Zaak C‑64/04
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland
„Niet-nakoming – Visvergunningen – Verordening (EG) nr. 3690/93 – Vaartuigen Cleopatra en Ocean Quest – Definitieve overbrenging daarvan naar Argentinië”
Conclusie van advocaat-generaal J. Kokott, zie zaak C‑34/04, blz. I‑0000, fasc. 2007‑2
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 29 maart 2007
Samenvatting van het arrest
1. Visserij – Gemeenschappelijk structuurbeleid – Communautair stelsel van visvergunningen
(Verordeningen van de Raad nr. 3690/93, art. 5, en nr. 3699/93, art. 8)
2. Visserij – Gemeenschappelijk structuurbeleid – Communautair stelsel van visvergunningen
(Verordeningen van de Raad nr. 3690/93, art. 5, en nr. 3699/93, art. 8)
1. Het begrip „definitief buiten bedrijf stellen” van vaartuigen wordt niet gedefinieerd in artikel 5 van verordening nr. 3690/93 tot invoering van een communautair stelsel van regels voor de minimuminformatie die visvergunningen moeten bevatten, en evenmin in die verordening als zodanig. Daarentegen wordt het begrip „maatregel voor definitieve beëindiging” van de visserijactiviteiten van een vaartuig omschreven in verordening nr. 3699/93 tot vaststelling van de criteria en voorwaarden voor de structurele bijstand van de Gemeenschap in de sector visserij/aquacultuur en verwerking/afzet van de producten daarvan, meer bepaald in artikel 8, lid 2, daarvan. Volgens deze bepaling kunnen de maatregelen voor definitieve beëindiging van de visserijactiviteiten van een vaartuig met name bestaan in de definitieve overbrenging van het vaartuig naar een derde land, mits deze overbrenging niet als een inbreuk op het internationale recht en op de instandhouding en het beheer van de visstand kan gelden.
Ofschoon de twee verordeningen dus een verschillende doelstelling hebben, rechtvaardigt niets de slotsom dat bedoelde definitie enkel geldt voor verordening nr. 3699/93 en dat zij niet kan worden gebruikt in het kader van andere instrumenten van afgeleid recht op het gebied van het visserijbeleid. Bovendien is verordening nr. 3699/93, die dat begrip omschrijft, na verordening nr. 3690/93 vastgesteld en heeft de gemeenschapswetgever dan ook welbewust gekozen voor een gelijkwaardige uitdrukking als die welke reeds in verordening nr. 3690/93 voorkwam.
Niets verzet zich dus ertegen dat deze definitie kan worden gebruikt in het kader van de toepassing van artikel 5 van verordening nr. 3690/93 betreffende de tijdelijke of definitieve intrekking van visvergunningen.
(cf. punten 29, 31‑33)
2. De bewoordingen van artikel 5 van verordening nr. 3690/93 tot invoering van een communautair stelsel van regels voor de minimuminformatie die visvergunningen moeten bevatten, verbieden als zodanig niet dat de door overbrenging van vaartuigen naar een derde staat vrijgekomen visserijcapaciteit voor de afgifte van nieuwe vergunningen wordt gebruikt. Dit artikel bepaalt enkel dat de vlaggenstaat de visvergunningen voor vaartuigen die definitief buiten bedrijf worden gesteld, dient in te trekken. Overigens regelt artikel 8 van verordening nr. 3699/93 tot vaststelling van de criteria en voorwaarden voor de structurele bijstand van de Gemeenschap in de sector visserij/aquacultuur en verwerking/afzet van de producten daarvan met name, waarin de maatregelen voor definitieve beëindiging van de visserijactiviteiten van een vaartuig kunnen bestaan, en legt het de verplichting op dat de doorgehaalde vaartuigen worden uitgesloten van het vissen in de wateren van de Gemeenschap. Uit de tekst van deze bepaling blijkt echter niet dat de visserijcapaciteit die door de definitieve overbrenging van vaartuigen naar derde staten in het nationale visserijregister is vrijgekomen, niet voor de afgifte van nieuwe visvergunningen zou kunnen worden gebruikt.
