Zaak C‑411/04 P
Salzgitter Mannesmann GmbH, voorheen Mannesmannröhren-Werke GmbH
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Hogere voorziening – Mededinging – Mededingingsregeling – Markt van naadloze stalen buizen – Eerlijk proces – Anonieme bewijzen – Geldboete – Medewerking – Gelijke behandeling”
Conclusie van advocaat-generaal L. A. Geelhoed van 12 september 2006
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 25 januari 2007
Samenvatting van het arrest
1. Mededinging – Administratieve procedure – Recht op eerlijk proces
2. Hogere voorziening – Middelen – Onjuiste beoordeling van feiten – Niet-ontvankelijkheid – Toetsing door Hof van beoordeling van bewijs – Uitgesloten, behoudens geval van onjuiste opvatting
(Art. 225 EG; Statuut van het Hof van Justitie, art. 51)
3. Hogere voorziening – Bevoegdheid van Hof
(Art. 81, lid 1, EG; verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)
4. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 96/C 207/04 van de Commissie, titel D, punt 2)
1. Het beginsel dat eenieder recht heeft op een eerlijk proces, is een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht.
Dit beginsel is afgeleid uit de fundamentele rechten die integrerend deel uitmaken van de algemene beginselen van gemeenschapsrecht waarvan het Hof de eerbiediging verzekert. Daarbij laat het Hof zich leiden door de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben, alsmede door de aanwijzingen die met name te vinden zijn in het Europees Verdrag van de rechten van de mens.
In communautaire mededingingszaken speelt het getuigenbewijs slechts een ondergeschikte rol en spelen schriftelijke documenten een centrale rol.
De bewijslevering in communautaire mededingingszaken wordt gekenmerkt door het feit dat de onderzochte documenten vaak bedrijfsgeheimen of andere informatie bevatten die niet, of slechts onder grote restricties, mogen worden geopenbaard.
In deze omstandigheden, die specifiek zijn voor de onderzoeken van de Commissie naar mededingingverstorende gedragingen, kan het beginsel dat eenieder recht heeft op een eerlijk proces, niet aldus worden uitgelegd dat documenten die belastend bewijsmateriaal bevatten, automatisch als bewijsmiddel dienen te worden uitgesloten wanneer bepaalde informatie vertrouwelijk dient te blijven. Deze vertrouwelijkheid kan ook betrekking hebben op de identiteit van de opstellers van de documenten en van de personen die deze aan de Commissie hebben bezorgd.
(cf. punten 40‑44)
2. Het Hof is in het kader van een hogere voorziening niet bevoegd om de feiten vast te stellen, noch, in beginsel, om de bewijzen te onderzoeken die het Gerecht tot staving van die feiten in aanmerking heeft genomen. Wanneer die bewijzen regelmatig zijn verkregen en de algemene rechtsbeginselen en regels van procesrecht inzake de bewijslast en de bewijsvoering zijn geëerbiedigd, staat het enkel aan het Gerecht te beoordelen, welke waarde moet worden gehecht aan de hem voorgelegde bewijzen. Die beoordeling vormt dus, behoudens in het geval van een onjuiste opvatting van de voor het Gerecht overgelegde bewijzen, geen rechtsvraag die vatbaar is voor toetsing door het Hof.
(cf. punt 55)
3. Weliswaar mag het Hof in het kader van een hogere voorziening niet uit billijkheidsoverwegingen zijn oordeel in de plaats stellen van dat van het Gerecht, dat zich in de uitoefening van zijn volle rechtsmacht heeft uitgesproken over het bedrag van de geldboeten die ondernemingen wegens schending van het gemeenschapsrecht zijn opgelegd, maar de uitoefening van die rechtsmacht mag er niet toe leiden dat bij de bepaling van de hoogte van deze geldboeten wordt gediscrimineerd tussen ondernemingen die aan een met artikel 81, lid 1, EG strijdige overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging hebben deelgenomen.
De hogere voorziening moet echter aangeven, welke juridische argumenten het middel inzake schending van het beginsel van gelijke behandeling specifiek staven, daar het betrokken middel anders niet-ontvankelijk is.
(cf. punten 68‑69)
4. Bij de toepassing van de mededeling betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de uitdrukkelijke erkenning van een inbreuk en de loutere niet-betwisting ervan, die niet bijdraagt tot een vergemakkelijking van de taak van de Commissie om inbreuken op de communautaire mededingingsregels vast te stellen en te bestraffen, zodat de verschillende behandeling van twee ondernemingen die aan dezelfde inbreuk hebben deelgenomen, maar waarvan de ene de inbreuk heeft erkend en de andere niet, geen discriminatie kan vormen.
(cf. punt 71)
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
25 januari 2007 (*)
„Hogere voorziening – Mededinging – Mededingingsregeling – Markt van naadloze stalen buizen – Eerlijk proces – Anonieme bewijzen – Geldboete – Medewerking – Gelijke behandeling”
In zaak C‑411/04 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie, ingesteld op 23 september 2004,
Salzgitter Mannesmann GmbH, voorheen Mannesmannröhren-Werke GmbH, gevestigd te Mülheim an der Ruhr (Duitsland), vertegenwoordigd door M. Klusmann en F. Wiemer, Rechtsanwälte,
rekwirante,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Whelan en H. Gading als gemachtigden, bijgestaan door H.‑J. Freund, Rechtsanwalt, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, K. Lenaerts, E. Juhász, K. Schiemann en M. Ilešič (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: B. Fülöp, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 8 december 2005,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 september 2006,
het navolgende
Arrest
1 Met haar hogere voorziening vordert Salzgitter Mannesmann GmbH, voorheen Mannesmannröhren-Werke GmbH en daarvoor Mannesmannröhren-Werke AG (hierna: „Mannesmann” of „rekwirante”) vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 8 juli 2004, Mannesmannröhren-Werke/Commissie (T‑44/00, Jurispr. blz. II‑2223; hierna: bestreden arrest”), voor zover hierbij is verworpen haar beroep tegen beschikking 2003/382/EG van de Commissie van 8 december 1999 betreffende een procedure overeenkomstig artikel 81 van het EG-Verdrag (zaak IV/E-1/35.860-B – naadloze stalen buizen) (PB 2003, L 140, blz. 1; hierna: „litigieuze beschikking”).
