Zaak C‑84/04
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Portugese Republiek
„Niet-nakoming – Verordening (EEG) nr. 4253/88 en artikel 10 EG – Structuurfondsen – Coördinatie van bijstandsverlening uit Structuurfondsen met die van EIB – Stelselmatige verlaging van uit EOGFL, afdeling Oriëntatie, betaalde steunbedragen – Rechten die IFADAP tijdens programmaperiode 1994‑1999 heeft geheven”
Conclusie van advocaat-generaal D. Ruiz-Jarabo Colomer van 14 februari 2006
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 5 oktober 2006
Samenvatting van het arrest
Economische en sociale samenhang – Structurele bijstandsverlening – Communautaire financiering – Verlening van financiële bijstand door EOGFL
(Verordening nr. 4253/88 van de Raad, art. 21, lid 3, tweede alinea, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2082/93)
Artikel 21, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 4253/88 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van verordening nr. 2052/88 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2082/93, bepaalt dat op de aan de eindbegunstigden uit te betalen bedragen geen sommen mogen worden ingehouden waardoor de financiële bijstand waarop zij recht hebben, wordt verlaagd, en staat eraan in de weg dat de nationale autoriteiten bedragen inhouden op de verrichte betalingen, of voor de behandeling van de aanvragen administratiekosten in rekening brengen, waardoor het bedrag van de steun wordt verlaagd.
De heffing door de autoriteit die door een lidstaat als exclusieve nationale gesprekspartner van het EOGFL, afdeling Oriëntatie, is aangewezen, ten laste van de begunstigden, van rechten die overeenkomen met een percentage van het totaalbedrag van het gefinancierde project, waardoor de bedragen die de begunstigden uit hoofde van de bijstand van het EOGFL, afdeling Oriëntatie, ontvangen, dus proportioneel worden verlaagd, valt onder dat verbod. Het verbod op elke inhouding geldt immers voor alle lasten die rechtstreeks en intrinsiek verband houden met de uitkeringen aan de landbouwers, en niet alleen voor inhoudingen op de betalingen zelf.
(cf. punten 33, 35‑39)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
5 oktober 2006 (*)
„Niet-nakoming – Verordening (EEG) nr. 4253/88 en artikel 10 EG – Structuurfondsen – Coördinatie van bijstandsverlening uit Structuurfondsen met die van EIB – Stelselmatige verlaging van uit EOGFL, afdeling Oriëntatie, betaalde steunbedragen – Rechten die IFADAP tijdens programmaperiode 1994-1999 heeft geheven”
In zaak C‑84/04,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG, ingesteld op 20 februari 2004,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door A. M. Alves Vieira, vervolgens door G. Braun als gemachtigden, bijgestaan door N. Castro Marques en F. Costa Leite, advogados, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Portugese Republiek, vertegenwoordigd door L. Fernandes als gemachtigde, bijgestaan door C. Botelho Moniz en E. Maia Cadete, advogados,
verweerster,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, J. Makarczyk, P. Kūris, G. Arestis (rapporteur) en J. Klučka, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 12 januari 2006,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 februari 2006,
het navolgende
Arrest
1 De Commissie van de Europese Gemeenschappen verzoekt het Hof vast te stellen dat de Portugese Republiek, door de invoering door het Instituto de Financiamento e Apoio ao Desinvolvimento da Agricultura e Pesca (Instituut voor de financiering en ondersteuning van de ontwikkeling van de landbouw en de visserij; hierna: „IFADAP”) toe te staan van een procedure voor de verlening van financiële bijstand uit de communautaire structuurfondsen die voorziet in wezenlijke vormvoorschriften die de betaling impliceren van rechten die vrijwillig noch facultatief zijn en evenmin een vergoeding voor diensten vormen, maar die dienen ter financiering van taken die de Portugese Staat met name op grond van het gemeenschapsrecht dient te verrichten, en door deze procedure in stand te laten, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens verordening (EEG) nr. 4253/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds (PB L 374, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2082/93 van de Raad van 20 juli 1993 (PB L 193, blz. 20; hierna: „verordening nr. 4253/88”), alsmede krachtens artikel 10 EG.
Toepasselijke bepalingen
De gemeenschapsregeling
2 Artikel 4, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2052/88 van de Raad van 24 juni 1988 betreffende de taken van de fondsen met structurele strekking, hun doeltreffendheid alsmede de coördinatie van hun bijstandsverlening onderling en met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten (PB L 185, blz. 9), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2081/93 van de Raad van 20 juli 1993 (PB L 193, blz. 5; hierna: „verordening nr. 2052/88”), bepaalde:
„De actie van de Gemeenschap is bedoeld als aanvulling op of bijdrage tot de overeenkomstige acties van de lidstaten. Zij komt tot stand door nauw overleg tussen de Commissie, de betrokken lidstaat en de door de lidstaat aangewezen nationale, regionale, lokale of andere bevoegde autoriteiten en instanties –overeenkomstig de respectieve institutionele regelingen en gebruiken van [elke lidstaat], met inbegrip van de economische en sociale partners – waarbij elke partij handelt als een partner die een gemeenschappelijk doel nastreeft. Dit overleg wordt hierna ‚partnerschap’ genoemd. Het partnerschap omvat de voorbereiding, de financiering en de beoordeling vooraf van, het toezicht op en de evaluatie achteraf van de acties.
Het partnerschap eerbiedigt ten volle de respectieve institutionele, juridische en financiële bevoegdheden van elke partner.”
3 Artikel 21, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 4253/88, met als opschrift „Betalingen”, luidde als volgt:
„Op de aan de eindbegunstigden uit te betalen bedragen mogen geen sommen worden ingehouden waardoor de financiële bijstand waarop zij recht hebben, wordt verlaagd.”
4 In artikel 23, lid 1, eerste alinea, van die verordening, met als opschrift „Financiële controle”, heette het:
„Teneinde de acties van de particuliere of publiekrechtelijke projectontwikkelaars te doen slagen, nemen de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de acties de nodige maatregelen om:
– regelmatig te verifiëren dat de door de Gemeenschap gefinancierde maatregelen stipt zijn uitgevoerd,
– onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen,
[...]”
De nationale regeling
5 Volgens artikel 1 van decreto-lei nr. 414/93 (Diário da República I, serie A, nr. 298, van 23 december 1993) is het IFADAP een publiekrechtelijke instelling met rechtspersoonlijkheid, administratieve en financiële autonomie en een eigen vermogen.
6 Artikel 3, lid 2, van decreto-lei nr. 414/93 bepaalt:
„Voor zover het IFADAP handelt zonder in dat verband met prerogatieven van openbaar gezag te zijn bekleed, worden zijn contractuele verhoudingen met derden door het privaatrecht beheerst.”
7 Volgens artikel 5, lid 2, van voornoemd decreto-lei heeft het IFADAP als taak:
„a) bij te dragen tot het onderzoek naar en de vaststelling van financiële beleidsmaatregelen in de landbouw‑ en de visserijsector, en van steunmaatregelen voor ondernemingen in die sectoren;
b) de werking te verzekeren van de ondersteuningsregelingen en de communautaire en nationale steunmaatregelen in de landbouw‑ en de visserijsector, door deel te nemen aan de ontwikkeling en de uitvoering van vastgestelde programma’s en besluiten, en door op te treden als exclusieve nationale gesprekspartner van het Europees Oriëntatie‑ en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Oriëntatie, en van andere financiële instrumenten van de Gemeenschap voor de oriëntatie van landbouw en visserij, namelijk op het vlak van de voorschotaanvragen en de aanvragen tot terugbetaling, regularisatie en afrekening;
[...]
d) de nationale en communautaire steun uit te betalen die is bestemd om programma’s en projecten, of de rente op de daartoe door de verschillende begunstigden aangegane leningen, te financieren;
e) in te staan voor de begeleiding van, het toezicht op en de controle van de door de nationale of communautaire maatregelen ondersteunde programma’s en projecten;
[...]”
8 Bij gezamenlijk besluit van 28 mei 1996 (Diário da República, II, nr. 136, van 14 juni 1996), hebben de minister van Financiën en de minister van Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Visserij, het volgende vastgesteld:
„1. Het IFADAP mag over de bedragen van de lopende projecten een recht van ten hoogste 0,9 % heffen.
2. Indien het IFADAP bij zijn tussenkomst geen onderzoek verricht of besluit vaststelt, bedraagt vorenbedoeld recht ten hoogste 0,45 %.
[...]”
Voorgeschiedenis van het geding en precontentieuze procedure
9 Het IFADAP is opgericht met het oog op het beheer van de kredietlijnen ter ondersteuning van de Portugese landbouw, bosbouw, veeteelt en visserij. Nadat de Portugese Staat bij decreto-lei nr. 414/93 het IFADAP een reeks taken van openbaar bestuur had toevertrouwd, waaronder het verzekeren van de werking van de ondersteuningsregelingen en de communautaire en nationale steunmaatregelen in de landbouw‑ en de visserijsector, is dat instituut de exclusieve nationale gesprekspartner geworden van het EOGFL, afdeling Oriëntatie, en van de andere financiële instrumenten van de Gemeenschap ter ondersteuning van die sectoren. De acties van bedoeld instituut in het kader van die taken kunnen aan de Portugese Staat worden toegerekend.
10 Naar aanleiding van een controle ter plaatse in 1993 hebben de diensten van de Commissie vastgesteld dat het IFADAP op de door het EOGFL, afdeling Oriëntatie, verleende financiële bijstand een procentuele heffing inde ten laste van de eindbegunstigden van bedoelde bijstand (hierna: „eindbegunstigden”). Die rechten, die aan de bron werden ingehouden, bedroegen 1,5 % van het totaalbedrag van het gefinancierde project. De verplichting om die rechten aan het IFADAP te betalen was uitdrukkelijk in de aan de begunstigden voorgelegde steunovereenkomst opgenomen. Van mening dat die rechten onverenigbaar waren met het gemeenschapsrecht heeft de Commissie de Portugese autoriteiten verzocht een einde te maken aan die praktijk van rechtstreekse inhouding, en de ten onrechte geheven rechten aan de begunstigden terug te betalen.
11 Bij brief van 20 januari 1999 hebben bedoelde autoriteiten de onverenigbaarheid van de tussen 3 augustus 1993 en 31 december 1994 gevolgde praktijk erkend en verbonden zij zich tot de terugbetaling van de geïnde bedragen. In die omstandigheden was de Commissie van mening dat, wat dat tijdvak betreft, een einde was gemaakt aan de verweten niet-nakoming.
12 Nadat zij hadden afgezien van een regeling waarbij de rechten rechtstreeks op de aan de begunstigden verschuldigde bedragen werden ingehouden, zouden de Portugese autoriteiten die regeling met ingang van januari 1995 en inzonderheid van de bekendmaking van het gezamenlijk besluit van 28 mei 1996 hebben vervangen door een regeling waarbij de volledige betaling van de aan de begunstigden toegekende bedragen werd gecombineerd met een steuntoekenningsprocedure die voorzag in de betaling van een recht dat werd geacht de vergoeding te zijn voor door het IFADAP ten behoeve van de begunstigden verrichte diensten, die hoofdzakelijk bestonden in aan de indiening van de steunaanvragen voorafgaande adviesverlening en in de follow-up achteraf. Uit de inlichtingen die de Commissie in het jaar 1999 en tijdens een controle ter plaatse door haar diensten in maart 2000 van bedoelde autoriteiten had verkregen, blijkt dat die vergoedingsregeling als volgt functioneerde: bij de ontvangst van de subsidieovereenkomst werd de begunstigde verzocht het IFADAP een incassomachtiging voor het te betalen recht te overhandigen, met de vermelding „machtiging wegens diensten van het IFADAP in verband met de betrokken overeenkomst” (bedoeld wordt de betrokken subsidieovereenkomst). Volgens de Portugese autoriteiten werd tijdens de contacten met de begunstigden mondeling meegedeeld dat die betaling facultatief en vrijwillig was.
13 In het licht van die inlichtingen heeft de Commissie de Portugese Republiek op 25 juli 2001 een aanmaningsbrief toegezonden. Daarin stelde zij dat de door de Portugese autoriteiten sinds 1 januari 1995 toegepaste procedure, die voorzag in belangrijke formaliteiten die de betaling impliceerden van rechten die vrijwillig noch facultatief waren en evenmin een vergoeding voor ten behoeve van de begunstigden verrichte diensten vormden, neerkwam op de feitelijke handhaving van een recht dat overeenstemde met het tevoren geheven recht. Volgens de Commissie zijn de op die wijze, op basis van een percentage van de investeringswaarde, geïnde bijdragen een werkelijke verplichte inhouding, die wordt berekend aan de hand van een percentage van het bedrag van de uit de communautaire fondsen verleende financiële bijstand, en zijn zij in werkelijkheid administratieve bijdragen ter financiering van de kosten die het IFADAP als met de betaling van bedoelde bijstand belaste instantie op grond van zijn beheersopdrachten dient te maken. Volgens de Commissie is de heffing van een dergelijke administratieve bijdrage evenwel in strijd met het gemeenschapsrecht en met name met verordening nr. 4253/88 en verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de structuurfondsen (PB L 161, blz. 1), alsmede met artikel 10 EG.
14 In haar antwoord van 5 november 2001 en 13 juni 2002 op de aanmaningsbrief van de Commissie, heeft de Portugese Republiek gesteld dat, wat het tijdvak 1995-1999 betreft, de betaling aan het IFADAP door de begunstigden van een op basis van het bedrag van de gesubsidieerde investering berekend maximumrecht van 0,45 à 0,9 %, niet in strijd was met het gemeenschapsrecht. Wat daarentegen het tijdvak na 1999 betreft, dat overeenkomt met het bij verordening nr. 1260/1999 geregelde derde communautair bestek, betoogt de Portugese Republiek dat zij heeft afgezien van het beginsel van de heffing van een recht ten behoeve van het IFADAP wegens door dat instituut verrichte diensten. In die omstandigheden was de Commissie van mening dat, wat het tijdvak na 1999 betreft, een einde was gemaakt aan de niet-nakoming.
15 Aangezien de Commissie het, wat het tijdvak 1995-1999 betreft, met de Portugese Republiek oneens was, heeft zij haar op 13 november 2002 een met redenen omkleed advies gestuurd waarin zij de argumenten uit de aanmaningsbrief herhaalde en deze lidstaat verzocht de nodige maatregelen te nemen om binnen twee maanden vanaf de kennisgeving ervan aan dit advies te voldoen.
16 Daar de Commissie evenmin genoegen kon nemen met het antwoord van de Portugese Republiek van 17 januari 2003 op het met redenen omkleed advies, waarbij het vroegere standpunt van die lidstaat werd gehandhaafd, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld, dat strekt tot vaststelling dat, wat de met het tweede communautair bestek overeenkomende programmaperiode 1994-1999 betreft, met ingang van 1 januari 1995 inbreuk werd gemaakt op verordening nr. 4253/88 en artikel 10 EG.
Conclusies van partijen
17 De Commissie concludeert dat het het Hof behage:
– vast te stellen dat de Portugese Republiek, door de invoering door het IFADAP toe te staan van een procedure voor de verlening van financiële bijstand uit de communautaire structuurfondsen die voorziet in wezenlijke formaliteiten die de betaling impliceren van rechten die vrijwillig noch facultatief zijn en evenmin een vergoeding voor diensten vormen, maar die dienen ter financiering van taken die de Portugese Staat met name op grond van het gemeenschapsrecht dient te verrichten, en door deze procedure in stand te laten, niet heeft voldaan aan de krachtens verordening nr. 4253/88 en artikel 10 EG op haar rustende verplichtingen;
– de Portugese Republiek te verwijzen in de kosten.
18 De Portugese Republiek verzoekt het Hof het beroep ongegrond te verklaren en de Commissie te verwijzen in de kosten.
Het beroep
Argumenten van partijen
19 Volgens de Commissie blijkt uit de bewoordingen van artikel 21, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 4253/88 impliciet dat die bepaling een zogenaamde „integrale betalingsclausule” is. De betrokken lidstaat is op grond van die bepaling immers duidelijk verplicht ervoor te zorgen dat de begunstigden de financiële bijstand waarop zij recht hebben integraal ontvangen, zonder daarbij enig bedrag te mogen inhouden. De met de term „inhouding” aangeduide verrichtingen moeten, met name in het licht van de gevolgen ervan voor de begunstigden, ruim worden opgevat.
20 In dat verband betoogt de Commissie dat dit type bepaling ertoe strekt te verhinderen dat de lidstaten een gedeelte van de gemeenschapsmiddelen voor de uitvoering van de verschillende communautaire beleidsgebieden gebruiken ter financiering van de met die uitvoering verbonden administratiekosten. Wat het structuurbeleid betreft, vindt dit type bepaling zijn rechtvaardiging in de wil van de gemeenschapswetgever om te verzekeren dat de gemeenschapssteun wordt gebruikt ter verwezenlijking van de in het EG-Verdrag voor dat beleid neergelegde doelstellingen.
21 Wat het argument van de Portugese Republiek betreft, dat de door de begunstigden betaalde bedragen een vergoeding zijn voor diensten van het IFADAP, waarop zij vrijwillig een beroep deden in het kader van een privaatrechtelijke overeenkomst, waarbij bedoeld instituut in overeenstemming met artikel 3, lid 2, van decreto-lei nr. 414/93 handelt zonder met overheidsgezag te zijn bekleed, antwoordt de Commissie dat de vergoedingsregeling van het IFADAP het niet mogelijk maakt een onderscheid te maken tussen zijn taken op grond van zijn hoedanigheid van beheers‑ en controle-instantie en zijn taken als dienstverlener.
22 Ten slotte preciseert de Commissie dat het in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 2052/88 neergelegde partnerschapsbeginsel in casu een bijzondere uitdrukking is van het algemeen beginsel van de loyale samenwerking van artikel 10 EG. Hieruit volgt dat eerstgenoemde bepaling in het licht van dit algemeen beginsel moet worden uitgelegd en toegepast, hetgeen impliceert dat de lidstaten ervoor dienen te zorgen dat de uit die verordening voortvloeiende verplichtingen in acht worden genomen en dus gehouden zijn de passende maatregelen te nemen ter verzekering van de doeltreffende toepassing van het gemeenschapsrecht.
23 Volgens de Portugese Republiek oefent het IFADAP niet alleen zijn openbare opdracht van exclusieve nationale gesprekspartner van het EOGFL, afdeling Oriëntatie, uit, maar verricht het ten behoeve van de aanvragers en de begunstigden van de uit dat fonds gefinancierde programma’s ook een reeks adviesdiensten van economische aard die aanzienlijk verder gaan dan de loutere vervulling van bedoelde opdracht. Die diensten, die ook door andere deelnemers aan het economische verkeer kunnen worden verricht, vallen niet samen met en zijn te onderscheiden van de diensten die het IFADAP dient te verrichten op grond van zijn openbare opdracht als bedoeld in artikel 5 van decreto-lei nr. 414/93 en artikel 23 van verordening nr. 4253/88. De Portugese Republiek stelt bovendien dat de verrichting van deze diensten ertoe strekt te verzekeren dat de begunstigden daadwerkelijk toegang hebben tot de programma’s van het EOGFL, afdeling Oriëntatie.
24 Subsidiair wijst de Portugese Republiek erop dat de heffing van rechten ten behoeve van het IFADAP niet impliceert dat door dat instituut bedragen worden ingehouden op de communautaire middelen. Enerzijds hebben die rechten, die ten hoogste 0,9 % van het bedrag van het gefinancierde project bedragen, nooit gevolgen voor de communautaire bijstand, aangezien de programma’s van het EOGFL, afdeling Oriëntatie, over het algemeen voor 75 à 85 % uit communautaire middelen worden gefinancierd, en voor 15 à 25 % uit middelen van de Portugese Staat. Anderzijds is geen sprake van schending van artikel 21, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 4253/88, aangezien de begunstigde alle communautaire middelen waarop hij recht heeft ontvangt.
25 Eveneens subsidiair stelt de Portugese Republiek dat het arrest van 22 oktober 1998, Kellinghusen en Ketelsen (C‑36/97 en C‑37/97, Jurispr. blz. I‑6337), en het arrest van 11 januari 2001, Griekenland/Commissie (C‑247/98, Jurispr. blz. I‑1), geen toepassing vinden op het door het IFADAP geheven recht. Het onderhavige geding wijkt immers op vele punten feitelijk en rechtens af van de zaken waarin die arresten zijn gewezen.
26 De Portugese Republiek verzoekt integendeel veeleer om toepassing van de rechtspraak neergelegd in de arresten van 30 november 1978, Bussone (31/78, Jurispr. blz. 2429), 15 september 1982, Denkavit Futtermittel (233/81, Jurispr. blz. 2933), en 26 oktober 1983, Samvirkende Danske Landboforeninger (297/82, Jurispr. blz. 3299), die zijn gewezen op het gebied van het EOGFL, afdeling Garantie. In dat verband betoogt zij dat het Hof – zelfs in het kader van het beheer van de gemeenschappelijke marktordeningen – heeft erkend dat de controleactiviteiten van de nationale autoriteiten kunnen rechtvaardigen dat de betrokken ondernemingen een recht dienen te betalen.
Beoordeling door het Hof
27 Vooraf moet worden opgemerkt dat blijkens de processtukken in deze zaak vaststaat, dat de Portugese Republiek tijdens de programmaperiode 1994-1999 heeft toegestaan dat het IFADAP ten laste van de begunstigden rechten inde, die overeenkwamen met een percentage van het totaalbedrag van het gefinancierde project, waardoor de bedragen die de begunstigden uit hoofde van de bijstand van het EOGFL, afdeling Oriëntatie, ontvingen, proportioneel werden verlaagd.
28 Teneinde te beoordelen of het beroep van de Commissie gegrond is, moet worden vastgesteld of een dergelijke heffing zich met het gemeenschapsrecht verdraagt.
29 Er zij aan herinnerd dat artikel 21, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 4253/88 bepaalde dat „op de aan de eindbegunstigden uit te betalen bedragen geen sommen [mogen] worden ingehouden waardoor de financiële bijstand waarop zij recht hebben, wordt verlaagd”.
30 De bewoordingen van deze bepaling tonen ondubbelzinnig aan dat zij in de weg staat aan iedere inhouding op de aan de begunstigden toegekende subsidies.
31 Er zij aan herinnerd dat het Hof reeds uitspraak heeft gedaan over de bepalingen van het EOGFL, afdeling Garantie, die, zoals artikel 21, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 4253/88, de volledige uitbetaling van de steun verlangen. Het heeft immers reeds een uitlegging gegeven van met name artikel 15, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (PB L 181, blz. 12), en artikel 30 bis van verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB L 148, blz. 24), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2066/92 van de Raad van 30 juni 1992 (PB L 215, blz. 49; hierna: „verordening nr. 805/68”).
32 Hoewel de afdelingen Garantie en Oriëntatie van het EOGFL op een aantal punten van elkaar verschillen, kunnen de beginselen die voortvloeien uit ’s Hofs rechtspraak inzake de bepalingen van de verordeningen betreffende het EOGFL, afdeling Garantie, die de integrale uitbetaling van de steun verlangen, zoals de advocaat-generaal in de punten 67 tot en met 70 van zijn conclusie heeft opgemerkt, in casu worden toegepast, aangezien de respectieve bijzonderheden van deze twee afdelingen ondergeschikt zijn aan hun gemeenschappelijke kenmerk, te weten de financiering ervan uit de gemeenschapsbegroting, op grond waarvan zij financiële bijstand kunnen verlenen in de vorm van subsidies voor de acties die binnen hun respectieve werkingssferen vallen. Voor dergelijke bijstand, uit dezelfde financiële bron, gelden dezelfde betalingsregels, zoals deze op grond waarvan het bedrag dat de begunstigde ontvangt gelijk moet zijn aan dat wat hem werd toegekend.
33 Zo heeft het Hof in verband met het EOGFL, afdeling Garantie, geoordeeld dat artikel 15, lid 3, van verordening nr. 1765/92 en artikel 30 bis van verordening nr. 805/68 eraan in de weg staan dat de nationale autoriteiten bedragen inhouden op de verrichte betalingen, of voor de behandeling van de aanvragen administratiekosten in rekening brengen, waardoor het bedrag van de steun wordt verlaagd (arrest Kellinghusen en Ketelsen, reeds aangehaald, punt 21).
34 In het onderhavige geval voert de Portugese Republiek echter aan dat de door het IFADAP geheven rechten niet tot doel hadden om de administratiekosten van dat instituut te dekken, maar de vergoeding waren voor zijn diensten ten behoeve van de begunstigden, die hoofdzakelijk bestonden in aan de indiening van de steunaanvragen voorafgaande adviesverlening en in de latere follow-up.
35 Dit argument kan niet worden aanvaard. Het verbod van inhoudingen kan niet op zuiver formele wijze worden uitgelegd als zouden alleen inhoudingen op de betalingen zelf verboden zijn. Derhalve moet het verbod op elke inhouding noodzakelijkerwijs gelden voor alle lasten die rechtstreeks en intrinsiek verband houden met de uitkeringen (zie in overeenkomstige zin, betreffende het EOGFL, afdeling Garantie, arrest van 7 oktober 2004, Zweden/Commissie, C‑312/02, Jurispr. blz. I‑9247, punt 22).
36 De Portugese Republiek erkent dat de rechten die ter vergoeding van diensten van het IFADAP werden geheven, verschuldigd waren op grond van de indiening van de steunaanvragen en overeenstemden met een percentage van het bedrag van het project dat in het kader van de bijstand van het EOGFL, afdeling Oriëntatie, werd gefinancierd.
37 De Portugese Republiek kan niet stellen dat de betrokken rechten de vergoeding voor diensten van het IFADAP vormen, en evenmin dat zij door de begunstigden vrijwillig werden afgedragen. Indien bedoelde rechten als een retributie waren te beschouwen, zou het bedrag ervan immers moeten worden vastgesteld op basis van de geleverde prestatie, en niet op grond van een percentage van het bedrag van het gefinancierde project. Evenzo zouden, gesteld dat de rechten vrijwillig werden betaald, de kosten van de ten behoeve van alle begunstigden verrichte diensten dus enkel worden gedragen door degenen die de rechten betalen, hetgeen in strijd zou zijn met hun karakter van vergoeding.
38 In die omstandigheden moet enerzijds worden vastgesteld dat er een rechtstreeks verband bestond tussen de steunaanvragen van de begunstigden en de heffing van de rechten, en anderzijds dat die rechten hebben geleid tot de verlaging van de door de begunstigden in feite ontvangen steunbedragen.
39 Hieruit volgt dat een heffing van rechten zoals deze die bij het gezamenlijk besluit van 28 mei 1996 zijn ingevoerd, onverenigbaar is met artikel 21, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 4253/88, zodat moet worden vastgesteld dat de Portugese Republiek is voorbijgegaan aan de bewoordingen van die bepaling en de niet-nakoming op dit punt bewezen moet worden geacht.
40 Bovendien behoeft geen afzonderlijke niet-nakoming van de algemene verplichtingen van artikel 10 EG te worden vastgesteld naast de reeds vastgestelde niet-nakomingen van de specifiekere communautaire verplichtingen waaraan de Portugese Republiek zich uit hoofde van verordening nr. 4253/88 had te houden.
41 Gelet op een en ander moet het beroep van de Commissie gegrond worden geacht.
42 Mitsdien moet worden vastgesteld dat de Portugese Republiek, door de invoering door het IFADAP toe te staan van een procedure voor de verlening van financiële bijstand uit de communautaire structuurfondsen die voorziet in wezenlijke formaliteiten die de betaling impliceren van rechten die vrijwillig noch facultatief zijn, en die geen vergoeding voor verrichte diensten vormen maar dienen ter financiering van taken die de Portugese Staat met name op grond van het gemeenschapsrecht dient te verrichten, en door deze procedure in stand te laten, niet heeft voldaan aan de krachtens verordening nr. 4253/88 op haar rustende verplichtingen.
Kosten
43 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Daar de Portugese Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart:
1) Door de invoering door het Instituto de Financiamento e Apoio ao Desinvolvimento da Agricultura e Pesca (Instituut voor de financiering en ondersteuning van de ontwikkeling van de landbouw en de visserij) toe te staan van een procedure voor de verlening van financiële bijstand uit de communautaire structuurfondsen die voorziet in wezenlijke formaliteiten die de betaling impliceren van rechten die vrijwillig noch facultatief zijn, en die geen vergoeding voor verrichte diensten vormen maar dienen ter financiering van taken die de Portugese Staat met name op grond van het gemeenschapsrecht dient te verrichten, en door deze procedure in stand te laten, heeft de Portugese Republiek niet voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens verordening (EEG) nr. 4253/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2082/93 van de Raad van 20 juli 1993.
2) De Portugese Republiek wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Portugees.
Full & Egal Universal Law Academy