Zaak C‑141/04
Michail Peros
tegen
Techniko Epimelitirio Ellados
(verzoek van het Symvoulio tis Epikrateias om een prejudiciële beslissing)
„Richtlijn 89/48/EEG – Werknemers – Erkenning van diploma’s – Werktuigkundig ingenieur”
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 14 juli 2005
Samenvatting van het arrest
Vrij verkeer van personen – Vrijheid van vestiging – Werknemers – Erkenning van hogeronderwijsdiploma’s waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten – Richtlijn 89/48 – Toegang tot of uitoefening van gereglementeerd beroep onder zelfde voorwaarden als die welke voor eigen onderdanen gelden (artikel 3) – Rechtstreekse werking zonder homologatie van titels van betrokkene door bevoegde nationale autoriteiten – Opleggen van compenserende maatregelen – Grenzen
(Richtlijn 89/48 van de Raad, art. 3, eerste alinea, sub a)
Artikel 3, eerste alinea, sub a, van richtlijn 89/48 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hogeronderwijsdiploma’s waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten, bepaalt, dat de bevoegde autoriteiten van de ontvangende lidstaat een onderdaan van een lidstaat de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep onder dezelfde voorwaarden als die welke voor eigen onderdanen gelden, niet kan weigeren wegens onvoldoende kwalificaties, indien de aanvrager in het bezit is van het diploma dat door een andere lidstaat is voorgeschreven om op zijn grondgebied tot het betrokken beroep te worden toegelaten of het er uit te oefenen, en indien dat diploma in een lidstaat behaald is.
Wanneer binnen de door de richtlijn vastgestelde termijn geen omzettingsmaatregelen zijn vastgesteld, kan een onderdaan van een lidstaat zich op die bepaling beroepen om in de ontvangende lidstaat de vergunning te verkrijgen om een gereglementeerd beroep uit te oefenen.
Deze mogelijkheid kan niet afhankelijk worden gesteld van de homologatie van de titels van de betrokkene door de bevoegde nationale autoriteiten.
Bovendien kunnen de in artikel 4, lid 1, van richtlijn 89/48 bedoelde compenserende maatregelen slechts aan de betrokkene worden opgelegd voorzover de ten tijde van de behandeling van de betrokken aanvraag geldende nationale wetgeving daarin voorziet.
(cf. punten 30, 34, 40 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
14 juli 2005(*)
„Richtlijn 89/48/EEG – Werknemers – Erkenning van diploma’s – Werktuigkundig ingenieur”
In zaak C-141/04,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Symvoulio tis Epikrateias (Griekenland) bij beslissing van 30 december 2003, ingekomen bij het Hof op 17 maart 2004, in de procedure
Michail Peros
tegen
Techniko Epimelitirio Ellados,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, N. Colneric en K. Schiemann (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
– M. Peros, vertegenwoordigd door V. G. Chatzopoulos, dikigoros,
– het Techniko Epimelitirio Ellados, vertegenwoordigd door A. Krystallidis, dikigoros,
– de Griekse regering, vertegenwoordigd door E. Skandalou als gemachtigde,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Patakia en H. Støvlbæk als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de voorwaarden waaronder een aantal bepalingen van richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hogeronderwijsdiploma’s waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten (PB 1989, L 19, blz. 16), wanneer deze richtlijn niet in nationaal recht is omgezet, na het verstrijken van de omzettingstermijn kunnen worden aangevoerd door de houder van een binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallend diploma. Subsidiair betreft het verzoek de uitlegging van de artikelen 48 en 52 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 39 EG en 43 EG).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geschil tussen M. Peros en het Techniko Epimelitirio Ellados (Technische Kamer van Griekenland; hierna: „TEE”), een Griekse instelling die de registers van de ingenieurs bijhoudt, over de afwijzing door deze laatste van een aanvraag van Peros om als werktuigkundig ingenieur in het register te worden ingeschreven. Verzoeker had zijn aanvraag gebaseerd op zijn toelating om dit beroep in Duitsland uit te oefenen.
Het rechtskader
De communautaire regeling
3 Blijkens de derde en de vierde overweging van de considerans beoogt richtlijn 89/48 een algemeen stelsel van erkenning van diploma’s in te voeren om de Europese burgers in staat te stellen alle beroepsactiviteiten uit te oefenen waarvoor de ontvangende lidstaat een postsecundaire opleiding vereist, voorzover zij in het bezit zijn van dergelijke diploma’s die hen op die activiteiten voorbereiden, een studieperiode van ten minste drie jaar afsluiten en in een andere lidstaat zijn uitgereikt.