Litigieuze beschikking
Mededingingsregeling
2 De Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft de litigieuze beschikking gericht tot acht producenten van naadloze stalen buizen. Vier van deze ondernemingen zijn Europese vennootschappen (hierna: „communautaire producenten”): Mannesmann, Vallourec SA (hierna: „Vallourec”), Corus UK Ltd (voorheen British Steel plc; hierna: „Corus”) en Dalmine SpA (hierna: „Dalmine”). De vier andere adressaten van de litigieuze beschikking zijn Japanse vennootschappen (hierna: „Japanse producenten”): NKK Corp., Nippon Steel Corp., Kawasaki Steel Corp. en Sumitomo Metal Industries Ltd (hierna: „Sumitomo”).
3 De naadloze stalen buizen worden door de aardolie‑ en gasindustrie gebruikt en kunnen in twee grote productcategorieën worden ingedeeld.
4 De eerste categorie omvat buizen voor boringen, die over het algemeen „Oil Country Tubular Goods” of „OCTG” worden genoemd. Deze buizen kunnen worden verkocht zonder schroefdraad („gladde buizen”) of met schroefdraad. De schroefdraad dient om de OCTG-buizen met elkaar te verbinden. De schroefdraad kan worden gesneden overeenkomstig de normen van het American Petroleum Institute (API) − schroefdraadbuizen die volgens deze methode zijn vervaardigd, worden „standaard-OCTG-buizen” genoemd − of volgens speciale, doorgaans geoctrooieerde methodes. In dit laatste geval spreekt men van schroefdraad of, in voorkomend geval, verbindingen van eerste kwaliteit of van premiumschroefdraad of ‑verbindingen; buizen waarvan de schroefdraad volgens deze methode is gesneden, worden „premium-OCTG-buizen” genoemd.
5 De tweede productcategorie bestaat uit buizen voor het transport van olie en gas („line pipe”), waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen buizen die volgens standaardnormen worden vervaardigd en die welke op maat worden gemaakt voor de realisatie van specifieke projecten (hierna: „‚project’-transportbuizen”).
6 In november 1994 heeft de Commissie besloten een onderzoek in te stellen naar het bestaan van mededingingsverstorende praktijken met betrekking tot deze producten. In december van datzelfde jaar heeft zij verificaties verricht bij verschillende bedrijven, waaronder Mannesmann. Tussen september 1996 en december 1997 heeft de Commissie bij Vallourec, Dalmine en Mannesmann aanvullende verificaties verricht. Tijdens een verificatie bij Vallourec op 17 september 1996 heeft de president van Vallourec Oil & Gas, de heer Verluca, een aantal verklaringen afgelegd (hierna: „verklaringen van Verluca”). Tijdens een verificatie bij Mannesmann in april 1997 heeft de bestuurder van deze onderneming, de heer Becher, eveneens verklaringen afgelegd (hierna: „verklaringen van Becher”).
7 De Commissie heeft ook krachtens artikel 11 van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81] en [82] van het Verdrag (PB 1962, 13, blz. 204), verzoeken om inlichtingen gericht tot verschillende ondernemingen. Omdat Dalmine weigerde bepaalde van de gevraagde inlichtingen te verstrekken, heeft de Commissie op 6 oktober 1997 beschikking C(97) 3036 betreffende een procedure overeenkomstig artikel 11, lid 5, van verordening nr. 17 tot haar gericht. Dalmine heeft een beroep tot nietigverklaring van deze beschikking ingesteld, dat bij beschikking van het Gerecht van 24 juni 1998, Dalmine/Commissie (T‑596/97, Jurispr. blz. II‑2383), kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. Ook Mannesmann heeft geweigerd een aantal van de door de Commissie gevraagde inlichtingen te verstrekken. Hoewel de Commissie op 15 mei 1998 beschikking C(98) 1204 betreffende een procedure overeenkomstig artikel 11, lid 5, van verordening nr. 17 (hierna: „beschikking van 15 mei 1998”) tot haar heeft gericht, heeft Mannesmann in haar weigering volhard. Tevens heeft zij bij het Gerecht beroep tegen deze beschikking ingesteld. Bij arrest van 20 februari 2001, Mannesmannröhren-Werke/Commissie (T‑112/98, Jurispr. blz. II‑729), heeft het Gerecht de betrokken beschikking gedeeltelijk nietig verklaard en het beroep verworpen voor het overige.
8 Gelet op de verklaringen van Verluca en Becher en op andere bewijselementen heeft de Commissie in de litigieuze beschikking vastgesteld dat de acht adressaten van deze beschikking een overeenkomst hadden gesloten die met name inhield dat zij van elkaars thuismarkten zouden wegblijven. Volgens deze overeenkomst verbond elke onderneming zich ertoe om geen standaard-OCTG-buizen en „project”-transportbuizen op de thuismarkt van een andere partij bij de overeenkomst te verkopen.
9 Volgens de Commissie is de overeenkomst gesloten tijdens bijeenkomsten van communautaire en Japanse producenten in het kader van de zogenaamde „Europa-Japan-club”.
10 Het beginsel van eerbiediging van de thuismarkten werd aangeduid met de term „fundamentele regels” („fundamentals”). De Commissie heeft opgemerkt dat de fundamentele regels daadwerkelijk in acht zijn genomen en dat de overeenkomst dus mededingingsverstorende effecten op de gemeenschappelijke markt heeft gehad.
11 De overeenkomst omvatte volgens de Commissie in totaal drie delen: ten eerste, de hierboven genoemde „fundamentele regels” betreffende de eerbiediging van de thuismarkten, die de in artikel 1 van de litigieuze beschikking vastgestelde inbreuk vormen, ten tweede, de vaststelling van prijzen voor opdrachten en van minimumprijzen voor de „speciale markten” („special markets”) en, ten derde, de verdeling van de markten elders ter wereld, met uitzondering van Canada en de Verenigde Staten van Amerika, volgens verdeelsleutels („sharing keys”).
12 Met betrekking tot het bestaan van de „fundamentele regels” heeft de Commissie zich gebaseerd op een reeks in de punten 62 tot en met 67 van de litigieuze beschikking opgesomde schriftelijke aanwijzingen en op de tabel in punt 68. Volgens haar blijkt uit deze tabel dat het aandeel van de nationale producent in de door de adressaten van de litigieuze beschikking verrichte leveringen in Japan en op de thuismarkt van elk van de vier communautaire producenten zeer hoog was. De Commissie leidt hieruit af dat de thuismarkten in hun geheel genomen daadwerkelijk werden geëerbiedigd door de partijen bij de overeenkomst.
13 Volgens de Commissie zijn de leden van de Europa-Japan-club op 5 november 1993 te Tokio (Japan) bijeengekomen, om te trachten met de Latijns-Amerikaanse producenten tot een nieuwe marktverdelingsovereenkomst te komen. De inhoud van de tijdens die bijeenkomst gesloten overeenkomst blijkt uit een document dat op 12 november 1997 aan de Commissie is overhandigd door een niet bij de procedure betrokken informant en dat met name een „verdeelsleutel” bevat (hierna: „document verdeelsleutel”).
Duur van de mededingingsregeling
14 De Europa-Japan-club is volgens de Commissie van 1977 tot en met 1994 ongeveer tweemaal per jaar bijeengekomen.
15 Niettemin was de Commissie van mening dat voor de bepaling van de boetebedragen het jaar 1990 als beginpunt van de mededingingsregeling diende te worden genomen, aangezien er van 1977 tot 1990 overeenkomsten inzake vrijwillige beperking van de uitvoer tussen de Europese Gemeenschap en Japan golden. Volgens de Commissie is de inbreuk in 1995 beëindigd.
Geldboeten
16 Voor de bepaling van het bedrag van de geldboeten heeft de Commissie de inbreuk als zeer zwaar aangemerkt, omdat de betrokken overeenkomst de eerbiediging van de thuismarkten beoogde en aldus de goede werking van de interne markt aantastte. Zij heeft evenwel opgemerkt dat de verkoop van naadloze stalen buizen door de adressaten van de litigieuze beschikking in de vier betrokken lidstaten slechts ongeveer 73 miljoen EUR per jaar bedroeg.
17 Bijgevolg heeft de Commissie het boetebedrag op basis van de zwaarte van de inbreuk voor elk van de acht ondernemingen vastgesteld op 10 miljoen EUR. Aangezien alle adressaten grote ondernemingen zijn, hoefde volgens de Commissie bij de vaststelling van de op te leggen bedragen niet te worden gedifferentieerd.
18 Aangezien de inbreuk volgens de Commissie van middellange duur was, heeft zij voor de vaststelling van het basisbedrag van de aan elke betrokken onderneming opgelegde geldboete het uit hoofde van de zwaarte van de inbreuk vastgestelde bedrag verhoogd met 10 % per jaar waarin aan de mededingingsregeling was deelgenomen. Aangezien evenwel de sector stalen buizen een langdurige crisis heeft doorgemaakt en de situatie van deze sector vanaf 1991 is verslechterd, heeft de Commissie deze basisbedragen wegens verzachtende omstandigheden met 10 % verminderd.
19 Ten slotte heeft de Commissie op grond van punt D 2 van de mededeling van de Commissie betreffende het niet‑opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen (PB 1996, C 207, blz. 4; hierna: „mededeling inzake medewerking”), de geldboete van Vallourec met 40 %, en die van Dalmine met 20 % verminderd, om rekening te houden met het feit dat deze twee ondernemingen tijdens de administratieve procedure met de Commissie hadden samengewerkt.
Dispositief van de litigieuze beschikking
20 Volgens artikel 1, lid 1, van de litigieuze beschikking hebben de acht adressaten ervan „artikel 81, lid 1, van het EG-Verdrag geschonden door [...] deel te nemen aan een overeenkomst welke onder andere bepaalde dat hun respectieve nationale markten voor naadloze [standaard-OCTG-buizen] en naadloze [‚project’-transportbuizen] moesten worden geëerbiedigd”.
21 Artikel 1, lid 2, van de beschikking bepaalt dat de inbreuk van 1990 tot 1995 heeft geduurd voor Mannesmann, Vallourec, Dalmine, Sumitomo, Nippon Steel Corp., Kawasaki Steel Corp. en NKK Corp. Voor Corus heeft de inbreuk geduurd van 1990 tot februari 1994.
22 De andere relevante bepalingen van het dispositief van de litigieuze beschikking luiden als volgt:
„Artikel 2
1. [Mannesmann], Vallourec [...], [Corus] en Dalmine [...] hebben het bepaalde van artikel 81, lid 1, van het EG-Verdrag geschonden door, in het kader van de in artikel 1 genoemde inbreuk, contracten te sluiten die resulteerden in een verdeling van de leveringen van gladde OCTG-buizen aan [Corus] (vanaf 1994 Vallourec [...]).
2. Voor [Corus] heeft de inbreuk geduurd van 24 juli 1991 tot februari 1994. Voor Vallourec [...] heeft de inbreuk geduurd van 24 juli 1991 tot 30 maart 1999. Voor Dalmine [...] heeft de inbreuk geduurd van 4 december 1991 tot 30 maart 1999. Voor [Mannesmann] heeft de inbreuk geduurd van 9 augustus 1993 tot 24 april 1997.
[...]