(cf. punten 43‑44)
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
29 maart 2007 (*)
„Niet-nakoming – Visvergunningen – Verordening (EG) nr. 3690/93 – Vaartuigen Cleopatra en Ocean Quest – Definitieve overbrenging daarvan naar Argentinië”
In zaak C‑64/04,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG, ingesteld op 13 februari 2004,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door T. van Rijn en B. Doherty als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door M. Bethell als gemachtigde,
verweerder,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: A. Rosas, kamerpresident, A. Tizzano, A. Borg Barthet, J. Malenovský (rapporteur) en A. Ó Caoimh, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 juli 2006,
het navolgende
Arrest
1 De Commissie van de Europese Gemeenschappen verzoekt het Hof vast te stellen dat het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, door de visvergunningen voor de vaartuigen Cleopatra en Ocean Quest na de definitieve overbrenging daarvan naar Argentinië niet te hebben ingetrokken, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 5 van verordening (EG) nr. 3690/93 van de Raad van 20 december 1993 tot invoering van een communautair stelsel van regels voor de minimuminformatie die visvergunningen moeten bevatten (PB L 341, blz. 93).
Toepasselijke bepalingen
2 De overeenkomst inzake de betrekkingen tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Argentinië op het gebied van de zeevisserij is namens de Gemeenschap goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 3447/93 van de Raad van 28 september 1993 (PB L 318, blz. 1; hierna: „visserijovereenkomst”). De negende overweging van de preambule van deze overeenkomst vermeldt dat de partijen daarbij „ervan overtuigd [zijn] dat deze nieuwe vorm van samenwerking in de visserijsector nieuwe stabiele vangstmogelijkheden verschaft, bijdraagt tot vernieuwing en omschakeling van de Argentijnse vloot en tot de herstructurering van de communautaire vloot, en de rationele exploitatie van de visbestanden op lange termijn bevordert”.
3 Artikel 5, leden 1 en 3, van de visserijovereenkomst bepaalt:
„1. De overeenkomstsluitende partijen scheppen gunstige voorwaarden voor de vestiging in Argentinië van ondernemingen die zijn opgericht met kapitaal uit een of meer lidstaten van de Gemeenschap en voor de totstandbrenging van gemengde vennootschappen en tijdelijke samenwerkingsverbanden in de visserijsector tussen reders uit Argentinië en uit de Gemeenschap, met het oog op de gezamenlijke exploitatie, en eventueel verwerking, van de Argentijnse visbestanden, overeenkomstig het bepaalde in Protocol I en in de bijlagen I en II.
[...]
3. In het kader van het beleid tot herstructurering van de vissersvloot staat de Gemeenschap toe dat vaartuigen uit de Gemeenschap worden overgenomen door in Argentinië opgerichte of nog op te richten ondernemingen. Daarbij verleent Argentinië, in het kader van het beleid inzake technologische vernieuwing in de visserijsector, toestemming tot het overdragen van de geldende visvergunningen en geeft het nieuwe vergunningen af op grond van deze overeenkomst.”
4 Artikel 5 van verordening (EEG) nr. 3760/92 van de Raad van 20 december 1992 tot invoering van een communautaire regeling voor de visserij en de aquacultuur (PB L 389, blz. 1), luidde als volgt:
„1. Overeenkomstig de procedure van artikel 43 van het Verdrag stelt de Raad vóór 31 december 1993 een communautair stelsel vast waarin de minimuminformatie wordt bepaald die in de door de lidstaten af te geven en te beheren visvergunningen moet zijn vermeld; dit stelsel wordt uiterlijk op 1 januari 1995 van kracht.
Vanaf de datum waarop het communautaire stelsel van toepassing wordt, dienen de lidstaten nationale visvergunningenstelsels te hanteren. Tenzij anders is bepaald dienen alle communautaire vissersvaartuigen een bij het vaartuig behorende visvergunning te hebben.
