CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. STIX-HACKL
van 7 maart 2006 1(1)
Zaak C‑517/04
Visserijbedrijf D. J. Koornstra & Zn. VOF
tegen
Productschap Vis
[verzoek van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (Nederland) om een prejudiciële beslissing]
„Vrij verkeer van goederen – Douanerechten – Heffingen van gelijke werking – Binnenlandse belastingen – Heffing ter financiering van garnalenzeven en garnalenkrakers, die bij aanlanding van garnalen wordt opgelegd”
I – Inleiding
1. De Nederlandse verwijzende rechter wenst met zijn verzoek om een prejudiciële beslissing in wezen te vernemen of een heffing die bij de aanvoer van garnalen met onder Nederlandse vlag varende vissersvaartuigen wordt opgelegd, in strijd is met artikel 25 EG of artikel 90 EG, voorzover die heffing strekt ter financiering van installaties ter controle van de naleving van de voor dergelijke producten geldende handelsnormen, en met name ook wordt opgelegd wanneer de aanvoer in een andere lidstaat plaatsheeft.
2. In het hoofdgeding gaat het om de toepassing van een dergelijke heffing in het boekjaar 2000 op in Denemarken aangevoerde garnalen.
II – Toepasselijke bepalingen
A – Bepalingen van gemeenschapsrecht
3. Artikel 25 EG luidt:
„In‑ en uitvoerrechten of heffingen van gelijke werking zijn tussen de lidstaten verboden. Zulks geldt eveneens voor douanerechten van fiscale aard.”
4. Artikel 90 EG bepaalt:
„De lidstaten heffen op producten van de overige lidstaten, al dan niet rechtstreeks, geen hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale producten worden geheven.
Bovendien heffen de lidstaten op de producten van de overige lidstaten geen zodanige binnenlandse belastingen, dat daardoor andere producties zijdelings worden beschermd.”
5. Artikel 23 van verordening (EEG) nr. 2913/92(2) bevat een definitie van het begrip van de (niet-preferentiële) oorsprong en luidt voorzover hier van belang:
„Artikel 23
1. Van oorsprong uit een land zijn goederen die geheel en al in dat land zijn verkregen.
2. Onder ‚goederen die geheel en al in een land zijn verkregen’ wordt verstaan:
[...]
e) voortbrengselen van de aldaar bedreven jacht en visserij;
f) producten van de zeevisserij en andere producten die buiten de territoriale zee van een land uit zee zijn gewonnen door in dat land ingeschreven of geregistreerde schepen die de vlag van dat land voeren;
[...]
3. Voor de toepassing van lid 2 wordt onder ‚land’ ook de territoriale zee van het land in kwestie begrepen.”
B – Bepalingen van nationaal recht
6. Het Productschap Vis is een publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie naar Nederlands recht. Artikel 3, lid 2, van de Instellingsverordening Productschap Vis omschrijft het voorwerp van die organisatie als volgt:
„Het Productschap is ingesteld voor de ondernemingen, waarin:
a. de visserij wordt uitgeoefend;
b. vis wordt be‑ of verwerkt tot producten, welke, al dan niet na verdere be‑ of verwerking tot menselijk of dierlijk voedsel kunnen dienen;
c. de handel – met uitzondering van de aanvoer‑, transito‑ en driehoekshandel – wordt uitgeoefend in vis of uit vis verkregen producten, welke, al dan niet na verdere be‑ of verwerking, tot menselijk voedsel kunnen dienen.”
7. De Verordening financiering garnalenzeven en garnalenkrakers visafslagen 2000 (hierna: „financieringsverordening”), voorzover hier van belang, luidt:
„Artikel 2
1. Een ondernemer die met een Nederlands vissersvaartuig garnalen aanvoert, is met ingang van de eerste maandag volgende op de dag van inwerkingtreden van deze verordening, over de door hem aangevoerde en voor menselijke consumptie verkochte garnalen aan en ten behoeve van het Productschap een heffing verschuldigd van 0,01 HFL per kg.
[...]
Artikel 3
1. De opbrengst van de heffing is bestemd voor de financiering van de aanschaf door het Productschap van garnalenzeven en garnalenkrakers en van de plaatsing en het onderhoud van deze garnalenzeven en garnalenkrakers.
2. De heffing als bedoeld in artikel 2, eerste lid, is niet meer verschuldigd met ingang van de dag volgende op de dag waarop het saldo van de in de begroting opgenomen Functie Medebewind onder Garnalenzeven, een bedrag van 600 000 HFL overschrijdt.
[...]
Artikel 5
1. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2000.
[...]”
III – Feiten en prejudiciële vragen
8. Verzoekster in het hoofdgeding, Visserijbedrijf D. J. Koornstra & Zn. vof (hierna: „Koornstra”), is een onderneming die met het Nederlandse vissersvaartuig „Elisabeth” garnalen aanvoert. Volgens haar opgave van 1 augustus 2002 heeft zij in 2000 52 984 kg garnalen aangevoerd, waarvan 28 774 kg via de afslag in Nederland zijn verkocht en 24 210 kg rechtstreeks aan de handel in Denemarken zijn geleverd.