4 Artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 89/43 bepaalt:
„Wanneer in de ontvangende lidstaat de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep afhankelijk wordt gesteld van het bezit van een diploma, mag de bevoegde autoriteit een onderdaan van een lidstaat de toegang tot of de uitoefening van dat beroep onder dezelfde voorwaarden als die welke voor eigen onderdanen gelden, niet weigeren wegens onvoldoende kwalificaties, indien:
a) de aanvrager in het bezit is van het diploma dat door een andere lidstaat is voorgeschreven om tot het betrokken beroep op zijn grondgebied te worden toegelaten dan wel deze activiteit daar uit te oefenen, en dat in een lidstaat behaald is, [...]
[...]”
5 In weerwil van artikel 3 van deze richtlijn, staat artikel 4 de ontvangende lidstaat toe, onder zekere daarin bepaalde voorwaarden van de aanvrager te verlangen dat hij een beroepservaring van bepaalde duur aantoont, een aanpassingsstage van ten hoogste drie jaar volbrengt of een proeve van bekwaamheid aflegt (hierna: „compenserende maatregelen”. Datzelfde artikel legt bepaalde regels en voorwaarden vast voor de compenserende maatregelen die kunnen worden verlangd.
6 Artikel 6 van richtlijn 89/48 noemt de documenten betreffende goed zedelijk gedrag, ontbreken van faillissement en lichamelijke of geestelijke gezondheid die door de bevoegde autoriteit van de ontvangende lidstaat als bewijs mogen worden verlangd, en bevat enkele bepalingen inzake het formulier van de eed of de plechtige verklaring die aan de onderdanen van andere lidstaten kan worden opgelegd.
7 Luidens artikel 9, lid 1, van richtlijn 89/48 wijzen de lidstaten binnen de in artikel 12 genoemde termijn, dat wil zeggen vóór 4 januari 1991, de bevoegde autoriteiten aan die gemachtigd zijn de aanvragen te ontvangen en de in deze richtlijn bedoelde besluiten te nemen, en stellen zij de andere lidstaten en de Commissie van de Europese Gemeenschappen daarvan in kennis.
De nationale regeling
8 In Griekenland is het beroep van ingenieur een gereglementeerd beroep, waarvan de uitoefening is voorbehouden aan de leden van het TEE. Dit werd ingesteld bij presidentieel decreet van 27 november/14 december 1926 houdende codificatie van de bepalingen van teksten betreffende de samenstelling van het TEE (FEK A’ 430), zoals gewijzigd bij wet nr. 1486/1984 (FEK A’ 161), en bij presidentieel decreet nr. 512/1991 van 30 november/12 december 1991 (FEK A’ 190; hierna: „TEE-decreet”).
9 Overeenkomstig artikel 2, lid 1, van het TEE-decreet moeten de onderdanen van de lidstaten als leden van het TEE worden ingeschreven „wanneer zij houder zijn van een diploma van het Ethniko Metsovio Polytechneio, de polytechnische scholen van het land of gelijkwaardige scholen in het buitenland na het verkrijgen van de vergunning voor de uitoefening van het beroep”. De beroepsbeoefenaars worden ingedeeld in negen, in artikel 2, lid 5, van dit decreet opgesomde specialismen, waaronder, sub c, het specialisme van werktuigkundig ingenieur.
10 Artikel 4, lid 3, van hetzelfde decreet bepaalt onder meer dat het TEE overeenkomstig de geldende bepalingen de vergunningen voor de uitoefening van het beroep van ingenieur afgeeft en het register van de ingenieurs bijhoudt.
11 Het TEE had krachtens artikel 1, lid 1, van wet nr. 1225/1981 van 30/31 december 1981 (FEK A’ 340) „de bevoegdheid om de vergunning voor de uitoefening van het beroep in Griekenland af te geven aan de ingenieurs met een diploma van gelijkwaardige hogescholen in het buitenland”.
12 Op grond van wet nr. 1225/1981 bepaalde interministerieel besluit nr. ED 5/4/339 van 14 september 1984 (FEK B’ 713), vastgesteld door de minister van Openbare Werken en de minister van Onderwijs en Eredienst, de procedure volgens welke door het TEE de vergunning voor de uitoefening van het beroep van ingenieur wordt afgegeven.
13 Dit interministerieel besluit bepaalde in lid 1 dat „de vergunning voor de uitoefening van het beroep, na mondelinge proeven, door het TEE wordt afgegeven aan de ingenieurs met een diploma van de nationale hogescholen of gelijkwaardige scholen in het buitenland”.
14 Lid 2, sub d, van datzelfde besluit bepaalt dat de houders van een buitenlands diploma, om aan die proeven deel te nemen, aan het TEE een „attest van gelijkwaardigheid van het bijgevoegde diploma” moeten overleggen, dat is afgegeven door het interuniversitair centrum voor de erkenning van buitenlandse titels (Diapanepistimiako Kentro Anagnoriseos Titlon Spoudon tis Allodapis; hierna: „Dikatsa”), ingesteld bij wet nr. 741/1977 van 12/14 oktober 1977 (FEK A’ 314), zoals gewijzigd bij wet nr. 1566/1985 van 30 september 1985 (FEK A’ 167; hierna: „Dikatsa-wet”).
15 Het Dikatsa is krachtens artikel 2 van de Dikatsa-wet bevoegd om te erkennen dat buitenlandse hogescholen op een gelijkwaardig onderwijsniveau staan als de nationale hogescholen en dat de diploma’s van eerstgenoemde gelijkwaardig zijn aan die welke door de Griekse instellingen voor hoger onderwijs worden afgegeven. Het is ook bevoegd om de gelijkwaardigheid van de door buitenlandse instellingen van hetzelfde niveau afgegeven opleidingstitels, met de opleidingstitels van Griekse instellingen voor hoger onderwijs te erkennen in de gevallen waarin in Griekenland geen overeenkomstig specialisme bestaat.
16 Bovendien bepaalt de Dikatsa-wet in artikel 4, lid 8, dat bij besluit van de voorzitter van de raad van bestuur van het Dikatsa „de gediplomeerden van buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs, van wie het diploma niet dezelfde kennisinhoud vertegenwoordigt als het diploma dat in Griekenland wordt afgegeven door de school of de afdeling waarvan het onderwijs er de meeste verwantschap mee vertoont, een aanvullend examen over bepaalde vakken van de betrokken school of afdeling moeten afleggen”. Krachtens dezelfde bepaling wordt, „indien het niet mogelijk is de gelijkwaardigheid van het diploma te erkennen, de betrokkene geplaatst in de passende school of afdeling, die door de voorzitter van de raad van bestuur nauwkeurig wordt bepaald”, om er zijn opleiding te voltooien.
17 Volgens vaste rechtspraak van het Symvoulio tis Epikrateias (Raad van State) volgt uit die bepalingen, dat het Dikatsa bij het onderzoek van de gelijkwaardigheid van een buitenlands diploma en een overeenkomstig diploma van een Griekse instelling voor hoger onderwijs de kenmerken van de buitenlandse onderwijsinstelling die de betrokken titel afgeeft, het type van de gevolgde studie en de inhoud van deze studie moet beoordelen. Dat onderzoek van het Dikatsa houdt geen rekening met de vraag of de betrokken titel de noodzakelijke formele kwalificatie is voor de uitoefening van een bepaald beroep. Met andere woorden, het Dikatsa is volgens die rechtspraak enkel bevoegd om de academische gelijkwaardigheid en niet om de professionele gelijkwaardigheid van de hem voorgelegde buitenlandse opleidingstitel te beoordelen.
18 Richtlijn 89/48 was bij het verstrijken van de omzettingstermijn niet in Grieks recht omgezet (zie dienaangaande arrest van 23 maart 1995, Commissie/Griekenland, C-365/93, Jurispr. blz. I-499). Na de feiten die tot het hoofdgeding hebben geleid, is presidentieel decreet nr. 165/2000 van 28 juni 2000 (FEK A’ 149), waarmee deze richtlijn in Grieks recht wordt omgezet, vastgesteld, welke vervolgens is gewijzigd bij presidentieel decreet nr. 373/2001 van 22 oktober 2001 (FEK A’ 251).
19 Dit decreet heeft in artikel 10 aan de raad voor erkenning van de gelijkwaardigheid van hogeronderwijsdiploma’s (Symvoulio Anagnoriseos Epangelmatikis Isotimias Titlon Tritovathmias Ekpaidefsis; hierna: „Saeitte”), een speciaal daartoe opgericht staatsorgaan, een exclusieve bevoegdheid verleend om te beslissen op de aanvragen tot erkenning van de hogeronderwijsdiploma’s die binnen de werkingssfeer van richtlijn 89/48 vallen. Dit orgaan is dus als enige bevoegd, een aanvrager het recht toe te kennen om in Griekenland het overeenkomstige gereglementeerde beroep uit te oefenen, en is krachtens artikel 9, lid 1, van richtlijn 89/48 aangewezen als de bevoegde autoriteit die gemachtigd is de aanvragen te ontvangen en de in richtlijn 89/48 bedoelde besluiten te nemen.
20 Artikel 11, lid 6, van dit decreet bepaalt bovendien, dat wanneer een bepaling van de nationale wetgeving voorziet in het bijhouden van een register van de personen die een beroep mogen uitoefenen, het besluit van het Saeitte de beroepsorganisatie of de administratieve autoriteit die het register bijhoudt, verplicht de aanvrager in te schrijven.
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
21 Peros is Grieks onderdaan en houder van een in 1980 door de Fachhochschule Wiesbaden (Duitsland) afgegeven diploma. Dit diploma geeft hem in Duitsland toegang tot het beroep van werktuigkundig ingenieur („Diplom‑Ingenieur im Fachbereich Maschinenbau”).
22 Daar Peros dit beroep in Griekenland wenste uit te oefenen, heeft hij bij het Dikatsa een aanvraag tot erkenning van de gelijkwaardigheid van zijn diploma ingediend. Deze aanvraag is bij besluit nr. 296 van het Dikatsa op 28 mei 1993 afgewezen, op grond dat het onderwijsniveau van de instelling voor hoger onderwijs die de betrokken buitenlandse titel had afgegeven, niet gelijkwaardig was met dat van de Griekse instellingen voor hoger onderwijs.
23 Op 21 februari 1995 diende Peros bij het TEE een aanvraag tot inschrijving in zijn registers in, teneinde het beroep van werktuigkundig ingenieur in Griekenland te mogen uitoefenen en de andere aan deze inschrijving verbonden voordelen te genieten. Deze aanvraag, aangevuld met een op 21 maart 1995 ingediende daarmee samenhangende aanvraag, is afgewezen bij besluit nr. 6372 van het TEE van 4 mei 1995, en wel op de volgende gronden:
„De inschrijving bij het TEE vindt plaats onder de door [het TEE-decreet] gestelde voorwaarden. Voor de personen die hun studie in het buitenland hebben voltooid, is de belangrijkste voorwaarde, dat zij een polytechnische studiecyclus hebben gevolgd en dat hun titel gelijkwaardig is aan die welke worden afgegeven door het Ethniko Metsovio Polytechneio en de polytechnische scholen van de Griekse instellingen voor hoger onderwijs. De gelijkwaardigheid van de buitenlandse opleidingstitels wordt erkend door het [Dikatsa]. Overeenkomstig het voorgaande kunt u geen lid worden van het TEE en geeft de door u behaalde titel (Fachhochschule) geen recht op inschrijving bij het TEE”.
24 Peros stelde tegen dit afwijzende besluit beroep in bij het Dioikitiko Protodikeio Rodou (administratieve rechtbank van eerste aanleg van Rhodos). Bij beslissing nr. 249/1998 oordeelde deze rechtelijke instantie, dat de vordering van verzoeker als een beroep tot nietigverklaring moest worden aangemerkt, zodat het Symvoulio tis Epikrateias bevoegd was, waarnaar zij de zaak verwees.
25 Intussen heeft het Saeitte, na de omzetting van de richtlijn 89/48 in Grieks recht, bij besluit nr. 4 van 5 december 2000 Peros’ aanvraag tot erkenning van zijn diploma ingewilligd. Het verleende hem het recht om in Griekenland het beroep van werktuigkundig ingenieur uit te oefenen, zonder dat hij een aanpassingsstage moest volgen of een voorafgaande proeve van bekwaamheid moest afleggen. Vervolgens werd Peros ingeschreven in de registers van het TEE.
26 In het hoofdgeding is een meerderheid in het Symvoulio tis Epikrateias van oordeel dat het afwijzende besluit van het TEE van 4 mei 1995 niet wettig gemotiveerd was. Volgens deze meerderheid had het TEE de aanvraag van Peros moeten onderzoeken om na te gaan of de in de onvoorwaardelijke en voldoende nauwkeurige bepalingen van de artikelen 3, 4, lid 1, sub a en b, en lid 2, en 6, leden 1 tot en met 4, van richtlijn 89/48 gestelde voorwaarden waren vervuld. Zo ja, dan had het TEE aan verzoeker in het hoofdgeding het recht moeten verlenen om in Griekenland het beroep van werktuigkundig ingenieur uit te oefenen, door hem de desbetreffende vergunning af te geven en hem in zijn register in te schrijven. Zo neen, dan had het de aanvraag bij een met redenen omkleed besluit moeten afwijzen. In ieder geval kon het TEE, gelet op de bepalingen van richtlijn 89/48, van het Dikatsa geen verklaring van gelijkwaardigheid van verzoekers diploma verlangen.
27 Naar het oordeel van een minderheid in het Symvoulio tis Epikrateias was de afwijzing van de inschrijvingsaanvraag echter gerechtvaardigd, op grond dat enerzijds een particulier zich op het moment waarop de aanvraag is ingediend, voor het TEE niet op de relevante bepalingen van richtlijn 89/48 kon beroepen, en anderzijds de autoriteit welke bevoegd was om de aanvragen te behandelen, nog niet was aangewezen krachtens artikel 9, lid 1, van deze richtlijn.
28 Het Symvoulio tis Epikrateias vraagt zich bovendien af of, voorzover voor het TEE geen beroep op de bepalingen van richtlijn 89/48 kon worden gedaan, het TEE krachtens de artikelen 48 en 52 van het Verdrag niettemin verplicht zou zijn geweest, te onderzoeken of de door verzoeker in Duitsland behaalde titel gelijkwaardig was aan de Griekse diploma’s.
29 In die omstandigheden heeft het Symvoulio tis Epikrateias besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de navolgende prejudiciële vragen te stellen:
„1) Zijn de bepalingen van artikel 3, artikel 4, leden 1, sub a en b, en 2, en artikel 6, leden 1 tot en met 4, van richtlijn 89/48 [...], zoals zij oorspronkelijk golden, onvoorwaardelijk en voldoende duidelijk, zodat in de periode tussen het verstrijken van de omzettingstermijn van die richtlijn en de te late omzetting hiervan in het nationale recht van een bepaalde lidstaat (ontvangende lidstaat) tegenover een administratief orgaan van deze lidstaat, dat op grond van de nationale wetgeving bevoegd was om de vergunning voor de uitoefening van een bepaald gereglementeerd beroep af te geven, door een houder van een in een andere lidstaat behaald diploma dat binnen de werkingssfeer van de voornoemde bepalingen van de richtlijn valt, op deze bepalingen een beroep kon worden gedaan om van dit orgaan vergunning voor de toegang tot het concrete beroep en voor de uitoefening hiervan in de ontvangende lidstaat te verkrijgen?
2) Wanneer in de periode tussen het verstrijken van de omzettingstermijn van richtlijn 89/48 […] en de te late omzetting hiervan in het nationale recht een particulier zich niet op de bepalingen van de richtlijn kon beroepen tegenover een administratief orgaan van de ontvangende lidstaat, dat volgens de nationale wetgeving bevoegd was om de vergunning voor de uitoefening van een bepaald beroep af te geven na examens waaraan kon worden deelgenomen door de houders van een diploma dat was afgegeven door een instelling voor hoger onderwijs van de ontvangende lidstaat, of van een buitenlands diploma dat als gelijkwaardig aan de titels van de instellingen voor hoger onderwijs van die staat erkend was (in het kader van een algemene procedure voor de erkenning van de academische gelijkwaardigheid van buitenlandse titels, waarvan de kenmerken in de motivering van deze verwijzingsbeschikking worden uiteengezet), kon dit orgaan dan, gelet op de artikelen [48 en 52] van het Verdrag [...], de inwilliging van de in de voornoemde periode ingediende aanvraag van een houder van een in een andere lidstaat behaald diploma om in de ontvangende lidstaat tot het betrokken beroep te worden toegelaten en het er uit te oefenen, laten afhangen van de voorafgaande erkenning volgens de hoger genoemde algemene procedure van de academische gelijkwaardigheid van dit diploma met de titels die door de instellingen voor hoger onderwijs van die staat worden afgegeven, en van de daaropvolgende succesvolle deelneming aan het door de nationale wetgeving voorgeschreven onderzoek, of moest dit orgaan zelf de uit het overgelegde diploma blijkende bekwaamheden vergelijken met de door de nationale wetgeving verlangde kennis en bekwaamheden en, afhankelijk van de resultaten van die vergelijking, de betrokkene geheel of gedeeltelijk van de verplichting tot deelneming aan deze examens vrijstellen?”
De eerste prejudiciële vraag
30 Artikel 3, eerste alinea, sub a, van richtlijn 89/48 bepaalt, dat de bevoegde autoriteit van de ontvangende lidstaat een onderdaan van een lidstaat de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep onder dezelfde voorwaarden als die welke voor eigen onderdanen gelden, niet kan weigeren wegens onvoldoende kwalificaties, indien de aanvrager in het bezit is van het diploma dat door een andere lidstaat is voorgeschreven om op zijn grondgebied tot het betrokken beroep te worden toegelaten of het er uit te oefenen, en indien dat diploma in een lidstaat behaald is.
31 Peros is houder van een in een lidstaat – Bondsrepubliek Duitsland – behaald diploma. Dit diploma geeft hem het recht, in deze lidstaat het gereglementeerde beroep van werktuigkundig ingenieur uit te oefenen, en zijn situatie valt dus binnen de werkingssfeer van artikel 3, eerste alinea, sub a, van richtlijn 89/48. Het Hof hoeft derhalve geen uitspraak te doen over de uitlegging van artikel 3, eerste alinea, sub b, van deze richtlijn, dat slechts van toepassing is wanneer het betrokken beroep in de lidstaat van oorsprong niet gereglementeerd is.
32 Wat artikel 3, eerste alinea, sub a, van richtlijn 89/48 betreft, heeft het Hof reeds geoordeeld dat het een bepaling vormt waarvan de inhoud onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is opdat particulieren er voor de nationale rechter een beroep op kunnen doen tegenover de staat, wanneer deze heeft verzuimd de richtlijn binnen de gestelde termijn in nationaal recht om te zetten (arrest van 29 april 2004, Beuttenmüller, C‑102/02, Jurispr. blz. I-5405, punt 55).
33 Met betrekking tot de mogelijkheid om de toegang tot een gereglementeerd beroep afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de aanvrager vooraf aan in artikel 4 van richtlijn 89/48 omschreven compenserende maatregelen voldoet, staat vast dat in het hoofdgeding Saeitte Peros bij het onderzoek van zijn situatie in 2000 geen enkele compenserende maatregel heeft opgelegd. Bovendien kan uit geen enkel stuk worden opgemaakt dat de kwalificaties die Peros bij de indiening van zijn oorspronkelijke aanvraag had aangetoond, verschilden van die welke in 2000 zijn onderzocht, in dier voege dat dit van invloed was op het besluit om hem toe te staan zijn beroep in Griekenland uit te oefenen zonder hem compenserende maatregelen op te leggen.
34 In ieder geval volgt uit de rechtspraak dat een lidstaat, wanneer de omzetting in nationaal recht niet heeft plaatsgevonden, slechts compenserende maatregelen als bedoeld in artikel 4, lid 1, van richtlijn 89/48 zou kunnen opleggen voorzover de ten tijde van de behandeling van de betrokken aanvraag geldende nationale wetgeving daarin voorziet (zie in die zin arresten van 19 november 1991, Francovich e.a., C‑6/90 et C‑9/90, Jurispr. blz. I‑5357, punt 21, en 14 juli 2005, Aslanidou, C‑142/04, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 35‑37).
35 Het Hof heeft daarenboven reeds geoordeeld dat, wanneer richtlijn 89/48 of richtlijn 92/51/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen, ter aanvulling van richtlijn 89/48 (PB L 209, blz. 25), van toepassing is, een overheidsorgaan van een lidstaat dat de in de betrokken richtlijn neergelegde normen in acht dient te nemen, niet meer kan verlangen dat de titels van een belanghebbende door de bevoegde nationale autoriteiten worden gehomologeerd (arrest van 8 juli 1999, Fernández de Bobadilla, C‑234/97, Jurispr. blz. I-4773, punt 27).
36 Artikel 6 van richtlijn 89/48 noemt slechts de documenten betreffende goed zedelijk gedrag, ontbreken van faillissement en lichamelijke of geestelijke gezondheid, die door de bevoegde autoriteit als bewijs mogen worden verlangd, en bevat enkele bepalingen inzake het formulier van de eed of de plechtige verklaring die aan de onderdanen van andere lidstaten kan worden opgelegd. Aangezien in het hoofdgeding de bevoegde autoriteit van de ontvangende lidstaat geen van die bewijzen of verklaringen heeft verlangd, hoeft het Hof geen uitspraak te doen over de uitlegging van deze bepaling, die in ieder geval geen invloed zou kunnen hebben op de mogelijkheid om zich op artikel 3, eerste alinea, sub a, van deze richtlijn te beroepen.
37 De verplichting voor de lidstaten om krachtens artikel 9, lid 1, van richtlijn 89/48 de bevoegde autoriteiten aan te wijzen die gemachtigd zijn de aanvragen te ontvangen en de in deze richtlijn bedoelde besluiten te nemen, staat evenmin in de weg aan de mogelijkheid om zich op artikel 3, eerste alinea, sub a, van deze richtlijn te beroepen. Uit genoemd artikel 9, lid 1, gelezen in samenhang met de andere leden van dit artikel, blijkt immers dat deze bepaling tot doel heeft, de toepassing van het door richtlijn 89/48 ingevoerde stelsel van erkenning van diploma’s te vergemakkelijken, door het binnen een lidstaat toepasselijke besluitvormingsproces doorzichtiger te maken. Daarentegen is een aanwijzing als bedoeld in dat artikel 9, lid 1, niet noodzakelijk om de in genoemd artikel 3 bedoelde bevoegde autoriteiten, die de toegang tot de gereglementeerde beroepen controleren, te kunnen identificeren.
38 Uit de rechtspraak volgt dat een lidstaat aan een particulier niet kan tegenwerpen dat hij de bepalingen die de toepassing van een door de betrokken richtlijn ingevoerde regeling juist moeten vergemakkelijken, nog niet heeft vastgesteld (zie in die zin onder meer arresten van 10 september 2002, Kügler, C‑141/00, Jurispr. blz. I-6833, punt 52, en 6 november 2003, Dornier, C‑45/01, Jurispr. blz. I‑12911, punt 79). Het verzuim om krachtens artikel 9, lid 1, van richtlijn 89/48 een bevoegde autoriteit aan te wijzen, staat er dus niet aan in de weg dat op artikel 3, eerste alinea, sub a, van deze richtlijn een beroep kan worden gedaan tegenover de autoriteit die krachtens de toepasselijke nationale wetgeving in feite bevoegd is om de toegang tot een bepaald beroep te reglementeren.
39 In het hoofdgeding is het duidelijk dat, aangezien de toegang tot het beroep van ingenieur aan de leden van het TEE is voorbehouden, dit laatste een bevoegde autoriteit in de zin van artikel 3, eerste alinea, sub a, van richtlijn 89/48 is. Bijgevolg kan het TEE aan een persoon in de situatie van Peros niet de toegang tot het beroep van ingenieur ontzeggen met een beroep op onvoldoende kwalificaties.
40 Op de eerste vraag moet dus worden geantwoord dat, wanneer binnen de in artikel 12 van richtlijn 89/48 bepaalde termijn geen omzettingsmaatregelen zijn vastgesteld, een onderdaan van een lidstaat zich op artikel 3, eerste alinea, sub a, van deze richtlijn kan beroepen om in de ontvangende lidstaat de vergunning te verkrijgen om een gereglementeerd beroep als dat van werktuigkundig ingenieur uit te oefenen. Deze mogelijkheid kan niet afhankelijk worden gesteld van de homologatie van de titels van de betrokkene door de bevoegde nationale autoriteiten.
41 Gezien het antwoord op de eerste vraag, behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
42 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Vierde kamer) verklaart voor recht:
Wanneer geen omzettingsmaatregelen zijn vastgesteld binnen de termijn bepaald in artikel 12 van richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hogeronderwijsdiploma’s waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten, in de versie die gold tot 31 juli 2001, kan een onderdaan van een lidstaat zich op artikel 3, eerste alinea, sub a, van deze richtlijn beroepen om in de ontvangende lidstaat de vergunning te verkrijgen om een gereglementeerd beroep als dat van werktuigkundig ingenieur uit te oefenen.
Deze mogelijkheid kan niet afhankelijk worden gesteld van de homologatie van de titels van de betrokkene door de bevoegde nationale autoriteiten.
ondertekeningen
* Procestaal: Grieks.
Full & Egal Universal Law Academy