Zaak C‑126/04
Heineken Brouwerijen BV
tegen
Hoofdproductschap Akkerbouw
(verzoek van het College van Beroep voor het bedrijfsleven om een prejudiciële beslissing)
„Granen – Invoerregeling – Communautair tariefcontingent voor brouwgerst – Discriminatie”
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 13 januari 2005
Samenvatting van het arrest
Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Granen – Invoerregeling – Tariefcontingent – Gerst – Contingent uitsluitend voor gerst van hoge kwaliteit – Schending van non-discriminatiebeginsel – Geen
(Art. 34, lid 2, tweede alinea, EG; verordeningen nrs. 1269/1999 en 822/2001 van de Raad)
De beperking van de werkingssfeer van de communautaire tariefcontingenten die bij de verordeningen nrs. 1269/1999 en 822/2001 uitsluitend zijn geopend voor gerst van hoge kwaliteit die bestemd is voor verwerking tot mout dat zal worden gebruikt voor de bereiding van bier dat rijpt in tanks met beukenhout, wordt objectief gerechtvaardigd door de verschillen tussen deze gerst en gerst die bestemd is voor de bereiding van andere biersoorten.
(cf. punt 22)
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
13 januari 2005(1)
„Granen – Invoerregeling – Communautair tariefcontingent voor brouwgerst – Discriminatie”
In zaak C-126/04,betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het College van Beroep voor het bedrijfsleven (Nederland), bij beslissing van 18 februari 2004, ingekomen bij het Hof op 8 maart 2004, in de procedure
Heineken Brouwerijen BV
tegen
Hoofdproductschap Akkerbouw ,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),,
samengesteld als volgt: K. Lenaerts (rapporteur), kamerpresident, E. Juhász en M. Ilešič, rechters,
advocaat-generaal: C. Stix-Hackl,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,gelet op de opmerkingen van:
– Heineken Brouwerijen BV, vertegenwoordigd door H. Bronkhorst, advocaat,
– de Griekse regering, vertegenwoordigd door V. Kontolaimos en E. Svolopoulou als gemachtigden,
– de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M. Balta en K. Michoel als gemachtigden,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. Clotuche-Duvieusart et D. W. V. Zijlstra als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de geldigheid van de verordeningen (EG) nrs. 1269/1999 van de Raad van 14 juni 1999 en 822/2001 van de Raad van 24 april 2001 betreffende de opening van een communautair tariefcontingent voor gerst voor verwerking tot mout van GN-code 1003 00 (PB L 151, blz. 1, respectievelijk PB L 120, blz. 1), alsook de uitlegging van artikel 10 van verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad van 30 juni 1992 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (PB L 181, blz. 21), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 3290/94 van de Raad van 22 december 1994 inzake de aanpassingen en de overgangsmaatregelen in de landbouwsector voor de tenuitvoerlegging van de overeenkomsten in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde (PB L 349, blz. 105; hierna: „verordening nr. 1766/92”), en de uitlegging van de bepalingen van verordening (EG) nr. 2023/2001 van de Commissie van 15 oktober 2001 tot vaststelling van de invoerrechten in de sector granen (PB L 273, blz. 18).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Heineken Brouwerijen BV (hierna: „Heineken”) en het Hoofdproductschap Akkerbouw (hierna: „Hoofdproductschap”) over de invoerrechten die verschuldigd zijn op door Heineken in de Gemeenschap ingevoerde brouwgerst.
Het toepasselijke recht
3 Artikel 1 van verordening nr. 1766/92 noemt onder GN-code 1003 00 gerst onder de producten waarvoor de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen geldt.
4 Artikel 10 van verordening nr. 1766/92 bepaalt:
„1. Behoudens andersluidende bepalingen in deze verordening gelden voor de in artikel 1 bedoelde producten de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief.
2. In afwijking van lid 1, is het invoerrecht voor de producten van de GN-codes […] 1003 […] gelijk aan de interventieprijs voor deze producten bij de invoer, verhoogd met 55 % en verminderd met de cif-invoerprijs van de zending in kwestie. Dit invoerrecht mag echter niet hoger zijn dan het recht van het gemeenschappelijk douanetarief.
[…]”
5 In verordening nr. 2023/2001 zijn de invoerrechten in de sector granen vastgesteld.
6 Artikel 2, lid 5, van verordening (EG) nr. 1249/96 van de Commissie van 28 juni 1996 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 1766/92 ten aanzien van de invoerrechten in de sector granen (PB L 161, blz. 125), in de tot 1 juli 2003 geldende versie, bepaalt:
„De importeur kan een forfaitaire verlaging van het invoerrecht verkrijgen:
[…]
– van 8 [EUR] per ton voor de invoer van brouwgerst […]
op voorwaarde dat hij aantoont dat een kwaliteitstoeslag op de gewone prijs van het betrokken product kan zijn betaald.
[…]”
7 Artikel 1 van verordening nr. 1269/1999 bepaalt:
„1. Voor 1999 en 2000 worden voor gerst van hoge kwaliteit van GN-code 1003 00 die bestemd is voor verwerking tot mout dat zal worden gebruikt voor de bereiding van bepaalde soorten bier dat rijpt in tanks met beukenhout, jaarlijkse communautaire tariefcontingenten van 50 000 ton geopend.
2. Het voor deze contingenten toe te passen recht van het gemeenschappelijke douanetarief bedraagt 50 % van het volledige recht, zonder reductie, dat op de dag van invoer van toepassing is.”
8 Bij artikel 1 van verordening nr. 822/2001 is voor 2001 en 2002 eveneens een communautair tariefcontingent van 50 000 ton geopend „voor gerst van hoge kwaliteit van GN-code 1003 00 die bestemd is voor verwerking tot mout dat zal worden gebruikt voor de bereiding van bepaalde soorten bier dat rijpt in tanks met beukenhout”.
9 De eerste en de tweede overweging van de considerans van de verordeningen nrs. 1269/1999 en 822/2001 luiden als volgt:
„(1) Overwegende dat de Gemeenschap zich er bij de afsluiting van de onderhandelingen in het kader van artikel XXIV, lid 6, van de GATT [(Algemene overeenkomst inzake tarieven en handel)] toe heeft verbonden om, als het stelsel van representatieve prijzen voor granen de handel lijkt te belemmeren, eventuele problemen te onderzoeken; dat er bij sommige leveranties van gerst voor verwerking tot mout belemmeringen zijn geweest voor het handelsverkeer;
(2) Overwegende dat, om deze belemmeringen weg te nemen, voor […] jaarlijkse communautaire tariefcontingenten voor gerst voor verwerking tot mout van GN-code 1003 00 moeten worden geopend.”
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
10 Heineken is een internationaal opererende onderneming die zich toelegt op de productie en de verkoop van bier.
11 Bij besluit van 25 oktober 2001 heeft het Hoofdproductschap van Heineken betaling van 254,82 EUR aan invoerrechten op 15 177 kg brouwgerst verlangd. Het door Heineken tegen dit besluit ingediende bezwaar is afgewezen bij besluit van het Hoofdproductschap van 28 oktober 2002.
12 Tegen dit besluit heeft Heineken beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Daar producenten zoals Heineken, die geen bier dat rijpt in tanks met beukenhout produceren, niet voor de bij de verordeningen nrs. 1269/1999 en 822/2001 voor de jaren 1999 tot en met 2002 geopende tariefcontingenten in aanmerking kwamen, vraagt het College van Beroep zich af of de communautaire regeling niet discriminerend is.
13 Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft daarom de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Zijn de verordeningen […] nrs. 1269/1999 en 822/2001 […], waarbij uitsluitend voor de invoer van gerst die bestemd is voor de productie van bier dat rijpt in tanks met beukenhout communautaire tariefcontingenten zijn vastgesteld, geldig in het licht van het in artikel 34, lid 2, tweede volzin, [EG] neergelegde verbod van discriminatie tussen producenten?
2) Verplicht, in geval van ongeldigheid van genoemde verordeningen, artikel 10, lid 2, van verordening […] nr. 1766/92 […] in samenhang met verordening […] nr. 2023/2001 […], niettemin tot het opleggen van een invoerrecht op gerst van hoge kwaliteit van GN-code 1003 00 die bestemd is voor de verwerking tot bier uit mout?”
De prejudiciële vragen
De eerste vraag
14 Heineken merkt op dat voor de jaren 1999 tot en met 2002 bij de verordeningen nrs. 1269/1999 en 822/2001 uitsluitend voor gerst van hoge kwaliteit van GN‑code 1003 00 bestemd voor de bereiding van bepaalde soorten bier communautaire tariefcontingenten zijn geopend. Deze verordeningen zijn in strijd met artikel 34, lid 2, tweede alinea, EG aangezien daardoor een niet objectief gerechtvaardigd verschil in behandeling is ontstaan tussen gerst bestemd voor de bereiding van bier dat rijpt in tanks met beukenhout, en gerst bestemd voor bier dat op andere wijze wordt bereid.
15 Daarentegen stellen de Griekse regering, de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen dat de verordeningen nrs. 1269/1999 en 822/2001 niet in strijd zijn met het discriminatieverbod. De opening van tariefcontingenten voor gerst die bestemd is voor verwerking tot mout dat zal worden gebruikt voor de bereiding van bier dat rijpt in tanks met beukenhout, houdt rekening met de bevoorradingsbehoeften van de markt van de Gemeenschap en met de noodzaak van het behoud van het evenwicht van die markt. Voorts is het objectief gerechtvaardigd om gerst die is bestemd voor de productie van verschillende soorten bier, verschillend te behandelen.
16 Volgens vaste rechtspraak is artikel 34, lid 2, tweede alinea, EG, dat in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid discriminatie verbiedt, slechts de specifieke uitdrukking van het algemene gelijkheidsbeginsel, dat verlangt dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij dit onderscheid objectief gerechtvaardigd is (zie met name arresten van 20 september 1988, Spanje/Raad, 203/86, Jurispr. blz. 4563, punt 25; 17 april 1997, EARL de Kerlast, C-15/95, Jurispr. blz. I-1961, punt 35; 13 april 2000, Karlsson e.a., C-292/97, Jurispr. blz. I-2737, punt 39, en 6 maart 2003, Niemann, C-14/01, Jurispr. blz. I-2279, punt 49).
17 In casu zijn de invoerrechten voor granen overeenkomstig artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1766/92 berekend aan de hand van de interventieprijs en de representatieve invoerprijs die is bepaald op basis van de noteringen op de wereldmarkt.
18 Zoals evenwel in de eerste en de tweede overweging van de considerans van de verordeningen nrs. 1269/1999 en 822/2001 wordt verklaard, heeft het systeem van „representatieve prijzen” geleid tot belemmeringen voor het handelsverkeer.
19 De Raad en de Commissie zetten in dit verband uiteen dat de invoerrechten op zowel veevoedergerst als brouwgerst – omdat er voor brouwgerst geen afzonderlijke prijsnoteringen bestaan – worden berekend aan de hand van de prijsnoteringen voor veevoedergerst op de graanbeurs van Minneapolis (Verenigde Staten van Amerika). Daar de prijs van brouwgerst aanzienlijk hoger is dan de prijs van veevoedergerst, leidt de berekening volgens artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1766/92 ertoe dat de invoer van brouwgerst nagenoeg onmogelijk is. De verlaging van de rechten bij artikel 2, lid 5, van verordening nr. 1249/96 bleek namelijk onvoldoende om de handelsbelemmeringen voor de invoer van gerst weg te werken.
20 Blijkens de eerste en de tweede overweging van de considerans van de verordeningen nrs. 1269/1999 en 822/2001 beoogt de opening van de tariefcontingenten met name het wegnemen van die belemmeringen, waartegen de Verenigde Staten van Amerika bezwaar hadden gemaakt onder verwijzing naar de voor de Gemeenschap uit de GATT voortvloeiende verplichtingen.
21 Wat de beperking van de werkingssfeer van de bij de verordeningen nrs. 1269/1999 en 822/2001 geopende communautaire tariefcontingenten betreft, merken de Raad en de Commissie op dat brouwgerst binnen de Gemeenschap in voldoende hoeveelheden verkrijgbaar is, behalve gerst die wordt gebruikt voor de productie van bier in beukenhouten vaten, welke uit de Verenigde Staten moet worden geïmporteerd. De producenten van bier dat rijpt in beukenhouten vaten, zijn dus afhankelijk van de invoer van brouwgerst uit een derde land, terwijl de overige producenten in de Gemeenschap de brouwgerst die zij voor hun bierproductie nodig hebben, gemakkelijk binnen de Gemeenschap kunnen betrekken. Daar de invoerrechten te hoog waren om bier dat rijpt in beukenhouten vaten, binnen de Gemeenschap te blijven produceren, en de verlaging van die rechten bij artikel 2, lid 5, van verordening nr. 1249/96 onvoldoende was voor het wegwerken van de belemmeringen voor de invoer van gerst die kan worden gebruikt voor de productie van bier in beukenhouten vaten, was het objectief gerechtvaardigd om uitsluitend voor gerst die bestemd is voor de productie van dit bier, tariefcontingenten te openen. De verordeningen nrs. 1269/1999 en 822/2001 brengen dus de verplichtingen die voor de Gemeenschap uit de GATT en uit de gemeenschappelijke marktordening in de sector granen voortvloeien, met elkaar in evenwicht door in de Gemeenschap de bevoorrading met een gerstsoort die niet op de communautaire markt wordt geproduceerd en waarvan de prijs zonder deze contingenten prohibitief zou zijn geweest, veilig te stellen.
22 De beperking van de werkingssfeer van de bij de verordeningen nrs. 1269/1999 en 822/2001 geopende communautaire tariefcontingenten wordt derhalve objectief gerechtvaardigd door de verschillen tussen gerst die bestemd is voor verwerking tot mout dat zal worden gebruikt voor de bereiding van bier dat rijpt in tanks met beukenhout, en gerst die bestemd is voor de bereiding van andere biersoorten.
23 Gezien het voorgaande is uit het onderzoek van de eerste vraag niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van de verordeningen nrs. 1269/1999 en 822/2001 kunnen aantasten.
De tweede vraag
24 De tweede vraag betreft de uitlegging van artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1766/92 in samenhang met verordening nr. 2023/2001 voor het geval dat de verordeningen nrs. 1269/1999 en 822/2001 ongeldig zijn.
25 Gelet op het antwoord op de eerste vraag behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
26 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Vierde kamer) verklaart voor recht:
Uit het onderzoek van de vragen is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van de verordeningen (EG) nrs. 1269/1999 van de Raad van 14 juni 1999 en 822/2001 van de Raad van 24 april 2001 betreffende de opening van een communautair tariefcontingent voor gerst voor verwerking tot mout van GN-code 1003 00.
ondertekeningen
1 – Procestaal: Nederlands.
Full & Egal Universal Law Academy