Zaak C‑135/04
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Koninkrijk Spanje
„Instandhouding van fauna – In wild levende vogels – Jachtperioden – Jacht tijdens voorjaarstrek van houtduif in provincie Guipúzcoa”
Conclusie van advocaat-generaal L. A. Geelhoed van 7 april 2005
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 9 juni 2005
Samenvatting van het arrest
Milieu – Behoud van vogelstand – Richtlijn 79/409 – Data van openen en sluiten van jacht – Afwijkingen – Voorwaarden – Ontbreken van andere bevredigende oplossing – Voorwaarde niet vervuld indien afwijkende periode zonder noodzaak samenvalt met in richtlijn voorziene perioden van bijzondere bescherming
(Richtlijn 79/409 van de Raad, art. 7, lid 4, en 9, lid 1, sub c)
Artikel 9, lid 1, sub c, van richtlijn 79/409 inzake het behoud van de vogelstand laat toe dat met inachtneming van de daarin opgelegde voorwaarden de jacht op de in bijlage II bij deze richtlijn vermelde soorten wordt toegestaan gedurende de in artikel 7, lid 4, van deze richtlijn genoemde perioden van bijzondere bescherming. Tot de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan opdat een dergelijke jacht mag worden toegestaan, behoort de voorwaarde dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat. Deze voorwaarde kan niet worden geacht te zijn vervuld wanneer de afwijkende jachtperiode zonder noodzaak samenvalt met de perioden waarin de richtlijn een bijzondere bescherming tot stand beoogt te brengen. Een dergelijke noodzaak ontbreekt met name wanneer de maatregel die de afwijkende jachtperiode toestaat, alleen tot doel heeft de periode te verlengen waarin bepaalde vogelsoorten mogen worden bejaagd in gebieden waarin deze soorten reeds voorkwamen in de overeenkomstig artikel 7 van de richtlijn vastgestelde jachtperioden.
(cf. punten 17‑19)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
9 juni 2005 (*)
„Instandhouding van fauna – In het wild levende vogels – Jachtperioden – Jacht tijdens voorjaarstrek van houtduif in provincie Guipúzcoa”
In zaak C-135/04,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG, ingesteld op 12 maart 2004,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Valero Jordana en M. van Beek als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door N. Díaz Abad en M. Muñoz Pérez als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerder,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, R. Silva de Lapuerta, C. Gulmann (rapporteur), R. Schintgen en G. Arestis, rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 24 februari 2005,
gelet op de opmerkingen van partijen,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 april 2005,
het navolgende
Arrest
1 De Commissie van de Europese Gemeenschappen verzoekt het Hof vast te stellen dat het Koninkrijk Spanje, door toe te staan dat in de provincie Guipúzcoa de jacht op de houtduif „a contrapasa” (in de voorjaarstrek) wordt beoefend, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 7, lid 4, van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 103, blz. 1; hierna: „richtlijn”).
Toepasselijke bepalingen
De richtlijn
2 Artikel 7 van de richtlijn luidt als volgt:
„1. Op de in bijlage II vermelde soorten mag, vanwege hun populatieniveau, hun geografische verspreiding en de omvang van hun voortplanting in de hele Gemeenschap, worden gejaagd volgens de bepalingen van de nationale jachtwetgeving. De lidstaten zien erop toe dat de jacht op deze soorten de pogingen tot instandhouding die in hun verspreidingsgebied worden ondernomen, niet in gevaar brengt.
[…]
4. De lidstaten zien erop toe dat bij de beoefening van de jacht, eventueel met inbegrip van de valkenjacht, zoals deze voortvloeit uit de toepassing van de geldende nationale maatregelen, de principes van een verstandig gebruik en een ecologisch evenwichtige regulering van de betrokken vogelsoorten in acht worden genomen, en dat deze beoefening wat de populatie van deze soorten, in het bijzonder van de trekvogels betreft, verenigbaar is met de uit artikel 2 voortvloeiende bepalingen. Zij zien er in het bijzonder op toe dat soorten waarop de jachtwetgeving van toepassing is, niet worden bejaagd zolang de jonge vogels het nest nog niet hebben verlaten of gedurende de verschillende fasen van de broedperiode. Ten aanzien van trekvogels zien zij er met name op toe dat de soorten waarop de jachtwetgeving van toepassing is, niet worden bejaagd tijdens de broedperiode noch tijdens de trek naar hun nestplaatsen. De lidstaten zenden de Commissie alle nuttige gegevens betreffende de praktische toepassing van hun jachtwetgeving.”