9. Bij besluit van 19 september 2002 heeft verweerster in het hoofdgeding, Productschap Vis, op grond van artikel 2, lid 1, van de financieringsverordening voor het jaar 2000 aan Koornstra over de in Denemarken geleverde hoeveelheid van 24 210 kg een heffing van 242,10 HFL (109,86 EUR) opgelegd.
10. Tegen dit besluit heeft Koornstra bij brief van 25 oktober 2002 bezwaar gemaakt.
11. Het Productschap Vis heeft dit bezwaar bij besluit van 19 maart 2003 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het met name verwezen naar een uitspraak van de verwijzende rechter van 21 februari 2003. Volgens die uitspraak staat de omstandigheid dat het feit waardoor de heffing verschuldigd wordt, het met een Nederlands vissersvaartuig aanvoeren, in Denemarken heeft plaatsgehad, niet in de weg aan de verschuldigdheid van de heffing. Ingevolge artikel 9 van de Instellingsverordening Productschap Vis kunnen heffingen worden opgelegd naar een grondslag die het productschapsbestuur passend acht. Voorts valt uit die uitspraak op te maken dat de omstandigheid dat de betrokken onderneming, naar zij heeft gesteld, niet profiteert van de activiteiten die uit de heffingsopbrengst worden bekostigd, en reeds heffing in Denemarken heeft betaald, de in geding zijnde heffingen niet hun rechtsgrond ontneemt.
12. Tegen dit besluit heeft Koornstra bij brief van 25 april 2003 beroep ingesteld. Tot staving van het beroep heeft Koornstra met name aangevoerd dat de heffing, voorzover zij is opgelegd over de in Denemarken aangelande garnalen, in strijd is met artikel 25 EG dan wel artikel 90 EG. Volgens Koornstra is ook sprake van schending van de artikelen 25 EG en 90 EG omdat zij tweemaal voor het zeven en kraken heeft betaald, eenmaal aan Dansk Heiploeg en eenmaal aan verweerder. Die dubbele belasting heeft een discriminerend effect in het intracommunautaire handelsverkeer.
13. In de verwijzingsbeschikking wijst het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: „College” of „verwijzende rechter”) om te beginnen erop, dat de bij artikel 2, lid 1, van de financieringsverordening bedoelde heffing (hierna: „litigieuze heffing”) ook bij aanvoer buiten Nederland door ondernemers met een Nederlands vissersvaartuig verschuldigd is, waarbij de grondslag van de heffing de totale hoeveelheid aangevoerde en voor menselijke consumptie verkochte garnalen is.
14. De verwijzende rechter stelt voorts vast dat in het hoofdgeding de aan Koornstra opgelegde heffing voor het heffingsjaar 2000 enkel wordt bestreden voorzover die heffing betrekking heeft op garnalen die in Denemarken zijn aangevoerd en voor menselijke consumptie zijn verkocht.
15. Het College merkt op, dat de litigieuze heffing niet bij of wegens invoer uit een andere lidstaat is opgelegd en ook niet tot discriminatie tussen nationale producten en producten uit de andere lidstaten leidt. Gezien de bestemming van de litigieuze heffing, is echter de verenigbaarheid van die heffing met de artikelen 25 EG en 90 EG niet evident.
16. In dit verband stelt het College vast, dat de opbrengst van de heffing uitsluitend ten goede komt aan de ondernemers met een Nederlands vissersvaartuig die in Nederland garnalen aanvoeren, zonder dat hierbij de oorsprong van de garnalen van belang is. De opbrengst van de heffing komt ook ten goede aan in Nederland aangevoerde buitenlandse garnalen, maar niet aan de in het buitenland aangevoerde Nederlandse garnalen.
17. Volgens de verwijzende rechter kan de heffing een handelsbeperkend effect hebben, voorzover zij ook wordt opgelegd indien garnalen in een andere lidstaat zijn aangevoerd en in deze andere lidstaat voor het zeven en kraken van garnalen is betaald.
18. In die omstandigheden heeft het College besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1. Is een heffing als in geding, die een ondernemer in een lidstaat verschuldigd is over de aanvoer van garnalen met een vissersvaartuig dat in die lidstaat is geregistreerd, en die strekt ter financiering van garnalenzeven en garnalenkrakers in die lidstaat, verenigbaar met het gemeenschapsrecht, in het bijzonder de artikelen 25 en 90 EG, indien die heffing tevens is verschuldigd voor door een dergelijke ondernemer elders in de Gemeenschap aangevoerde garnalen?
2. Maakt het voor de beantwoording van de voorgaande vraag verschil:
a. waar de garnalen zijn gevangen;
b. of de garnalen na aanvoer elders in de Gemeenschap zijn vervoerd naar de lidstaat waar het vissersvaartuig is geregistreerd;
c. of bij aanvoer elders in de Gemeenschap ook aldaar voor het zeven en kraken van de garnalen is betaald?”
IV – De prejudiciële vragen
A – Inleidende opmerkingen
19. De producten waarom het in het hoofdgeding gaat, namelijk garnalen (Crangon crangon), vallen binnen de werkingssfeer van verordening (EEG) nr. 3759/92 van de Raad van 17 december 1992 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur(3) (hierna: „verordening nr. 3759/92”). Volgens artikel 1 van verordening nr. 3759/92 omvat die marktordening een prijsregeling en een regeling van het handelsverkeer alsmede gemeenschappelijke mededingingsregels.