Bovenstaande bepalingen zijn van toepassing onverminderd eventuele bestaande specifieke stelsels op communautair niveau en onverminderd de stelsels die in het kader van de bestaande of toekomstige internationale overeenkomsten vereist zijn.
2. De vergunningenstelsels zijn van toepassing op alle communautaire vissersvaartuigen die hun activiteiten uitoefenen in de communautaire viswateren, in de wateren van derde landen of in de volle zee. De communautaire voorschriften betreffende de vereiste minimuminformatie zijn ook van toepassing op vissersvaartuigen uit derde landen die in de communautaire viswateren vissen, indien zulks uit hoofde van internationale overeenkomsten is bepaald.”
5 In artikel 11 van verordening nr. 3760/92 was bepaald:
„Met inachtneming van titel I stelt de Raad, volgens de procedure van artikel 43 van het Verdrag, voor een meerjarige periode en voor de eerste maal uiterlijk op 1 januari 1994 de doelstellingen en bepalingen vast voor de herstructurering van de communautaire visserijsector met het oog op de totstandbrenging van een duurzaam evenwicht tussen de hulpbronnen en de exploitatie daarvan. Bij deze herstructurering moet ook per geval rekening worden gehouden met de mogelijke economische en sociale gevolgen en de specifieke kenmerken van de visserijgebieden.”
6 Volgens de derde overweging van de considerans van verordening nr. 3690/93 „[moeten] in het communautaire stelsel de regels worden vastgesteld voor de minimuminformatie die de visvergunningen moeten bevatten voor elk vissersvaartuig dat de vlag van een lidstaat voert”.
7 In artikel 1 van deze verordening heet het:
„1. Er wordt een communautair stelsel ingevoerd van regels voor de minimuminformatie die de in artikel 5 van verordening (EEG) nr. 3760/92 bedoelde visvergunningen moeten bevatten.
2. Alle communautaire vissersvaartuigen moeten in het bezit zijn van een bij het vaartuig behorende visvergunning.
3. De vergunning moet zich aan boord bevinden.
4. Vissersvaartuigen zonder visvergunning of waarvan de visvergunning is ingetrokken of geschorst, mogen geen vis vangen of aan boord hebben, overladen op een ander vaartuig of lossen in een haven.”
8 Artikel 3 van verordening nr. 3690/93 bepaalt:
„De vlaggenstaat verleent en beheert de visvergunningen voor de vissersvaartuigen die zijn vlag voeren met inachtneming van het bepaalde in artikel 11 van verordening (EEG) nr. 3760/92.”
9 Artikel 5 van verordening nr. 3690/93 is als volgt geformuleerd:
„De vlaggenstaat trekt de visvergunning van vaartuigen die tijdelijk worden stilgelegd tijdelijk of definitief in en trekt de visvergunningen in van vaartuigen die definitief buiten bedrijf worden gesteld.”
10 Artikel 8, leden 1 en 2, van verordening (EG) nr. 3699/93 van de Raad van 21 december 1993 tot vaststelling van de criteria en voorwaarden voor de structurele bijstand van de Gemeenschap in de sector visserij/aquacultuur en verwerking/afzet van de producten daarvan (PB L 346, blz. 1), luidde als volgt:
„1. De lidstaten nemen maatregelen tot aanpassing van de visserijinspanning om ten minste de doelstellingen van de in artikel 5 bedoelde meerjarige oriëntatieprogramma’s te bereiken.
Voor zover nodig treffen de lidstaten maatregelen voor definitieve beëindiging of beperking van de visserijactiviteiten van de vaartuigen.
2. De maatregelen voor definitieve beëindiging van de visserijactiviteiten van een vaartuig kunnen met name bestaan in:
– sloop van het vaartuig,
– definitieve overbrenging van het vaartuig naar een derde land, mits deze overbrenging niet als een inbreuk op het internationale recht en op de instandhouding en het beheer van de visstand kan gelden,
– definitieve bestemming van het vaartuig in de wateren van de Gemeenschap voor andere doeleinden dan visserij.
[...]
De lidstaten zien erop toe dat de vaartuigen waarop deze maatregelen betrekking hebben, uit de registers voor vissersvaartuigen en uit het communautaire gegevensbestand inzake vissersvaartuigen worden geschrapt. Zij zien er tevens op toe dat de doorgehaalde vaartuigen definitief worden uitgesloten van het vissen in de wateren van de Gemeenschap.”
11 Artikel 9, lid 1, van verordening nr. 3699/93 bepaalde:
„De lidstaten kunnen maatregelen ten voordele van de heroriëntatie van de visserijactiviteiten nemen door aanmoediging van de oprichting van tijdelijke samenwerkingsverbanden en/of gemengde vennootschappen.”
12 Verordening nr. 3699/93 is ingetrokken bij artikel 20, eerste alinea, van verordening (EG) nr. 2468/98 van de Raad van 3 november 1998 tot vaststelling van de criteria en de voorwaarden voor de structurele bijstand van de Gemeenschap in de sector visserij/aquacultuur en de verwerking en de afzet van de producten daarvan (PB L 312, blz. 19). De formulering van de artikelen 8, leden 1 en 2, en 9, lid 1, is identiek aan de overeenkomstige bepalingen van verordening nr. 3699/93.
Feiten en precontentieuze procedure
13 In het kader van de visserijovereenkomst zijn de vaartuigen Cleopatra en Ocean Quest, die onder de vlag van het Verenigd Koninkrijk voeren en in die lidstaat waren geregistreerd, overgebracht naar Argentinië. Deze overbrenging vond plaats in het kader van de oprichting van een gemengde vennootschap van communautaire en Argentijnse reders. De vaartuigen zijn respectievelijk in november 1996 en in juli 1997 uit het register van vissersvaartuigen van het Verenigd Koninkrijk geschrapt en in het Argentijnse register van vissersvaartuigen ingeschreven.
14 De Commissie heeft vastgesteld dat de voor de Cleopatra en de Ocean Quest verleende visvergunningen opnieuw werden gebruikt voor andere vaartuigen.
15 Bij brief van 19 april 2001 liet de Commissie het Verenigd Koninkrijk weten dat hergebruik van de visvergunningen in strijd was met de krachtens artikel 5 van verordening nr. 3690/93 op de nationale bevoegde autoriteiten rustende verplichting om deze vergunningen in te trekken wanneer de vaartuigen waarvoor zij waren verleend, definitief buiten bedrijf waren gesteld. Bovendien werd deze lidstaat overeenkomstig artikel 226, eerste alinea, EG aangemaand zijn opmerkingen over de verweten niet-nakoming in te dienen.
16 Daar antwoord uitbleef, heeft de Commissie het Verenigd Koninkrijk op 16 januari 2003 een met redenen omkleed advies gezonden waarin zij, enerzijds, haar in de aanmaningsbrief uiteengezette argumenten herhaalde en, anderzijds, deze lidstaat verzocht binnen twee maanden na de kennisgeving ervan zijn verplichtingen na te komen.
17 In zijn antwoord van 20 maart 2003 op dat met redenen omkleed advies heeft het Verenigd Koninkrijk verschillende argumenten aangevoerd. Om te beginnen stelde het dat zijn autoriteiten van mening waren dat zij enkel verplicht waren om de Cleopatra en de Ocean Quest uit het nationale register voor vissersvaartuigen te schrappen, maar niet om de bij die vaartuigen horende visvergunningen in te trekken. Voorts betoogde het Verenigd Koninkrijk dat de Commissie pas had bevestigd dat de visvergunningen moesten worden ingetrokken, nadat de eigenaars van de Cleopatra en de Ocean Quest bindende overeenkomsten tot overdracht van die vaartuigen aan derden hadden gesloten. Ten slotte stelde het Verenigd Koninkrijk dat de handelwijze van die autoriteiten begrijpelijk was, en dat procedures waren ingevoerd om soortgelijke overdrachten van visvergunningen in de toekomst te verhinderen.