Artikel 4
De volgende geldboeten worden opgelegd aan de in artikel 1 genoemde ondernemingen wegens de in hetzelfde artikel gestelde inbreuk:
1. [Mannesmann] 13 500 000 EUR
2. Vallourec [...] 8 100 000 EUR
3. [Corus] 12 600 000 EUR
4. Dalmine [...] 10 800 000 EUR
5. Sumitomo [...] 13 500 000 EUR
6. Nippon Steel [...] 13 500 000 EUR
7. Kawasaki Steel [...] 13 500 000 EUR
8. NKK [...] 13 500 000 EUR.”
Procedure voor het Gerecht en bestreden arrest
23 Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht, hebben zeven van de acht bij de litigieuze beschikking beboete ondernemingen, waaronder Mannesmann, hiertegen beroep ingesteld. Zij vorderden alle de gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van de beschikking en, subsidiair, intrekking of vermindering van de opgelegde geldboete.
24 In het bestreden arrest heeft het Gerecht:
– artikel 1, lid 2, van de litigieuze beschikking nietig verklaard voor zover daarin is vastgesteld dat de aan Mannesmann verweten inbreuk vóór 1 januari 1991 is begonnen;
– het bedrag van de aan Mannesmann opgelegde boete op 12 600 000 EUR vastgesteld;
– het beroep voor het overige verworpen;
– iedere partij in de eigen kosten verwezen.
Procedure voor het Hof
25 In hogere voorziening concludeert Mannesmann tot:
– vernietiging van het bestreden arrest voor zover daarin het beroep tegen de litigieuze beschikking is verworpen;
– nietigverklaring van de litigieuze beschikking;
– subsidiair, vermindering van de boete die in artikel 4 van de litigieuze beschikking is vastgesteld en van de vertragingsrente die in artikel 5 van de beschikking is vastgesteld;
– voorts, eveneens subsidiair, verwijzing van de zaak naar het Gerecht voor een nieuwe uitspraak met inachtneming van de uitspraak van het Hof;
– verwijzing van de Commissie in de kosten.
26 De Commissie verzoekt het Hof de hogere voorziening af te wijzen en rekwirante in de kosten te verwijzen.
Hogere voorziening
27 Mannesmann voert drie middelen aan tot vernietiging van het bestreden arrest: schending van het recht op een eerlijk proces, onjuiste toepassing van artikel 81 EG in artikel 2 van de beschikking en schending van het beginsel van gelijke behandeling.
Eerste middel: schending van het recht op een eerlijk proces
Argumenten van partijen
28 Volgens Mannesmann heeft het Gerecht ten onrechte geoordeeld dat het in punt 13 van zijn arrest genoemde document verdeelsleutel, waarop de Commissie haar litigieuze beschikking heeft gebaseerd, met name de punten 85 en 86 ervan, toelaatbaar was als belastend bewijs.
29 Volgens haar heeft het Gerecht het recht op een eerlijk proces geschonden. Aangezien het document door een derde aan de Commissie is bezorgd en Mannesmann de betrokkene niet kent, heeft zij de authenticiteit van dit document niet kunnen verifiëren en zich niet naar behoren kunnen verdedigen.
30 Verder heeft deze derde de Commissie verteld dat hij het document verdeelsleutel had gekregen van een handelsagent van een van de betrokken ondernemingen, zonder te zeggen om wie het ging, zodat de Commissie evenmin weet van wie het document afkomstig is.
31 Volgens Mannesmann blijkt uit de rechtspraak dat een bewijsstuk niet kan worden benut indien niet is onthuld wie het heeft opgesteld. Het Gerecht heeft deze rechtspraak, volgens welke bij de beoordeling van de bewijzen de oorsprong ervan dient te worden geverifieerd, verkeerd uitgelegd. Het is niet uitgesloten dat derden de Commissie vervalste bewijzen bezorgen teneinde om persoonlijke of commerciële redenen een onderneming te schaden. De betrokken onderneming moet dus een standpunt kunnen innemen over de geloofwaardigheid van de informant.
32 Mannesmann beroept zich ook op de rechtspraak van het Europees Hof van de rechten van de mens met betrekking tot het recht op een eerlijk proces, dat is neergelegd in artikel 6 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM”). Volgens deze rechtspraak dient de verwerende partij de mogelijkheid te hebben om niet alleen de authenticiteit van anonieme verklaringen, maar ook de geloofwaardigheid van de persoon waarvan de anonimiteit wordt beschermd, te betwisten. Verder bevestigt deze rechtspraak dat, ook al is het gebruik van anonieme verklaringen tijdens de onderzoeksfase van een procedure toegelaten, dergelijke verklaringen niet als belastende bewijselementen tegenover de beschuldigde kunnen worden gebruikt.
33 Rekwirante beroept zich tevens op de artikelen 46 en 47 van het op 7 december 2000 te Nice afgekondigde Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (PB C 364, blz. 1; hierna: „Handvest”), die met artikel 6 EVRM overeenstemmen en het recht op een eerlijk proces waarborgen. Zij beklemtoont dat volgens artikel 52, lid 3, van het Handvest de rechterlijke instanties dit handvest aldus dienen uit te leggen dat een beschermingsniveau wordt gewaarborgd dat niet lager is dan dat van het EVRM.
34 Mannesmann is bovendien van mening dat het gebruik van een anoniem bewijsstuk onverenigbaar is met het in artikel 6, lid 1, EU neergelegde rechtstaatbeginsel. Indien niet kan worden geverifieerd of dit bewijsstuk daadwerkelijk door een derde aan de Commissie is bezorgd, bestaat immers een risico van manipulatie en willekeur.
35 Volgens de Commissie is dit middel niet-ontvankelijk omdat rekwirante thans voor het eerst schending van het EVRM aanvoert, terwijl zij zich voor het Gerecht in het algemeen op schending van de rechten van de verdediging heeft beroepen. Bovendien kan Mannesmann de Commissie geen schending van het Handvest verwijten, aangezien dit pas op 7 december 2000 is afgekondigd, terwijl de litigieuze beschikking dateert van 8 december 1999.
36 In elk geval is de door Mannesmann aangehaalde rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens in casu niet relevant, aangezien deze betrekking heeft op het gebruik van anonieme verklaringen in het kader van een strafrechtelijke procedure, terwijl het in de onderhavige zaak gaat om een procedure die ertoe strekt een geldboete uit hoofde van het mededingingsrecht op te leggen.
37 Ten slotte stelt de Commissie dat van schending van de rechten van de verdediging slechts sprake kan zijn indien het Gerecht bepaalde van de hem voorgelegde bewijzen heeft kunnen beoordelen aan de hand van informatie waarover de verwerende partij zich niet heeft kunnen uitspreken. Mannesmann heeft zich evenwel kunnen uitspreken over de argumenten die de Commissie in de punten 121 en 122 van de litigieuze beschikking met betrekking tot de authenticiteit van het betrokken document heeft uiteengezet. Bovendien heeft het feit dat de auteur van het document en de derde die het aan de Commissie heeft bezorgd anoniem zijn, rekwirante niet belet de geloofwaardigheid en de relevantie van de inhoud van het betrokken document te verifiëren.
38 De Commissie voegt hieraan toe dat het Gerecht het betrokken document slechts in beperkte mate betrouwbaar heeft geacht, juist omdat zo goed als onbekend is in welke omstandigheden het is opgesteld. Dat het Gerecht toch een zekere bewijswaarde aan dit document heeft toegekend, heeft te maken met het feit dat het specifieke informatie bevat die overeenstemt met de informatie in andere documenten.
39 Ten slotte stelt de Commissie dat, zelfs indien het haar niet was toegestaan om dit document als belastend bewijs te gebruiken, dit niet zou hebben afgedaan aan de vaststelling van de in de artikelen 1 en 2 van de litigieuze beschikking beschreven inbreuken. De uitsluiting van bepaalde door de Commissie in strijd met de rechten van de verdediging gebruikte documenten is immers slechts van belang voor zover de door de Commissie geformuleerde grieven slechts op basis van deze documenten kunnen worden bewezen, wat in casu niet het geval is.
Beoordeling door het Hof
40 Het Hof heeft uitdrukkelijk het algemene beginsel van gemeenschapsrecht erkend, dat eenieder recht heeft op een eerlijk proces (arresten van 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie, C‑185/95 P, Jurispr. blz. I‑8417, punt 21; 11 januari 2000, Nederland en Van der Wal/Commissie, C‑174/98 P en C‑189/98 P, Jurispr. blz. I‑1, punt 17, en 2 mei 2006, Eurofood IFSC, C‑341/04, Jurispr. blz. I‑3813, punt 65).
41 Het heeft eveneens geoordeeld dat dit beginsel is afgeleid uit de fundamentele rechten die integrerend deel uitmaken van de algemene beginselen van gemeenschapsrecht waarvan het Hof de eerbiediging verzekert. Daarbij laat het Hof zich leiden door de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben, alsmede door de aanwijzingen die met name te vinden zijn in het EVRM (arrest Eurofood IFSC, reeds aangehaald, punt 65).
42 Zoals de Commissie terecht stelt, is de door rekwirante aangehaalde rechtspraak van het Europees Hof van de rechten van de mens in casu evenwel niet doorslaggevend. Zoals de advocaat-generaal in de punten 54 tot en met 56 van zijn conclusie heeft opgemerkt, heeft deze rechtspraak immers in het bijzonder betrekking op het getuigenbewijs in strafrechtelijke procedures, terwijl de onderhavige zaak betrekking heeft op een schriftelijk document dat wordt aangewend in het kader van een procedure overeenkomstig artikel 81 EG. In communautaire mededingingsrechtzaken speelt het getuigenbewijs slechts een ondergeschikte rol en spelen de schriftelijke documenten een centrale rol.
43 Zoals de advocaat-generaal eveneens heeft opgemerkt in de punten 57 tot en met 60 van zijn conclusie, wordt de bewijslevering in communautaire mededingingsrechtzaken gekenmerkt door het feit dat de onderzochte documenten vaak bedrijfsgeheimen of andere informatie bevatten die niet, of slechts onder grote restricties, mogen worden geopenbaard.
44 In deze omstandigheden, die specifiek zijn voor onderzoeken van de Commissie naar mededingingsverstorende gedragingen, kan het beginsel dat eenieder recht heeft op een eerlijk proces niet aldus worden uitgelegd dat documenten die belastend bewijsmateriaal bevatten, automatisch als bewijsmiddel dienen te worden uitgesloten wanneer bepaalde informatie vertrouwelijk dient te blijven. Deze vertrouwelijkheid kan ook betrekking hebben op de identiteit van de opstellers van de documenten en van de personen die deze aan de Commissie hebben bezorgd.
45 Gelet op het voorgaande heeft het Gerecht terecht als volgt geoordeeld:
„84 Wat de ontvankelijkheid van het document verdeelsleutel als bewijs van de in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk betreft, dient [...] te worden opgemerkt dat in het gemeenschapsrecht het beginsel van de vrije bewijslevering primeert en dat het enige relevante criterium ter beoordeling van aangevoerde bewijzen de geloofwaardigheid ervan is [...] Verder kan het noodzakelijk zijn voor de Commissie om de anonimiteit van de informanten te beschermen [...] en deze omstandigheid alleen kan de Commissie niet verplichten een van de bewijzen waarover zij beschikt, terzijde te schuiven.
85 De argumenten van Mannesmann kunnen dus weliswaar relevant zijn voor de beoordeling van de geloofwaardigheid en dus van de bewijskracht van het document verdeelsleutel, maar er is geen reden om vast te stellen dat dit document niet-ontvankelijk is als bewijs en uit het dossier dient te worden verwijderd.”
46 Bovendien blijkt uit het bestreden arrest dat het Gerecht bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het document verdeelsleutel rekening heeft gehouden met de anonieme oorsprong ervan. In punt 86 van het arrest heeft het immers geoordeeld dat, „[v]oor zover Mannesmann [...] uit de vermeende niet-ontvankelijkheid van dit document afleidt dat het ook niet geloofwaardig is, moet worden vastgesteld dat de geloofwaardigheid van dit document noodzakelijkerwijs vermindert doordat onopgehelderd is in welke context het is opgesteld en de verklaringen van de Commissie dienaangaande niet kunnen worden geverifieerd”.
47 Verder heeft het Gerecht erkend dat een anoniem bewijs, zoals het document verdeelsleutel, op zich niet het bewijs kan opleveren van een inbreuk op het communautaire mededingingsrecht. In punt 87 van het bestreden arrest heeft het immers vastgesteld dat alleen „[v]oor zover [...] het document verdeelsleutel specifieke informatie bevat die met die in andere documenten, met name in de verklaringen van Verluca, overeenstemt, dient te worden geoordeeld dat deze elementen elkaar onderling kunnen versterken”. Het Gerecht had reeds daarvoor, in de punten 81 en 82 van het arrest, beklemtoond dat het document verdeelsleutel deel uitmaakte van een reeks bewijselementen en slechts van ondergeschikt belang was. Dit standpunt wordt ook verwoord in punt 94 van het arrest, waarin het Gerecht tot de conclusie komt dat dit document slechts een zekere bewijskracht behoudt voor zover het „in het kader van de door de Commissie in aanmerking genomen reeks van onderling overeenstemmende aanwijzingen bepaalde wezenlijke verklaringen van Verluca [...] bevestigt”.
48 Gelet op de grenzen die het Gerecht aldus aan de bewijskracht van het document verdeelsleutel heeft gesteld, dient te worden vastgesteld dat het geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van de toelaatbaarheid en het nut van dit document als bewijsstuk.
49 Voor het overige staat vast dat Mannesmann de gelegenheid heeft gehad om een standpunt in te nemen over het document verdeelsleutel en om haar argumenten over de bewijswaarde van dit document, gelet op de anonieme oorsprong ervan, naar voren te brengen.
50 Gelet op het voorgaande dient het eerste middel te worden afgewezen, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de vraag of Mannesmann zich voor het Gerecht in wezen heeft beroepen op het recht op een eerlijk proces en of zij zich in de onderhavige zaak kan beroepen op het Handvest, dat na de vaststelling van de litigieuze beschikking is afgekondigd.
Tweede middel: onjuiste toepassing van artikel 81 EG in artikel 2 van de litigieuze beschikking
Argumenten van partijen
51 Volgens Mannesmann heeft het Gerecht ten onrechte het bestaan van de in artikel 2 van de litigieuze beschikking beschreven inbreuk op het mededingingsrecht bevestigd. Volgens haar heeft de Commissie niet aangetoond dat Mannesmann, door in 1993 een leveringscontract met Corus te sluiten, een horizontale overeenkomst met Vallourec en Dalmine heeft gesloten en evenmin dat er sprake was van onderling afgestemde feitelijke gedragingen tussen Mannesmann en deze ondernemingen. Het Gerecht heeft met name niet aangetoond dat Mannesmann kennis had van het bestaan van een leveringscontract tussen Corus en Vallourec en tussen Corus en Dalmine en van het algemene plan dat Vallourec zou hebben opgesteld. Het Gerecht heeft deze onjuiste en onvolledige bewijslevering door de Commissie bekrachtigd.
52 Het Gerecht heeft bovendien ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat de betrokken leveringscontracten niet tegelijkertijd zijn gesloten en geoordeeld dat de betrekkelijk lange duur ervan het bestaan van een horizontale overeenkomst aantoont en dat in casu geen enkele vrijstelling gold.
53 Met betrekking tot dit laatste punt merkt rekwirante op dat het Gerecht ten onrechte heeft verworpen haar argument dat verordening (EG) nr. 2790/1999 van de Commissie van 22 december 1999 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen (PB L 336, blz. 21), op de verticale betrekkingen tussen Corus en Mannesmann van toepassing is. Bovendien heeft het Gerecht geen rekening gehouden met verordening (EEG) nr. 1983/83 van de Commissie van 22 juni 1983 betreffende de toepassing van artikel [81], lid 3, van het Verdrag op groepen alleenverkoopovereenkomsten (PB L 173, blz. 1) en met verordening (EEG) nr. 1984/83 van de Commissie van 22 juni 1983 betreffende de toepassing van artikel [81], lid 3, van het Verdrag op groepen exclusieve afnameovereenkomsten (PB L 173, blz. 5), op basis waarvan het had kunnen vaststellen dat artikel 81, lid 1, EG niet van toepassing was op de overeenkomst tussen Mannesmann en Corus.
54 Volgens de Commissie is dit middel niet-ontvankelijk aangezien het betrekking heeft op de beoordeling van feiten. En ook al zou dit middel ontvankelijk en gegrond zijn, kan het volgens haar slechts tot vernietiging van het bestreden arrest en nietigverklaring van de litigieuze beschikking leiden voor zover het betrekking heeft op artikel 2 van deze beschikking.
Beoordeling door het Hof
55 Het Hof is in het kader van een hogere voorziening niet bevoegd om de feiten vast te stellen, noch, in beginsel, om de bewijzen te onderzoeken die het Gerecht tot staving van die feiten in aanmerking heeft genomen. Wanneer die bewijzen regelmatig zijn verkregen en de algemene rechtsbeginselen en regels van procesrecht inzake de bewijslast en de bewijsvoering zijn geëerbiedigd, staat het enkel aan het Gerecht te beoordelen, welke waarde moet worden gehecht aan de hem voorgelegde bewijzen (arrest van 28 mei 1998, Deere/Commissie, C‑7/95 P, Jurispr. blz. I‑3111, punt 22). Die beoordeling vormt dus, behoudens in het geval van een verdraaiing van de voor het Gerecht overgelegde bewijzen, geen rechtsvraag die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof (arresten van 2 maart 1994, Hilti/Commissie, C‑53/92 P, Jurispr. blz. I‑667, punt 42, en 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, Jurispr. blz. I‑123, punt 49).
56 In het kader van zijn onderzoek naar het bestaan van de in artikel 2 van de litigieuze beschikking beschreven inbreuk heeft het Gerecht feitelijke vaststellingen verricht. Het Hof is niet bevoegd om in hogere voorziening deze vaststellingen te toetsen. Aangezien rekwirante geen verdraaiing van de bewijzen, feitelijke onjuistheden of schending van de regels inzake de bewijslast en de bewijsvoering heeft aangetoond, zijn derhalve niet-ontvankelijk haar argumenten met betrekking tot de vraag of zij een horizontale overeenkomst met Vallourec en Dalmine heeft gesloten dan wel of er sprake was van onderling afgestemde feitelijke gedragingen tussen haar en deze ondernemingen en of zij kennis had van de overeenkomsten tussen deze ondernemingen of van een algemeen plan dat door Vallourec was opgesteld. Hetzelfde geldt voor haar argument dat het Gerecht bepaalde feitelijke omstandigheden, zoals de duur van de betrokken overeenkomsten en het feit dat zij niet tegelijkertijd waren gesloten, anders had moeten beoordelen.
57 Wat de verordeningen nrs. 1983/83 en 1984/83 betreft, dient te worden vastgesteld dat zij voor het eerst in hogere voorziening worden aangevoerd. De op deze verordeningen gebaseerde grief is derhalve niet-ontvankelijk.
58 Voor zover rekwirante zich beroept op verordening nr. 2790/1999, kan worden volstaan met de vaststelling dat het Gerecht in punt 171 van het bestreden arrest terecht heeft geoordeeld dat „deze verordening in casu niet rechtstreeks van toepassing kan zijn, aangezien de [litigieuze] beschikking op 8 december 1999 is vastgesteld en artikel 2 ervan, wat Mannesmann betreft, betrekking heeft op de periode van 1993 tot en met 1997, dat wil zeggen op een periode van vóór de inwerkingtreding van de relevante bepalingen van verordening nr. 2790/1999 op 1 juni 2000”. In punt 172 van hetzelfde arrest heeft het Gerecht hier – eveneens terecht – aan toegevoegd dat „[a]angezien evenwel deze verordening in casu een relevante aanwijzing kan vormen, voor zover hierin het standpunt tot uiting komt dat de Commissie in december 1999 heeft ingenomen met betrekking tot het weinig schadelijke karakter voor de mededinging van verticale overeenkomsten, dient te worden opgemerkt dat deze verordening betrekking heeft op de toepassing van artikel 81, lid 3, EG. Uit artikel 4 van verordening nr. 17 blijkt dat op grond van deze bepaling slechts een individuele vrijstelling voor overeenkomsten tussen ondernemingen kan worden verleend indien zij met het oog daarop bij de Commissie zijn aangemeld, wat in casu niet is geschied”.
59 Uit al het voorgaande volgt dat het tweede middel gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond dient te worden verklaard.
Derde middel: schending van het beginsel van gelijke behandeling
Argumenten van partijen
60 Mannesmann stelt dat het Gerecht het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden door haar geldboete niet te verminderen op grond van de mededeling inzake medewerking.
61 Dienaangaande herinnert zij eraan dat zij via de verklaringen van Becher heeft bijgedragen tot de vaststelling van de feiten en dat zij de in de mededeling van de punten van bezwaar vastgestelde feiten niet heeft betwist. Zij merkt op dat de geldboete van Vallourec wegens haar medewerking met 40 % is verminderd omdat zij via de verklaringen van Verluca heeft bijgedragen tot de vaststelling van de feiten, en dat Dalmine een vermindering van 20 % heeft verkregen omdat zij de feiten niet heeft betwist. Mannesmann is dus ongelijk behandeld doordat haar geen vermindering is toegekend.
62 Rekwirante betwist ook de beoordeling door het Gerecht van de draagwijdte van haar in punt 7 van het onderhavige arrest genoemde beroep tegen de beschikking van 15 mei 1998.
63 Zij meent om te beginnen dat de overwegingen van het bestreden arrest met betrekking tot dat beroep niets te maken hebben met de onderhavige zaak.
64 Bovendien heeft het Gerecht volgens haar verkeerde conclusies getrokken uit de beëindiging van het geding over de beschikking van 15 mei 1998. Zij heeft er pas mee ingestemd haar hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht in die zaak in te trekken nadat zij met de Commissie een schikking had getroffen waarbij deze haar verzoek om inlichtingen introk.
65 Tevens is haar beroep tegen de beschikking van 15 mei 1998 gedeeltelijk gegrond verklaard. Ten slotte kan haar, anders dan het Gerecht in punt 310 van het bestreden arrest heeft gedaan, niet worden verweten dat zij heeft volhard in haar weigering de gevraagde inlichtingen te verstrekken.
66 Volgens de Commissie betreft het onderhavige middel de beoordeling van feiten en is het dus niet-ontvankelijk. Zij beklemtoont dat rekwirante niet stelt dat het Gerecht feiten of bewijselementen heeft verdraaid door in punt 309 van het bestreden arrest vast te stellen dat Mannesmann niet heeft aangetoond dat haar medewerking het de Commissie werkelijk gemakkelijker heeft gemaakt de inbreuken vast te stellen en te vervolgen.
67 Ten gronde merkt de Commissie op dat het Gerecht in de punten 302 en 305 van het bestreden arrest terecht heeft vastgesteld dat de inlichtingen die Mannesmann aan de Commissie heeft verstrekt, niet vergelijkbaar zijn met die welke Vallourec heeft verstrekt, en dat Mannesmann, anders dan Dalmine, niet uitdrukkelijk heeft verklaard dat zij de feiten niet betwistte.
Beoordeling door het Hof
68 Weliswaar mag het Hof in het kader van een hogere voorziening niet uit billijkheidsoverwegingen zijn oordeel in de plaats stellen van dat van het Gerecht, dat zich in de uitoefening van zijn volle rechtsmacht heeft uitgesproken over het bedrag van de geldboeten die ondernemingen wegens schending van het gemeenschapsrecht opgelegd hebben gekregen, maar de uitoefening van die rechtsmacht mag er niet toe leiden dat bij de bepaling van de hoogte van deze geldboeten wordt gediscrimineerd tussen ondernemingen die aan een met artikel 81, lid 1, EG strijdige overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging hebben deelgenomen (arresten van 16 november 2000, Sarrió/Commissie, C‑291/98 P, Jurispr. blz. I‑9991, punten 96 en 97, en 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, C‑238/99 P, C‑244/99 P, C‑245/99 P, C‑247/99 P, C‑250/99 P−C‑252/99 P en C‑254/99 P, Jurispr. blz. I‑8375, punt 617).
69 De hogere voorziening moet echter aangeven welke juridische argumenten het middel inzake schending van het beginsel van gelijke behandeling specifiek staven, daar het betrokken middel anders niet-ontvankelijk is (arrest Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 618).
70 Voor zover rekwirante opkomt tegen de – op de overwegingen in de punten 297 tot en met 300 van het bestreden arrest gebaseerde – vaststelling van het Gerecht in punt 301 dat „[d]e verklaring van Becher [...] enkel nuttig [is] voor zover zij de verklaringen van Verluca, waarover de Commissie reeds beschikte, tot op zekere hoogte bevestigt [en] [d]eze verklaring [...] dus de taak van de Commissie niet aanzienlijk [heeft] vergemakkelijkt, althans niet in die mate dat een vermindering van het boetebedrag wegens medewerking zou zijn gerechtvaardigd”, is haar betoog van feitelijke aard en is het dus niet-ontvankelijk. De vaststelling van het Gerecht in punt 302 van het bestreden arrest, dat „[d]e inlichtingen die Mannesmann vóór de verzending van de mededeling van punten van bezwaar aan de Commissie heeft verstrekt, [...] niet te vergelijken [zijn] met die welke Vallourec heeft verstrekt”, en dat „[i]n elk geval [...] deze inlichtingen niet [volstaan] om een vermindering van het bedrag van de opgelegde geldboete op grond van de mededeling inzake medewerking te rechtvaardigen”, kan dan ook niet worden getoetst door het Hof in het kader van de onderhavige voorziening.
71 Wat vervolgens de vergelijking met de door Dalmine verleende medewerking betreft, heeft het Gerecht in de punten 303 tot en met 305 van het bestreden arrest geoordeeld dat „een onderneming overeenkomstig punt D 2 van de mededeling inzake medewerking slechts een vermindering van het boetebedrag wegens niet-betwisting van de feiten kan krijgen, indien zij de Commissie na ontvangst van de mededeling van punten van bezwaar uitdrukkelijk meedeelt dat zij de feiten niet betwist”. Deze beoordeling door het Gerecht is in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof, dat een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de uitdrukkelijke erkenning van een inbreuk en de loutere niet-betwisting ervan, die niet bijdraagt tot een vergemakkelijking van de taak van de Commissie om inbreuken op de communautaire mededingingsregels vast te stellen en te bestraffen (arrest van 14 juli 2005, ThyssenKrupp/Commissie, C‑65/02 P en C‑73/02 P, Jurispr. blz. I‑6773, punt 58). Bij gebreke van een dergelijke uitdrukkelijke erkenning door rekwirante dient haar argument, dat zij is gediscrimineerd ten opzichte van Dalmine, als ongegrond te worden afgewezen.
72 Aangaande het beroep van Mannesmann tegen de beschikking van de Commissie op basis van artikel 11, lid 5, van verordening nr. 17, heeft het Gerecht in de punten 310 en 311 van het bestreden arrest geoordeeld dat „Mannesmann [weliswaar] vanzelfsprekend volkomen gerechtigd [was] om de wettigheid van de beschikking van 15 mei 1998 aan te vechten [en dat dit] dan ook geen reden [is] om te stellen dat zij niet heeft meegewerkt”, maar dat dit niet wegnam dat haar beroep tegen deze beschikking grotendeels was verworpen bij het reeds aangehaalde arrest van 20 februari 2001, Mannesmannröhren-Werke/Commissie, op grond dat „de Commissie de meeste vragen om inlichtingen die Mannesmann heeft geweigerd te beantwoorden, op regelmatige wijze had gesteld”.
73 In deze omstandigheden heeft het Gerecht in punt 312 van het bestreden arrest terecht vastgesteld dat „de Commissie ten gevolge van de onrechtmatige handelwijze van Mannesmann nooit heeft kunnen beschikken over een belangrijk aantal gegevens die zij tijdens de administratieve procedure regelmatig had opgevraagd”, en dat er bijgevolg „[a]lles beschouwd, [...] niet van [kan] worden uitgegaan dat Mannesmann tijdens de administratieve procedure daadwerkelijk heeft meegewerkt”. Aan deze conclusie wordt overigens niet afgedaan door het feit dat de oorspronkelijke hogere voorziening van Mannesmann tegen het reeds aangehaalde arrest van 20 februari 2001, Mannesmannröhren-Werke/Commissie, is doorgehaald nadat partijen een schikking hadden getroffen.
74 Uit al het voorgaande volgt dat ook het derde middel dient te worden afgewezen.
75 Aangezien geen van de door rekwirante aangevoerde middelen kan worden aanvaard, dient de hogere voorziening te worden afgewezen.
Kosten
76 Ingevolge artikel 122, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering beslist het Hof ten aanzien van de proceskosten, wanneer de hogere voorziening ongegrond is. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 van dit reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voor zover dit is gevorderd. Aangezien Mannesmann in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Salzgitter Mannesmann GmbH wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy