Zaak C‑142/04
Maria Aslanidou
tegen
Ypourgos Ygeias & Pronoias
(verzoek van het Symvoulio tis Epikrateias om een prejudiciële beslissing)
„Richtlijn 92/51/EEG – Werknemers – Erkenning van diploma’s – Ergotherapeut”
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 14 juli 2005
Samenvatting van het arrest
Vrij verkeer van personen – Vrijheid van vestiging – Werknemers – Erkenning van diploma’s – Richtlijn 92/51 – Toegang tot of uitoefening van gereglementeerd beroep onder zelfde voorwaarden als die welke voor eigen onderdanen gelden (artikel 3) – Rechtstreekse werking zonder homologatie van titels van betrokkene door bevoegde nationale autoriteiten – Opleggen van compenserende maatregelen – Grenzen
(Richtlijn 92/51 van de Raad, art. 3, eerste alinea, sub a)
Artikel 3, eerste alinea, sub a, van richtlijn 92/51 betreffende een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen ter aanvulling van richtlijn 89/48, bepaalt, dat de bevoegde autoriteiten van de ontvangende lidstaat een onderdaan van een lidstaat de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep onder dezelfde voorwaarden als die welke voor eigen onderdanen gelden, niet kan weigeren wegens onvoldoende kwalificaties, indien de aanvrager in het bezit is van het diploma dat door een andere lidstaat is voorgeschreven om op zijn grondgebied tot het betrokken beroep te worden toegelaten of het er uit te oefenen, en indien dat diploma in een lidstaat behaald is.
Wanneer binnen de door de richtlijn vastgestelde termijn geen omzettingsmaatregelen zijn vastgesteld, kan een onderdaan van een lidstaat zich op die bepaling beroepen om in de ontvangende lidstaat de vergunning te verkrijgen om een gereglementeerd beroep uit te oefenen.
Deze mogelijkheid kan niet afhankelijk worden gesteld van de homologatie van de titels van de betrokkene door de bevoegde nationale autoriteiten.
Bovendien kunnen de in artikel 4, lid 1, van richtlijn 92/51 bedoelde compenserende maatregelen slechts aan de betrokkene worden opgelegd voorzover de ten tijde van de behandeling van de betrokken aanvraag geldende nationale wetgeving daarin voorziet, hetgeen de nationale rechter moet bepalen.
(cf. punten 31, 36, 42 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
14 juli 2005 (*)
„Richtlijn 92/51/EEG – Werknemers – Erkenning van diploma’s – Ergotherapeut”
In zaak C-142/04,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Symvoulio tis Epikrateias (Griekenland) bij beslissing van 30 december 2003, ingekomen bij het Hof op 17 maart 2004, in de procedure
Maria Aslanidou
tegen
Ypourgos Ygeias & Pronoias,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, N. Colneric en K. Schiemann (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
– M. Aslanidou, vertegenwoordigd door A. I. Vagias, dikigoros,
– de Griekse regering, vertegenwoordigd door E. Skandalou als gemachtigde,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Patakia en H. Støvlbæk als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de voorwaarden waaronder een aantal bepalingen van richtlijn 92/51/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen ter aanvulling van richtlijn 89/48/EEG (PB L 209, blz. 25), wanneer die richtlijn niet in nationaal recht is omgezet, na het verstrijken van de omzettingstermijn kunnen worden aangevoerd door de houder van een binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallend diploma. Subsidiair betreft het verzoek de uitlegging van de artikelen 48 en 52 EG-Verdrag (thans, na wijziging, de artikelen 39 EG en 43 EG).
2 Dit verzoek, dat veel gelijkenis vertoont met het verzoek dat heeft geleid tot het op dezelfde dag als het onderhavige arrest uitgesproken arrest Peros (C‑141/04, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), is ingediend in het kader van een geschil tussen A. Aslanidou en de Ypourgos Ygeias & Pronoias (minister van Gezondheid en Voorzorg) over de afwijzing door deze laatste van een aanvraag van Aslanidou om in Griekenland het beroep van ergotherapeut te mogen uitoefenen. Verzoekster had haar aanvraag gebaseerd op haar toelating om dit beroep in Duitsland uit te oefenen.
Het rechtskader
De communautaire regeling
3 Richtlijn 92/51 voert een aanvullend algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen in, dat de opleidingsniveaus omvat die niet vallen onder het oorspronkelijke algemene stelsel, ingevoerd bij richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hogeronderwijsdiploma’s waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten (PB 1989, L 19, blz. 16), waarvan de toepassing beperkt is tot de opleidingen van hoger niveau.
4 Volgens de vijfde overweging van de considerans van richtlijn 92/51 is dit aanvullende stelsel gebaseerd op dezelfde beginselen en behelst het, mutatis mutandis, dezelfde regels als het oorspronkelijke algemene stelsel.
5 Krachtens artikel 1 van richtlijn 92/51 is een titel waaruit blijkt dat de houder met succes een van de in bijlage C bij deze richtlijn vermelde opleidingen heeft gevolgd, een diploma in de zin van deze richtlijn, wanneer:
– hij is afgegeven door een bevoegde instantie in een lidstaat,
– de houder de vereiste beroepskwalificaties bezit om het beroep in de betrokken lidstaat uit te oefenen en
– de met deze titel afgesloten opleiding overwegend in de Gemeenschap is genoten.
6 Een van de opleidingen die worden genoemd in bijlage C bij richtlijn 92/51, in de op de feiten in het hoofdgeding toepasselijke versie, namelijk vóór de wijziging ervan bij beschikking 2004/108/EG van de Commissie van 28 januari 2004 (PB L 32, blz. 15), is die van ergotherapeut [„Beschäftigungs‑ und Arbeitstherapeut(in)”], vermeld in het derde streepje betreffende Duitsland, onder punt 1, getiteld „Paramedisch en sociaal-pedagogisch gebied”.
7 Artikel 3, eerste alinea, sub a, van richtlijn 92/51 bepaalt:
„Onverminderd de toepassing van richtlijn 89/48/EEG mag, wanneer in de ontvangende lidstaat de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep afhankelijk wordt gesteld van het bezit van een diploma zoals omschreven in deze richtlijn [...], de bevoegde instantie een onderdaan van een lidstaat de toegang tot of de uitoefening van dat beroep onder dezelfde voorwaarden als die welke voor eigen onderdanen gelden, niet weigeren wegens onvoldoende kwalificaties, indien:
a) de aanvrager in het bezit is van het diploma zoals omschreven in deze richtlijn [...], dat door een andere lidstaat is voorgeschreven om tot het betrokken beroep op zijn grondgebied te worden toegelaten dan wel deze activiteit aldaar uit te oefenen, en dat in een lidstaat behaald is [...]”
8 In weerwil van artikel 3 van deze richtlijn, staat artikel 4 de ontvangende lidstaat toe, onder zekere daarin bepaalde voorwaarden van de aanvrager te verlangen dat hij een beroepservaring van bepaalde duur aantoont, een aanpassingsstage van ten hoogste drie jaar volbrengt of een proeve van bekwaamheid aflegt (hierna: „compenserende maatregelen”. Datzelfde artikel legt bepaalde regels en voorwaarden vast voor de compenserende maatregelen die kunnen worden verlangd.
9 Artikel 10 van richtlijn 92/51 noemt de documenten betreffende goed zedelijk gedrag, ontbreken van faillissement en lichamelijke of geestelijke gezondheid die door de bevoegde autoriteit van de ontvangende lidstaat als bewijs mogen worden verlangd, en bevat enkele bepalingen inzake het formulier van de eed of de plechtige verklaring die aan de onderdanen van andere lidstaten kan worden opgelegd.
10 Luidens artikel 13, lid 1, van richtlijn 92/51 wijzen de lidstaten binnen de in artikel 17 genoemde termijn, dat wil zeggen vóór 18 juni 1994, de bevoegde autoriteiten aan die gemachtigd zijn de aanvragen te ontvangen en de in deze richtlijn bedoelde besluiten te nemen, en stellen zij de andere lidstaten en de Commissie van de Europese Gemeenschappen daarvan in kennis.
De nationale regeling
11 In Griekenland is het beroep van ergotherapeut gereglementeerd door presidentieel decreet nr. 83/1989, getiteld „Professionele rechten van de gediplomeerde van de afdelingen: [...] c) Ergotherapie van de instellingen voor technologisch onderwijs (TEI)” (FEK A’37).
12 Volgens artikel 3, lid 4, van dit decreet is voor de uitoefening van dit beroep een vergunning vereist, die wordt afgegeven door het ministerie van Gezondheid, Voorzorg en Sociale Verzekeringen (hierna: „ministerie van Gezondheid”).
13 Besluit A4b/251 van de minister van Gezondheid en Voorzorg van 23 januari 1990 (FEK B’ 94) bepaalde ten tijde van de aanvraag van Aslanidou, dat de aanvragen om een vergunning voor de uitoefening van het beroep van ergotherapeut vergezeld dienden te gaan van een afschrift van het diploma en, „wanneer het gaat om houders van een buitenlands diploma, [van] het besluit tot erkenning van de gelijkwaardigheid van het diploma, afgegeven door het ministerie van Onderwijs en Eredienst”.
14 Bij wet nr. 1404/1983 van 22/24 november 1983 (FEK A’173), zoals zij gold ten tijde van de feiten in het hoofdgeding, was onder toezicht van het ministerie van Onderwijs en Eredienst een openbare dienst met de naam „Instituut voor technologisch onderwijs” (hierna: „ITE”) ingesteld, om dat ministerie te adviseren over pedagogische en wetenschappelijke problemen betreffende het hoger technologisch onderwijs.
15 Krachtens artikel 14, II, lid 2, van wet nr. 1404/1983, zoals vervangen bij artikel 71, lid 5, van wet nr. 1566/1985 van 30 september 1985 (FEK A’ 176), had het ITE onder meer tot taak, zich uit te spreken over de gelijkwaardigheid van de scholen of afdelingen voor hoger niet-universitair onderwijs in het buitenland en van de opleidingstitels die zij afgeven, vergeleken met de Griekse instellingen voor technologisch onderwijs en de door deze laatste afgegeven titels.
16 Artikel 2 van presidentieel decreet nr. 567/1984 van 3 augustus/17 december 1984 (FEK A’ 204) betreffende de werking van het ITE, voorzag in de oprichting in het kader van het ITE, van een wetenschappelijke raad, en bepaalde dat „de erkenning van de gelijkwaardigheid van een opleidingstitel of van de school geschiedt bij handeling van de wetenschappelijke raad, die door de voorzitter van deze raad in beknopte vorm aan de betrokkene wordt meegedeeld. Deze mededeling vormt het bewijs van de gelijkwaardigheid van de opleidingstitel.”
17 Na de feiten die tot het hoofdgeding hebben geleid, is presidentieel decreet nr. 231/1998 van 29 juli 1998 (FEK A’ 178) vastgesteld, waarmee deze richtlijn in Grieks recht wordt omgezet.
18 Artikel 14 van dit decreet verleent de raad voor de erkenning van de gelijkwaardigheid van de onderwijs- en vormingstitels (Symvoulio Epangelmatikis Anagnorisis Titlon Ekpaidefsis kai Katartisis), een speciaal daartoe opgericht staatsorgaan, een exclusieve bevoegdheid om de houder van een binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallend diploma het recht toe te kennen om in Griekenland het overeenkomstige gereglementeerde beroep uit te oefenen. Dit orgaan is ter zake als enige bevoegd, en zijn advies bindt het ministerie dat competent is om de vergunning voor de uitoefening van het beroep af te geven.
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
19 Aslanidou, een Grieks onderdaan, is na afloop van een studieprogramma van drie jaar geslaagd voor het staatsexamen voor ergotherapeuten („Zeugnis über die Staatliche Prüfung für Beschäftigungs- und Arbeitstherapeuten”) aan de erkende school voor ergotherapeuten te Stuttgart (Duitsland), op grond waarvan zij in Duitsland toegang heeft tot het beroep van ergotherapeut.
20 Daar Aslanidou dit beroep in Griekenland wenste uit te oefenen, heeft zij op 1 september 1997 bij de directie Gezondheid van de prefectuur te Thessaloniki een op richtlijn 89/48 gebaseerde vergunningsaanvraag ingediend. Deze aanvraag is aan het ministerie van Gezondheid doorgezonden om de geldende voorwaarden te laten toetsen door de raad voor de erkenning van de opleidingstitels van ergotherapeuten (Symvoulio Anagnorisis Epangelmatikon Titlon Ergotherapefton; hierna: „SAETE”).
21 Het SAETE heeft gewacht met het nemen van een besluit en het heeft het ITE gevraagd of de school waar Aslanidou in Duitsland had gestudeerd, „behoorde tot het type dat overeenkomt met het hoger onderwijs in Griekenland”. Nadat het ITE had geantwoord dat verzoeksters diploma niet gelijkwaardig was met de opleidingstitels die door de Griekse instellingen voor technologisch onderwijs worden afgegeven, heeft het SAETE geoordeeld dat de door Aslanidou overgelegde bewijsstukken niet overeenkwamen met die welke in richtlijn 89/48 zijn bedoeld, en dat het verzoekster dus niet op grond van richtlijn 89/48 een vergunning voor de uitoefening van het beroep van ergotherapeut kon afgeven. Het heeft haar derhalve voorgesteld, na de omzetting van richtlijn 92/51 in Grieks recht een nieuwe aanvraag in te dienen.
22 Bij besluit nr. 1 van 12 mei 1998 heeft het SAETE ten slotte de vergunningsaanvraag van Aslanidou definitief afgewezen, op grond dat de opleidingstitel waar zij zich op beriep, geen hogeronderwijsdiploma was, aangezien voor de toelating tot de betrokken Duitse school een basisopleiding van acht tot tien jaar en niet van twaalf jaar was vereist, zodat niet aan de voorwaarden van richtlijn 89/48 was voldaan.
23 Aslanidou stelde op 21 juli 1998 tegen dit afwijzend besluit beroep in bij het Symvoulio tis Epikrateias.
24 In het hoofdgeding staat volgens de verwijzende rechter vast dat zelfs indien Aslanidou de vergunning voor de uitoefening van het beroep van ergotherapeut op grond van richtlijn 89/48 had aangevraagd, de bevoegde instantie verplicht was de aanvraag en de door verzoekster aangevoerde feiten ambtshalve te onderzoeken in het licht van de passende rechtsregel, namelijk richtlijn 92/51.
25 In dit verband vraagt het Symvoulio tis Epikrateias zich af of tussen het verstrijken van de omzettingstermijn en de te late omzetting in nationaal recht een particulier die zich beroept op een in een andere lidstaat behaald diploma dat binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt, met een beroep op de relevante bepalingen hiervan de autoriteiten van de ontvangende lidstaat kan verzoeken, hem in de ontvangende lidstaat tot het overeenkomstige gereglementeerde beroep toe te laten.
26 In het hoofdgeding is een meerderheid in het Symvoulio tis Epikratias van oordeel dat de materiële bepalingen van de artikelen 3, 4 en 10 van richtlijn 92/51 onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn wat betreft de voorwaarden waaronder de autoriteiten van de ontvangende lidstaat de houder van een in een andere lidstaat behaald diploma in de ontvangende lidstaat tot een gereglementeerd beroep moeten toelaten, en dat zij dus na het verstrijken van de omzettingstermijn van deze richtlijn door de houder van een dergelijk diploma kunnen worden aangevoerd.
27 Volgens deze meerderheidsopvatting staat het verzuim om krachtens artikel 13, lid 1, van richtlijn 92/51 een bevoegde instantie aan te wijzen, niet in de weg aan de mogelijkheid om een beroep te doen op de bepalingen ervan, aangezien de wetgeving van de lidstaat, zoals zij vóór de omzetting van deze richtlijn gold, een bepaald administratief orgaan ermee belastte vast te stellen dat de voorwaarden voor toegang tot het betrokken beroep waren vervuld, en in voorkomend geval aan de betrokkene de vergunning voor de uitoefening van dit beroep af te geven.
28 Naar het oordeel van een minderheid in het Symvoulio tis Epikrateias was de afwijzing van de vergunningsaanvraag echter gerechtvaardigd, op grond dat enerzijds een particulier zich op het moment waarop de aanvraag is ingediend, niet op de relevante bepalingen van richtlijn 92/51 kon beroepen, en anderzijds de autoriteit welke bevoegd was om de aanvragen te behandelen, nog niet was aangewezen krachtens artikel 13, lid 1, van deze richtlijn.
29 Het Symvoulio tis Epikrateias vraagt zich bovendien af of, voorzover voor het ministerie van Gezondheid geen beroep op de bepalingen van richtlijn 92/51 kon worden gedaan, het ministerie krachtens de artikelen 48 en 52 van het Verdrag niettemin verplicht zou zijn geweest, te onderzoeken of de door verzoekster in Duitsland behaalde titel gelijkwaardig was aan de Griekse diploma’s.
30 In die omstandigheden heeft het Symvoulio tis Epikrateias besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de navolgende prejudiciële vragen te stellen:
„1) Zijn de bepalingen van artikel 3, artikel 4, leden 1, sub a en b, en 2, en artikel 10, leden 1 tot en met 4, van richtlijn 92/51 [...] onvoorwaardelijk en voldoende duidelijk, zodat in de periode tussen het verstrijken van de omzettingstermijn van die richtlijn en de te late omzetting hiervan in het nationale recht van een bepaalde lidstaat (ontvangende lidstaat) tegenover een administratief orgaan van deze lidstaat, dat op grond van de nationale wetgeving bevoegd was om de vergunning voor de uitoefening van een bepaald gereglementeerd beroep af te geven, door een houder van een in een andere lidstaat behaald diploma dat binnen de werkingssfeer van de voornoemde bepalingen van de richtlijn valt, op deze bepalingen een beroep kon worden gedaan om van dit orgaan vergunning voor de toegang tot het concrete beroep en voor de uitoefening hiervan in de ontvangende lidstaat te verkrijgen?
2) Wanneer in de periode tussen het verstrijken van de omzettingstermijn van richtlijn 92/51 […] en de te late omzetting hiervan in het nationale recht een particulier zich niet op de bepalingen van de richtlijn kon beroepen tegenover een administratief orgaan van de ontvangende lidstaat, dat volgens de nationale wetgeving bevoegd was om de vergunning voor de uitoefening van een bepaald beroep af te geven aan de houders van een diploma van een nationale instelling voor technologisch onderwijs (TEI), of van een buitenlands diploma dat als gelijkwaardig erkend was in het kader van de in de motivering van deze verwijzingsbeschikking beschreven algemene homologatieprocedure, kon dit orgaan dan, gelet op de artikelen [48 en 52] van het Verdrag [...], de inwilliging van de in de voornoemde periode ingediende aanvraag van een houder van een in een andere lidstaat behaald diploma om in de ontvangende lidstaat tot het betrokken beroep te worden toegelaten en het er uit te oefenen, laten afhangen van de voorafgaande erkenning volgens de hoger genoemde algemene procedure van de gelijkwaardigheid van dit diploma, of moest dit orgaan zelf de uit het overgelegde diploma blijkende bekwaamheden vergelijken met de door de nationale wetgeving verlangde kennis en bekwaamheden, en dienovereenkomstig uitspraak doen?”
De prejudiciële vragen
31 Artikel 3, eerste alinea, sub a, van richtlijn 92/51 bepaalt, dat de bevoegde autoriteit van de ontvangende lidstaat een onderdaan van een lidstaat de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep onder dezelfde voorwaarden als die welke voor eigen onderdanen gelden, niet kan weigeren wegens onvoldoende kwalificaties, indien de aanvrager in het bezit is van het diploma dat door een andere lidstaat is voorgeschreven om op zijn grondgebied tot het betrokken beroep te worden toegelaten of het er uit te oefenen, en indien dat diploma in een lidstaat behaald is.
32 Aslanidou is houder van een diploma in de zin van artikel 1 van richtlijn 92/51, gelezen in samenhang met punt 1 van bijlage C hierbij. Verzoeksters situatie valt dus binnen de werkingssfeer van artikel 3, eerste alinea, sub a, van deze richtlijn. Het Hof hoeft derhalve geen uitspraak te doen over de uitlegging van artikel 3, eerste alinea, sub b, van deze richtlijn, dat slechts van toepassing is wanneer het betrokken beroep in de lidstaat van oorsprong niet gereglementeerd is.
33 Met betrekking tot artikel 3, eerste alinea, sub a, van richtlijn 89/48, waarvan de bewoordingen in wezen gelijk zijn aan die van artikel 3, eerste alinea, sub a, van richtlijn 92/51, heeft het Hof reeds geoordeeld dat het een bepaling vormt waarvan de inhoud onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is opdat particulieren er voor de nationale rechter een beroep op kunnen doen tegenover de staat, wanneer deze heeft verzuimd de richtlijn binnen de gestelde termijn in nationaal recht om te zetten (arrest van 29 april 2004, Beuttenmüller, C‑102/02, Jurispr. blz. I‑5405, punt 55). Dezelfde vaststelling geldt voor artikel 3, eerste alinea, sub a, van richtlijn 92/51, aangezien luidens de vijfde overweging van de considerans van deze richtlijn het hierdoor ingevoerde aanvullende stelsel uitdrukkelijk is gebaseerd op dezelfde beginselen en, mutatis mutandis, dezelfde regels behelst als het bij richtlijn 89/48 ingevoerde oorspronkelijke algemene stelsel.
34 Met betrekking tot de mogelijkheid om de toegang tot een gereglementeerd beroep afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de aanvrager vooraf aan de in artikel 4 van richtlijn 92/51 genoemde compenserende maatregelen voldoet, heeft het Hof in verband met richtlijn 89/48 geoordeeld dat, wanneer de ten tijde van de behandeling van de betrokken aanvraag geldende nationale wetgeving daarin voorziet, de bevoegde instantie in beginsel het recht heeft om een betrokkene de in artikel 4, lid 1, bedoelde compenserende maatregelen op te leggen, indien aan de daarin vermelde voorwaarden is voldaan (zie in die zin arrest van 9 september 2003, Burbaud, C-285/01, Jurispr. blz. I-8219, punt 55).
35 Indien de geldende nationale regeling daarentegen niet voorziet in het opleggen van dergelijke compenserende maatregelen, volgt uit de rechtspraak dat een lidstaat die zich niet heeft gehouden aan de verplichting om de bepalingen van een richtlijn in nationaal recht om te zetten, aan gemeenschapsonderdanen geen uit die bepalingen voortvloeiende beperkingen kan tegenwerpen, net zo min als hij van hen kan verlangen dat zij in deze richtlijn neergelegde verplichtingen nakomen (zie in die zin arrest van 19 november 1991, Francovich e.a., C-6/90 en C‑9/90, Jurispr. blz. I‑5357, punt 21, en arrest Beuttenmüller, reeds aangehaald, punt 63).
36 Het staat in voorkomend geval aan de nationale rechter om te bepalen in hoeverre de ten tijde van de behandeling van de betrokken aanvraag geldende nationale wetgeving het opleggen van compenserende maatregelen als die bedoeld in artikel 4, lid 1, van de toepasselijke richtlijn toestond. Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak, wanneer een situatie binnen de werkingssfeer van een richtlijn valt, de nationale rechter bij de toepassing van zijn nationale recht het gehele nationale recht in beschouwing moet nemen en dit zo veel mogelijk in het licht van de bewoordingen en van de doelstelling van de richtlijn moet uitleggen om tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met het daarmee beoogde doel (zie in die zin onder meer arrest van 5 oktober 2005, Pfeiffer e.a., C‑397/01–C‑403/01, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 119).
37 In ieder geval heeft het Hof reeds geoordeeld dat, wanneer richtlijn 89/48 of richtlijn 92/51 van toepassing is, een overheidsorgaan van een lidstaat dat de in de betrokken richtlijn neergelegde normen in acht dient te nemen, niet meer kan verlangen dat de titels van een belanghebbende door de bevoegde nationale autoriteiten worden gehomologeerd (arrest van 8 juli 1999, Fernández de Bobadilla, C‑234/97, Jurispr. blz. I-4773, punt 27).
38 Artikel 10 van richtlijn 92/51 noemt slechts de documenten betreffende goed zedelijk gedrag, ontbreken van faillissement en lichamelijke of geestelijke gezondheid, die door de bevoegde autoriteit als bewijs mogen worden verlangd, en bevat enkele bepalingen inzake het formulier van de eed of de plechtige verklaring die aan de onderdanen van andere lidstaten kan worden opgelegd. Aangezien in het hoofdgeding de bevoegde instantie van de ontvangende lidstaat geen van die bewijzen of verklaringen heeft verlangd, hoeft het Hof geen uitspraak te doen over de uitlegging van deze bepaling, die in ieder geval geen invloed zou kunnen hebben op de mogelijkheid om zich op artikel 3, eerste alinea, sub a, van deze richtlijn te beroepen.
39 De verplichting voor de lidstaten om krachtens artikel 13, lid 1, van richtlijn 92/51 de bevoegde instanties aan te wijzen die gemachtigd zijn de aanvragen te ontvangen en de in deze richtlijn bedoelde besluiten te nemen, staat evenmin in de weg aan de mogelijkheid om zich op artikel 3, eerste alinea, sub a, van deze richtlijn te beroepen. Uit artikel 13, lid 1, gelezen in samenhang met de andere leden van dit artikel, blijkt immers dat deze bepaling tot doel heeft, de toepassing van het door richtlijn 92/51 ingevoerde stelsel van erkenning van diploma’s te vergemakkelijken, door het binnen een lidstaat toepasselijke besluitvormingsproces doorzichtiger te maken. Daarentegen is een aanwijzing als bedoeld in dat artikel 13, lid 1, niet noodzakelijk om de in genoemd artikel 3 bedoelde bevoegde instantie, die de toegang tot de gereglementeerde beroepen controleert, te kunnen identificeren.
40 Uit de rechtspraak volgt dat een lidstaat aan een particulier niet kan tegenwerpen dat hij de bepalingen die de toepassing van een door de betrokken richtlijn ingevoerde regeling juist moeten vergemakkelijken, nog niet heeft vastgesteld (zie in die zin, onder meer, arresten van 10 september 2002, Kügler, C‑141/00, Jurispr. blz. I‑6833, punt 52, en 6 november 2003, Dornier, C‑45/01, Jurispr. blz. I‑12911, punt 79). Het verzuim om krachtens artikel 13, lid 1, van richtlijn 92/51 een bevoegde instantie aan te wijzen, staat er dus niet aan in de weg dat op artikel 3, eerste alinea, sub a, van deze richtlijn een beroep kan worden gedaan tegenover de autoriteit die krachtens de toepasselijke nationale wetgeving in feite bevoegd is om de toegang tot een bepaald beroep te reglementeren.
41 In het hoofdgeding is het duidelijk, dat het ministerie van Gezondheid, onder welks toezicht het SAETE optrad, een bevoegde instantie in de zin van artikel 3, eerste alinea, sub a, van richtlijn 92/51 is, aangezien voor de uitoefening van het beroep van ergotherapeut krachtens de nationale wetgeving een door dat ministerie afgegeven vergunning is vereist. Bijgevolg kan het ministerie van Gezondheid aan een persoon in de situatie van Aslanidou niet de toegang tot het beroep van ergotherapeut ontzeggen met een beroep op onvoldoende kwalificaties, onder voorbehoud van een eventuele toepassing van compenserende maatregelen in de zin van artikel 4, lid 1, van deze richtlijn, indien de nationale wetgeving daarin voorzag.
42 Op de eerste vraag moet dus worden geantwoord dat, wanneer binnen de in artikel 17 van richtlijn 92/51 bepaalde termijn geen omzettingsmaatregelen zijn vastgesteld, een onderdaan van een lidstaat zich op artikel 3, eerste alinea, sub a, van deze richtlijn kan beroepen om in de ontvangende lidstaat de vergunning te verkrijgen om een gereglementeerd beroep als dat van ergotherapeut uit te oefenen. Deze mogelijkheid kan niet afhankelijk worden gesteld van de homologatie van de titels van de betrokkene door de bevoegde nationale autoriteiten. De in artikel 4, lid 1, van richtlijn 92/51 bedoelde compenserende maatregelen kunnen slechts aan de betrokkene worden opgelegd voorzover de ten tijde van de behandeling van de aanvraag geldende nationale wetgeving daarin voorziet.
43 Gezien het antwoord op de eerste vraag, behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
44 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Vierde kamer) verklaart voor recht:
Wanneer geen omzettingsmaatregelen zijn vastgesteld binnen de termijn bepaald in artikel 17 van richtlijn 92/51/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen ter aanvulling van richtlijn 89/48/EEG, kan een onderdaan van een lidstaat zich op artikel 3, eerste alinea, sub a, van deze richtlijn beroepen om in de ontvangende lidstaat de vergunning te verkrijgen om een gereglementeerd beroep als dat van ergotherapeut uit te oefenen.
Deze mogelijkheid kan niet afhankelijk worden gesteld van de homologatie van de titels van de betrokkene door de bevoegde nationale instanties.
De in artikel 4, lid 1, van richtlijn 92/51 bedoelde compenserende maatregelen kunnen slechts aan de betrokkene worden opgelegd voorzover de ten tijde van de behandeling van de aanvraag geldende nationale wetgeving daarin voorziet.
ondertekeningen
* Procestaal: Grieks.
Full & Egal Universal Law Academy