18 Daar de Commissie geen genoegen kon nemen met die uitleg, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld.
Het beroep
Argumenten van partijen
19 Volgens de Commissie dient de vlaggenstaat krachtens artikel 5 van verordening nr. 3690/93 de visvergunningen van vaartuigen die definitief buiten bedrijf worden gesteld, in te trekken.
20 De Commissie betoogt dat deze verplichting om de visvergunningen in te trekken aldus moet worden uitgelegd dat de vrijgekomen visserijcapaciteit niet opnieuw mag worden gebruikt om nieuwe visvergunningen voor andere vaartuigen af te geven. Een dergelijk hergebruik zou in strijd zijn met artikel 8, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2468/98, volgens hetwelk de lidstaten maatregelen moeten nemen tot aanpassing van de visserijinspanning om ten minste de doelstellingen van de meerjarige oriëntatieprogramma’s te bereiken. Indien de Gemeenschap zou toestaan dat visvergunningen voor vaartuigen die definitief naar een derde land zijn overgebracht, op deze wijze worden hergebruikt, zou het doel van inkrimping van de vissersvloot niet worden bereikt. Dit ligt niet anders wanneer de definitieve overbrenging plaatsvindt in het kader van de oprichting van een gemengde vennootschap.
21 Het Verenigd Koninkrijk stelt vast dat artikel 8 van verordening nr. 2468/98 geen voorschriften betreffende visvergunningen bevat. Bovendien is die verordening pas na de litigieuze feiten vastgesteld, zodat zij geen enkel gevolg kan hebben voor de ten tijde van die feiten op het Verenigd Koninkrijk rustende verplichtingen.
22 Voorts voert het Verenigd Koninkrijk aan, dat de uit artikel 5 van verordening nr. 3690/93 voortvloeiende verplichting tot intrekking van de visvergunningen slechts toepassing kan vinden nadat de Commissie heeft ingestemd met de overdracht van de betrokken vaartuigen aan een gemengde vennootschap, en dat besluit hem ter kennis is gebracht. In het onderhavige geval hadden de eigenaars van de Cleopatra en de Ocean Quest de visvergunningen voor die vaartuigen evenwel verkocht voordat het besluit van de Commissie houdende goedkeuring van de geplande overdracht van die vaartuigen aan een gemengde vennootschap ter kennis van het Verenigd Koninkrijk was gebracht. Aangezien de eigenaars niet meer over de vergunningen beschikten, is het Verenigd Koninkrijk dus niet tekortgeschoten in de krachtens artikel 5 op hem rustende verplichtingen.
23 Wat volgens het Verenigd Koninkrijk in deze zaak werkelijk „verkeerd” is gelopen, is dat de eigenaars van de Cleopatra en de Ocean Quest zowel de opbrengst van de verkoop van de vergunningen voor die vaartuigen als gemeenschapsmiddelen hebben opgestreken, hoewel een dergelijke verkoop tot gevolg had moeten hebben dat zij geen steun konden krijgen voor de oprichting van een gemengde vennootschap. Hoewel aan de Commissie ter kennis was gebracht dat de vergunningen in omloop bleven, heeft deze de gemeenschapssteun toch aan die eigenaars verleend, zodat voor deze laatsten – anders dan voor het Verenigd Koninkrijk – het vermoeden geldt dat zij te goeder trouw hebben gehandeld.
