Zaak C‑438/04
Mobistar NV
tegen
Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie (BIPT)
(verzoek van Hof van Beroep te Brussel om een prejudiciële beslissing)
„Telecommunicatiesector – Universele dienst en gebruikersrechten – Telefoonnummerportabiliteit – Opzetkosten in geval van overdracht van mobieletelefoonnummers – Artikel 30, lid 2, van richtlijn 2002/22/EG (Universeledienstrichtlijn) – Prijsstelling voor interconnectie in verband met aanbieden van nummerportabiliteit – Kostengeöriënteerde prijzen – Regelgevende bevoegdheid van nationale regelgevende instanties – Artikel 4, lid 1, van richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn) – Effectieve rechtsbescherming – Bescherming van vertrouwelijke gegevens”
Conclusie van advocaat-generaal C. Stix-Hackl van 23 maart 2006
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 13 juli 2006
Samenvatting van het arrest
1. Harmonisatie van wetgevingen – Telecommunicatiesector – Universele dienst en gebruikersrechten – Richtlijn 2002/22
(Richtlijn 2002/22 van het Europees Parlement en de Raad, art. 30, lid 2)
2. Harmonisatie van wetgevingen – Telecommunicatiesector – Regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en ‑diensten – Richtlijn 2002/21
(Richtlijn 2002/21 van het Europees Parlement en de Raad, art. 4)
1. De prijsstelling voor interconnectie in verband met nummerportabiliteit als bedoeld in artikel 30, lid 2, van richtlijn 2002/22 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronischecommunicatienetwerken en ‑diensten, heeft betrekking op de kosten van het verkeer naar de overgedragen nummers en op de opzetkosten die voor mobieletelefoonoperators voortvloeien uit de uitvoering van de aanvragen tot nummeroverdracht.
Dit artikel verzet zich niet tegen de vaststelling van een nationale maatregel die voorziet in een methode voor de kostenberekening en waarbij vooraf aan de hand van een theoretisch kostenmodel de maximumprijzen worden vastgesteld die de donoroperator als opzetkosten van de recipiëntoperator kan vragen, indien de tarieven dermate kostengeöriënteerd zijn dat de consumenten niet worden ontmoedigd om gebruik te maken van de portabiliteitfaciliteit.
(cf. punten 30, 37, dictum 1‑2)
2. Artikel 4 van richtlijn 2002/21 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en ‑diensten, moet aldus worden uitgelegd dat het lichaam dat is aangewezen om kennis te nemen van de beroepen tegen de beslissingen van de nationale regelgevende instanties, moet beschikken over alle informatie die noodzakelijk is om de gegrondheid van een beroep te onderzoeken, met inbegrip, in voorkomend geval, van de vertrouwelijke informatie die deze instanties in aanmerking hebben genomen bij de vaststelling van de beslissing waartegen beroep is ingesteld. Het staat echter aan dit lichaam om de vertrouwelijke behandeling van de betrokken gegevens te garanderen met inachtneming van de eisen van een effectieve rechtsbescherming en met eerbiediging van de rechten van verdediging van de procespartijen.
(cf. punt 43, dictum 3)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
13 juli 2006 (*)
„Telecommunicatiesector – Universele dienst en gebruikersrechten – Telefoonnummerportabiliteit – Opzetkosten in geval van overdracht van mobieletelefoonnummers – Artikel 30, lid 2, van richtlijn 2002/22/EG (Universeledienstrichtlijn) – Prijsstelling voor interconnectie in verband met aanbieden van nummerportabiliteit – Kostengeöriënteerde prijzen – Regelgevende bevoegdheid van nationale regelgevende instanties – Artikel 4, lid 1, van richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn) – Effectieve rechtsbescherming – Bescherming van vertrouwelijke gegevens”
In zaak C‑438/04,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Hof van Beroep te Brussel (België) bij beslissing van 14 oktober 2004, ingekomen bij het Hof op 19 oktober daaraanvolgend, in de procedure
Mobistar NV
tegen
Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie (BIPT),
in tegenwoordigheid van:
Belgacom Mobile NV,
Base NV,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, R. Schintgen, P. Kūris (rapporteur), G. Arestis en J. Klučka, rechters,
advocaat-generaal: C. Stix-Hackl,
griffier: K. Sztranc, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 20 oktober 2005,
gelet op de opmerkingen van:
– Mobistar NV, vertegenwoordigd door F. Louis en A. Vallery, advocaten,
– het Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie (BIPT), vertegenwoordigd door S. Depré, C. Janssens en S. Adam, avocats,
– Belgacom Mobile NV, vertegenwoordigd door D. Van Liedekerke, advocaat,
– Base NV, vertegenwoordigd door A. Verheyden en Y. Desmedt, advocaten,
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door I. M. Braguglia als gemachtigde, bijgestaan door P. Gentili, avvocato dello Stato,
– de Cypriotische regering, vertegenwoordigd door D. Lysandou als gemachtigde,
– de Litouwse regering, vertegenwoordigd door D. Kriaučiūnas als gemachtigde,
– de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door M. Bethell als gemachtigde, bijgestaan door K. Smith en G. Peretz, barristers,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Maidani en M. Shotter als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 maart 2006,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en ‑diensten (Kaderrichtlijn) (PB L 108, blz. 33; hierna: „kaderrichtlijn”) en van richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronischecommunicatienetwerken en ‑diensten (Universeledienstrichtlijn) (PB L 108, blz. 51; hierna: „universeledienstrichtlijn”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Mobistar NV (hierna: „Mobistar”) en het Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie (BIPT), een publiekrechtelijke rechtspersoon, betreffende het besluit van deze laatste van 16 september 2003 houdende vaststelling van de opzetkosten die een recipiënt-mobieletelefonieoperator moet betalen in geval van overdracht van een nummer van één operator aan een andere operator voor de periode van 1 oktober 2002 tot en met 1 oktober 2005 (hierna: „omstreden besluit”).
Het rechtskader
De gemeenschapsregeling
3 Richtlijn 97/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997 inzake interconnectie op telecommunicatiegebied, wat betreft de waarborging van de universele dienst en van de interoperabiliteit door toepassing van de beginselen van Open Network Provision (ONP) (PB L 199, blz. 32), zoals gewijzigd bij richtlijn 98/61/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 1998 (PB L 268, blz. 37; hierna: „richtlijn 97/33”), is ingetrokken bij de kaderrichtlijn met ingang van 25 juli 2003. Volgens artikel 1, eerste alinea, van richtlijn 97/33 stelde deze richtlijn een regelgevingskader vast teneinde in de Europese Gemeenschap de interconnectie van telecommunicatienetwerken en met name de interoperabiliteit van telecommunicatiediensten te waarborgen, onder meer om het verstrekken van universele diensten in een open en door concurrentie gekenmerkte marktomgeving te kunnen garanderen.
4 Artikel 2, lid 1, sub a, van deze richtlijn definieerde het begrip „interconnectie” als „het fysiek en logisch verbinden van telecommunicatienetwerken die door dezelfde of een andere organisatie worden gebruikt om het de gebruikers van een organisatie mogelijk te maken te communiceren met die van dezelfde of van een andere organisatie of toegang te hebben tot diensten die door een andere organisatie worden verstrekt”.
5 Artikel 7 van deze zelfde richtlijn stelde de beginselen voor interconnectieprijzen vast en gaf een regeling voor de kostenberekeningssystemen op het gebied van interconnectie. Bijlage IV bij deze richtlijn bevatte een „lijst van voorbeeldelementen voor interconnectieprijzen”. Deze bijlage bepaalde met name: „Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel mag in de interconnectieprijzen een redelijk deel worden opgenomen van de gezamenlijke en gemeenschappelijke kosten en de kosten die verband houden met het voorzien in gelijke toegang en nummerportabiliteit, en van de kosten om te voldoen aan de essentiële eisen (behoud van netwerkintegriteit, veiligheid van het netwerk in noodsituaties, interoperabiliteit van diensten en bescherming van gegevens).”
6 Artikel 12, lid 5, van richtlijn 97/33 bepaalde:
„De nationale regelgevende instanties bevorderen dat zo spoedig mogelijk nummerportabiliteit tussen exploitanten wordt ingevoerd, een faciliteit waarmee abonnees die daarom verzoeken, hun nummer(s) op het vaste openbare telefoonnetwerk en het Digitaal Netwerk voor Geïntegreerde Diensten (ISDN) onafhankelijk van de dienstverstrekkende organisatie kunnen behouden, op een specifieke locatie in geval van een geografisch nummer en op ongeacht welke locatie in geval van andere dan geografische nummers, en dragen er zorg voor dat deze faciliteit ten laatste beschikbaar is op 1 januari 2000, of, voor de lidstaten die een aanvullende overgangsperiode hebben gekregen, zo spoedig mogelijk daarna, doch niet later dan twee jaar na enige latere datum die voor de volledige liberalisering van spraaktelefoniediensten is overeengekomen.
Om ervoor te zorgen dat de lasten voor de consument redelijk zijn, zien de nationale regelgevende instanties erop toe dat de interconnectietarieven voor de verstrekking van deze faciliteit redelijk zijn.”
7 Een nieuw rechtskader is vastgesteld voor alle transmissienetwerken en ‑diensten, in de vorm van vier richtlijnen, te weten, naast de kaderrichtlijn en de universeledienstrichtlijn, richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronischecommunicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (Toegangsrichtlijn) (PB L 108, blz. 7; hierna: „toegangsrichtlijn”), en richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en ‑diensten (Machtigingsrichtlijn) (PB L 108, blz. 21; hierna: „machtigingsrichtlijn”).
8 Artikel 30 van de universeledienstrichtlijn bepaalt:
„1. De lidstaten zorgen ervoor dat alle abonnees van openbare telefoondiensten, met inbegrip van mobiele diensten, die daarom verzoeken, hun nummer(s) kunnen behouden, ongeacht de onderneming die de dienst levert:
a. in het geval van geografische nummers, op een specifieke locatie en
b. in het geval van niet-geografische nummers, op elke locatie.
Dit lid is niet van toepassing op het overdragen van nummers tussen netwerken die diensten op een vaste locatie aanbieden en mobiele netwerken.
2. De nationale regelgevende instanties zorgen ervoor dat de prijsstelling voor interconnectie in verband met de nummerportabiliteit kostengeoriënteerd is en dat eventuele directe kosten voor abonnees het gebruik van die faciliteiten niet ontmoedigen.
3. De nationale regelgevende instanties leggen voor de nummerportabiliteit geen tarieven voor eindgebruikers op die de concurrentie zouden kunnen verstoren, zoals specifieke of uniforme tarieven voor eindgebruikers.”
9 Artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn luidt als volgt:
„De lidstaten zorgen ervoor dat er op nationaal niveau doeltreffende regelingen voorhanden zijn krachtens welke iedere gebruiker of onderneming die elektronischecommunicatienetwerken en/of -diensten aanbiedt, die door een beslissing van een nationale regelgevende instantie is getroffen, het recht heeft om tegen die beslissing beroep in te stellen bij een lichaam van beroep dat onafhankelijk is van de betrokken partijen. Dit lichaam, bijvoorbeeld een rechtbank, dient de nodige deskundigheid te bezitten om zijn taken te kunnen uitoefenen. De lidstaten dragen er zorg voor dat de feiten van de zaak op afdoende wijze in aanmerking worden genomen en dat er een doeltreffend mechanisme voor het instellen van beroep aanwezig is. Hangende de uitspraak van een dergelijk beroep blijft het besluit van de nationale regelgevende instantie van kracht, tenzij de beroepsinstantie anders beslist.”
De nationale regeling
10 Bij het omstreden besluit, vastgesteld ter uitvoering van de Belgische wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post‑ en telecommunicatiesector (Belgisch Staatsblad van 24 januari 2003; hierna: „wet van 17 januari 2003”), en van het Koninklijk Besluit van 23 september 2002 betreffende de overdraagbaarheid van de nummers van de eindgebruikers van de aan het publiek aangeboden mobieletelecommunicatiediensten (Belgisch Staatsblad van 1 oktober 2002; hierna: „koninklijk besluit van 23 september 2002”) heeft het BIPT, de nationale regelgevende instantie in de zin van artikel 2, sub g, van de kaderrichtlijn, de opzetkosten per succesvol van de ene operator aan de andere overgedragen mobieletelefoonnummer vastgesteld op 3,86 EUR voor een eenvoudige installatie en op 23,41 EUR voor een complexe installatie, en dit voor de periode van 1 oktober 2002 tot en met 1 oktober 2005. Overeenkomstig artikel 19 van bovengenoemd koninklijk besluit zijn deze kosten vastgesteld op basis van het begrip „theoretische kosten van een efficiënte mobiele operator”. Uit punt 4 van het omstreden besluit blijkt dat deze referentie-operator niet noodzakelijkerwijs degene is met de laagste kostprijs, maar degene die moet worden gezien als zijnde concurrerend binnen de groep van vergelijkbare omgevingen. Bij de vaststelling van het omstreden besluit heeft het BIPT rekening gehouden met de informatie die was verstrekt door Mobistar, Belgacom Mobile NV (hierna: „Belgacom Mobile”) en Base NV (hierna: „Base”), de drie mobieletelefonieoperators die in België actief zijn.
11 Het koninklijk besluit van 23 september 2002 bevat onder andere bepalingen met betrekking tot de verdeling van de kosten die netwerkoperators in verband met de overdracht van mobieletelefoonnummers dragen. Het onderscheidt vier soorten kosten: de aan de implementatie van de overdraagbaarheid verbonden kosten, de opzetkosten per lijn of per nummer (hierna: „opzetkosten”), de aan de centrale referentiedatabank verbonden kosten en de aan de nummeroverdracht verbonden verkeerskosten (hierna: „verkeerskosten”).
12 Artikel 18 van dit koninklijk besluit definieert de opzetkosten als „de eenmalige meerkost om één of meer mobiele nummers over te dragen bovenop de kosten om klanten zonder nummeroverdracht over te dragen naar een andere operator of dienstenleverancier of om de dienstverlening stop te zetten”.
13 Artikel 19 van dit koninklijk besluit bepaalt dat „[d]e opzetkosten per lijn of per nummer [...] door het [BIPT] [worden] vastgesteld op basis van de theoretische kosten van een efficiënte mobiele operator. De bedragen die het [BIPT] vaststelt tot dekking van de opzetkosten per lijn of per nummer [...] zijn op de kosten gebaseerd”.
14 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het geding alleen betrekking heeft op de opzetkosten van een operator van een netwerk voor mobiele telefonie vanaf hetwelk een telefoonnummer wordt overgedragen (hierna: „donoroperator”). De donoroperator kan aan de mobiele operator waaraan het mobieletelefoonnummer wordt overgedragen (hierna: „recipiëntoperator”) de opzetkosten ter hoogte van het door het BIPT vastgestelde bedrag in rekening brengen. Dit bedrag is een maximumbedrag, zodat de mobieletelefoonoperators een lager bedrag kunnen overeenkomen. Daartegenover staat dat een donoroperator in beginsel het door het BIPT vastgestelde bedrag kan eisen, zelfs indien de werkelijke opzetkosten lager zijn.
15 Overeenkomstig artikel 11 van het koninklijk besluit van 23 september 2002 kan de donoroperator geen vergoeding vragen van de eindgebruiker die zijn nummer overdraagt. Bovendien mag de recipiëntoperator deze gebruiker voor de nummeroverdracht geen vergoeding vragen die meer dan 15 EUR bedraagt.
16 Ten slotte zijn de verkeerskosten volgens artikel 18 van dit koninklijk besluit „de meerkosten in vergelijking met oproepen naar niet overgedragen mobiele nummers die in het netwerk veroorzaakt worden door oproepen naar overgedragen mobiele nummers”. Deze kosten moeten naar evenredigheid worden vergoed aan de donoroperator door de operator van het netwerk van waaruit de telefoonoproep wordt verricht, en die de kosten voor de oproep aan de eindgebruiker factureert.
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
17 Mobistar heeft tegen het omstreden besluit beroep ingesteld bij het Hof van Beroep te Brussel, omdat zij van mening is dat de bij dit besluit vastgestelde kosten te hoog zijn. Mobistar heeft dit beroep ingesteld tegen het BIPT, Belgacom Mobile en Base. Anders dan Mobistar meent Belgacom Mobile, dat deze kosten niet hoog genoeg zijn, terwijl Base, die Mobistar in haar conclusies steunt, aanvoert dat het koninklijk besluit van 23 september 2002 en derhalve het omstreden besluit waaraan het ten grondslag ligt, onwettig zijn, met name wegens niet-inachtneming van artikel 30, lid 2, van de universeledienstrichtlijn.
18 Het Hof van Beroep te Brussel stelt vast dat aan het omstreden besluit de gevolgen moeten worden verbonden van een maatregel krachtens welke voor een nummeroverdracht een uniforme maximumprijs wordt opgelegd, die derhalve alleen kan worden verlaagd met instemming van de donoroperator, en is van mening dat de gegrondheid van het beroep afhankelijk is van het antwoord op verscheidene vragen met betrekking tot de wettigheid van het koninklijk besluit van 23 september 2002, dat de rechtsgrondslag van bovengenoemd besluit vormt.
19 In deze omstandigheden heeft het Hof van Beroep te Brussel de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Met betrekking tot de nummerportabiliteit bedoeld in artikel 30 van de [universeledienstrichtlijn]:
a) Ziet artikel 30, lid 2, van de [universeledienstrichtlijn], waarin wordt bepaald dat de nationale regelgevende instanties ervoor zorgen dat de prijsstelling voor interconnectie in verband met de nummerportabiliteit kostengeoriënteerd is, alleen op de kosten die verband houden met het verkeer naar het overgedragen nummer, of eveneens op de prijsstelling van de kosten die voor de operators voortvloeien uit de uitvoering van de aanvragen tot de overdracht van een nummer?
b) Indien artikel 30, lid 2, van de [universeledienstrichtlijn] alleen ziet op de interconnectiekosten die verband houden met het verkeer naar het overgedragen nummer, dient het dan aldus te worden uitgelegd:
i) dat het de operators de vrijheid laat om te onderhandelen over de commerciële voorwaarden van de dienst en dat het de lidstaten verbiedt om met betrekking tot de verrichtingen die verband houden met de uitvoering van een aanvraag tot overdracht, ex ante commerciële voorwaarden op te leggen aan de ondernemingen waarop de verplichting om voor nummerportabiliteit te zorgen rust?
ii) of dat het de lidstaten niet verbiedt om voor de betrokken dienst ex ante commerciële voorwaarden op te leggen aan de operators die zijn aangemerkt als operators die een aanmerkelijke macht op een specifieke markt bezitten?
c) Indien artikel 30, lid 2, van de [universeledienstrichtlijn] aldus moet worden uitgelegd dat het met betrekking tot de kosten van overdracht van een nummer aan alle operators de verplichting van kostengeoriënteerde prijsstelling oplegt, dient dit artikel dan aldus te worden uitgelegd dat het in de weg staat:
i) aan een nationale bestuursrechtelijke maatregel die voor de kostenberekening een bepaalde berekeningsmethode oplegt?
ii) aan een nationale maatregel die de verdeling van de kosten tussen de operators ex ante vaststelt?
iii) aan een nationale maatregel die de nationale regelgevende instantie toestaat om voor alle operators en voor een bepaalde periode ex ante het maximumbedrag vast te stellen van de vergoeding die de donoroperator van de recipiëntoperator kan eisen?
iv) aan een nationale maatregel die de donoroperator het recht verleent om de door de nationale regelgevende instantie bepaalde prijsstelling toe te passen en hem daarbij ontheft van de verplichting om te bewijzen dat de door hem toegepaste prijsstelling op zijn eigen kosten is georiënteerd?
2) Met betrekking tot het recht van beroep bedoeld in artikel 4 van [de kaderrichtlijn]:
Dient artikel 4, lid 1, van de [kaderrichtlijn] aldus te worden uitgelegd dat de instantie die is aangewezen om kennis te nemen van het beroep, over alle gegevens moet kunnen beschikken die zij nodig heeft om de grond van de zaak op afdoende wijze in aanmerking te kunnen nemen, met inbegrip van de vertrouwelijke gegevens op basis waarvan de nationale regelgevende instantie de beslissing heeft genomen die het voorwerp is van het beroep?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
De eerste vraag
Het eerste onderdeel van de eerste vraag
20 Met het eerste onderdeel van zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de prijsstelling voor interconnectie in verband met nummerportabiliteit zoals bedoeld in artikel 30, lid 2, van de universeledienstrichtlijn, behalve op de verkeerskosten tevens op de opzetkosten betrekking heeft.
21 Mobistar, Belgacom Mobile, het BIPT, de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de Cypriotische en de Litouwse regering betogen dat genoemd artikel 30, lid 2, alleen betrekking heeft op de kosten van het verkeer naar het overgedragen nummer en niet op de kosten die voortvloeien uit de uitvoering van een aanvraag tot overdracht van nummers tussen mobieletelefonieoperators.
22 Base, de Italiaanse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk menen daarentegen dat de in genoemd artikel bedoelde prijsstelling voor interconnectie alle diensten die verband houden met de uitvoering van de nummerportabiliteit omvat, voor welke de operators het recht hebben een vergoeding te vragen.
23 Allereerst zij gepreciseerd dat het begrip nummerportabiliteit de faciliteit omvat die een mobieletelefonieabonnee in staat stelt om bij verandering van operator hetzelfde telefoonnummer te behouden.
24 De implementatie van deze faciliteit vereist dat de platforms tussen operators compatibel zijn, dat het nummer van de abonnee van de ene operator aan de andere wordt overgedragen en dat door middel van technische handelingen telefoonoproepen naar het overgedragen nummer worden geleid.
25 De nummerportabiliteit heeft tot doel, belemmeringen voor de vrije keuze van consumenten, met name tussen mobieletelefonieoperators, weg te werken en aldus de ontwikkeling van een daadwerkelijke mededinging op de markt voor telefoondiensten te waarborgen.
26 Om dit doel te bereiken heeft de communautaire wetgever in artikel 30, lid 2, van de universeledienstrichtlijn bepaald dat de nationale regelgevende instanties ervoor zorgen dat de prijsstelling voor interconnectie in verband met de nummerportabiliteit kostengeoriënteerd is, en dat eventuele directe kosten voor abonnees het gebruik van die faciliteiten niet ontmoedigen.
27 De uitlegging volgens welke de opzetkosten niet onder genoemde bepaling vallen, is evenwel in strijd met het doel en de strekking van de universeledienstrichtlijn en zou het nuttig effect van deze richtlijn beperken wat het leveren van portabiliteit betreft.
28 De opzetkosten vormen namelijk een belangrijk deel van de kosten die de recipiëntoperator rechtstreeks of indirect kan afwentelen op de abonnee die gebruik wil maken van de faciliteit van portabiliteit van zijn mobiel nummer.
29 Als dergelijke kosten niet onder de toezichtsplicht van artikel 30, lid 2, van de universeledienstrichtlijn vallen, zou de vaststelling ervan op te hoge bedragen door de recipiëntoperators, met name door degenen die al op de markt zijn gevestigd en over een ruime klantenkring beschikken, de consumenten kunnen ontmoedigen, gebruik te maken van deze faciliteit, ja zelfs deze de facto in aanzienlijke mate illusoir maken.
30 Derhalve moet op het eerste onderdeel van de eerste vraag worden geantwoord dat de prijsstelling voor interconnectie in verband met nummerportabiliteit zoals bedoeld in artikel 30, lid 2, van de universeledienstrichtlijn, betrekking heeft op de kosten van het verkeer naar de overgedragen nummers en op de opzetkosten die voor de mobieletelefoonoperators voortvloeien uit de uitvoering van de aanvragen tot nummeroverdracht.
Het tweede en het derde onderdeel van de eerste vraag
31 Gezien het antwoord op het eerste onderdeel van de eerste vraag, behoeft alleen het derde onderdeel van deze vraag nog beantwoording.
32 De verwijzende rechter wenst daarmee in wezen te vernemen of de nationale regelgevende instanties vooraf aan de hand van een theoretisch kostenmodel voor alle mobieletelefoonoperators maximumprijzen mogen vaststellen.
33 Allereerst zij opgemerkt dat artikel 30, lid 2, van de universeledienstrichtlijn de nationale regelgevende instanties oplegt ervoor te zorgen dat de prijsstelling van de operators kostengeöriënteerd is, en bovendien dat de prijzen de consument niet ontmoedigen.
34 Zodra vaststaat dat de prijzen kostengeöriënteerd zijn, verleent deze bepaling een zekere beoordelingsvrijheid aan de nationale instanties om de situatie te beoordelen en de methode te bepalen die hun het meest geschikt lijkt om de portabiliteit ten volle te verwezenlijken, op een zodanige wijze dat de consumenten niet worden ontmoedigd van deze faciliteit gebruik te maken.
35 Welnu, vaststaat dat de nationale regelgevende instanties de grenzen van deze beoordelingsvrijheid in casu niet hebben overschreden. Een methode die erin bestaat een maximumprijs te bepalen, zoals de in casu door de Belgische instanties vastgestelde methode, kan immers als verenigbaar met artikel 30, lid 2, van de universeledientsrichtlijn worden aangemerkt, op voorwaarde dat de nieuwe operators daadwerkelijk de mogelijkheid hebben, tegen de maximumprijzen van de reeds op de markt aanwezige operators op te komen door aan te tonen dat deze prijzen te hoog zijn in vergelijking met de kostenstructuren van deze operators.
36 Aldus volgt uit het voorgaande dat de universeledienstrichtlijn zich in beginsel niet ertegen verzet dat de bevoegde nationale instanties vooraf aan de hand van een theoretisch kostenmodel voor alle mobieletelefoonoperators maximumprijzen vaststellen.
37 Gelet op deze overwegingen moet op het derde onderdeel van de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 30, lid 2, van de universeledienstrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen de vaststelling van een nationale maatregel als aan de orde in het hoofdgeding waarbij vooraf aan de hand van een theoretisch kostenmodel de maximumprijzen worden vastgesteld die de donoroperator als opzetkosten van de recipiëntoperator kan vragen, indien de tarieven dermate kostengeöriënteerd zijn dat de consumenten niet worden ontmoedigd om gebruik te maken van de portabiliteitfaciliteit.
De tweede vraag
38 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of uit artikel 4 van de kaderrichtlijn voortvloeit dat een in deze bepaling bedoeld onafhankelijk lichaam van beroep, zoals de verwijzende rechterlijke instantie, moet beschikken over alle gegevens die noodzakelijk zijn voor het onderzoek naar de gegrondheid van een bij haar ingesteld beroep, met inbegrip van de gegevens die ingevolge de op zakengeheimen toepasselijke regelgeving, vertrouwelijk zijn.
39 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het BIPT zich beroept op de geheimhoudingsplicht die krachtens zijn statuut, zoals dit is bepaald bij de wet van 17 januari 2003, op hem rust.
40 Dienaangaande zij opgemerkt dat het lichaam dat is belast met het kennisnemen van beroepen tegen de beslissingen van de nationale regelgevende instantie, overeenkomstig artikel 4 van de kaderrichtlijn moet kunnen beschikken over alle informatie, met inbegrip van vertrouwelijke informatie, die is vereist om met volledige kennis van zaken uitspraak te kunnen doen over de gegrondheid van deze beroepen. De bescherming van dergelijke informatie en van de zakengeheimen moet evenwel worden gewaarborgd en aldus worden georganiseerd dat zij niet in strijd komt met de eisen van een effectieve rechtsbescherming en met de eerbiediging van de rechten van verdediging van de procespartijen.
41 Uit artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn volgt uitdrukkelijk dat het recht van beroep tegen beslissingen van de nationale regelgevende instantie, dat kan worden uitgeoefend door iedere gebruiker of aanbieder die door een dergelijke beslissing wordt getroffen, moet worden gebaseerd op een doeltreffende beroepsregeling waarin de feiten van de zaak op afdoende wijze in aanmerking kunnen worden genomen.
42 Overigens bepaalt artikel 5, lid 3, van dezelfde richtlijn dat in het kader van de informatie-uitwisseling tussen de nationale regelgevende instanties en de Commissie, informatie die door deze instanties als vertrouwelijk wordt beschouwd, kan worden meegedeeld aan de Commissie, die echter deze vertrouwelijkheid moet garanderen.
43 Derhalve moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 4 van de kaderrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het lichaam dat is aangewezen om kennis te nemen van de beroepen tegen de beslissingen van de nationale regelgevende instanties, moet beschikken over alle informatie die noodzakelijk is om de gegrondheid van een beroep te onderzoeken, met inbegrip, in voorkomend geval, van de vertrouwelijke informatie die deze instanties in aanmerking hebben genomen bij vaststelling van de beslissing waartegen beroep is ingesteld. Het staat echter aan dit lichaam om de vertrouwelijke behandeling van de betrokken gegevens te garanderen met inachtneming van de eisen van een effectieve rechtsbescherming en met eerbiediging van de rechten van verdediging van de procespartijen.
Kosten
44 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart voor recht:
1) De prijsstelling voor interconnectie in verband met nummerportabiliteit als bedoeld in artikel 30, lid 2, van richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronischecommunicatienetwerken en ‑diensten (Universeledienstrichtlijn), heeft betrekking op de kosten van het verkeer naar de overgedragen nummers en op de opzetkosten die voor mobieletelefoonoperators voortvloeien uit de uitvoering van de aanvragen tot nummeroverdracht.
2) Artikel 30, lid 2, van richtlijn 2002/22 verzet zich niet tegen de vaststelling van een nationale maatregel die voorziet in een methode voor de kostenberekening en waarbij vooraf aan de hand van een theoretisch kostenmodel de maximumprijzen worden vastgesteld die de donoroperator als opzetkosten van de recipiëntoperator kan vragen, indien de tarieven dermate kostengeöriënteerd zijn dat de consumenten niet worden ontmoedigd om gebruik te maken van de portabiliteitfaciliteit.
3) Artikel 4 van richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en ‑diensten (Kaderrichtlijn), moet aldus worden uitgelegd dat het lichaam dat is aangewezen om kennis te nemen van de beroepen tegen de beslissingen van de nationale regelgevende instanties, moet beschikken over alle informatie die noodzakelijk is om de gegrondheid van een beroep te onderzoeken, met inbegrip, in voorkomend geval, van de vertrouwelijke informatie die deze instanties in aanmerking hebben genomen bij de vaststelling van de beslissing waartegen beroep is ingesteld. Het staat echter aan dit lichaam om de vertrouwelijke behandeling van de betrokken gegevens te garanderen met inachtneming van de eisen van een effectieve rechtsbescherming en met eerbiediging van de rechten van verdediging van de procespartijen.
ondertekeningen
* Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy