Zaak C‑101/04
Roger Noteboom
tegen
Rijksdienst voor Pensioenen
(verzoek van de Arbeidsrechtbank Gent om een prejudiciële beslissing)
„Sociale zekerheid van migrerende werknemers – Verordening (EEG) nr. 1408/71 – Ouderdomsuitkeringen – Vakantiegeld toegekend aan rechthebbende op rustpensioen – Werkloze grensarbeider die rechthebbende onder pensioenstelsel wordt”
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 20 januari 2005
Samenvatting van het arrest
1. Sociale zekerheid van migrerende werknemers – Gemeenschapsregeling – Materiële werkingssfeer – Bedoelde uitkeringen en uitgesloten uitkeringen – Onderscheidingscriteria – Vakantiegeld toegekend aan rechthebbende op rustpensioen – Uitkering die aan hand van objectieve criteria wordt toegekend en constitutieve elementen van ouderdomsuitkering heeft – Daaronder begrepen
(Verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 4, lid 1)
2. Sociale zekerheid van migrerende werknemers – Werkloosheid – Volledig werkloze grensarbeider – Recht op ouderdomsuitkeringen van lidstaat van woonplaats – Inaanmerkingneming van tijdvak van werkloosheid volgens wetgeving van die staat
(Verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 45, leden 1 en 6)
1. Een uitkering kan alleen dan als een onder de materiële werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 vallende socialezekerheidsuitkering worden beschouwd wanneer zij, enerzijds, zonder individuele en discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften aan de rechthebbenden wordt toegekend op grond van een wettelijk omschreven positie en, anderzijds, verband houdt met één van de in artikel 4, lid 1, van die verordening uitdrukkelijk genoemde eventualiteiten. Met betrekking tot de tweede voorwaarde berust het onderscheid tussen uitgesloten uitkeringen en bedoelde uitkeringen in de eerste plaats op de constitutieve elementen van elke uitkering, met name het doel waarop zij is gericht en de voorwaarden waaronder zij wordt toegekend, en niet op het feit of een uitkering door een nationale wetgeving al dan niet als een socialezekerheidsuitkering wordt aangemerkt.
Bijgevolg voldoet een uitkering zoals het aan de rechthebbende op een rustpensioen toegekende vakantiegeld aan deze twee voorwaarden indien de bepalingen betreffende de toekenning ervan de rechthebbenden een wettelijk omschreven recht toekennen, dit recht automatisch toekomt aan personen die aan bepaalde objectieve criteria beantwoorden en uit de constitutieve elementen van de uitkering blijkt dat deze kan worden aangemerkt als een uitkering bij ouderdom.
(cf. punten 21, 23‑24, dictum 1)
2. Artikel 45, lid 6, van verordening nr. 1408/71 moet aldus worden uitgelegd dat het bevoegde orgaan van de lidstaat van de woonplaats met het oog op de toekenning van een uitkering zoals het aan de rechthebbende op een rustpensioen toegekend vakantiegeld, het tijdvak van volledige werkloosheid tijdens hetwelk de voormalige werknemer werkloosheidsuitkeringen heeft ontvangen uit hoofde van artikel 71, lid 1, sub a‑ii, van die verordening in aanmerking moet nemen, alsof de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling op deze werknemer tijdens zijn laatste beroepswerkzaamheden van toepassing was geweest.
(cf. punten 34, 36, dictum 2)
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
20 januari 2005(1)
„Sociale zekerheid van migrerende werknemers – Verordening (EEG) nr. 1408/71 – Ouderdomsuitkeringen – Aan rechthebbende op rustpensioen toegekend vakantiegeld – Werkloze grensarbeider die rechthebbende onder pensioenstelsel wordt”
In zaak C-101/04,betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Arbeidsrechtbank te Gent (België) bij beslissing van 17 februari 2004, ingekomen bij het Hof op 26 februari 2004, in de procedure
Roger Noteboom
tegen
Rijksdienst voor Pensioenen ,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),,
samengesteld als volgt: N. Colneric (rapporteur), waarnemend voor de president van de Vierde kamer, J. N. Cunha Rodrigues en E. Levits, rechters,
advocaat-generaal: C. Stix-Hackl,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,gelet op de opmerkingen van:
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Martin als gemachtigde,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van bepalingen van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1606/98 van de Raad van 29 juni 1998 (PB L 209, blz. 1; hierna: „verordening nr. 1408/71”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen R. Noteboom en de Rijksdienst voor Pensioenen (hierna: „Rijksdienst”), het Belgische socialezekerheidsorgaan, over aan gepensioneerden uitbetaald vakantiegeld.
Rechtskader
Gemeenschapsregelgeving
3 Artikel 1 van verordening nr. 1408/71 bepaalt:
„Voor de toepassing van deze verordening:
[…]
t) worden onder ‚uitkeringen’, ‚pensioenen’ en ‚renten’ verstaan alle uitkeringen, pensioenen en renten, met inbegrip van alle bedragen ten laste van de openbare middelen, verhogingen in verband met aanpassing aan het loon‑ of prijsniveau of aanvullende uitkeringen, zulks behoudens het bepaalde in titel III, alsmede de als afkoopsom uitgekeerde bedragen welke in de plaats kunnen treden van de pensioenen of renten, en de terugstortingen van premies of bijdragen;
[…]”
4 Artikel 4, lid 1, van dezelfde verordening luidt:
„Deze verordening is van toepassing op alle wettelijke regelingen betreffende de volgende takken van sociale zekerheid:
[…]
c) uitkeringen bij ouderdom;
[…]”
5 Artikel 45 van verordening nr. 1408/71, dat deel uitmaakt van hoofdstuk 3, getiteld „Ouderdom en overlijden (pensioenen)”, van titel III van deze verordening, formuleert het beginsel van samentelling van de onder de wetgeving van iedere lidstaat vervulde tijdvakken van verzekering voor het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen.
6 Voormeld artikel bepaalt in de leden 1 en 6:
„1. Indien de wetgeving van een lidstaat het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen krachtens een stelsel dat geen bijzonder stelsel is in de zin van lid 2 of lid 3, afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering of van wonen, houdt het bevoegde orgaan van deze lidstaat, voorzover nodig, rekening met de krachtens de wetgeving van elke andere lidstaat vervulde tijdvakken, ongeacht of deze onder een algemeen dan wel onder een bijzonder stelsel en onder een stelsel voor werknemers dan wel onder een stelsel voor zelfstandigen zijn vervuld. Daartoe houdt het bevoegde orgaan rekening met deze tijdvakken alsof deze krachtens de door dat orgaan toegepaste wetgeving waren vervuld.
[…]
6. Een tijdvak van volledige werkloosheid tijdens hetwelk de werknemer uitkeringen ontvangt volgens de bepalingen van artikel 71, lid 1, sub a‑ii, of sub b‑ii, eerste zin, wordt door het bevoegde orgaan van de lidstaat op het grondgebied waarvan de werknemer woont, in aanmerking genomen overeenkomstig de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling, alsof deze wettelijke regeling tijdens zijn laatste beroepswerkzaamheden op hem van toepassing was.
[…]
Indien het tijdvak van volledige werkloosheid in het land waar de betrokkene woont, slechts in aanmerking kan worden genomen indien de tijdvakken van premiebetalingen in datzelfde land zijn vervuld, wordt geacht aan deze voorwaarde te zijn voldaan indien de tijdvakken van premiebetalingen in een andere lidstaat zijn vervuld.”
7 Artikel 71, lid 1, dat in afdeling 3, getiteld „Werklozen die tijdens het verrichten van hun laatste werkzaamheden op het grondgebied van een andere dan de bevoegde lidstaat woonden”, van hoofdstuk 6 van titel III van verordening nr. 1408/71 is opgenomen, bepaalt:
„De werkloze werknemer die tijdens het verrichten van zijn laatste werkzaamheden op het grondgebied van een andere dan de bevoegde lidstaat woonde, heeft recht op uitkering overeenkomstig de volgende bepalingen:
a) […]
ii) de volledig werkloze grensarbeider heeft recht op uitkering volgens de wettelijke regeling van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont, alsof die wettelijke regeling tijdens het verrichten van zijn laatste werkzaamheden op hem van toepassing was geweest; deze uitkering wordt door en voor rekening van het orgaan van de woonplaats verleend;
[…]”
Nationale regelgeving
8 Artikel 22 van Koninklijk Besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust‑ en overlevingspensioen voor werknemers ( Belgisch Staatsblad van 27 oktober 1967, blz. 11258), zoals gewijzigd bij wet van 30 maart 1994 ( Belgisch Staatsblad van 31 maart 1994, blz. 8866; hierna: „koninklijk besluit van 24 oktober 1967”), luidt:
„Aan de gerechtigden op een pensioen toegekend krachtens deze regeling kan jaarlijks een vakantiegeld en een aanvullende toeslag bij het vakantiegeld worden toegekend.
[…]
De in dit artikel bedoelde uitkeringen worden niet in aanmerking genomen voor de toepassing van de cumulatiemaatregelen betreffende sociale voorzieningen, noch voor de berekening van de bestaansmiddelen, die aan het toekennen van bepaalde voordelen voorafgaat.”
9 Artikel 56, lid 1, van het Koninklijk Besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust‑ en overlevingspensioen voor werknemers ( Belgisch Staatsblad van 16 januari 1968, blz. 441), zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 27 januari 1998 ( Belgisch Staatsblad van 20 februari 1998, blz. 4793), en bij koninklijk besluit van 4 maart 2002 ( Belgisch Staatsblad van 29 maart 2002, blz. 13236; hierna: „koninklijk besluit van 21 december 1967”), bepaalt:
„Er wordt jaarlijks een vakantiegeld en een aanvullende toeslag bij het vakantiegeld verleend aan de gerechtigden op een rust- en/of overlevingspensioen.
Het vakantiegeld en de aanvullende toeslag bij het vakantiegeld worden evenwel niet toegekend tijdens het jaar waarin het pensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaat. Het daaropvolgend jaar worden een vakantiegeld en een aanvullende toeslag bij het vakantiegeld toegekend, in verhouding tot het aantal maanden gedurende welke de gerechtigde het pensioen heeft genoten tijdens het jaar waarin het is ingegaan. Ze worden volledig toegekend tijdens de daaropvolgende jaren.
[…]
In afwijking van het tweede lid […] en onverminderd de toepassing van § 2 van dit artikel, worden het vakantiegeld en de aanvullende toeslag volledig toegekend vanaf het jaar waarin het pensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaat:
a) als het om een rustpensioen gaat zo de gerechtigde titularis is geweest van een brugpensioen of zo hij genoten heeft van vergoedingen wegens ziekte, invaliditeit of onvrijwillige werkloosheid tengevolge van een activiteit onderworpen aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, van deze van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de zeelieden der koopvaardij, of van deze van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden gedurende het volledige burgerlijk jaar dat voorafgaat aan het jaar tijdens hetwelk het rustpensioen ingaat;
b) […]
De vergoedingen wegens onvrijwillige werkloosheid ten gevolge van een activiteit bedoeld bij artikel 5, § 7, van het koninklijk besluit van 23 december 1996 worden, voor de toepassing van het voorgaande lid, gelijkgesteld met de in dat lid bedoelde vergoedingen wegens onvrijwillige werkloosheid.”
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
10 Noteboom is een Belgische onderdaan die in Nederland heeft gewerkt, maar in België is blijven wonen.
11 Kort voor zijn pensionering is hij werkloos geworden. Tijdens het jaar dat voorafging aan dat waarin zijn recht op uitbetaling van een rustpensioen inging, heeft hij ononderbroken werkloosheidsuitkeringen ontvangen. Ingevolge artikel 71, lid 1, sub a-ii, van verordening nr. 1408/71 zijn deze werkloosheidsuitkeringen berekend en uitbetaald volgens de bepalingen van de Belgische regelgeving.
12 Noteboom heeft sinds 1 januari 1999 recht op een rustpensioen in het kader van het Belgische stelsel voor werknemers. In 1999 heeft de Rijksdienst hem naast dit pensioen ook een bedrag van 23 069 BEF, gelijk aan 571,87 EUR, als vakantiegeld uitbetaald.
13 De Rijksdienst was later van mening dat zij genoemd bedrag ten onrechte aan Noteboom had uitbetaald en zij heeft bij op 18 augustus 1999 betekende beslissing de terugbetaling daarvan gevorderd.
14 Noteboom heeft op 14 september 1999 bij de verwijzende rechter beroep ingesteld tegen deze beslissing.
15 Ten overstaan van laatstgenoemde heeft Noteboom zich op het standpunt gesteld dat hij recht had op vakantiegeld, aangezien hij ononderbroken werkloosheidsuitkeringen had ontvangen tijdens het jaar voorafgaand aan dat waarin zijn recht op uitbetaling van een rustpensioen is ingegaan.
16 De Rijksdienst heeft daarentegen betoogd dat Noteboom niet voldeed aan de in artikel 56 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 gestelde voorwaarden. Zijn werkloosheid was immers niet het gevolg „van een tewerkstelling uit hoofde waarvan betrokkene onderworpen was aan de Belgische socialezekerheidsregeling”. De werkloosheidsuitkeringen zijn weliswaar door de Belgische Staat uitbetaald, maar de eigenlijke debiteur is de lidstaat waar de betrokkene zijn beroepswerkzaamheden heeft verricht en werkloos is geworden, in casu het Koninkrijk der Nederlanden.
17 De Rijksdienst heeft eveneens gesteld dat het vakantiegeld „duidelijk geen pensioen is, doch een uitkering ad hoc”. Het valt niet onder de materiële werkingssfeer van verordening nr. 1408/71.
18 De verwijzende rechter herinnert aan de rechtspraak van het Hof ter zake, met name aan het arrest van 5 juli 1983, Valentini (171/82, Jurispr. blz. 2157), en doet de volgende uiteenzetting over de aard van de aan de orde zijnde uitkering:
– de personele werkingssfeer van artikel 22 van het koninklijk besluit van 24 oktober 1967 valt samen met die van het recht op het rust- of overlevingspensioen: het vakantiegeld wordt toegekend aan alle gepensioneerden en enkel aan hen;
– het vakantiegeld van gepensioneerden wordt met precies dezelfde middelen gefinancierd als de rust- en overlevingspensioenen;
– evenals het rustpensioen wordt het met dat pensioen samengaande vakantiegeld toegekend aan personen die wegens hun leeftijd niet langer ter beschikking behoeven te blijven van de diensten voor arbeidsbemiddeling. Door de uitkeringen kunnen deze personen in hun levensonderhoud voorzien;
– het vakantiegeld is evenwel een forfaitair bedrag, dat op geen enkele wijze verband houdt met dat van het verdiende loon of met de vervulde tijdvakken van verzekering.
19 In deze omstandigheden heeft de Arbeidsrechtbank te Gent de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Valt het vakantiegeld bedoeld in artikel 22 van [koninklijk besluit] nr. 50 van 24 oktober 1967 en in artikel 56 van het [koninklijk besluit] van 21 december 1967 onder de materiële werkingssfeer van verordening nr. 1408/71, en betreft het meer bepaald een ‚uitkering bij ouderdom’ in de zin van artikel 4, lid 1, sub c, van de verordening?
2) Moet [...] artikel 45, [lid 1 en lid 6], van verordening nr. 1408/71 zo worden uitgelegd dat de [Rijksdienst voor Pensioenen] als bevoegd orgaan bij het bepalen van het recht op vakantiegeld rekening moet houden met de in een andere lidstaat gepresteerde tijdvakken van verzekering?
3) Indien de tweede vraag negatief wordt beantwoord, geldt het voorschrift van artikel 71, [lid 1, sub a-ii], van verordening nr. 1408/71, volgens hetwelk de uitkering vastgesteld wordt volgens de wettelijke regeling van de lidstaat waar de grensarbeider woont, ‚alsof die wettelijke regeling tijdens het verrichten van zijn laatste werkzaamheden op hem van toepassing was geweest’, enkel voor uitkeringen bij werkloosheid, of geldt [het] tevens voor andere uitkeringen, zoals inzonderheid het vakantiegeld waarvan sprake in artikel 22 van [koninklijk besluit] nr. 50 van 24 oktober 1967 en in artikel 56 van het [koninklijk besluit] van 21 december 1967?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
De eerste vraag
20 Met de eerste vraag, die betrekking heeft op de materiële werkingssfeer van verordening nr. 1408/71, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een uitkering als het vakantiegeld bedoeld in artikel 22 van het koninklijk besluit van 24 oktober 1967 en in artikel 56 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 een uitkering bij ouderdom vormt in de zin van artikel 4, lid 1, sub c, van verordening nr. 1408/71.
21 Volgens vaste rechtspraak kan een uitkering alleen dan als een socialezekerheidsuitkering worden beschouwd wanneer zij, enerzijds, zonder individuele en discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften aan de rechthebbenden wordt toegekend op grond van een wettelijk omschreven positie en, anderzijds, verband houdt met één van de in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 uitdrukkelijk genoemde eventualiteiten (zie met name arresten van 16 juli 1992, Hughes, C-78/91, Jurispr. blz. I-4839, punt 15; 15 maart 2001, Offermanns, C-85/99, Jurispr. blz. I-2261, punt 28, en 7 november 2002, Maaheimo, C-333/00, Jurispr. blz. I-10087, punt 22).
22 Een uitkering als het in de onderhavige zaak aan de orde zijnde vakantiegeld voldoet aan deze voorwaarden.
23 Met betrekking tot de eerste voorwaarde dient te worden opgemerkt dat de bepalingen betreffende de toekenning van dit vakantiegeld, inzonderheid artikel 56, lid 1, van het koninklijk besluit van 21 december 1967, de rechthebbenden een wettelijk omschreven recht toekennen en dat dit recht automatisch toekomt aan personen die aan bepaalde objectieve criteria beantwoorden, zonder enige individuele en discretionaire beoordeling van hun persoonlijke behoeften.
24 Met betrekking tot de tweede voorwaarde zij eraan herinnerd dat het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld dat het onderscheid tussen uitkeringen die van de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 zijn uitgesloten en uitkeringen die daar wel onder vallen, in de eerste plaats berust op de constitutieve elementen van elke uitkering, met name het doel waarop zij is gericht en de voorwaarden waaronder zij wordt toegekend, en niet op het feit of een uitkering door een nationale wetgeving al dan niet als een socialezekerheidsuitkering wordt aangemerkt (zie met name arrest Hughes, reeds aangehaald, punt 14, en arrest van 10 oktober 1996, Hoever en Zachow, C-245/94 en C-312/94, Jurispr. blz. I-4895, punt 17).
25 Voor de juridische aard van een uitkering als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, is de kwalificatie als vakantiegeld derhalve niet doorslaggevend om uit te maken of die uitkering als een uitkering bij ouderdom in de zin van artikel 4, lid 1, sub c, van verordening nr. 1408/71 kan worden beschouwd.
26 Uit de constitutieve elementen van het aan de orde zijnde vakantiegeld blijkt evenwel dat dit kan worden aangemerkt als een uitkering bij ouderdom in de zin van artikel 4, lid 1, sub c, van verordening nr. 1408/71, die wordt uitbetaald als aanvullende uitkering in de zin van artikel 1, sub t, van verordening nr. 1408/71.
27 In de eerste plaats volgt uit de bepalingen betreffende de toekenning van dit vakantiegeld dat het uitsluitend wordt uitbetaald aan rechthebbenden op een rust‑ en/of overlevingspensioen. Bovendien heeft de verwijzende rechter opgemerkt dat het vakantiegeld van gepensioneerden met dezelfde middelen wordt gefinancierd als de rust- en overlevingspensioenen.
28 In de tweede plaats heeft de verwijzende rechter opgemerkt, dat de rechthebbenden op het rustpensioen door het ermee samengaande vakantiegeld in hun behoeften kunnen voorzien. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, strekt dit vakantiegeld er meer bepaald toe, gepensioneerden een financiële aanvulling te waarborgen waardoor zij eventueel met vakantie kunnen gaan.
29 Het door de verwijzende rechter genoemde feit dat het vakantiegeld uit een forfaitaire som bestaat die op geen enkele wijze afhangt van het bedrag van het verdiende loon of van de vervulde tijdvakken van verzekering, doet niet af aan de juridische kwalificatie ervan als uitkering bij ouderdom in de zin van artikel 4, lid 1, sub c, van verordening nr. 1408/71. Weliswaar heeft het Hof opgemerkt dat deze uitkeringen in de regel worden gefinancierd door en verkregen op grond van de eigen bijdragen van de betrokkenen en worden berekend op basis van de duur van aansluiting bij het verzekeringsstelsel (zie arrest Valentini, reeds aangehaald, punt 14), maar uit de in de punten 27 en 28 van het onderhavige arrest onderzochte omstandigheden in deze zaak blijkt dat sprake is van een uitkering bij ouderdom in de zin van artikel 4, lid 1, sub c, van verordening nr. 1408/71.
30 Bijgevolg dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat een uitkering als het vakantiegeld bedoeld in artikel 22 van het koninklijk besluit van 24 oktober 1967 en in artikel 56 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 een uitkering bij ouderdom vormt in de zin van artikel 4, lid 1, sub c, van verordening nr. 1408/71.
De tweede vraag
31 Met de tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 45, leden 1 en 6, van verordening nr. 1408/71 aldus moet worden uitgelegd dat het bevoegde orgaan van de lidstaat van de woonplaats met het oog op de toekenning van een uitkering als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, een tijdvak van volledige werkloosheid tijdens hetwelk de voormalige werknemer uitkeringen heeft ontvangen volgens de bepalingen van artikel 71, lid 1, sub a-ii, van deze verordening in aanmerking moet nemen, ook al is genoemde werknemer niet werkloos geworden na een activiteit waarvoor hij onderworpen was aan de wettelijke regeling die dit orgaan toepast.
32 Dit probleem is aan de orde in artikel 45, lid 6, van verordening nr. 1408/71, dat bijgevolg eerst dient te worden uitgelegd.
33 Uit de eerste alinea van deze bepaling vloeit voort dat een tijdvak van volledige werkloosheid tijdens hetwelk de werknemer uitkeringen ontvangt volgens de bepalingen van artikel 71, lid 1, sub a-ii, van verordening nr. 1408/71, door het bevoegde orgaan van de lidstaat op het grondgebied waarvan de werknemer woont, in aanmerking wordt genomen overeenkomstig de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling, alsof deze wettelijke regeling tijdens zijn laatste werkzaamheden op hem van toepassing was geweest.
34 Bij de bepaling van het recht op een uitkering als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, moet derhalve rekening worden gehouden met de tijdvakken van volledige werkloosheid van de grensarbeider die aanleiding hebben gegeven tot de toekenning van werkloosheidsuitkeringen uit hoofde van artikel 71, lid 1, sub a‑ii, van verordening nr. 1408/71, alsof de wettelijke regeling van de lidstaat van zijn woonplaats tijdens zijn laatste werkzaamheden op hem van toepassing was geweest.
35 Hieruit volgt dat artikel 45, lid 1, van verordening nr. 1408/71 geen uitlegging behoeft.
36 Gelet op het voorgaande dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 45, lid 6, van verordening nr. 1408/71 aldus moet worden uitgelegd dat het bevoegde orgaan van de lidstaat van de woonplaats met het oog op de toekenning van een uitkering als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, een tijdvak van volledige werkloosheid tijdens hetwelk de voormalige werknemer uitkeringen heeft ontvangen volgens de bepalingen van artikel 71, lid 1, sub a-ii, van deze verordening in aanmerking moet nemen, alsof de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling op deze werknemer tijdens zijn laatste werkzaamheden van toepassing was geweest.
De derde vraag
37 Gelet op het antwoord op de tweede vraag behoeft de derde vraag geen beantwoording.
Kosten
38 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Vierde kamer) verklaart voor recht:
1) Een uitkering als het vakantiegeld bedoeld in artikel 22 van Koninklijk Besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust‑ en overlevingspensioen voor werknemers, zoals gewijzigd bij wet van 30 maart 1994, en in artikel 56 van het Koninklijk Besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust‑ en overlevingspensioen voor werknemers, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 27 januari 1998 en bij koninklijk besluit van 4 maart 2002, vormt een uitkering bij ouderdom in de zin van artikel 4, lid 1, sub c, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1606/98 van de Raad van 29 juni 1998.
2) Artikel 45, lid 6, van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 118/97, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1606/98, moet aldus worden uitgelegd dat het bevoegde orgaan van de lidstaat van de woonplaats met het oog op de toekenning van een uitkering als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, een tijdvak van volledige werkloosheid tijdens hetwelk de voormalige werknemer uitkeringen heeft ontvangen volgens de bepalingen van artikel 71, lid 1, sub a-ii, van verordening nr. 1408/71 in aanmerking moet nemen, alsof de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling op deze werknemer tijdens zijn laatste beroepswerkzaamheden van toepassing was geweest.
ondertekeningen
1 – Procestaal: Nederlands.
Full & Egal Universal Law Academy