Zaak C‑42/04
Maatschap J. B. en R. A. M. Elshof
tegen
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
(verzoek van het College van Beroep voor het bedrijfsleven om een prejudiciële beslissing)
„Mond‑ en klauwzeer – Verordening (EG) nr. 1046/2001 – Toekenning van steun bij levering van dieren ter destructie – Maximale steun vastgesteld op basis van gemiddeld gewicht van dieren per partij”
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 12 mei 2005
Samenvatting van het arrest
Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Varkensvlees – Rundvlees – Buitengewone maatregelen ter ondersteuning van door epizoötie getroffen markt – Steun voor levering van kalveren ter destructie – Maximale steun uitgedrukt in gemiddeld gewicht in kilo per partij – Begrip „partij” – Autonome uitlegging
(Verordening nr. 1046/2001 van de Commissie, art. 4, lid 3)
Verordening nr. 1046/2001 tot vaststelling van buitengewone maatregelen ter ondersteuning van de markt in de sectoren varkensvlees en kalfsvlees in Nederland, verwijst niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten voor de vaststelling van de betekenis en draagwijdte van het begrip „partij” als bedoeld in artikel 4, lid 3, daarvan, waarin het steunplafond voor de producenten voor het leveren van kalveren afkomstig uit de door de epizoötie getroffen gebieden is vastgesteld door dit in gemiddeld gewicht in kilo per partij uit te drukken. Het gaat dus om een autonoom gemeenschapsrechtelijk begrip dat onder inaanmerkingneming van de context van dat artikel en van het doel van de betrokken verordening moet worden uitgelegd.
Bijgevolg heeft het begrip „partij” in de zin van genoemd artikel 4, lid 3, betrekking op alle kalveren die door een producent op één dag in het kader van één verkoophandeling ter destructie zijn geleverd.
(cf. punten 22‑23, 37 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
12 mei 2005 (*)
„Mond‑ en klauwzeer – Verordening (EG) nr. 1046/2001 – Toekenning van steun bij levering van dieren ter destructie – Steunplafond vastgesteld op basis van gemiddeld gewicht van dieren per partij”
In zaak C‑42/04,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het College van Beroep voor het bedrijfsleven (Nederland) bij beslissing van 23 januari 2004, ingekomen bij het Hof op 3 februari 2004, in de procedure
Maatschap J. B. en R. A. M. Elshof
tegen
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts (rapporteur), kamerpresident, N. Colneric en E. Levits, rechters,
advocaat-generaal: M. Poiares Maduro,
griffier: M.‑F. Contet, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 10 maart 2005,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
– Maatschap J. B. en R. A. M. Elshof, vertegenwoordigd door A. B. Zwierstra, ingenieur,
– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door H. G. Sevenster en S. Terstal als gemachtigden,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door T. van Rijn en A. Nijenhuis als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van het begrip „partij” in artikel 4, lid 3, van verordening (EG) nr. 1046/2001 van de Commissie van 30 mei 2001 tot vaststelling van buitengewone maatregelen ter ondersteuning van de markt in de sectoren varkensvlees en kalfsvlees in Nederland (PB L 145, blz. 31).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Maatschap J. B. en R. A. M. Elshof (hierna: „Elshof”) en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, over de hoogte van de aan Elshof toegekende steun voor een levering kalveren ter destructie.
Toepasselijke bepalingen
Bepalingen van gemeenschapsrecht
3 Bij verordening nr. 1046/2001 zijn buitengewone ondersteuningsmaatregelen vastgesteld vanwege het uitbreken van mond‑ en klauwzeer in Nederland. Een van deze maatregelen bestaat in het geven van subsidie aan de producenten voor het leveren van kalveren afkomstig uit de door de epizoötie getroffen gebieden, teneinde te worden vernietigd.
4 Artikel 1, lid 3, van deze verordening bepaalt:
„Met ingang van 27 april 2001 kan aan producenten die hierom verzoeken, door de Nederlandse bevoegde autoriteiten steun worden verleend voor de levering aan deze autoriteiten van minder dan twaalf maanden oude kalveren van GN-code 0102 90.”
5 Artikel 2 van deze verordening luidt:
„Voor de bedoelde leveringen komen alleen levende dieren in aanmerking die zijn gehouden in de [door de epizoötie getroffen gebieden], voorzover op de dag van levering van de dieren de door de Nederlandse autoriteiten vastgestelde veterinaire bepalingen in die gebieden van toepassing zijn, de dieren niet zijn gevaccineerd tegen mond‑ en klauwzeer en op voorwaarde dat op de dag van de levering het afvoeren van de dieren van het bedrijf naar het slachthuis overeenkomstig het bepaalde in artikel 9, leden 2 en 3, van richtlijn 85/511/EEG niet is toegestaan.”