3 De houtduif is vermeld in bijlage II bij de richtlijn.
4 Artikel 9, lid 1, van de richtlijn bepaalt:
„De lidstaten mogen, indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat, om onderstaande redenen afwijken van de artikelen 5, 6, 7 en 8:
[...]
c) teneinde het vangen, het houden of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.”
Bepalingen van nationaal recht
5 Volgens de achtste aanvullende bepaling van wet 40/97 van 5 november 1997 houdende wijziging van wet 4/89 van 27 maart 1989 betreffende de instandhouding van natuurgebieden, van de in het wild levende flora en fauna (BOE van 6 november 1997), kan de bevoegde autoriteit, indien een andere bevredigende oplossing niet mogelijk is, voorzover het om trekvogels gaat die niet met uitsterven worden bedreigd, het verbod op de jacht tijdens hun broedperiode en zolang de jongen het nest niet hebben verlaten alsmede tijdens de trek naar hun nestplaatsen, opheffen, teneinde het vangen, houden of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde bejaagde vogels in kleine hoeveelheden en binnen de grenzen die noodzakelijk zijn om de instandhouding van de soorten te verzekeren, op traditionele plekken selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden, toe te staan.
6 Elk jaar keurt het departement van landbouw en milieu van de Diputación Foral de Guipúzcoa een besluit goed waarbij voor het desbetreffende seizoen wordt toegestaan dat de houtduif tijdens de trek naar de nestplaatsen (jacht „a contrapasa”) wordt bejaagd gedurende een periode die gewoonlijk tussen 15 februari tot 25 maart ligt.
Voorgeschiedenis van het geding
7 In februari 1998 is bij de Commissie een klacht ingediend over de toestemming voor de jacht op de houtduif tijdens de voorjaarstrek (jacht „a contrapasa”) in de provincie Guipúzcoa.
8 Op 30 juni 1998 hebben de Spaanse autoriteiten, die bij brief van 23 maart 1998 om opheldering was verzocht, betoogd dat de toestemming voor deze jachtmethode was gerechtvaardigd door:
– de vraag en de sociale druk, gelet op het traditionele karakter van de jacht „a contrapasa”;
– de geringe gevolgen dan wel de afwezigheid van gevolgen van deze jacht voor de instandhouding van de soort;
– de beperkende voorwaarden die in het besluit van de Diputación Foral de Guipúzcoa aan de jacht op de houtduif waren gesteld;
– het ontbreken van een andere bevredigende oplossing die in de plaats kan komen van de toestemming, onder bepaalde voorwaarden, voor het vangen, het houden of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden.
9 Daar de Commissie op het standpunt stond dat het Koninkrijk Spanje, door in de provincie Guipúzcoa, de jacht op de houtduif „a contrapasa” toe te staan, de krachtens artikel 7, lid 4, van de richtlijn op hem rustende verplichtingen niet was nagekomen, heeft zij de Spaanse regering op 30 april 1999 een aanmaningsbrief gezonden.
10 Bij brief van 23 juli 1999 heeft deze regering betoogd dat in 1998, gedurende slechts 39 dagen, 23 875 jagers aan het jachtseizoen voor deze vorm van jacht hadden deelgenomen, hetgeen erop wijst dat er sprake is van vraag naar en sociale druk voor dit soort jacht op het grondgebied van de provincie Guipúzcoa. Gelet op deze druk moest de jacht op de houtduif „a contrapasa”, met alle beperkingen die daaraan zijn verbonden, wel worden toegestaan, omdat, afgezien daarvan, de populatie van deze soort niet achteruitgaat. Ten slotte werd in deze brief gepreciseerd dat in 1998 slechts 1 013 duiven waren geschoten en in 1999 1 158. De jacht „a contrapasa” eerbiedigt aldus de beginselen van een verstandig gebruik en een evenwichtige regulering van de betrokken soort.
11 Van mening dat de Spaanse autoriteiten blijkens hun uiteenzettingen de uit artikel 7, lid 4, van de richtlijn voortvloeiende verplichtingen niet waren nagekomen, heeft de Commissie het Koninkrijk Spanje op 8 februari 2000 een met redenen omkleed advies gezonden met het verzoek de nodige maatregelen vast te stellen om binnen een termijn van twee maanden na kennisgeving ervan aan dit advies te voldoen.
12 Daar het Koninkrijk Spanje geen gevolg gaf aan dit met redenen omkleed advies, meende de Commissie dat de verweten niet-nakoming bleef bestaan, en heeft zij besloten het onderhavige beroep in te stellen.
Het beroep
Argumenten van partijen
13 De Commissie betoogt dat de jacht waar het in casu om gaat, welke plaatsvindt gedurende de trek van de houtduif naar zijn nestplaats, onder de werking van het verbod van artikel 7, lid 4, van de richtlijn valt. De jachtpraktijk waartegen bezwaar wordt gemaakt, kan niet worden gerechtvaardigd op grond van de uitzonderingsregeling van artikel 9 van deze richtlijn. Aangezien het toestaan van de jacht op de houtduif „a contrapasa” tot doel heeft de normale jachtperiode voor deze soort te verlengen in een gebied waar deze soort gedurende die periode reeds voorkwam, is in casu immers niet voldaan aan de voorwaarde dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat.
14 De Spaanse regering stelt in dit verband dat het vereiste van artikel 9, lid 1, van de richtlijn, dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat, enkel betekenis heeft tegen de achtergrond van de andere gronden voor afwijking dan die bedoeld in punt c van deze bepaling. Er is immers, afgezien van het jachtverbod, geen andere bevredigende oplossing mogelijk die in de plaats kan komen voor het onder bepaalde voorwaarden toestaan van het vangen, het houden of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden, zoals artikel 9, lid 1, sub c, van de richtlijn bepaalt. Deze regering betoogt dat de jacht op houtduiven die is toegestaan tijdens de trek naar hun nestplaats, hoe dan ook in een ander gebied wordt beoefend dan dat waarin zij gedurende het normale jachtseizoen worden bejaagd. De loerhutten in het binnenland die voor deze jacht gedurende de maanden oktober en november (najaarstrek) worden gebruikt, bevinden zich dan ook voor het grootste gedeelte in andere gebieden dan die waarin de loerhutten liggen die in de maanden februari en maart (voorjaarstrek) worden gebruikt. Laatstbedoelde hutten liggen hoofdzakelijk langs de kust, in gebieden waar de houtduiven gedurende de trek in oktober en november niet komen. Bijgevolg bestaat er geen andere bevredigende oplossing die een alternatief kan vormen voor de jacht op de houtduif gedurende de voorjaarstrek van deze soort naar zijn nestplaats. Bovendien levert deze jacht geen enkel gevaar op voor de handhaving van de populatie van de betrokken soort op een bevredigend niveau.
Beoordeling door het Hof
15 Volgens artikel 7, lid 1, van de richtlijn mag op de in bijlage II vermelde soorten worden gejaagd volgens de bepalingen van de nationale jachtwetgeving. Lid 4 van dit artikel bepaalt echter dat de trekvogelsoorten waarop de jachtwetgeving van toepassing is, met name niet worden bejaagd tijdens de trek naar hun nestplaatsen.
16 In casu valt de houtduif onder deze beide bepalingen. Hij mag dan ook niet worden bejaagd tijdens de trek naar zijn nestplaats.
17 Niettemin laat artikel 9, lid 1, sub c, van de richtlijn toe dat met inachtneming van de daarin opgelegde voorwaarden de jacht op de in bijlage II vermelde soorten wordt toegestaan gedurende de in artikel 7, lid 4, van de richtlijn genoemde perioden, en dus met name tijdens de trek naar hun nestplaatsen (zie in die zin arrest van 16 oktober 2003, Ligue pour la protection des oiseaux e.a., C-182/02, Jurispr. blz. I‑12105, punten 9‑11).
18 Tot de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan opdat een dergelijke jacht krachtens artikel 9, lid 1, sub c, van de richtlijn mag worden toegestaan, behoort de voorwaarde dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat (zie arrest Ligue pour la protection des oiseaux e.a., reeds aangehaald, punt 15).
19 Deze voorwaarde kan niet worden geacht te zijn vervuld wanneer de afwijkende jachtperiode zonder noodzaak samenvalt met de perioden waarin de richtlijn een bijzondere bescherming tot stand beoogt te brengen. Een dergelijke noodzaak ontbreekt met name wanneer de maatregel die de afwijkende jachtperiode toestaat, enkel tot doel heeft de periode te verlengen waarin bepaalde vogelsoorten mogen worden bejaagd in gebieden waarin deze soorten reeds voorkwamen in de overeenkomstig artikel 7 van de richtlijn vastgestelde jachtperioden (zie arrest Ligue pour la protection des oiseaux e.a., reeds aangehaald, punt 16).
20 In het onderhavige geval valt de afwijkende periode waarin in de provincie Guipúzcoa de houtduif mag worden bejaagd, zonder noodzaak samen met de perioden waarin de richtlijn een bijzondere bescherming tot stand beoogt te brengen.
21 Blijkens de mondelinge behandeling voor het Hof zijn de gebieden van de provincie Guipúzcoa waarin de houtduif gedurende het gewone jachtseizoen voorkomt, niet ver verwijderd van de gebieden waarin deze soort enkel tijdens de trek naar zijn nestplaats voorkomt. Eerstbedoelde gebieden zijn dus gemakkelijk te bereiken voor jagers die in de laatstbedoelde gebieden wonen.
22 Vastgesteld dient te worden dat de besluiten die elk jaar door de bevoegde autoriteiten van de provincie Guipúzcoa worden vastgesteld en waarbij wordt toegestaan dat in de gebieden van deze provincie bij wijze van uitzondering op de houtduif wordt gejaagd, met name in een aantal kustgemeenten waar deze soort enkel tijdens de trek naar zijn nestplaats voorkomt, in wezen niets anders doen dan de periodes verlengen waarin de houtduif mag worden bejaagd in het geografische gebied van de provincie Guipúzcoa, welk gebied gelet op het voorgaande moet worden aangemerkt als één gebied waar de betrokken soort reeds voorkomt gedurende de overeenkomstig artikel 7 van de richtlijn vastgestelde jachtperiode.
23 Aangezien in casu niet is voldaan aan de voorwaarde dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat, mag de jacht op de houtduif gedurende de trek naar zijn nestplaats niet worden toegestaan met een beroep op artikel 9, lid 1, sub c, van de richtlijn.
24 Een dergelijke jacht is derhalve in strijd met artikel 7, lid 4, van de richtlijn.
25 Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door de argumenten van de Spaanse regering, ten eerste dat de houtduif geen bedreigde diersoort is, ten tweede dat deze in het Verenigd Koninkrijk gedurende het gehele jaar wordt bejaagd, en ten slotte dat de Spaanse rechters hebben vastgesteld dat de besluiten waarbij wordt toegestaan dat in de provincie Guipúzcoa „a contrapasa” op de houtduif wordt gejaagd, in overeenstemming waren met de Spaanse jachtwetgeving die zelf in overeenstemming is met de richtlijn.
26 De eerste twee argumenten houden immers geen verband met de voorwaarde dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat, en kunnen dus niet afdoen aan de vaststelling in punt 22 van het onderhavige arrest.
27 Het derde argument is niet relevant, omdat is aangetoond dat de jacht „a contrapasa” in strijd is met artikel 7, lid 4, van de richtlijn.
28 Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat het Koninkrijk Spanje, door toe te staan dat in de provincie Guipúzcoa de jacht op de houtduif „a contrapasa” wordt beoefend, de krachtens artikel 7, lid 4, van de richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Kosten
29 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien het Koninkrijk Spanje in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in de kosten.
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart:
1) Door in de provincie Guipúzcoa toe te staan dat de jacht op de houtduif „a contrapasa” wordt beoefend, is het Koninkrijk Spanje de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 7, lid 4, van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand.
2) Het Koninkrijk Spanje wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Spaans.
Full & Egal Universal Law Academy