plaatsvindt. Derhalve kan Oostenrijk met betrekking tot deze soort geen beroep doen op het argument van het ontbreken van een bevredigend alternatief in de zin van artikel 9, lid 1, sub c, van de vogelrichtlijn.
78. Op het auerhoen en het korhoen mag daarentegen alleen in de lente worden gejaagd. Op deze twee soorten kan artikel 9, lid 1, sub c, van de vogelrichtlijn dus in beginsel worden toegepast.
79. Het Hof heeft echter recentelijk benadrukt dat de lidstaten bij de vaststelling van maatregelen ter uitvoering van artikel 9, lid 1, sub c, van de vogelrichtlijn moeten waarborgen dat in alle gevallen waarin de aldaar bedoelde afwijking wordt toegepast, voor alle beschermde vogelsoorten de toegestane hoeveelheden beneden een maximum blijven dat overeenstemt met de door deze bepaling voorgeschreven beperking tot kleine hoeveelheden, welk maximum moet worden bepaald aan de hand van uiterst nauwkeurige wetenschappelijke gegevens.(35) In het bijzonder moeten de nationale uitvoeringsbepalingen met betrekking tot het in artikel 9, lid 1, sub c, van de richtlijn genoemde begrip „kleine hoeveelheden”, de autoriteiten die afwijkingen voor de jacht op vogels van een bepaalde soort mogen toestaan, in staat stellen zich voor de in acht te nemen maximumhoeveelheden te baseren op voldoende nauwkeurige richtsnoeren.(36)
80. Oostenrijk verwijst in dit verband naar een in 1994 voorgenomen wijziging van het Kärntner Jagdgesetz. Deze wet is in casu echter irrelevant, aangezien voor de beoordeling van de schending van het gemeenschapsrecht de rechtssituatie op 17 december 2003 doorslaggevend is. Overigens kunnen volgens de voornoemde wijziging tijdens de periodes van sluiting van de jacht volgens de richtlijn uitdrukkelijk slechts kleine hoeveelheden auer‑ en korhoenders evenals houtsnippen worden gedood, maar het rechtsbegrip kleine hoeveelheid is op geen enkele wijze geconcretiseerd. In het bijzonder zijn geen richtsnoeren vastgelegd.
81. Dit geldt ook voor het argument van Oostenrijk dat voor het auerhoen en het korhoen een jachtplanning wordt opgesteld die is afgestemd op artikel 9 van de vogelrichtlijn. Deze jachtplanning leent zich wellicht ertoe, de volgens artikel 9, lid 2, vijfde gedachtestreepje, vereiste controles te waarborgen, maar dit kan de wettelijke verduidelijking van het begrip „kleine hoeveelheid” niet vervangen.
82. Het beroep van de Commissie slaagt dus ook op dit punt.
c) Niederösterreich
83. Met betrekking tot Niederösterreich bekritiseert de Commissie dat bij § 22 van de Niederösterreichische Jagdverordnung (jachtverordening van Niederösterreich) voor de volgende vogelsoorten jachtseizoenen zijn vastgesteld die in de nest‑ of broedperiodes vallen: auerhoen (1 mei tot en met 31 mei in even jaren in plaats van 1 oktober tot en met 28 februari), korhoen (1 mei tot en met 31 mei in oneven jaren in plaats van 21 september tot en met 31 maart), hybride auerhoen x korhoen (het gehele jaar in plaats van 1 oktober tot en met 28 maart) en houtsnip (1 september tot en met 31 december en 1 maart tot en met 15 april in plaats van 11 september tot en met 19 februari).
84. Oostenrijk voert om te beginnen aan dat de grief met betrekking tot de hybride auerhoen x korhoen geen voorwerp van de schriftelijke aanmaning van de Commissie was en derhalve niet ontvankelijk is. De Commissie stelt dat aangezien het bij de betrokken vogel alleen maar om een kruising van het auerhoen en het korhoen gaat, deze in de schriftelijke aanmaning niet specifiek behoefde te worden genoemd.
85. Dit argument van de Commissie houdt geen steek. De betrokken vogel is uit een kruising van twee andere soorten ontstaan. Los van de vraag of hij in biologisch opzicht als zelfstandige vogelsoort kan worden beschouwd, is hij in elk geval noch een auerhoen, noch een korhoen. Dit betekent dat hij reeds in de aanmaningsbrief en in het met redenen omkleed advies voorwerp had moeten worden vermeld, aangezien deze volgens vaste rechtspraak het voorwerp van het geschil bepalen.(37) Dit kan met het oog op het recht van verweer van de betrokken lidstaat later niet meer worden verruimd. De grief is derhalve niet-ontvankelijk voor zover de Commissie de jachttijden voor de hybride auerhoen x korhoen bekritiseert.
86. Met betrekking tot de grief van ontoereikende bescherming van de andere genoemde soorten, kan de lentejacht om de reeds genoemde redenen(38) alleen door artikel 9 van de vogelrichtlijn worden gerechtvaardigd. Dit geldt echter niet voor de houtsnip, daar de jacht op deze soort ook in de herfst en in de winter is toegestaan en de lentejacht derhalve geen de bestanden ontziend alternatief voor de herfstjacht is, maar een bijkomende belasting vormt.
87. Met betrekking tot het auerhoen en het korhoen is de rechtvaardiging daarentegen mogelijk, aangezien van de herfstjacht en om het andere jaar ook van de lentejacht wordt afgezien. Oostenrijk verstrekt echter geen gegevens waaruit blijkt in hoeverre aan de overige criteria van artikel 9, lid 1, sub c, van de vogelrichtlijn wordt voldaan, met name wat de beperking tot geringe hoeveelheden betreft.(39)
88. Het beroep van de Commissie slaagt derhalve ook op dit punt.
d) Oberösterreich
89. De Commissie verwijt Oostenrijk dat de jachttijden volgens § 1 van de Oberösterreichische Schonzeitenverordnung (verordening inzake sluiting van de jacht van Oberösterreich) binnen de nest- respectievelijk de broedperiode van de volgende vogelsoorten vallen: auerhoen (1 mei tot en met 31 mei in plaats van 1 oktober tot en met 28 februari), korhoen (1 mei tot en met 31 mei in plaats van 21 september tot en met 31 maart), hybride auerhoen x korhoen (1 mei tot en met 31 mei in plaats van 1 oktober tot en met 28 maart) en houtsnip (1 oktober tot en met 30 april in plaats van 11 september tot en met 19 februari).
90. Deze grief is gegrond met betrekking tot de houtsnip, aangezien op deze vogelsoort niet alleen (op de bestanden sparende wijze) in de lente mag worden gejaagd, maar ook in de herfst en in de winter.(40) Ten aanzien van het auerhoen en het korhoen is weliswaar alleen de lentejacht toegestaan, maar is niet aangetoond in hoeverre aan de overige voorwaarden van artikel 9, lid 1, sub c, van de vogelrichtlijn is voldaan, in het bijzonder met betrekking tot de richtsnoeren voor de vastlegging van de „kleine hoeveelheid”. Ook in dit opzicht is het beroep gegrond.
91. Aangaande de regelingen betreffende de hybride auerhoen x korhoen moet eerst worden onderzocht of deze gezien zijn hoedanigheid van kruising wel binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt.
92. De vogelrichtlijn streeft krachtens artikel 1, lid 1, ervan naar de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De verboden van artikel 5 betreffende het doden of vangen hebben betrekking op exemplaren van deze soorten. De bepalingen betreffende de jacht van artikel 7 zijn eveneens van toepassing op bepaalde soorten waarop volgens de richtlijn mag worden gejaagd.(41)
93. Een biologische soort is de gemeenschap van alle individuen die samen een voortplantingsgemeenschap vormen. Dat de hybride auerhoen x korhoen zich als zodanig kan reproduceren, wordt in elk geval door Oostenrijk – in zijn argumentatie betreffende Niederösterreich – betwist, zonder dat de Commissie hierop is ingegaan. Derhalve kan niet ervan worden uitgegaan dat er een voortplantingsgemeenschap van de hybride auerhoen x korhoen bestaat, die classificatie als zelfstandige soort mogelijk zou maken.
94. De hybride auerhoen x korhoen behoort echter evenmin tot de soorten auerhoen of korhoen. Ook in zoverre stelt Oostenrijk namelijk, zonder hierin door de Commissie te worden tegengesproken, dat geen mogelijkheid van voortplanting bestaat.
95. Dit betekent dat de jacht op de hybride auerhoen x korhoen noch onder het verbod op het doden of vangen van vogels van vogelsoorten, noch onder de bepalingen inzake de jacht valt.
96. Deze conclusie is ook in overeenstemming met de beschermingsdoeleinden van de vogelrichtlijn. Deze streeft namelijk niet naar bescherming van de individuele vogels op zich, maar uitdrukkelijk naar het behoud van de in het wild levende vogelsoorten.(42) Hybriden die niet in staat zijn zich voort te planten, kunnen hiertoe geen bijdrage leveren.
97. Met betrekking tot de hybride auerhoen x korhoen dient het beroep van de Commissie derhalve te worden afgewezen.
98. Volledigheidshalve wijs ik erop dat de jacht op de hybride auerhoen x korhoen slechts met artikel 5, sub d, van de vogelrichtlijn verenigbaar is, voor zover deze niet tot aanzienlijke verstoringen van de voortplanting van beschermde soorten leidt. Dit geldt in het bijzonder voor het korhoen, waarvan de baltsplaatsen volgens informatie van Oostenrijk door de hybride auerhoen x korhoen wordt bezocht.
99. Mocht het Hof echter oordelen dat de jacht op de hybride auerhoen x korhoen slechts binnen het kader van artikel 7 en 9 van de vogelrichtlijn is toegestaan, dan zou het beroep van de Commissie ook met betrekking tot deze vogel gegrond zijn. Aangezien deze hybride bij geen van de soorten van bijlage II kan worden ingedeeld, zou de jacht niet op artikel 7 kunnen worden gebaseerd. Er is ook niet aangetoond dat aan de voorwaarden voor een uitzondering in de zin van artikel 9 is voldaan. Al is het mogelijk dat de hybride auerhoen x korhoen de voortplanting van het korhoen negatief beïnvloedt, volgt uit de argumentatie van Oostenrijk niet dat hierdoor belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren in de zin van artikel 9, lid 1, sub a, derde gedachtestreepje, wordt toegebracht. Met het oog op een verstandig gebruik in kleine hoeveelheden ontbreken evenals met betrekking tot het auerhoen en het korhoen in elk geval richtsnoeren ter bepaling van de kleine hoeveelheid.(43)
e) Salzburg
100. De Commissie bekritiseert dat in § 54, lid 1, van het Salzburger Jagdgesetz (wet op de jacht in Salzburg) juncto § 1 van de Schonzeitenverordnung (verordening inzake sluiting van de jacht in Salzburg) voor de volgende vogelsoorten jachttijden worden vermeld die in de broedperiode vallen zonder dat de criteria van artikel 9 van de vogelrichtlijn naar behoren in aanmerking worden genomen: auerhoen (1 mei tot en met 31 mei in plaats van 1 oktober tot en met 28 februari), hybride auerhoen x korhoen (1 mei tot en met 15 juni in plaats van 1 oktober tot en met 28 maart), korhoen (1 mei tot en met 15 juni in plaats van 21 september tot en met 31 maart) en houtsnip (1 maart tot en met 15 april en 1 oktober tot en met 31 december in plaats van 11 september tot en met 19 februari). De Commissie heeft haar grieven met betrekking tot andere soorten ingetrokken.
101. Zoals ik reeds heb uiteengezet, dient de grief met betrekking tot de hybride auerhoen x korhoen te worden afgewezen, daar de jacht daarop niet binnen de werkingssfeer van de vogelrichtlijn valt.(44)
102. Daarentegen kan de lentejacht op de houtsnip in combinatie met de herfstjacht niet door artikel 9, lid 1, sub c, worden gerechtvaardigd.(45)
103. Op het auerhoen en het korhoen mag alleen in de lente worden gejaagd. Om aan te tonen dat aan de overige criteria van artikel 9, lid 1, sub c, van de vogelrichtlijn is voldaan(46), verwijst Oostenrijk naar de regeling inzake de jachtplanning. Deze planning heeft volgens § 59, lid 1, tweede zin, van het Salzburger Jagdgesetz echter alleen betrekking op vogelsoorten die niet als in Oostenrijk jaagbare vogelsoorten worden vermeld in bijlage II bij de vogelrichtlijn. Het auerhoen en het korhoen worden evenwel in bijlage II genoemd en zijn dus niet aan jachtplanning onderworpen. Oostenrijk heeft derhalve niet aangetoond dat de naleving van artikel 9, lid 1, sub c, wettelijk is gewaarborgd.
104. Ook met betrekking tot de regelingen van Salzburg betreffende de houtsnip, het auerhoen en het korhoen is het beroep derhalve gegrond.
f) Tirol
105. De Commissie bekritiseert dat § 1, lid 1, van de tweede verordening tot uitvoering van het Tiroler Jagdgesetz (wet op de jacht in Tirol) voor de volgende vogelsoorten in jachttijden voorziet die in de broedperiode vallen: auerhoen (1 tot en met 15 mei in oneven jaren in plaats van 1 oktober tot en met 28 februari) en korhoen (10 tot en met 31 mei in oneven jaren in plaats van 21 september tot en met 31 maart).
106. Zoals ik reeds heb toegelicht, kan niet worden uitgesloten dat deze vorm van de jacht door artikel 9, lid 1, sub c, van de vogelrichtlijn kan worden gerechtvaardigd, maar ook ten aanzien van deze deelstaat is niet aangetoond dat aan de overige criteria van deze bepaling is voldaan, in het bijzonder met betrekking tot de richtsnoeren ter bepaling van de „kleine hoeveelheid”.(47)
107. Het beroep slaagt dus ook op dit punt.
i) Vorarlberg
108. De Commissie laakt in deze fase alleen nog de gebrekkige omzetting van artikel 7, lid 4, van de vogelrichtlijn door de onjuiste vastlegging van het jachtseizoen voor het korhoen (11 tot en met 31 mei in plaats van 21 september tot en met 31 maart). Ook ten aanzien van deze deelstaat heeft Oostenrijk niet aangetoond dat aan de overige criteria ter rechtvaardiging van deze regelingen is voldaan.(48) Het beroep slaagt dus ook op dit punt.
g) Wien
109. De Commissie stelt vast dat § 69 van het Wiener Jagdgesetz (wet op de jacht in Wien) juncto § 1, lid 1, van de Wiener Schonzeitenverordnung (verordening inzake sluiting van de jacht in Wien) in strijd met artikel 7, lid 4, van de vogelrichtlijn in elk geval van 1 maart tot en met 15 april voorziet in jachtperiodes voor de houtsnip die binnen de nest‑ en broedperiode vallen. Ik wijs bovendien erop dat de jacht op de houtsnip in de deelstaat Wien ook in de herfst en winter mogelijk is, namelijk van 1 september tot en met 31 december.
110. Aangezien ook in Wien een lentejacht én een herfstjacht zijn toegestaan, kan de lentejacht niet door artikel 9, lid 1, sub c, worden gerechtvaardigd.(49)
111. Oostenrijk doet in dit verband gelden dat de Schonzeitenverordnung is gewijzigd. Aangezien deze wijziging echter pas na afloop van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn is vastgesteld, speelt dit argument met het oog op de beoordeling van de niet-nakoming in casu geen rol. Overigens zou ook op basis van de nieuwe regeling niet aan de criteria van artikel 9, lid 1, van de vogelrichtlijn zijn voldaan. In de door Oostenrijk aangehaalde toelichting op de laatste wijziging van de verordening (LGBl. voor Wien nr. 41/2004) wordt als reden voor een afwijking uitsluitend aangevoerd dat de lentejacht een historische vorm van de jacht is die niet kan worden vervangen. Dit is geen toereikende reden voor een afwijking in de zin van artikel 9, lid 1, van de vogelrichtlijn.
112. Het beroep slaagt derhalve ook op dit punt.
G – Artikel 8 van de vogelrichtlijn
113. Artikel 8 van de vogelrichtlijn heeft betrekking op verboden middelen en methoden voor de vangst van en de jacht op vogels:
„1. Wat de jacht op en de vangst of het doden van vogels in het kader van deze richtlijn betreft, verbieden de lidstaten het gebruik van alle middelen, installaties of methoden voor het massale of niet-selectieve vangen of doden van vogels of waardoor een soort plaatselijk kan verdwijnen, en in het bijzonder het gebruik van de in bijlage IV, sub a), genoemde middelen.
2. Bovendien verbieden de lidstaten elke achtervolging met behulp van de in bijlage IV, sub b), genoemde vervoermiddelen op de in die bijlage omschreven wijze.”
114. De Commissie stelt dat § 20, lid 4, van het Niederösterreichisches Naturschutzgesetz (wet op de natuurbescherming in Niederösterreich) de volgens bijlage IV, sub a, verboden jachtmiddelen niet naar behoren definieert. De bepaling verwijst veeleer in het algemeen naar de „toegestane middelen, installaties en methoden voor het vangen of doden”.
115. Volgens Oostenrijk is de bevoegde instantie krachtens de betrokken bepaling verplicht bij de afgifte van een vergunning de toegestane middelen, installaties en methoden voor het vangen of doden zelf vast te leggen. Aangezien zij zich hierbij aan de richtlijn dient te houden en bovendien in de zin van een uniforme tenuitvoerlegging van de rechtsorde de in § 95 van het Niederösterreichisches Jagdgesetz (wet op de jacht in Niederösterreich) verankerde verboden in aanmerking dient te nemen, is de volgens de richtlijn vereiste bescherming gewaarborgd.
116. Zoals ik reeds heb opgemerkt, voldoet de mogelijkheid van uitvoering conform de richtlijn niet aan de vereisten van een adequate omzetting.(50) Bovendien dient de lijst van niet-toegestane middelen en methoden voor de vangst en de jacht in nationaal recht te worden omgezet.(51) In het bijzonder moeten de in de richtlijn verankerde verboden op het gebruik van bepaalde middelen bij de uitoefening van de jacht in normatieve bepalingen worden neergelegd. Het beginsel van rechtszekerheid verlangt, dat de betrokken verboden in dwingende wettelijke bepalingen worden overgenomen.(52)
117. Ook de verwijzing naar § 95 van het Niederösterreichisches Jagdgesetz snijdt geen hout omdat deze wet alleen betrekking heeft op alle in het wild levende, jaagbare diersoorten, maar niet op alle te beschermen vogelsoorten.
118. Artikel 8 van de vogelrichtlijn is in Niederösterreich derhalve niet juist uitgevoerd, en het beroep van de Commissie slaagt op dit punt.
H – Artikel 9 van de vogelrichtlijn
119. De Commissie is van mening dat artikel 9 van de vogelrichtlijn in verschillende deelstaten niet naar behoren is omgezet. Voor zover relevant heb ik de bewoordingen van deze bepaling reeds weergegeven.(53)
120. Artikel 9 bevat de criteria voor een afwijking van de in de artikelen 5 tot en met 8 van de vogelrichtlijn verankerde regelingen ter bescherming van de betrokken vogelsoorten. Een afwijking wordt slechts toegestaan wanneer aan drie voorwaarden is voldaan. In de eerste plaats moet de lidstaat de afwijking beperken tot gevallen waarin er geen andere bevredigende oplossing bestaat. In de tweede plaats moet de afwijking berusten op ten minste één van de in artikel 9, lid 1, sub a, b en c, limitatief opgesomde redenen. In de derde plaats moet de afwijking voldoen aan de in artikel 9, lid 2, nauwkeurig omschreven vormvoorwaarden, die tot doel hebben de afwijkingen tot het strikt noodzakelijke te beperken en de controle ervan door de Commissie mogelijk te maken.(54)
1. Burgenland
121. De Commissie bekritiseert dat volgens § 88 a, lid 1, van het Burgenländisches Jagdgesetz in de periode van 15 juli tot en met 30 november de bestrijding van spreeuwen is toegestaan. Volgens lid 2 van die bepaling dient de deelstaatregering de noodzaak van deze maatregel bij verordening vast te stellen wanneer te verwachten valt dat spreeuwen in grote getale wijnbouwgebieden zullen binnenvallen.(55) De Commissie is van oordeel dat in het kader van deze verordeningsbevoegdheid een adequate verwijzing naar de voorwaarden van artikel 9 van de vogelrichtlijn ontbreekt.
122. De Commissie had ten aanzien van deze regeling ook al schending van de artikelen 1 en 5 van de vogelrichtlijn gesteld. Iedere inperking van beschermingsbepalingen zoals artikel 5 door een nationale uitvoeringsbepaling kan zowel als afbakening van de werkingssfeer ervan worden begrepen, hetgeen betekent dat zij aan de hand van de betrokken beschermingsbepaling moet worden beoordeeld, dan wel als uitzondering, die aan artikel 9 moet worden getoetst. De artikelen 5 en volgende en artikel 9 vormen – evenals de artikelen 12 en volgende en 16 van de habitatrichtlijn(56) – een gesloten beschermingsstelsel.(57) Het is derhalve mogelijk dat de nationale omzettingsbepaling niet alleen in strijd is met de artikelen 5 en volgende, maar ook met artikel 9 van de vogelrichtlijn. Dit betekent dat, voor zover de Commissie schending van artikel 9 stelt, de nationale bepaling ook aan dat artikel moet worden getoetst.
123. Oostenrijk acht de regeling echter gezien de enorme schade die de spreeuw op het vlak van de wijnbouw veroorzaakt verenigbaar met de strekking van artikel 9, lid 1, van de vogelrichtlijn. Dat een bevredigend alternatief ontbreekt, blijkt uit de toelichting bij § 88 a, van het Burgenländisches Jagdgesetz, waaruit volgt dat traditionele methoden om de vogels te verdrijven, niet voldoende zijn. Aangezien § 88 a van het Burgenländisches Jagdgesetz zelf alleen machtigt tot vaststelling van een verordening, hoeft hierin niet naar de in artikel 9, lid 2, van de vogelrichtlijn genoemde voorwaarden te worden verwezen.
124. Deze argumentatie houdt geen steek. Het beginsel van rechtszekerheid wordt niet geëerbiedigd wanneer de wet weliswaar machtiging verleent om een van de beschermingsbepalingen afwijkende verordening vast te stellen, maar niet zelf vastlegt aan welke formele criteria de afwijking precies onderhevig is. Ik herinner in dit verband aan de vaststelling van het Hof dat de nauwkeurigheid van de omzetting van bijzonder belang is wanneer de vogelrichtlijn in het geding is, aangezien het beheer van het gemeenschappelijk patrimonium wordt toevertrouwd aan de lidstaten voor hun respectieve grondgebied.(58) Dit heeft het Hof onlangs met betrekking tot de omzetting van artikel 9 van de vogelrichtlijn opnieuw beklemtoond.(59)
125. § 88 a van het Burgenländisches Jagdgesetz bepaalt zelf niet welke middelen, installaties en methoden voor het vangen en doden zijn toegestaan en evenmin dat een en ander in de volgens lid 2 ervan vast te stellen verordening moet worden geregeld. De verordening dient volgens de bewoording van § 88 a, lid 2, van het Burgenländisches Jagdgesetz uitsluitend vast te stellen dat een gevaar voor de wijnbouw door spreeuwen bestaat. Er wordt echter niet bepaald dat zij ook nadere gegevens met betrekking tot de criteria van artikel 9, lid 2, van de vogelrichtlijn dient te bevatten. Evenmin wordt verlangd dat een andere bevredigende oplossing ontbreekt. Dit betekent dat de regeling van § 88 a, van het Burgenländisches Jagdgesetz niet voldoet aan de criteria voor een afwijking in de zin van artikel 9 van de vogelrichtlijn.
2. Niederösterreich
126. Met betrekking tot Niederösterreich stelt de Commissie dat § 20, lid 4, van het Niederösterreichisches Naturschutzgesetz, door uitzonderingen „in het bijzonder voor wetenschappelijke doeleinden en onderwijs” toe te staan, geen uitputtende opsomming van de toegestane redenen voor een afwijking van de bepalingen ter bescherming van de in het wild levende vogelsoorten bevat. Oostenrijk argumenteert dat de bevoegde instantie bij de tenuitvoerlegging van de betrokken nationale bepaling de richtlijn dient te eerbiedigen en ook de in het jachtrecht vastgelegde criteria in aanmerking neemt.
127. Zoals gezegd voldoet een met de richtlijn strokende administratieve praktijk volgens vaste rechtspraak niet aan de vereisten betreffende een adequate omzetting van een richtlijn.(60) De nationale wet dient zelf te een uitputtende opsomming te geven van de redenen voor een mogelijke afwijking van de beschermingsbepalingen. Aangezien § 20, lid 4, van het Niederösterreichisches Naturschutzgesetz ten aanzien van de redenen open geformuleerd is, is de richtlijn niet naar behoren omgezet.
128. Bovendien stelt de Commissie dat § 21 van het Niederösterreichisches Naturschutzgesetz afwijkingen van de bepalingen ter bescherming van in het wild levende vogelsoorten voor commercieel gebruik respectievelijk gebruik voor land‑ en bosbouw toestaat, zonder dit afhankelijk te stellen van de criteria van artikel 9, leden 1 en 2, van de vogelrichtlijn. Oostenrijk argumenteert dat de uitzonderingsclausules onder meer niet gelden wanneer beschermde planten en dieren of habitats opzettelijk worden aangetast.
129. § 21 van het Niederösterreichisches Naturschutzgesetz onttrekt gebruik om commerciële redenen of voor land‑ en bosbouw aan de verboden uit hoofde van de vogelbescherming. Deze uitzonderingsclausules gelden echter uitdrukkelijk niet met betrekking tot opzettelijke aantastingen van beschermde planten en dieren.
130. Anders dan de Commissie betoogt, dient deze regeling niet aan artikel 9 van de vogelrichtlijn te worden getoetst. Artikel 9 zou alleen van belang zijn indien § 21 van het Niederösterreichisches Naturschutzgesetz een afwijking van de verboden van de artikelen 5 tot en met 8 zou toestaan. Dit is echter niet het geval. De voor gebruik om commerciële redenen of voor land‑ en bosbouw relevante verboden in de zin van de artikelen 5 en 6 gaan uitdrukkelijk of impliciet uit van opzettelijke(61) handelingen. De uitzonderingen van § 21 gelden echter juist niet voor opzettelijke handelingen. Derhalve hoeven zij ook niet met artikel 9 te stroken.
131. Het beroep van de Commissie slaagt op dit punt derhalve slechts ten dele, namelijk wat betreft § 20, lid 4, van het Niederösterreichisches Naturschutzgesetz (wet op de natuurbescherming in Niederösterreich).
3. Oberösterreich
132. De Commissie bekritiseert dat § 60, lid 3, van het Oberösterreichisches Jagdgesetz (wet op de jacht in Oberösterreich) afwijkingen van de beschermingsbepalingen bevat die niet afhankelijk zijn gesteld van het criterium van het bestaan van een andere bevredigende oplossing. Volgens deze bepaling kunnen haviken, buizerds en sperwers in woon‑ en bedrijfsgebouwen en in omheinde tuinen door de eigenaars worden gevangen of gedood en in bezit worden genomen.
133. Het betoog van Oostenrijk komt in wezen erop neer dat de wetgever aan deze regeling later de voorwaarde heeft toegevoegd dat een en ander noodzakelijk moet zijn om ernstige schade, met name aan gewassen, in de veeteelt en aan andere vormen van eigendom, te voorkomen, en dat hij zodoende zelf het vraagstuk van mogelijke alternatieve oplossingen heeft onderzocht. Hij is hierbij tot de conclusie gekomen dat in de gevallen die in de bepaling genoemd worden, in het algemeen geen andere oplossingen bestaan.
134. Om te beginnen stel ik vast dat alleen de oorspronkelijke versie voorwerp van de onderhavige procedure is en dat hierin nog niet eens bij benadering is voorzien in een onderzoek van alternatieven.
135. Ten aanzien van de thans vigerende regeling wijs ik erop dat – zoals de Commissie terecht opmerkt – het loutere feit dat de wetgever dit vraagstuk heeft onderzocht, nog niet voldoende is. Uit artikel 9, lid 2, vierde gedachtestreepje, van de vogelrichtlijn volgt veeleer dat een autoriteit moet worden aangewezen die per individueel geval onderzoekt of aan de voorwaarden voor een afwijking is voldaan. Bovendien zijn ook de overige in artikel 9, lid 2, van de vogelrichtlijn vastgelegde bepalingen inzake de middelen voor het vangen en doden en betreffende de controles niet omgezet.
136. De litigieuze nationale bepaling staat bovendien het vangen, doden en in bezit nemen van beschermde vogelsoorten ter voorkoming van schade „aan andere vormen van eigendom” toe, hetgeen erop neerkomt dat een reden voor afwijking wordt vastgelegd die niet op de uitputtende lijst van artikel 9, lid 1, van de vogelrichtlijn voorkomt. § 60, lid 3, van het Oberösterreichisches Jagdgesetz (wet op de jacht in Oberösterreich) is derhalve in strijd met artikel 9, leden 1 en 2, van de vogelrichtlijn.
137. Ook op dit punt is het beroep van de Commissie derhalve gegrond.
4. Salzburg
138. Met betrekking tot Salzburg laakt de Commissie dat volgens § 34, lid 1, van het Salzburger Naturschutzgesetz (wet op de natuurbescherming in Salzburg) afwijkingen van de bestaande beschermingsbepalingen onder andere kunnen worden toegestaan met het oog op de productie van dranken. Oostenrijk argumenteert dat deze bepaling geen betrekking heeft op vogels, maar alleen de productie van alcoholhoudende dranken op basis van bepaalde plantensoorten mogelijk moet maken. Uit de bewoording ervan valt een dergelijke restrictie echter niet op te maken. Dit betekent dat de litigieuze regeling een bijkomende afwijking toestaat die verder gaat dan de uitputtende lijst van redenen voor een afwijking van artikel 9 van de vogelrichtlijn.
139. Bovendien stelt de Commissie dat § 72, lid 3, van het Salzburger Jagdgesetz uitzonderingen op het verbod op het gebruik van vallen voor het doden van in het wild levende dieren toestaat zonder dat de criteria van artikel 9, leden 1 en 2, van de vogelrichtlijn in aanmerking worden genomen. Ook dit verwijt is gegrond. De litigieuze regeling gaat eraan voorbij dat artikel 9, lid 1, van de vogelrichtlijn een uitputtende lijst van geoorloofde redenen voor afwijkingen bevat, door het opstellen van vallen toe te staan in gevallen waarin „openbare belangen van vergelijkbare betekenis niet met andere middelen kunnen worden beschermd”. Bovendien worden de criteria van artikel 9, lid 2, van de vogelrichtlijn in de nationale wet niet naar behoren omgezet.
140. Hieruit volgt dat artikel 9 in Salzburg niet juist is omgezet, zodat het beroep van de Commissie op dit punt slaagt.
5. Tirol
141. De Commissie bekritiseert dat § 4, lid 3, van de Tiroler Naturschutzverordnung (verordening inzake natuurbescherming in Tirol) het verdrijven van kraaien, spreeuwen en merels uit land‑ en bosbouwpercelen evenals huistuinen toestaat zonder de criteria van artikel 9 van de vogelrichtlijn te vermelden. Oostenrijk heeft toegezegd een nieuwe regeling te zullen vaststellen, maar betoogt tegelijkertijd dat op artikel 9 geen beroep hoeft te worden gedaan aangezien volgens artikel 5, sub d, alleen verstoringen moeten worden verboden die gelet op de doelstellingen van de richtlijn van wezenlijke invloed zijn. De toegestane verdrijving is echter niet van wezenlijke invloed.
142. De argumentatie van Oostenrijk kan mij echter niet overtuigen. Indien de genoemde soorten daadwerkelijk uit alle land‑ en bosbouwpercelen evenals huistuinen zouden worden verdreven, zouden zij vrijwel geen habitats meer overhouden. De toegestane verstoring kan dus gelet op de doelstellingen van de richtlijn van wezenlijk invloed zijn en had derhalve alleen op basis van artikel 9 mogen worden toegestaan. Aan de hierin neergelegde voorwaarden is in casu echter niet voldaan.
143. Het beroep slaagt dientengevolge op dit punt.
I – Artikel 11 van de vogelrichtlijn
144. Artikel 11 heeft betrekking op de introductie van niet-inheemse vogelsoorten:
„De lidstaten zien erop toe dat de eventuele introductie van vogelsoorten die niet natuurlijk in het wild leven op het Europese grondgebied van de lidstaten geen enkele schade toebrengt aan de plaatselijke flora en fauna. Zij plegen hieromtrent overleg met de Commissie.”
145. De Commissie is van oordeel dat Niederösterreich deze bepaling niet juist heeft uitgevoerd, aangezien § 17, lid 5, van het Niederösterreichisches Naturschutzgesetz bepaalt dat niet-inheemse vogelsoorten mogen worden geïntroduceerd en bevorderd mits inheemse soorten of landschappen hierdoor niet „duurzaam” worden aangetast. Hierdoor wordt haars inziens een bijkomend criterium ingevoerd waarin de richtlijn niet voorziet.
146. Oostenrijk argumenteert dat voor de introductie van niet natuurlijk in het wild levende vogelsoorten toestemming van de deelstaatregering vereist is en dat deze de nationale bepaling in overeenstemming met de richtlijn uitlegt. Hierdoor wordt gewaarborgd dat bij nadelige gevolgen voor de plaatselijke flora en fauna geen toestemming wordt verleend.
147. Artikel 11 van de vogelrichtlijn legt de drempel voor de introductie van vogelsoorten die niet natuurlijk in het wild leven op het Europese grondgebied van de lidstaten hoger dan de nationale regeling. Dit betekent dat deze bepaling door § 17, lid 5, van het Niederösterreichisches Naturschutzgesetz niet juist is uitgevoerd. Ook heb ik reeds benadrukt dat het niet voldoende is dat de bevoegde instanties bij de uitvoering van de bepalingen de richtlijn in aanmerking nemen.(62)
148. Het beroep slaagt derhalve ook op dit laatste punt.
III – Kosten
149. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Voor zover het beroep nog aanhangig is, moet de Commissie op de meeste punten in het gelijk worden gesteld, zodat Oostenrijk de kosten dient te dragen. Dit geldt volgens artikel 69, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering ook met betrekking tot de middelen die de Commissie heeft ingetrokken. Oostenrijk heeft aanleiding tot het beroep gegeven, voor zover het zijn wetgeving te laat aan het gemeenschapsrecht heeft aangepast. Derhalve dient de Republiek Oostenrijk in alle kosten van de procedure te worden verwezen.
IV – Conclusie
150. In het licht van het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
1. vast te stellen dat de Republiek Oostenrijk de krachtens de artikelen 10 EG en 249 EG evenals artikel 18 van richtlijn 79/409/EEG van de Raad inzake het behoud van de vogelstand op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen door de volgende bepalingen niet juist uit te voeren:
– artikel 1, leden 1 en 2, met betrekking tot Burgenland, Kärnten, Niederösterreich, Oberösterreich en Steiermark,
– artikel 5 in Burgenland, Kärnten, Niederösterreich, Oberösterreich en Steiermark,
– artikel 6, lid 1, in Oberösterreich,
– artikel 7, lid 1, in Kärnten, Niederösterreich en Oberösterreich,
– artikel 7, lid 4, in de volgende deelstaten voor de volgende vogelsoorten:
– in Kärnten voor het auerhoen, het korhoen, de meerkoet, de houtsnip, de houtduif en de Turkse tortel,
– in Niederösterreich voor het auerhoen, het korhoen en de houtsnip,
– in Oberösterreich voor het auerhoen, het korhoen en de houtsnip,
– in Salzburg voor het auerhoen, het korhoen en de houtsnip,
– in Steiermark voor het auerhoen, het korhoen en de houtsnip,
– in Tirol voor het auerhoen en het korhoen,
– in Vorarlberg voor het korhoen,
– en in Wien voor de houtsnip,
– artikel 8 in Niederösterreich,
– artikel 9 in Burgenland, Niederösterreich, Oberösterreich, Salzburg, Tirol en Steiermark,
– artikel 11 in Niederösterreich;
2. het beroep voor het overige te verwerpen;
3. de Republiek Oostenrijk te verwijzen in de kosten.
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – (PB L 103, blz. 1) zoals gewijzigd bij richtlijn 97/49/EG van de Commissie van 29 juli 1997 (PB L 223, blz. 9), hierna: „vogelrichtlijn”.
3 – Arrest van het Hof van 8 juli 1987, Commissie/België (conformiteit) (247/85, Jurispr. blz. 3029, punten 18 e.v.).
4 – Zie de punten 121 e.v. van deze conclusie.
5 – Arresten van 10 mei 2001, Commissie/Nederland (C‑144/99, Jurispr. blz. I‑3541, punt 21), en 19 september 1996, Commissie/Griekenland (C‑236/95, Jurispr. blz. I‑4459, punten 12 e.v.); zie ook op milieugebied de conclusie van advocaat-generaal Stix-Hackl van 14 januari 2003 in de zaak Commissie/Frankrijk (arrest van 26 juni 2003, C‑233/00, Jurispr. blz. I‑6625, punt 73).
6 – Arresten van 13 maart 1997, Commissie/Frankrijk (C‑197/96, Jurispr. blz. I‑1489, punt 14), 9 maart 2000, Commissie/Italië (C‑358/98, Jurispr. blz. I‑1255, punt 17), 7 maart 2002, Commissie/Italië (C‑145/99, Jurispr. blz. I‑2235, punt 30), en 10 maart 2005, Commissie/Verenigd Koninkrijk (C‑33/03, Jurispr. blz. I‑1865, punt 25).
7 – Arresten van 8 juli 1987, Commissie/Italië (conformiteit) (262/85, Jurispr. blz. 3073, punt 39), en 7 december 2000, Commissie/Frankrijk (jachtperiodes) (C‑38/99, Jurispr. blz. I‑10941, punt 53).
8 – Arrest Commissie/België (conformiteit) (aangehaald in voetnoot 3, punten 21 e.v.).
9 – Zie punt 8 van deze conclusie.
10 – Aangaande de verenigbaarheid van de regelingen betreffende de spreeuw met artikel 9 van de vogelrichtlijn, zie de punten 121 e.v. van deze conclusie.
11 – Zie punt 6 van deze conclusie.
12 – Met betrekking tot een soortgelijke schending in Burgenland, zie punt 21 van deze conclusie.
13 – Zie mijn conclusie van 14 september 2006 in de zaak Commissie/Spanje (IBA-lijst) (C‑235/04, nog aanhangig bij het Hof, punten 94 e.v.).
14 – Met betrekking tot soortgelijke schendingen in Burgenland en Kärnten, zie punt 21 respectievelijk punt 31 van deze conclusie.
15 – Oostenrijk voert ter staving een wetenschappelijk advies van de Zentralstelle Österreichischer Landesjagdverbände (overkoepelend orgaan van de jachtbonden van de deelstaten) inzake de lentejacht op het auerhoen, het korhoen en de houtsnip aan (bijlage 3 bij het memorie van dupliek). Dit advies dateert van 5 juli 2005 en kon dus voor het eerst in dupliek worden gepresenteerd. Dit betekent dat het niet te laat is voorgelegd.
16 – Mogelijkerwijs verwijst de Commissie in haar verzoekschrift – stilzwijgend – naar de studie van de Commissie en het ORNIS-comité „Key Concepts of Article 7(4) of Directive 79/409/EEC – Period of Reproduction and Prenuptial Migration of Annex II Bird Species in the EU” (Sleutelbegrippen van artikel 7, lid 4, van richtlijn 79/409/EEG – Broedperiode en trek voorafgaande aan de paringstijd van vogelsoorten van bijlage II in de EU), september 2001, te vinden onder . Zij noemt echter voor verschillende vogelsoorten hiervan afwijkende sluitingsdata (bijvoorbeeld voor de houtsnip, de tortelduif, de houtduif en de Turkse tortel).
17 – Arrest van 17 januari 1991, Commissie/Italië (jachtperiodes) (C‑157/89, Jurispr. blz. I‑57, punt 15).
18 – Arresten Commissie/Italië (jachtperiodes) (aangehaald in voetnoot 17, punt 14) en van 19 januari 1994, Association pour la protection des animaux sauvages e.a. (C‑435/92, Jurispr. blz. I‑67, punt 9).
19 – Zie de gegevens in het document „Period of Reproduction and Prenuptial Migration of Annex II Bird Species in the EU”, blz. 121 en 124, , evenals blz. 201, .
20 – Advies [aangehaald in voetnoot 15, blz. 5 (blz. 65 van de memorie van dupliek)].
21 – Zie arresten Commissie/Italië (jachtperiodes) (aangehaald in voetnoot 17, punt 14), en Association pour la protection des animaux sauvages e.a. (aangehaald in voetnoot 18, punt 10).
22 – Arresten van 16 oktober 2003, Ligue pour la protection des oiseaux e.a. (C‑182/02, Jurispr. blz. I‑12105, punten 9‑11), en 9 juni 2005, Commissie/Spanje (contrapasa) (C‑135/04, Jurispr. blz. I‑5261, punt 17).
23 – Arrest van 8 juni 2006, WWF Italia e.a. (C‑60/05, Jurispr. blz. I‑05083, punt 34). Zie ook arrest van 15 december 2005, Commissie/Finland (lentejacht op watervogels) (C‑344/03, Jurispr. blz. I‑11033, punten 36, 39, 42 en 60).
24 – Het op het eerste gezicht andersluidende arrest van 27 april 1988, Commissie/Frankrijk(conformiteit) (252/85, Jurispr. blz. 2243, punt 30) moet in die zin worden begrepen dat de Commissie de sluitende rechtvaardiging door de betrokken lidstaat niet in twijfel kon trekken.
25 – Arrest Commissie/Italië (conformiteit) (aangehaald in voetnoot 7, punt 7), arrest van 9 december 2004, Commissie/Spanje (Parany) (C‑79/03, Jurispr. blz. I‑11619, punt 24), en arrest Commissie/Finland (lentejacht op watervogels) (aangehaald in voetnoot 23, punt 31).
26 – Zie in die zin arrest Commissie/Finland (lentejacht op watervogels) (aangehaald in voetnoot 23, punten 35, 38 en 40).
27 – Het auerhoen en het korhoen vallen onder artikel 4, lid 1, van de vogelrichtlijn aangezien zij in bijlage I zijn opgenomen. De houtsnip, een gedeeltelijke trekvogel, valt daarentegen onder artikel 4, lid 2.
28 – Aangaande de verplichtingen buiten de bijzondere beschermingsgebieden voor vogels, zie mijn conclusie van 14 september 2006, Commissie/Ierland (C‑418/04, nog aanhangig bij het Hof, punten 92 e.v.).
29 – Zie arresten Ligue pour la protection des oiseaux e.a. (aangehaald in voetnoot 22, punt 16), Commissie/Spanje (contrapasa) (aangehaald in voetnoot 22, punt 19) en Commissie/Finland (lentejacht op watervogels) (aangehaald in voetnoot 23, punt 33).
30 – Arrest Commissie/Finland (lentejacht op watervogels) (aangehaald in voetnoot 23, punten 35 en 37).
31 – Arrest Commissie/Finland (lentejacht op watervogels) (aangehaald in voetnoot 23, punt 41)
32 – Arrest Commissie/Finland (lentejacht op watervogels) (aangehaald in voetnoot 23, punten 43 e.v.).
33 – Advies [aangehaald in voetnoot 15, blz. 2 (blz. 62 van de memorie van dupliek)].
34 – In bijlage 8 bij het memorie van dupliek, blz. 2 (blz. 80 van de memorie van dupliek), wordt gesteld dat het gemeenschapsrecht zich niet tegen de herfstjacht verzet.
35 – Arrest WWF Italia e.a. (aangehaald in voetnoot 23, punt 29).
36 – Arrest WWF Italia e.a. (aangehaald in voetnoot 23, punt 36).
37 – Arresten van 27 april 2006, Commissie/Duitsland (C‑441/02, Jurispr. blz. I‑3449, punten 59 en 60), en 9 november 1999, Commissie/Italië (C‑365/97, Jurispr. blz. I‑7773, punt 23).
38 – Zie punt 68 van deze conclusie.
39 – Zie punt 79 van deze conclusie.
40 – Zie punt 68 van deze conclusie.
41 – Aangaande het verbod op het in de handel brengen in de zin van artikel 6 van de vogelrichtlijn, dat eveneens op soorten betrekking heeft, zie arrest Commissie/België (conformiteit) (aangehaald in voetnoot 3, punten 6 en 7), en arrest van 8 februari 1996, Vergy (C‑149/94, Jurispr. blz. I‑299, punten 8 e.v. en 12 e.v.).
42 – Arrest Vergy (aangehaald in voetnoot 41, punten 12 e.v.).
43 – Zie punt 79 van deze conclusie.
44 – Zie punten 91 e.v. van deze conclusie.
45 – Zie punt 68 van deze conclusie.
46 – Zie punt 79 van deze conclusie.
47 – Zie punt 79 van deze conclusie.
48 – Zie punt 79 van deze conclusie.
49 – Zie punt 68 van deze conclusie.
50 – Zie punt 15 van deze conclusie.
51 – Arrest van 13 oktober 1987, Commissie/Nederland (conformiteit I) (236/85, Jurispr. blz. 3989, punten 27 e.v.).
52 – Arrest van 15 maart 1990, Commissie/Nederland (conformiteit II) (C‑339/87, Jurispr. blz. I‑851, punt 22).
53 – Zie punt 59 van deze conclusie.
54 – Arresten van 7 maart 1996, Associazione Italiana per il WWF e.a. (C‑118/94, Jurispr. blz. I‑1223, punt 21), en Commissie/Italië (conformiteit) (aangehaald in voetnoot 7, punt 7).
55 – Deze bepalingen zijn in punt 8 van deze conclusie weergegeven.
56 – Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206, blz. 7).
57 – Met betrekking tot het verband tussen de artikelen 12 e.v. en 16 van de habitatrichtlijn, dat overeenkomt met dat tussen de artikelen 5 e.v. en 9 van de vogelrichtlijn, zie het arrest van 20 oktober 2005, Commissie/Verenigd Koninkrijk (conformiteit) (C‑6/04, Jurispr. blz. I‑ 9017, punt 112).
58 – Arrest Commissie/Italië (conformiteit) (aangehaald in voetnoot 7, punt 9).
59 – Arrest WWF Italia e.a. (aangehaald in voetnoot 23, punt 24).
60 – Zie punt 15 van deze conclusie.
61 – Aangaande het begrip opzet in het kader van de habitatrichtlijn, zie arrest van 18 mei 2006, Commissie/Spanje (vallen met stuitnok) (C‑221/04, Jurispr. blz. I‑4515, punt 71).
62 – Zie punt 15 van deze conclusie.
Full & Egal Universal Law Academy