6 Artikel 3 van verordening nr. 1046/2001 luidt als volgt:
„De dieren worden op de dag van levering gewogen en geslacht, waarbij erop moet worden toegezien dat de epizoötie zich niet verder kan verspreiden.
Zij worden onverwijld naar een destructiebedrijf vervoerd [...]
De dieren mogen echter worden vervoerd naar een slachthuis waar zij onmiddellijk worden geslacht en mogen vóór het vervoer naar een destructiebedrijf in een vries‑ of koelhuis worden opgeslagen. Met betrekking tot het slachten en opslaan gelden de bepalingen van bijlage II.
[...]”
7 Artikel 4, lid 3, van genoemde verordening stelt de hoogte van de steun vast in de volgende bewoordingen:
„De in artikel 1, lid 3, bedoelde steun voor kalveren bedraagt, af bedrijf, 200 EUR per 100 kg levend gewicht. Voor kalveren met, voor de partij, een gemiddeld gewicht van meer dan 260 kg per dier, kan de steun niet meer bedragen dan de steun voor kalveren met, voor de partij, een gemiddeld gewicht van 260 kg per dier.”
8 Overeenkomstig bijlage II, punt 1, bij verordening nr. 1046/2001 „worden de dieren op de dag van levering per vracht gewogen en geslacht in een speciaal daartoe aangewezen slachthuis”.
Bepalingen van nationaal recht
9 Artikel 1 van de regeling subsidie opkoop in beschermings‑ en toezichtsgebieden MKZ (Stcrt. 2001, 82) zoals gewijzigd bij besluit van 14 mei 2001 (Stcrt. 2001, 93; hierna: „opkoopregeling”), die op 27 april 2001 in werking is getreden, bepaalt:
„In deze regeling wordt verstaan onder:
[...]
n. partij: vleeskalveren, [...] die met één transportmiddel van één landbouwbedrijf worden afgevoerd.”
10 Artikel 2 van deze regeling luidt:
„De Minister verstrekt op aanvraag met inachtneming van de volgende bepalingen een subsidie voor de opkoop ter destructie van vleeskalveren [...]”
11 Artikel 5, lid 1, van deze regeling bepaalt:
„De subsidie voor opkoop ter destructie bedraagt voor vleeskalveren als bedoeld in artikel 3, tweede lid, 440,74 NLG [200 EUR] per 100 kilogram levend gewicht, met een maximum van een per partij gemiddeld gewicht van 260 kilogram per dier.”
De feiten en de prejudiciële vraag
12 Op 12 mei 2001 heeft Elshof 257 vleeskalveren ter destructie geleverd. Deze kalveren zijn met 4 vrachtwagens afgevoerd en per vrachtwagenlading gewogen.
13 De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft op 29 juni 2001 vier besluiten vastgesteld, een voor elke lading kalveren. Bij elk van deze besluiten heeft hij Elshof steun toegekend voor enkel de betrokken lading. Hij stond immers op het standpunt dat elke lading overeenkomstig de opkoopregeling een afzonderlijke partij vormde.
14 Tegen elk van deze vier besluiten heeft Elshof op 7 augustus 2001 een bezwaarschrift ingediend. Elshof meende dat alle dieren die op dezelfde dag vanaf het bedrijf waren vervoerd, als één partij, en niet als vier afzonderlijke partijen moesten worden aangemerkt. Elshof zou aldus recht hebben op 32 563 EUR meer subsidie dan zij heeft ontvangen.
15 Bij besluiten van 2 november 2001 heeft de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de bezwaarschriften afgewezen onder verwijzing naar de definitie van het begrip „partij” in de opkoopregeling.
16 Elshof heeft tegen deze afwijzende besluiten beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, dat wenst te vernemen of het begrip „partij” in de opkoopregeling verenigbaar is met dat in artikel 4, lid 3, van verordening nr. 1046/2001, gelezen in samenhang met het begrip „vracht” in bijlage II, punt 1, bij die verordening.
17 In die omstandigheden heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken over de volgende vraag:
„Heeft het begrip ‚partij’ in artikel 4, lid 3, van verordening (EG) nr. 1046/2001 dezelfde betekenis als het begrip ‚vracht’ in punt 1 van bijlage II bij deze verordening of dient onder ‚partij’ te worden verstaan: alle dieren die door een landbouwbedrijf op één dag dan wel op grond van één beslissing tot opkoop zijn geleverd ter destructie?”
De prejudiciële vraag
18 De Nederlandse regering merkt op dat verordening nr. 1046/2001 noch andere communautaire regelgeving een precieze definitie geeft van het begrip „partij” in artikel 4, lid 3, van deze verordening. Bij gebreke van een communautaire definitie zijn de lidstaten bevoegd om dit begrip nader in te vullen en kunnen zij daaraan dezelfde betekenis geven als aan het begrip „vracht” in bijlage II, punt 1, bij deze verordening.
19 De Commissie betoogt dat het begrip „partij”, gelet op het doel van verordening nr. 1046/2001, die beoogt de desastreuze economische gevolgen voor de kalverenproducenten van de maatregelen ter bestrijding van mond‑ en klauwzeer te verminderen, moet worden uitgelegd als alle dieren die door een landbouwbedrijf in het kader van één opkoopbeslissing op één dag ter destructie zijn geleverd.
20 In dit verband zij in de eerste plaats in herinnering gebracht dat artikel 1, lid 3, van genoemde verordening bepaalt dat steun kan worden verleend „voor de levering [...] van [...] kalveren”. Deze steun bedraagt overeenkomstig artikel 4, lid 3, van deze verordening „200 EUR per 100 kg levend gewicht”, ongeacht het aantal geleverde dieren en het individuele gewicht van deze dieren.
21 Blijkens de verschillende verwijzingen naar de „dag van levering” in de artikelen 2 en 3 van verordening nr. 1046/2001 bestaat een levering die voor steun in aanmerking komt, uit alle kalveren die op één dag worden geleverd.
22 Artikel 4, lid 3, van deze verordening stelt het steunplafond vast dat is uitgedrukt in gemiddeld gewicht in kilo per partij. Volgens dit voorschrift „kan voor kalveren met, voor de partij, een gemiddeld gewicht van meer dan 260 kg per dier, de steun niet meer bedragen dan de steun voor kalveren met, voor de partij, een gemiddeld gewicht van 260 kg per dier”.
23 Verordening nr. 1046/2001 verwijst voor de vaststelling van de betekenis en draagwijdte van het begrip „partij” niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten. Het gaat om een autonoom gemeenschapsrechtelijk begrip dat onder inaanmerkingneming van de context van artikel 4, lid 3, van verordening nr. 1046/2001 en van het doel van deze verordening moet worden uitgelegd (zie in die zin arresten van 18 januari 1984, Ekro, 327/82, Jurispr. blz. 107, punt 11; 19 september 2000, Linster, C‑287/98, Jurispr. blz. I‑6917, punt 43, en 27 februari 2003, Adolf Truley, C‑373/00, Jurispr. blz. I‑1931, punt 35).
24 De Nederlandse regering meent in dit opzicht dat het begrip „partij” in artikel 4, lid 3, van verordening nr. 1046/2001 mag worden gelijkgesteld aan het begrip „vracht” in bijlage II, punt 1, bij deze verordening.
25 Een letterlijke uitlegging van genoemd begrip „partij” verzet zich echter tegen de uitlegging van deze regering. Een partij wordt in het algemeen immers opgevat als een geheel van bij elkaar horende artikelen die niet afzonderlijk worden verkocht. Dat artikelen in verschillende ladingen worden geleverd staat er dus niet aan in de weg dat zij als partij worden aangemerkt mits de artikelen als één geheel zijn verkocht.
26 Dat de gemeenschapswetgever in verordening nr. 1046/2001 de twee begrippen „partij” en „vracht” gebruikt in respectievelijk artikel 4, lid 3, en bijlage II, punt 1, van deze verordening, bevestigt bovendien dat deze twee begrippen niet dezelfde betekenis hebben.
27 Aangezien, blijkens punt 21 van dit arrest, in de context van deze verordening een levering van kalveren die voor steun in aanmerking komt, bestaat uit alle kalveren die op één dag worden geleverd, moet dus onder het begrip „partij” in artikel 4, lid 3, van deze verordening worden verstaan alle kalveren die door een producent in het kader van één verkoophandeling op één dag ter destructie zijn geleverd.
28 In de tweede plaats dient te worden onderzocht of deze letterlijke uitlegging van het begrip „partij” strookt met het doel van verordening nr. 1046/2001.
29 In dit verband zij eraan herinnerd, dat het doel van deze verordening niet alleen is dat de verspreiding van de mond‑ en klauwzeerziekte wordt voorkomen, maar tevens dat financiële steun wordt geboden aan de producenten in de door de epizoötie getroffen gebieden.
30 Blijkens de stukken heeft Elshof wegens de gelijkstelling van de begrippen „partij” en „vracht” in de opkoopregeling, voor de vier ladingen kalveren die op één dag zijn geleverd 101 077 EUR aan steun ontvangen. Zouden de kalveren in één vrachtwagen zijn geladen, dan had Elshof 133 640 EUR aan steun ontvangen, omdat de geleverde dieren in dat geval overeenkomstig artikel 1 van de opkoopregeling als één partij zouden zijn aangemerkt.
31 De gelijkstelling van het begrip „partij” met „vracht”, zoals bij de toepassing van de opkoopregeling gebeurt, heeft dus tot gevolg dat het voor de levering van de dieren gekozen transportmiddel aanzienlijke invloed kan hebben op de hoogte van de steun die de producent ontvangt, terwijl overeenkomstig verordening nr. 1046/2001 alleen het gewicht van de op één dag geleverde kalveren beslissend zou moeten zijn.
32 Wordt daarentegen een letterlijke uitlegging van het begrip „partij” gekozen, dan kan het door de producent gekozen transportmiddel geen invloed hebben op de hoogte van de steun. Met deze uitlegging wordt de verwezenlijking van de doelstelling van verordening nr. 1046/2001 dus het best gediend.
33 De Nederlandse regering merkt voorts op dat in het kader van de goedkeuringsprocedure betreffende de tenuitvoerlegging van de steun die was toegekend op basis van artikel 4, lid 4, van verordening (EG) nr. 413/97 van de Commissie van 3 maart 1997 tot vaststelling van buitengewone maatregelen ter ondersteuning van de markt in de sector varkensvlees in Nederland (PB L 62, blz. 26), welke procedure tot het arrest van 24 februari 2005, Nederland/Commissie (C‑318/02, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), heeft geleid, de uitlegging van het begrip „partij” inhoudende dat dit begrip betrekking heeft op alle geleverde dieren die op één dag van één producent afkomstig zijn, uitdrukkelijk is afgewezen.
34 Vastgesteld zij echter dat artikel 4, lid 4, van verordening nr. 413/97 de betrokken dieren, te weten biggen, op basis van hun gewicht indeelde in verschillende categorieën, waarvoor verschillende steuntarieven golden. Deze verordening verwees weliswaar naar het gemiddelde gewicht per partij voor de vaststelling van elke categorie dieren en de daarvoor geldende steun, doch zij bedoelde in feite steun toe te kennen voor de dieren op basis van het individuele gewicht ervan (zie arrest Nederland/Commissie, reeds aangehaald, punten 89‑91).
35 Daarentegen zijn bij verordening nr. 1046/2001 geen verschillende steuntarieven ingevoerd voor verschillende categorieën kalveren. Zoals immers in punt 20 van het onderhavige arrest is opgemerkt, bedraagt de steun „200 EUR per 100 kg levend gewicht”, ongeacht het individuele gewicht van de kalveren.
36 Daaruit volgt dat een letterlijke uitlegging van het begrip „partij” in artikel 4, lid 3, van verordening nr. 1046/2001, anders dan bij verordening nr. 413/97, niet het gevaar oplevert dat de producent in een te hoog steuntarief valt voor de categorie ter destructie geleverde dieren.
37 Uit een en ander volgt dat het begrip „partij” in de zin van artikel 4, lid 3, van verordening nr. 1046/2001 betrekking heeft op alle kalveren die door een producent op één dag in het kader van één verkoophandeling ter destructie zijn geleverd.
Kosten
38 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Vierde kamer) verklaart voor recht:
Het begrip „partij” in de zin van artikel 4, lid 3, van verordening (EG) nr. 1046/2001 van de Commissie van 30 mei 2001 tot vaststelling van buitengewone maatregelen ter ondersteuning van de markt in de sectoren varkensvlees en kalfsvlees in Nederland, heeft betrekking op alle kalveren die door een producent op één dag in het kader van één verkoophandeling ter destructie zijn geleverd.
ondertekeningen
* Procestaal: Nederlands.
Full & Egal Universal Law Academy