20. Op de grondslag van artikel 2 van verordening nr. 3759/92 zijn gemeenschappelijke handelsnormen vastgesteld bij verordening (EG) nr. 2406/96 van de Raad(4) (hierna: „verordening nr. 2406/96”). Overeenkomstig artikel 3, lid 2, van verordening nr. 2406/96 omvatten die handelsnormen versheidsklassen en grootteklassen.
21. Producten waarvoor handelsnormen zijn vastgesteld, mogen – ongeacht hun oorsprong – alleen in de handel worden gebracht als zij voldoen aan de voorschriften van verordening nr. 2406/96.(5) Volgens artikel 3, lid 1, van verordening nr. 3759/92 moeten de lidstaten de naleving van de handelsnormen waarborgen.
22. De nationale verordening, die de rechtsgrondslag voor de oplegging van de litigieuze heffingen vormt, dient duidelijk om uitvoering te geven aan die bepalingen van gemeenschapsrecht, daar zij de financiering van de kraak‑ en zeefinstallaties voor de verrichting van de controle volgens artikel 3, lid 1, van verordening nr. 3759/92 waarborgt. Alle partijen zijn van mening dat de betrokken nationale verordening de werking van de in het kader van de betrokken gemeenschappelijke marktordening voorziene mechanismen niet verstoort.(6)
23. Verder moet worden vooropgesteld dat de prejudiciële vragen geen betrekking hebben op de verdragsbepalingen inzake staatssteun, hoewel het Hof heeft geoordeeld dat het begrip staatssteun zich niet alleen kan uitstrekken tot bepaalde parafiscale heffingen, naar gelang van het gebruik van de opbrengst van die heffingen(7), maar ook tot de heffing van een bijdrage die een parafiscale heffing vormt.(8) Dit komt kennelijk doordat de betrokken nationale verordening bij de Commissie is aangemeld.
24. In haar schriftelijke opmerkingen heeft de Commissie hierbij uiteengezet dat zij op 10 mei 1999 de betrokken steunregeling verenigbaar met het EG-Verdrag heeft verklaard. Naar eigen zeggen heeft zij voor die beslissing ten onrechte aangenomen dat de heffing enkel geldt voor ondernemingen die met een Nederlands vissersvaartuig garnalen in Nederland aanvoeren en bijgevolg niet voor ondernemingen die met een Nederlands vissersvaartuig garnalen in andere lidstaten aanvoeren. De Commissie stelt derhalve dat zij, indien de toepasselijke rechtssituatie haar bekend was geweest, de betrokken steunregeling onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt had verklaard.
25. Volgens de Commissie evenwel heeft haar beslissing van 10 mei 1999 geen nadelige gevolgen, voorzover volgens de rechtspraak van het Hof „de door de Commissie overeenkomstig de verdragsbepalingen inzake staatssteun verleende toelating voor een algemene belastingregeling voor binnenlandse landbouwproducten [...], zich er geenszins tegen verzet dat de nationale rechterlijke instanties beoordelen of een van deze regeling deel uitmakende heffing als deze in het hoofdgeding, verenigbaar is met artikel [25 EG of artikel 90 EG], met name gelet op de bestemming van de opbrengst ervan”.(9)
26. Uit dit arrest moet derhalve worden afgeleid dat de prejudiciële vragen ongeacht de beslissing van de Commissie inzake staatssteun moeten worden onderzocht.
B – Stand van de rechtspraak betreffende de systematiek van de artikelen 25 EG en 90 EG
1. Voorrang van de artikelen 25 EG en 90 EG
27. De verwijzende rechter refereert in de verwijzingsbeschikking terecht aan de artikelen 25 EG en 90 EG, daar de artikelen 28 EG en 29 EG niet voor parafiscale heffingen gelden, voorzover andere bepalingen van het Verdrag van toepassing zijn, zoals artikel 25 EG inzake heffingen van gelijke werking of artikel 90 EG inzake discriminerende binnenlandse belastingen.
28. Volgens vaste rechtspraak van het Hof omvat namelijk het toepassingsgebied van artikel 28 EG niet dat van de verdragsbepalingen betreffende heffingen van gelijke werking als in‑ of uitvoerrechten (artikel 25 EG), noch dat van de verdragsbepalingen inzake discriminerende binnenlandse belastingen (artikel 90 EG).(10)
29. Voor het verloop van het onderzoek betekent dit dat eerst moet worden onderzocht of een maatregel als die waarover het in het hoofdgeding gaat, binnen de werkingssfeer van artikel 25 EG of artikel 90 EG valt en dat enkel indien deze vraag ontkennend moet worden beantwoord, moet worden nagegaan of de betrokken maatregel binnen de werkingssfeer van artikel 28 EG of artikel 29 EG valt.(11)
2. Werkingssfeer en afbakening van de artikelen 25 EG en 90 EG
30. Volgens artikel 25 EG zijn in‑ en uitvoerrechten of heffingen van gelijke werking tussen de lidstaten verboden. Aangaande de heffingen van gelijke werking herinnert de verwijzende rechter er terecht aan dat volgens vaste rechtspraak van het Hof(12) het desbetreffende verbod betrekking heeft op iedere bij of wegens invoer geheven belasting die bepaaldelijk een ingevoerd product met uitsluiting van het soortgelijke nationale product treft. De verwijzende rechter gaat verder terecht ervan uit dat ook geldelijke lasten die bestemd zijn ter financiering van de activiteiten van een publiekrechtelijk lichaam, heffingen van gelijke werking kunnen opleveren.
31. Gelijk het Hof reeds meermaals heeft geoordeeld, vormt een eenzijdig opgelegde – zij het geringe – geldelijke last, wat de benaming en techniek ervan ook mogen zijn, die bij een grensoverschrijding op nationale of buitenlandse goederen wordt gelegd en geen douanerecht in eigenlijke zin is, een heffing van gelijke werking in de zin van artikel 23 EG.(13)
32. Volgens artikel 90 EG mogen de lidstaten op producten van de overige lidstaten, al dan niet rechtstreeks, geen hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook heffen dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale producten worden geheven. Een last is volgens de rechtspraak geen heffing van gelijke werking als een douanerecht, maar een binnenlandse belasting in de zin van artikel 90 EG, indien hij deel uitmaakt van een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen waardoor groepen producten stelselmatig worden getroffen volgens objectieve, onafhankelijk van de oorsprong of de bestemming van het product toegepaste criteria.(14)
33. In dit verband moet ook worden bedacht, dat volgens vaste rechtspraak de bepalingen betreffende heffingen van gelijke werking en die betreffende discriminerende binnenlandse belastingen niet cumulatief toepasselijk zijn, zodat eenzelfde heffing in het systeem van het Verdrag niet gelijktijdig tot beide categorieën kan behoren.(15)
34. Het lijkt derhalve noodzakelijk de respectieve werkingssfeer van de artikelen 25 EG en 90 EG af te bakenen.
35. De rechtspraak van het Hof verduidelijkt echter de met deze noodzakelijke afbakening gepaard gaande moeilijkheden. Geldelijke lasten, wat de benaming en techniek ervan ook mogen zijn, die bij een grensoverschrijding op goederen worden gelegd en geen douanerecht in eigenlijke zin zijn, vormen weliswaar een heffing van gelijke werking in de zin van de artikelen 23 EG en 25 EG(16), maar dat geldt niet wanneer de last deel uitmaakt van een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen waardoor groepen producten stelselmatig worden getroffen volgens objectieve criteria, die onafhankelijk van de oorsprong van het product worden toegepast, in welk geval de geldelijke last juist binnen de werkingssfeer van artikel 90 EG valt.(17) Als voorbeeld hiervan kan een heffing worden genoemd die wordt toegepast op binnenlandse producten die op de binnenlandse markt worden verwerkt of verhandeld en op producten die in dezelfde handelsfase ongewijzigd worden uitgevoerd, daar het belastbare feit voor beide categorieën van producten hetzelfde is.(18)
36. Met het oog op de juridische kwalificatie van een dergelijke last, zoals bijvoorbeeld ook in het hoofdgeding, moet uit de rechtspraak van het Hof voorts worden afgeleid dat het noodzakelijk kan zijn de bestemming van de opbrengst van de heffing in aanmerking te nemen. In de conclusie bij onder meer het arrest Lornoy e.a. verklaarde advocaat-generaal Tesauro(19), dat een dergelijke inaanmerkingneming „van wezenlijk belang [is] omdat aan de hand daarvan, met terzijdestelling van de louter formele aspecten, kan worden vastgesteld, dat sommige bijdragen die weliswaar op dezelfde wijze over binnenlandse en ingevoerde producten worden geheven, door hun bestemming toch totaal andere gevolgen kunnen hebben voor de twee categorieën producten, zodat zij, naar gelang van de omstandigheden, als heffingen van gelijke werking of als met artikel [90 EG] onverenigbare binnenlandse belastingen moeten worden beschouwd”.(20)
37. Immers, wanneer de opbrengst van een dergelijke belasting bestemd is voor activiteiten waarvan inzonderheid de binnenlandse producten profiteren die op de binnenlandse markt worden verwerkt of verhandeld, kan het resultaat zijn dat de volgens dezelfde criteria opgelegde heffing toch een discriminerende belasting vormt, voorzover de fiscale last op de producten die op de binnenlandse markt worden verwerkt of verhandeld, wordt geneutraliseerd door de voordelen ter financiering waarvan zij is ingesteld, terwijl die op de ongewijzigd uitgevoerde producten een nettobelasting vormt.(21)
38. Uit de rechtspraak volgt dat, wanneer de uit de bestemming van de opbrengst van een belasting voortvloeiende voordelen volledig de last compenseren die bij het in de handel brengen ervan drukt op het binnenlandse product dat op de binnenlandse markt wordt verwerkt of verhandeld, die belasting een met de artikelen 23 EG en 25 EG strijdige heffing van gelijke werking als een douanerecht vormt.(22)(23)
39. Daarentegen is een dergelijke belasting in strijd met het discriminatieverbod van artikel 90 EG, wanneer de uit de bestemming van de opbrengst van de belasting voortvloeiende voordelen voor de belaste binnenlandse producten die op de binnenlandse markt worden verwerkt of verhandeld, de op deze producten drukkende last slechts ten dele compenseren.(24)
40. Ten slotte heeft het Hof erkend dat een last die de tegenprestatie vormt voor een aan een marktdeelnemer, die tot betaling van deze last is gehouden, werkelijk verleende dienst en die evenredig is aan de kosten daarvan, geen heffing van gelijke werking als een douanerecht is.(25)
C – Beoordeling
41. Om te beginnen zij er nogmaals aan herinnerd dat de aan Koornstra opgelegde heffing voor het heffingsjaar 2000 enkel wordt bestreden voorzover die heffing betrekking heeft op garnalen die in Denemarken zijn aangevoerd en voor menselijke consumptie zijn verkocht. Met betrekking tot het ontstaansfeit van de litigieuze heffing moet worden vastgesteld dat de litigieuze heffing wordt toegepast op garnalen wanneer zij met Nederlandse vissersvaartuigen worden aangevoerd, zonder dat de plaats van die aanvoer van belang is.
42. Derhalve moet om te beginnen worden onderzocht of een heffing als de litigieuze heffing een heffing van gelijke werking als een douanerecht is in de zin van de artikelen 23 e.v. EG.
Kwalificatie van de heffing als heffing van gelijke werking
43. De verwijzende rechter is de mening toegedaan dat in casu van een heffing van gelijke werking reeds geen sprake kan zijn omdat de litigieuze heffing niet bij of wegens invoer vanuit een andere lidstaat is opgelegd. Dit is ook het standpunt van de Griekse regering. Ook de Nederlandse regering en het Productschap Vis voeren aan dat de litigieuze heffing zonder onderscheid van toepassing is op garnalen die naar andere lidstaten worden uitgevoerd, en op garnalen die in Nederland worden aangevoerd. Aangezien de heffing niet uitsluitend betrekking heeft op de voor uitvoer bestemde goederen, kan zij niet worden geacht binnen de werkingssfeer van artikel 25 EG te vallen. Hooguit kan de litigieuze heffing een binnenlandse belasting in de zin van artikel 90 EG vormen, die met het Verdrag verenigbaar is omdat zij op dezelfde wijze en in hetzelfde stadium van verhandeling wordt toegepast op garnalen die op het Nederlandse grondgebied worden verwerkt en verhandeld, en op garnalen die naar andere lidstaten worden uitgevoerd.
44. Volgens de informatie van de verwijzende rechter wordt de betrokken heffing uitsluitend opgelegd aan ondernemingen met een Nederlands vissersvaartuig over de door hen aangevoerde en voor menselijke consumptie verkochte garnalen, ongeacht het land van aanvoer en verkoop en ongeacht de bestemming die de koper vervolgens aan de garnalen geeft.
45. Dat aan de verenigbaarheid van de litigieuze heffingsregeling met artikel 25 EG of artikel 90 EG wordt getwijfeld, komt ontegenzeglijk doordat de kring van de heffingsplichtigen – namelijk ondernemingen die garnalen met een Nederlands vissersvaartuig aanvoeren, ongeacht waar – niet samenvalt met de kring van degenen die van de gebruiksmodaliteiten van de opbrengst van die heffing profiteren – namelijk ondernemingen die garnalen in Nederland aanvoeren. Terwijl ondernemingen die garnalen met een vissersvaartuig uit een andere lidstaat in Nederland aanvoeren, de met de opbrengst van de heffing gefinancierde installaties – gratis (daar zij niet heffingsplichtig zijn) – kunnen gebruiken, zijn ondernemingen die garnalen met een Nederlands vissersvaartuig in een andere lidstaat aanvoeren, weliswaar heffingsplichtig maar kunnen zij geen gebruik maken van de met de opbrengst van de heffing bekostigde installaties.
46. De verwijzende rechter gaat ten onrechte ervan uit dat de litigieuze heffing reeds niet als heffing van gelijke werking als een douanerecht kan worden aangemerkt omdat de litigieuze heffing niet bij of wegens invoer uit een andere lidstaat is opgelegd. Van belang is integendeel of de betrokken heffing de handel binnen de interne markt belemmert.(26) Een dergelijke belemmering kan volgens de aangehaalde rechtspraak(27) voortvloeien uit het feit dat een nationale maatregel een geldelijke last tot gevolg heeft, die „wegens een grensoverschrijding wordt opgelegd”.(28) De vraag of de in het hoofdgeding bestreden heffing een dergelijke geldelijke last tot gevolg heeft, moet echter overeenkomstig de hierboven aangehaalde rechtspraak niet alleen aan de hand van de voorschriften betreffende de toepassing van de heffing maar ook aan de hand van die betreffende de bestemming van de opbrengst van de betrokken heffing worden onderzocht.
47. In casu moet derhalve worden onderzocht of de litigieuze heffing een specifieke geldelijke last betekent voor die ondernemingen die hun garnalen met een Nederlands vissersvaartuig uitvoeren.(29)
48. Dienaangaande merkt de Commissie op dat de litigieuze heffing extra drukt op de uitvoer van garnalen met een Nederlands vissersvaartuig daar de aanvoer als belastbaar feit tot een heffing leidt, zonder dat de betrokken onderneming echter gebruik kan maken van de met de opbrengst gefinancierde installaties. De Griekse regering is daarentegen van mening dat het daadwerkelijk gebruik van de zeef‑ en kraakapparatuur niet van belang is, daar de beschikbaarstelling van die installaties reeds een dienst is.
49. In het hoofdgeding en in haar schriftelijke opmerkingen heeft Koornstra betoogd, dat die heffingsplicht zonder tegenprestatie tot een dubbele belasting leidt, daar voor het gebruik van een overeenkomstige installatie in Denemarken zelf een vergoeding moet worden betaald. Het dossier geeft evenwel geen uitsluitsel over de aard van die Deense vergoedingsregeling.
50. De vraag van een eventuele dubbele belastingheffing lijkt echter irrelevant: De Commissie heeft in dit verband terecht verwezen naar de rechtspraak van het Hof(30), waarin het heet dat „het gemeenschapsrecht in zijn huidige stand geen bepaling bevat die beoogt de gevolgen van een dubbele belasting te verbieden in geval van heffingen als die in hoofdgeding, die onder autonome nationale wettelijke regelingen vallen, en dat de afschaffing van dergelijke gevolgen weliswaar in het belang van het vrije goederenverkeer wenselijk is, doch slechts het resultaat kan zijn van de harmonisatie van de nationale stelsels”.
51. Met betrekking tot de gevolgen van de litigieuze heffing heeft de verwijzende rechter ook nog de vraag van de oorsprong van de onder de betrokken nationale regeling vallende producten opgeworpen. De litigieuze heffingsregeling maakt voor de toepassing van de heffing onderscheid naar de vlag van het betrokken vissersvaartuig – doch niet naar de oorsprong van de garnalen.
52. De bepaling van de oorsprong van de garnalen lijkt in de onderhavige procedure problemen op te leveren. In de verwijzingsbeschikking speelt de verwijzende rechter met de gedachte zich te beroepen op artikel 23 van het douanewetboek, wat de Nederlandse regering in haar schriftelijke opmerkingen afwijst met het argument dat het douanewetboek niet van toepassing is op het handelsverkeer tussen de lidstaten.
53. Wordt nu als basisprincipe van de in het douanewetboek gegeven definitie van de oorsprong uitgegaan, dan levert dat voor het onderhavige geval de volgende situatie op: garnalen die met een Nederlands vissersvaartuig worden aangevoerd, zijn volgens artikel 23, lid 2, van het douanewetboek goederen van oorsprong uit Nederland indien zij buiten de territoriale zee van een land (sub f) of in Nederlandse wateren (sub e) zijn gewonnen. Werden de garnalen daarentegen in de wateren van een andere lidstaat gevangen, dan gelden zij als goederen van oorsprong uit die lidstaat.
54. Indien deze beginselen op het hoofdgeding worden toegepast, moet worden vastgesteld dat de litigieuze heffing in geval van aanvoer van de garnalen in Nederland buitenlandse garnalen voortrekt voorzover zij deze enkel aan de heffing onderwerpt, wanneer zij zich aan boord van een Nederlands vissersvaartuig bevinden, terwijl Nederlandse garnalen enkel dan niet aan de heffing onderworpen zijn wanneer zij met een buitenlands vissersvaartuig worden aangeland.
55. Het lijkt evenwel twijfelachtig of een beroep op artikel 23 van het douanewetboek moet worden gedaan. Het bezwaar van de Nederlandse regering lijkt namelijk gerechtvaardigd voorzover de oorsprong van een goed in het intracommunautaire goederenverkeer in beginsel niet doorslaggevend is. Het door artikel 23, lid 2, van het douanewetboek gemaakte onderscheid strookt niet met de beginselen van het gemeenschappelijk visserijbeleid volgens welke producten die met een vissersvaartuig uit een bepaalde lidstaat worden aangevoerd, aan die lidstaat worden toegerekend. Bijgevolg lijkt het met het oog op het hoofdgeding aangewezen, niet naar de daadwerkelijke plaats van de garnalenvangst te onderscheiden, en derhalve garnalen op een Nederlands vissersvaartuig als Nederlandse garnalen te beschouwen.
56. Van deze veronderstelling uitgaand, moet worden vastgesteld dat de litigieuze heffing wordt toegepast op zowel Nederlandse garnalen die in Nederland, alsook op Nederlandse garnalen die elders worden aangevoerd. Van de bestemming van de opbrengst van de litigieuze heffing profiteren echter enkel – Nederlandse of buitenlandse – garnalen die in Nederland werden aangeland.(31)
57. De inaanmerkingneming van de bestemming van de opbrengst van de heffing, die volgens de rechtspraak geboden is, leidt derhalve tot de vaststelling dat de litigieuze regeling met betrekking tot met Nederlandse vissersvaartuigen uitgevoerde garnalen tot een geldelijke last voor de betrokken onderneming leidt, daar deze weliswaar heffingsplichtig is, maar niet profiteert van de opbrengst van de heffing, zodat in dat geval geen sprake is van een compensatie van de last als gevolg van de heffing door de uit de financiering voortvloeiende voordelen. Anders dan de Griekse regering stelt, is het irrelevant of de met de opbrengst van de litigieuze heffing bekostigde installaties beschikbaar zijn, daar die installaties dienen tot naleving van een op de betrokken lidstaat rustende controleplicht. In dat licht kan de naleving van een dergelijke controleplicht nauwelijks als „dienstverrichting” worden beschouwd.
58. De litigieuze heffing heeft derhalve een handelsbeperkend effect, daar zij ook wordt opgelegd wanneer garnalen met een Nederlands vissersvaartuig in een andere lidstaat worden aangevoerd. De vraag of in die andere lidstaat voor het zeven en kraken van garnalen wordt betaald, lijkt in dit verband irrelevant.(32)
59. Derhalve moet worden vastgesteld dat een heffing als thans in geding, die een ondernemer in een lidstaat verschuldigd is over de aanvoer van garnalen met een vissersvaartuig dat in die lidstaat is geregistreerd, en die strekt ter financiering van garnalenzeven en garnalenkrakers in die lidstaat, niet verenigbaar is met het gemeenschapsrecht, in het bijzonder artikel 25 EG, indien die heffing tevens is verschuldigd voor garnalen die niet in die lidstaat worden aangevoerd.
Die vaststelling geldt ongeacht waar de garnalen zijn gevangen, of zij na de aanvoer elders in de Gemeenschap naar die lidstaat worden vervoerd, dan wel of bij aanvoer elders in de Gemeenschap ook aldaar voor het zeven en kraken van de garnalen is betaald.
60. Derhalve behoeft niet meer te worden onderzocht of de litigieuze heffing als discriminerende binnenlandse belasting moet worden aangemerkt.
V – Conclusie
61. Gelet op een en ander, geef ik het Hof derhalve in overweging de prejudiciële vragen van het College te beantwoorden als volgt:
„Een heffing als thans in geding, die een ondernemer in een lidstaat verschuldigd is over de aanvoer van garnalen met een vissersvaartuig dat in die lidstaat is geregistreerd, en die strekt ter financiering van garnalenzeven en garnalenkrakers in die lidstaat, is niet verenigbaar met het gemeenschapsrecht, in het bijzonder artikel 25 EG, indien die heffing tevens is verschuldigd voor door een dergelijke ondernemer elders in de Gemeenschap aangevoerde garnalen.
Die vaststelling geldt ongeacht waar de garnalen zijn gevangen, of zij na de aanvoer elders in de Gemeenschap naar die lidstaat worden vervoerd, dan wel of bij aanvoer elders in de Gemeenschap ook aldaar voor het zeven en kraken van de garnalen is betaald.”
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – Verordening van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1) (hierna: „douanewetboek”).
3 – PB L 388, blz. 1.
4 – Verordening van 26 november 1996 houdende vaststelling van gemeenschappelijke handelsnormen voor bepaalde visserijproducten (PB L 334, blz. 1).
5 – Zie artikel 2, lid 1, van verordening nr. 2406/96.
6 – Zie voor de rechtspraak van het Hof ter zake, onder meer arrest van 13 december 1983, Apple and Pear Development Council (222/82, Jurispr. blz. 4083, punt 31).
7 – Zie onder meer arrest van 16 december 1992, Lornoy e.a. (C-17/91, Jurispr. blz. I-6523, punt 28).
8 – Zie arresten van 27 oktober 1993, Scharbatke (C‑72/92, Jurispr. blz. I‑5509, punt 20), en 27 november 2003, Enirisorse (C‑34/01–C‑38/01, Jurispr. blz. I‑14243, punt 43).
9 – Arrest van 23 april 2002, Nygård (C-234/99, Jurispr. blz. I-3657, punt 64).
10 – Zie in die zin onder meer arresten van 22 maart 1977, Iannelli & Volpi (74/76, Jurispr. blz. 557, punt 9); 11 maart 1992, Compagnie commerciale de l’Ouest e.a. (C-78/90–C-83/90, Jurispr. blz. I-1847, punt 20), en arresten Lornoy e.a. (aangehaald in voetnoot 7, punt 14), en Enirisorse (aangehaald in voetnoot 8, punt 56).
11 – Zie ook de arresten Lornoy e.a. (aangehaald in voetnoot 7, punt 15), en Enirisorse (aangehaald in voetnoot 8, punt 57).
12 – Zie onder meer arrest van 11 juni 1992, Sanders (C-149/91 en C-150/91, Jurispr. blz. I-3899, punt 15).
13 – Arrest van 9 september 2004, Carbonati Apuani (C-72/03, Jurispr. blz. I-8027, punt 20), met verwijzing naar de arresten van 9 november 1983, Commissie/Denemarken, (158/82, Jurispr. blz. 3573, punt 18); 16 juli 1992, Legros e.a. (C-163/90, Jurispr. blz. I-4625, punt 13); 22 juni 1994, Deutsches Milch-Kontor (C‑426/92, Jurispr. blz. I-2757, punt 50); 14 september 1995, Simitzi, C-485/93 en C-486/93, Jurispr. blz. I-2655, punt 15), en 17 september 1997, UCAL (C‑347/95, Jurispr. blz. I-4911, punt 18). Het verbod van heffingen van gelijke werking als douanerechten volgt uit zowel artikel 23 EG als artikel 25 EG.
14 – Arrest Carbonati Apuani (aangehaald in voetnoot 13, punt. 17), onder verwijzing naar het arrest van 3 februari 1981, Commissie/Frankrijk (90/79, Jurispr. blz. 283, punt 14), en arrest Legros e.a. (aangehaald in voetnoot 13, punt 11).
15 – Zie onder meer arrest UCAL (aangehaald in voetnoot 13, punt. 17); arrest van 2 april 1998, Outokumpu (C-213/96, Jurispr. blz. I-1777, punt 19), en arrest Nygård (aangehaald in voetnoot 9, punt 17).
16 – Zie hierboven, punt 30. Zie verder arrest van 17 juli 1997, Haahr Petroleum (C-90/94, Jurispr. blz. I‑4085, punt 20), en arrest Outokumpu (aangehaald in voetnoot 15, punt 20).
17 – Zie hierboven, punt 32.
18 – Arrest Nygård (aangehaald in voetnoot 9, punt 20). In dit arrest verwijst het Hof bij wijze van analogie naar de arresten Sanders (aangehaald in voetnoot 12, punt 17), en Outokumpu (aangehaald in voetnoot 15, punt 24), die echter betrekking hadden op heffingen die zowel op binnenlandse als ook op in gevoerde producten werden toegepast.
19 – Conclusies van advocaat-generaal Tesauro van 25 juni 1992 in de zaken C‑17/91, C‑144/91, C‑145/91 en C‑114/91 (arrest aangehaald in voetnoot 7).
20 – Gezien de door het Hof met name in het arrest Nygård (aangehaald in voetnoot 9) erkende analogie tussen de kwalificatie als heffing van gelijke werking als invoerrechten en die als heffing van gelijke werking als uitvoerrechten, lijkt die gedachte ook op de litigieuze heffing te kunnen worden toegepast, voorzover het gaat om de kwalificatie daarvan als heffing van gelijke werking als uitvoerrechten respectievelijk als discriminerende binnenlandse belasting.
21 – Arrest Nygård (aangehaald in voetnoot 9, punt 22). Zoals reeds in voetnoot 18 aangegeven, verwijst dit arrest bij wijze van analogie naar het arrest van 21 mei 1980, Commissie/Italië (73/79, Jurispr. blz. 1533, punt 15); arrest Compagnie commerciale de l’Ouest e.a. (aangehaald in voetnoot 10, punt 26), en arrest UCAL (aangehaald in voetnoot 8, punt 21).
22 – Arrest Nygård (aangehaald in voetnoot 9, punt 23), met verwijzing naar arrest Compagnie commerciale de l’Ouest e.a. (aangehaald in voetnoot 10, punt 27); arrest Lornoy e.a. (aangehaald in voetnoot 7, punt 21), en arrest Scharbatke (aangehaald in voetnoot 8, punt 10).
23 – Het Hof had voordien – zie bijvoorbeeld arrest van 18 juni 1975, IGAV (94/74, Jurispr. blz. 699), en arrest Compagnie commerciale de l’Ouest e.a. (aangehaald in voetnoot 10), alsmede arresten van 19 juni 1973, Capolongo (77/72, Jurispr. blz. 61); 22 maart 1977, Steinike (78/76, Jurispr. blz. 595); 25 mei 1977, Cucchi (77/76, Jurispr. blz. 987); 25 mei 1977, Interzuccheri (105/76, Jurispr. blz. 1029); arrest Commissie/Italië (aangehaald in voetnoot 21), en arrest van 28 januari 1981, Kortmann (32/80, Jurispr. blz. 251) – dezelfde gedachtegang gevolgd met betrekking tot de vergelijking tussen de behandeling van binnenlandse en ingevoerde producten.
24 – Arrest Nygård (aangehaald in voetnoot 9, punt 23), met verwijzing naar arrest UCAL (aangehaald in voetnoot 13, punt 22).
25 – Arrest van 26 februari 1975, Cadsky (63/74, Jurispr. blz. 281, punt 8); arrest Commissie/Denemarken (aangehaald in voetnoot 13), punt 19; arrest van 14 april 1999, CRT France International, Jurispr. blz. I-2237, punt 17), en arrest Carbonati Apuani (aangehaald in voetnoot 13), punt 31.
26 – Arrest Carbonati Apuani (aangehaald in voetnoot 13, punt 28).
27 – Zie hierboven punten 35 e.v.
28 – Arrest Carbonati Apuani (aangehaald in voetnoot 13, punt 22).
29 – Wat in Nederland aangevoerde garnalen betreft, leidt de litigieuze heffing hooguit tot een discriminatie van eigen onderdanen, voorzover de met de opbrengst van de heffing bekostigde installaties voor garnalen ook dienen voor de controle van garnalen die met een ander dan een Nederlands vissersvaartuig in Nederland worden aangevoerd, zonder dat hierbij in een heffingsplicht werd voorzien. Op dit aspect behoeft echter niet te worden ingegaan daar het hoofdgeding enkel betrekking heeft op garnalen die met een Nederlands vissersvaartuig in een andere lidstaat – in casu Denemarken – worden aangevoerd.
30 – Arrest Nygård (aangehaald in voetnoot 9, punt 38).
31 – Zie hiervoor ook de verwijzingsbeschikking: „[...] de opbrengst van de heffing [komt] uitsluitend ten goede aan door ondernemers met een Nederlands vissersvaartuig in Nederland aangevoerde garnalen, overigens ongeacht de oorsprong van de garnalen”, en „[…] de opbrengst van de heffing [komt] ook ten goede […] aan in Nederland aangevoerde buitenlandse garnalen en niet aan in het buitenland aangevoerde Nederlandse garnalen”.
32 – In het hoofdgeding was dat wel het geval. Volgens de verwijzende rechter werden de betrokken kosten meegerekend in de prijs die Koornstra voor de verkoop van de garnalen in Denemarken van de firma Dansk Heiploeg heeft gekregen.
Full & Egal Universal Law Academy