24 Overigens lijkt de overdracht van een vaartuig in het kader van de visserijovereenkomst volgens het Verenigd Koninkrijk sterk op een definitieve buitenbedrijfstelling in de zin van artikel 5 van verordening nr. 3690/93. Het Verenigd Koninkrijk heeft daarom een procedure vastgesteld waarbij de vergunning van een vaartuig wordt „bevroren” zodra de bevoegde diensten een verzoek tot oprichting van een gemengde vennootschap ontvangen. De vergunning kan haar volle uitwerking slechts herkrijgen wanneer het verzoek tot oprichting van een gemengde vennootschap wordt ingetrokken, of de Commissie geen toestemming verleent voor de overdracht van een vaartuig aan een dergelijke vennootschap. Het Verenigd Koninkrijk stelt derhalve, het nodige te hebben gedaan om het hergebruik van vergunningen in de toekomst te verhinderen.
Beoordeling door het Hof
25 Vooraf dient te worden opgemerkt dat in casu vaststaat dat de vaartuigen Cleopatra en Ocean Quest in het Argentijnse register van vissersvaartuigen zijn ingeschreven, en dat zij dus definitief zijn overgebracht naar Argentinië.
26 De grief die de Commissie aanvoert in de conclusie van haar verzoekschrift, zoals die in punt 1 van het onderhavige arrest is weergegeven, strekt ertoe het Hof te doen vaststellen dat het Verenigd Koninkrijk, door de visvergunningen voor genoemde vaartuigen na de definitieve overbrenging daarvan naar Argentinië niet te hebben ingetrokken, niet heeft voldaan aan de krachtens artikel 5 van verordening nr. 3690/93 op hem rustende verplichtingen.
27 Zoals gezegd, bepaalt artikel 5 van verordening nr. 3690/93 dat wanneer een vissersvaartuig definitief buiten bedrijf wordt gesteld, de vergunning die voor dat vaartuig was verleend, wordt ingetrokken.
28 Alvorens de grief van de Commissie ten gronde wordt onderzocht, rijzen bijgevolg twee preliminaire vragen, te weten de vraag waarin een definitieve buitenbedrijfstelling van een vissersvaartuig precies bestaat, en de vraag of de definitieve overbrenging van een dergelijk vaartuig naar Argentinië in het kader van de oprichting van een gemengde vennootschap kan worden gelijkgesteld met een definitieve buitenbedrijfstelling in de zin van artikel 5 van verordening nr. 3690/93.
Definitieve buitenbedrijfstelling
29 Wat in de eerste plaats het begrip „definitief buiten bedrijf stellen” in artikel 5 van verordening nr. 3690/93 betreft, staat vast dat noch dit artikel noch die verordening als zodanig aanwijzingen geeft over de definitie van dat begrip. Daarentegen wordt in verordening nr. 3699/93, meer bepaald in artikel 8, lid 2, daarvan, het begrip „maatregel voor definitieve beëindiging” omschreven. Volgens deze bepaling kunnen de maatregelen voor definitieve beëindiging van de visserijactiviteiten van een vaartuig met name bestaan in de sloop van het vaartuig, de definitieve overbrenging van het vaartuig naar een derde land, mits deze overbrenging niet als een inbreuk op het internationale recht en op de instandhouding en het beheer van de visstand kan gelden, en de definitieve bestemming in de wateren van de Gemeenschap voor andere doeleinden dan visserij.
30 De verordeningen nrs. 3690/93 en 3699/93 vertonen diepgaande verschillen zowel wat hun voorwerp als wat hun doelstelling betreft. Bij verordening nr. 3690/93 worden blijkens meer in het bijzonder de derde overweging van de considerans ervan immers regels vastgesteld voor de minimuminformatie die de visvergunningen moeten bevatten, terwijl verordening nr. 3699/93 de criteria en de voorwaarden voor de structurele bijstand van de Gemeenschap in de sector visserij/aquacultuur vaststelt.
31 Ofschoon deze twee verordeningen dus een verschillende doelstelling hebben, rechtvaardigt echter niets de slotsom dat de definitie van het begrip „maatregel voor definitieve beëindiging” enkel geldt voor verordening nr. 3699/93 en dat deze definitie niet kan worden gebruikt in het kader van andere instrumenten van afgeleid recht op het gebied van het visserijbeleid.
32 Verordening nr. 3699/93, die het begrip „maatregel voor definitieve beëindiging” omschrijft, is bovendien na verordening nr. 3690/93 vastgesteld. De gemeenschapswetgever heeft dan ook in verschillende taalversies van verordening nr. 3699/93, waaronder de Duitse, de Spaanse, de Franse en de Italiaanse versie, welbewust gekozen voor dezelfde uitdrukking als die welke reeds in verordening nr. 3690/93 voorkwam.
33 Niets verzet zich dus ertegen dat de definitie van dit begrip, hoewel zij afkomstig is uit verordening nr. 3699/93, kan worden gebruikt in het kader van de toepassing van artikel 5 van verordening nr. 3690/93 betreffende de tijdelijke of definitieve intrekking van visvergunningen.
34 Tot de verschillende „maatregelen voor definitieve beëindiging” van de visserijactiviteiten van een vaartuig die in artikel 8, lid 2, van verordening nr. 3699/93 worden opgesomd, behoort onder meer de „definitieve overbrenging [...] naar een derde land”. In casu wordt niet betwist dat de vaartuigen Cleopatra en Ocean Quest naar „een derde land”, te weten de Republiek Argentinië, zijn overgebracht.
35 Bijgevolg rijst in de tweede plaats de vraag, of de definitieve overbrenging van dergelijke vaartuigen naar Argentinië in het kader van de oprichting van een gemengde vennootschap kan worden gelijkgesteld met een definitieve buitenbedrijfstelling in de zin van artikel 5 van verordening nr. 3690/93.
36 De bewoordingen van bovengenoemd artikel 8, lid 2, verzetten zich geenszins ertegen dat het begrip „maatregel voor definitieve beëindiging” kan worden toegepast op de definitieve overbrenging van vaartuigen op basis van een internationale overeenkomst tussen de Gemeenschap en een derde staat. Deze bepaling verwijst in het tweede streepje ervan juist uitdrukkelijk naar de eerbiediging van het internationale recht, en bijgevolg naar internationale overeenkomsten.
37 De visserijovereenkomst verzet zich op haar beurt niet ertegen dat een overbrenging van vissersvaartuigen die op basis van de bepalingen ervan heeft plaatsgevonden, wordt aangemerkt als „maatregel voor definitieve beëindiging” van de visserijactiviteiten in de zin van het gemeenschapsrecht.
38 Daaruit volgt dat de definitieve overbrenging van vissersvaartuigen naar een derde staat die krachtens een internationale overeenkomst heeft plaatsgevonden, een van de maatregelen voor definitieve beëindiging van de visserijactiviteiten als bedoeld in artikel 8, lid 2, van verordening nr. 3699/93 vormt. Bijgevolg moet in casu de definitieve overbrenging van de vaartuigen Cleopatra en Ocean Quest naar Argentinië worden aangemerkt als „maatregel voor definitieve beëindiging” van de visserijactiviteiten in de zin van de definitie die door het gemeenschapsrecht aan deze maatregel is gegeven.
Intrekking van de visvergunningen en toekenning van nieuwe visvergunningen
39 De vraag rijst dus of in het onderhavige geval de visvergunningen voor de vaartuigen Cleopatra en Ocean Quest, die beide definitief naar Argentinië zijn overgebracht, door de bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk zijn ingetrokken.
40 Het Verenigd Koninkrijk stelt dat de vroegere eigenaren van de Cleopatra en de Ocean Quest hun rechten uit de visvergunningen hebben verkocht aan derden, die ze voor andere vaartuigen hebben gebruikt. De vergunningen voor bovengenoemde vaartuigen zijn dus wel degelijk ingetrokken.
41 De Commissie betwist niet dat de vergunningen voor de vaartuigen Cleopatra en Ocean Quest zijn ingetrokken. Zij stelt echter vast dat de door de overbrenging van deze vaartuigen vrijgekomen visserijcapaciteit opnieuw is gebruikt voor andere vaartuigen.
42 Dienaangaande betoogt de Commissie dat uit artikel 5 van verordening nr. 3690/93 voortvloeit dat de lidstaat zich in het geval van definitieve overbrenging van vaartuigen naar een derde staat niet ertoe mag beperken de vergunningen voor de aldus overgebrachte vaartuigen in te trekken, maar zich tevens ervan dient te onthouden de aldus in het nationale visserijregister vrijgekomen visserijcapaciteit voor de afgifte van nieuwe vergunningen te gebruiken. Een dergelijk gebruik zou immers in strijd zijn met de doelstellingen van artikel 8 van verordening nr. 2468/98, dat is vastgesteld in het kader van een gemeenschapsbeleid van herstructurering van de communautaire vloot.
43 Enerzijds moet worden vastgesteld dat de bewoordingen van artikel 5 van verordening nr. 3690/93 als zodanig niet verbieden dat de door overbrenging van vaartuigen naar een derde staat vrijgekomen visserijcapaciteit voor de afgifte van nieuwe vergunningen wordt gebruikt. Dit artikel bepaalt enkel dat de vlaggenstaat de visvergunningen voor vaartuigen die definitief buiten bedrijf worden gesteld, dient in te trekken. Hiervóór is gebleken dat het Verenigd Koninkrijk deze verplichting om de visvergunningen in te trekken, is nagekomen.
44 Anderzijds verwijst artikel 5 van verordening nr. 3690/93, de enige bepaling die de Commissie in de conclusie van haar verzoekschrift vermeldt, niet naar artikel 8 van verordening nr. 3699/93 of naar de herformulering daarvan in verordening nr. 2468/98. Hoe dan ook regelt laatstgenoemd artikel met name, waarin de maatregelen voor definitieve beëindiging van de visserijactiviteiten van een vaartuig kunnen bestaan, en legt het de verplichting op dat de doorgehaalde vaartuigen worden uitgesloten van het vissen in de wateren van de Gemeenschap. Uit de tekst van deze bepaling blijkt echter niet dat de visserijcapaciteit die door de definitieve overbrenging van vaartuigen naar derde staten in het nationale visserijregister is vrijgekomen, niet voor de afgifte van nieuwe visvergunningen zou kunnen worden gebruikt.
45 Gesteld al dat de Commissie, zoals de advocaat-generaal in punt 45 van haar conclusie heeft opgemerkt, op basis van andere bepalingen van gemeenschapsrecht overeenkomstig de procedure van artikel 226 EG tegen het Verenigd Koninkrijk had kunnen optreden in verband met de regeling voor de afgifte van de nieuwe visvergunningen, dan nog staat vast dat de schending van die bepalingen niet het voorwerp van de verweten niet-nakoming is (zie arresten van 20 oktober 2005, Commissie/Verenigd Koninkrijk, C‑6/04, Jurispr. blz. I‑9017, punten 58‑60; 15 juni 2006, Commissie/Frankrijk, C‑255/04, Jurispr. blz. I‑5251, punt 24, en 15 februari 2007, Commissie/Nederland, C‑34/04, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 53).
46 Uit een en ander volgt dat de door de Commissie ter ondersteuning van haar beroep aangevoerde grief, die is gebaseerd op schending van artikel 5 van verordening nr. 3690/93, ongegrond is en derhalve moet worden afgewezen zonder dat behoeft te worden ingegaan op het door het Verenigd Koninkrijk in zijn verweerschrift aangevoerde argument, dat de in artikel 5 van verordening nr. 3690/93 bedoelde verplichting tot intrekking van de visvergunningen niet gold omdat de vaartuigen Cleopatra en Ocean Quest naar Argentinië waren overgebracht voordat de Commissie die overbrenging had goedgekeurd.
47 In die omstandigheden moet het door de Commissie ingestelde beroep worden verworpen.
Kosten
48 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van het Verenigd Koninkrijk worden verwezen in de kosten.
Het Hof van Justitie (Derde kamer) verklaart:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) De Commissie van de Europese Gemeenschappen wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy