Zaak C‑489/04
Alexander Jehle, Weinhaus Kiderlen
tegen
Land Baden-Württemberg
(verzoek van het Verwaltungsgericht Sigmaringen om een prejudiciële beslissing)
„Verordening (EG) nr. 1019/2002 – Artikel 2, eerste alinea – Olijfolie en olie uit afvallen van olijven – Handelsnormen – Kleinhandel – Aanbiedingsvorm voor eindverbruiker – Methode ‚bag in the box’”
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 7 september 2006
Samenvatting van het arrest
1. Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Oliën en vetten – Olijfolie – Handelsnormen
(Verordening nr. 1019/2002 van de Commissie, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1176/2003, art. 2, eerste alinea)
2. Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Oliën en vetten – Olijfolie – Handelsnormen
(Verordening nr. 1019/2002 van de Commissie, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1176/2003, art. 2, eerste alinea)
1. Verordening nr. 1019/2002 betreffende de handelsnormen voor olijfolie, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1176/2003, en meer in het bijzonder artikel 2, eerste alinea, daarvan, dat bepaalt dat olijfolie en olie uit afvallen van olijven aan de eindverbruiker worden aangeboden in voorverpakte vorm in verpakkingen van maximaal vijf liter, die zijn voorzien van een niet-herbruikbare sluiting, alsmede van een etiket dat voldoet aan een aantal specifiek voor deze producten vastgestelde normen, moeten aldus worden uitgelegd dat olijfolie en olie uit afvallen van olijven aan de eindverbruiker alleen mogen worden aangeboden in een verpakking die aan de voorwaarden van deze bepaling voldoet.
(cf. punt 33, dictum 1)
2. Artikel 2, eerste alinea, van verordening nr. 1019/2002 betreffende de handelsnormen voor olijfolie, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1176/2003, dat bepaalt dat olijfolie en olie uit afvallen van olijven aan de eindverbruiker worden aangeboden in voorverpakte vorm in verpakkingen van maximaal vijf liter, die zijn voorzien van een niet-herbruikbare sluiting, alsmede van een etiket dat voldoet aan een aantal specifiek voor deze producten vastgestelde normen, moet aldus worden uitgelegd dat het een verkoopmethode als die van de „bag in the box”, die niet voldoet aan de voorwaarden van deze bepaling, verbiedt. Deze verkoopmethode houdt namelijk in dat de olijfolie en de olie uit afvallen van olijven op de plaats van aankoop uit een open of nog te openen zak moet worden overgegoten in een recipiënt dat de eindverbruiker heeft gekocht of meegebracht, zodat zij niet kan voldoen aan de in artikel 2, eerste alinea, gestelde voorwaarde van een adequate sluiting die, teneinde de authenticiteit van de olijfolie te garanderen, impliceert dat de eindverbruiker de verpakking zelf moet kunnen openen.
(cf. punten 40‑42, 45, dictum 2)
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
7 september 2006 (*)
„Verordening (EG) nr. 1019/2002 – Artikel 2, eerste alinea – Olijfolie en olie uit afvallen van olijven – Handelsnormen – Kleinhandel – Aanbiedingsvorm voor eindverbruiker – ‚bag in the box’-methode”
In zaak C‑489/04,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Verwaltungsgericht Sigmaringen (Duitsland) bij beslissing van 28 september 2004, ingekomen bij het Hof op 29 november 2004, in de procedure
Alexander Jehle, Weinhaus Kiderlen,
tegen
Land Baden-Württemberg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: K. Schiemann, kamerpresident, E. Juhász en E. Levits (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: A. Tizzano,
griffier: B. Fülöp, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 15 december 2005,
gelet op de opmerkingen van:
– A. Jehle, Weinhaus Kiderlen, vertegenwoordigd door A. H. Meyer en B. Klaus, Rechtsanwälte,
– de Griekse regering, vertegenwoordigd door V. Kontolaimos en K. Marinou als gemachtigden,
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door I. M. Braguglia als gemachtigde, bijgestaan door D. Del Gaizo, avvocato dello Stato,
– de Cypriotische regering, vertegenwoordigd door C. Likourgos en A. Markoulli als gemachtigden,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Nolin en F. Erlbacher als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van verordening (EG) nr. 1019/2002 van de Commissie van 13 juni 2002 betreffende de handelsnormen voor olijfolie (PB L 155, blz. 27), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1176/2003 van de Commissie van 1 juli 2003 (PB L 164, blz. 12; hierna: „verordening nr. 1019/2002”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen A. Jehle, Weinhaus Kiderlen (hierna: „verzoeker in het hoofdgeding”), en de Duitse deelstaat Baden-Württemberg, over het recht van verzoeker in het hoofdgeding om olijfolie volgens de „bag in the box”-methode te verkopen.
Toepasselijke bepalingen
3 Artikel 1, lid 1, van verordening nr. 136/66/EEG van de Raad van 22 september 1966 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten (PB 1966, 172, blz. 3025), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1513/2001 van de Raad van 23 juli 2001 (PB L 201, blz. 4; hierna: „verordening nr. 136/66”), bepaalt dat in de sector oliehoudende zaden en vruchten, plantaardige oliën en vetten, alsmede oliën en vetten van vis of van zeezoogdieren, een gemeenschappelijke marktordening tot stand wordt gebracht. Lid 2 van dit artikel bevat de lijst van producten waarop verordening nr. 136/66 van toepassing is, waaronder olijfolie.
4 Artikel 35, lid 1, van verordening nr. 136/66 verlangt dat olijfolie en olie uit afvallen van olijven onder de in de bijlage bij deze verordening opgenomen benamingen en definities worden verkocht. In artikel 35, lid 2, wordt gepreciseerd dat in het stadium van de kleinhandel alleen de in punt 1, sub a en b, alsmede de punten 3 en 6 van de bijlage bedoelde oliën kunnen worden verhandeld.
5 Artikel 35 bis, lid 1, van verordening nr. 136/66 luidt als volgt:
„Voor de in artikel 1 bedoelde producten kunnen handelsnormen worden vastgesteld; deze normen kunnen met name betrekking hebben op de kwaliteitsindeling, de verpakking en de aanbiedingsvorm.
Wanneer deze normen zijn vastgesteld, mogen alleen producten in de handel worden gebracht die daarmee in overeenstemming zijn.”
6 De bijlage bij verordening nr. 136/66, getiteld „Benamingen en definities van de olijfoliën en oliën van afvallen van olijven bedoeld in artikel 35”, luidt als volgt:
„1. Olijfolie van eerste persing
Olie die uit de vrucht van de olijfboom is verkregen langs zuiver mechanische weg of via andere fysische methodes onder omstandigheden waardoor de olie niet wordt aangetast, en die geen andere behandeling heeft ondergaan dan wassen, decanteren, centrifugeren en filtreren; met uitsluiting van olie die is verkregen door middel van oplosmiddelen, door middel van een hulpstof met chemische of biochemische werking of door herverestering, en van alle mengsels met olie van een andere soort.
Deze olie wordt als volgt ingedeeld en omschreven:
a) extra olijfolie van eerste persing
Olijfolie van eerste persing met een gehalte aan vrije vetzuren, uitgedrukt in oliezuur, van ten hoogste 0,8 gram per 100 gram en waarvan de andere kenmerken overeenkomen met die welke voor deze categorie zijn vastgesteld.
b) Olijfolie van eerste persing
Olijfolie van eerste persing met een gehalte aan vrije vetzuren, uitgedrukt in oliezuur, van ten hoogste 2 gram per 100 gram en waarvan de andere kenmerken overeenkomen met die welke voor deze categorie zijn vastgesteld.
[...]
3. Olijfolie – Bestaande uit geraffineerde olijfoliën en olijfoliën van eerste persing
Olie verkregen door het mengen van geraffineerde olijfolie met olijfolie van eerste persing, andere dan die voor verlichting, met een gehalte aan vrije vetzuren, uitgedrukt in oliezuur, van ten hoogste 1 gram per 100 gram en waarvan de andere kenmerken overeenkomen met die welke voor deze categorie zijn vastgesteld.
[...]
6. Olie uit afvallen van olijven
Olie verkregen door het mengen van geraffineerde olie uit afvallen van olijven met olijfolie van eerste persing, andere dan die voor verlichting, met een gehalte aan vrije vetzuren, uitgedrukt in oliezuur, van ten hoogste 1 gram per 100 gram en waarvan de andere kenmerken overeenkomen met die welke voor deze categorie zijn vastgesteld.”
7 Artikel 1 van verordening nr. 1019/2002 bepaalt:
„1. Onverminderd het bepaalde in richtlijn 2000/13/EG, worden bij deze verordening de handelsnormen voor de kleinhandel vastgesteld voor olijfolie en olie uit afvallen van olijven als bedoeld in punt 1, sub a en b, punt 3 en punt 6 van de bijlage bij verordening nr. 136/66/EEG.
2. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder ‚kleinhandel’ verstaan, de verkoop aan de eindverbruiker van in lid 1 bedoelde olie, aangeboden als dusdanig of verwerkt in levensmiddelen.”
8 Artikel 2 van verordening nr. 1019/2002 luidt:
„De in artikel 1, lid 1, bedoelde olie wordt aan de eindverbruiker in voorverpakte vorm aangeboden in verpakkingen van maximaal 5 l. Die verpakkingen zijn voorzien van een niet-herbruikbare sluiting en van een etiket dat voldoet aan de normen van de artikelen 3 tot en met 6.
Voor olie die bestemd is voor consumptie in restaurants, ziekenhuizen, kantines en soortgelijke centrale keukens mogen de lidstaten voor de verpakkingen een maximuminhoud vaststellen van meer dan 5 l naar gelang van de betrokken inrichting.”
9 De artikelen 3 tot en met 7 van verordening nr. 1019/2002 betreffen de etikettering van de verpakkingen, en de artikelen 8 tot en met 10 regelen de controle op de toepassing van deze verordening, alsmede de maatregelen die nodig zijn om de inachtneming ervan te garanderen.
10 De artikelen 11 en 12 van verordening nr. 1019/2002 bevatten een aantal tijdsbepalingen die de aanpassing aan de nieuwe voorschriften van deze verordening en het scheppen van de voor hun toepassing noodzakelijke voorwaarden mogelijk moeten maken.
11 Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (PB L 109, blz. 29), zoals gewijzigd bij richtlijn 2003/89/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 november 2003 met betrekking tot de vermelding van de ingrediënten van levensmiddelen (PB L 308, blz. 15; hierna: „richtlijn 2000/13”), strekt er luidens punt 4 van de considerans toe communautaire voorschriften van algemene en horizontale aard op te stellen die van toepassing zijn op alle levensmiddelen die in de handel worden gebracht.
12 Deze richtlijn legt de beginselen vast waaraan de etikettering en de wijze waarop deze wordt uitgevoerd, moeten voldoen (artikel 2), alsmede de lijst van gegevens die verplicht op de etikettering van alle levensmiddelen moeten worden vermeld, zoals, bijvoorbeeld, de benaming waaronder het product wordt verkocht, de lijst van ingrediënten en de datum van minimale houdbaarheid (artikel 3). De voorwaarden en voorbehouden betreffende deze vermeldingen zijn in de artikelen 4 tot en met 17 opgenomen.
13 Zo kunnen luidens artikel 14 van richtlijn 2000/13, voor levensmiddelen die niet voorverpakt ten verkoop aan de eindverbruiker of instellingen worden aangeboden of voor levensmiddelen die op de plaats van verkoop op verzoek van de koper worden verpakt of met het oog op de onmiddellijke verkoop worden voorverpakt, de lidstaten bepalen hoe de verplichte vermeldingen worden aangebracht, en kunnen zij bepalen dat deze vermeldingen of enkele daarvan niet verplicht zijn, mits de voorlichting van de koper gewaarborgd blijft.
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
14 Verzoeker in het hoofdgeding verkoopt als kleinhandelaar olijfolie volgens de „bag in the box”-methode. Daarbij wordt de olie door de bottelaar afgeleverd in een dubbelwandige kunststofzak („bag”) van vijf liter, waarop een oorsprongaanduiding en een controlezegel zijn aangebracht. De zak is uitgerust met een speciale, niet-herbruikbare sluiting, waarvan het membraan vóór het aftappen van de olie moet worden doorgeprikt. Deze kunststofzak wordt in een houder uit terracotta („box”) geplaatst, waar enkel een slang voor het aftappen van het product uitsteekt. Uit deze installatie („bag in the box”) krijgt de klant de gewenste hoeveelheid olie in een door hem meegebracht of op de plaats van verkoop gekocht recipiënt. De aanduidingen betreffende oorsprong, kwaliteit en prijs van de olie vindt de klant op het etiket dat verzoeker in het hoofdgeding op de houder uit terracotta heeft aangebracht.
15 In februari 2004 gelastte het Landratsamt Ravensburg, Amt für Veterinärwesen und Verbraucherschutz (dienst Veeartsenij en consumentenbescherming van het districtsbestuur van Ravensburg; hierna: „Landratsamt Ravensburg”), verzoeker de verkoop van olijfolie volgens de hierboven beschreven methode te staken. Als grond daarvoor voerde het Landratsamt Ravensburg aan dat blijkens artikel 2, eerste alinea, van verordening nr. 1019/2002, olijfolie aan de verbruiker alleen in voorverpakte vorm in verpakkingen van maximaal vijf liter mag worden verkocht.
16 Verzoeker in het hoofdgeding heeft daarop het Verwaltungsgericht Sigmaringen verzocht om vast te stellen dat verordening nr. 1019/2002 hem niet verbiedt olijfolie uit een „bag in the box” te blijven verkopen. Hij voerde daarbij meer in het bijzonder aan dat verordening nr. 1019/2002 niet de losse verkoop van olijfolie, maar enkel de verkoop van verpakte olijfolie regelt, zodat artikel 2 van deze verordening geen verbod op de verkoop van onverpakte olijfolie, doch enkel regels voor de verkoop van verpakte olijfolie bevat.
17 Daar verordening nr. 1019/2002 is vastgesteld ter aanvulling van richtlijn 2000/13, blijft de richtlijn volgens verzoeker in het hoofdgeding van toepassing op gebieden die de verordening niet specifiek regelt. Artikel 14 van richtlijn 2000/13 zou evenwel de mogelijkheid bieden om levensmiddelen niet voorverpakt ten verkoop aan de eindverbruiker aan te bieden, waarbij de lidstaten de wijze dienen te bepalen waarop de verplichte vermeldingen worden aangebracht.
18 Verder betoogde verzoeker in het hoofdgeding dat de „bag in the box”-methode de consument een vergelijkbare bescherming biedt als wanneer de verkoop tot het afleveren van voorverpakte olijfolie wordt beperkt. Deze methode zou de consument meer in het bijzonder garanderen dat hem geen olie wordt verkocht die minderwaardig is als gevolg van bijmenging of een onjuiste oorsprongaanduiding.
19 De verwijzende rechter betwijfelt dit evenwel, en wijst er daarbij met name op dat de kunststofzak zonder al te veel moeite kan worden nagevuld, en dat de verbruiker het etiket op deze zak niet ziet, maar enkel de weergave van dit etiket op de houder waarin zich deze zak bevindt.
20 De door verzoeker in het hoofdgeding in overweging gegeven uitlegging wordt door het Landratsamt Ravensburg betwist. Het stelt dat artikel 2, eerste alinea, van verordening nr. 1019/2002 een verbod inhoudt om aan de eindverbruiker niet-verpakte olijfolie aan te bieden.
21 In die omstandigheden heeft het Verwaltungsgericht Sigmaringen besloten om de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Dienen de artikelen 1 tot en met 12 van verordening (EG) nr. 1019/2002 [...] aldus te worden uitgelegd dat de bepalingen ervan eveneens van toepassing zijn op regelingen betreffende het aan de eindverbruiker te koop aanbieden van niet-verpakte olijfolie en olie uit afvallen van olijven?
2) Dient artikel 2, eerste alinea, van verordening [...] nr. 1019/2002 [...] aldus te worden uitgelegd dat deze bepaling het aan de eindverbruiker te koop aanbieden van niet-verpakte olijfolie en olie uit afvallen van olijven verbiedt?
3) Dient in voorkomend geval artikel 2, eerste alinea, van verordening [...] nr. 1019/2002 [...] dermate eng te worden uitgelegd dat deze bepaling weliswaar het aan de eindverbruikers te koop aanbieden van niet-verpakte olijfolie en olie uit afvallen van olijven verbiedt, doch dat dit verbod niet geldt voor de verkoop van niet-verpakte olijfolie en olie uit afvallen van olijven via het ‚bag in the box’- procedé?”
De prejudiciële vragen
Eerste en tweede vraag
22 Met zijn eerste en tweede vraag, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of verordening nr. 1019/2002, en meer in het bijzonder, artikel 2, eerste alinea, daarvan, aldus moeten worden uitgelegd dat olijfolie en olie uit afvallen van olijven aan de eindverbruiker enkel te koop mogen worden aangeboden in een verpakking die aan de voorwaarden van deze bepaling voldoet.
23 Vastgesteld zij dat het standpunt van verzoeker in het hoofdgeding, dat olijfolie en olie uit afvallen van olijven wél onverpakt aan de eindverbruiker mogen worden verkocht, daar verordening nr. 1019/2002 enkel de handelsnormen voor voorverpakte olijfolie en olie uit afvallen van olijven vastlegt, en geen betrekking heeft op de losse verkoop van deze olie, niet kan worden aanvaard.
24 De rechtsgrondslag van verordening nr. 1019/2002 is namelijk artikel 35 bis van verordening nr. 136/66, dat in lid 1, eerste alinea, bepaalt dat voor de in artikel 1 van deze verordening bedoelde producten handelsnormen kunnen worden vastgesteld, die met name betrekking hebben op de kwaliteitsindeling, de verpakking en de aanbiedingsvorm. De in artikel 1 genoemde producten, waaronder olijfolie en olie uit afvallen van olijven, worden alle aangeduid door middel van hun omschrijving en tariefnummer in de gecombineerde nomenclatuur. Deze producten worden niet omschreven of onderscheiden op grond van overwegingen die verband houden met hun verpakking.
25 De producten waarop verordening nr. 1019/2002 meer in het bijzonder betrekking heeft, worden in artikel 1, lid 1, ervan genoemd. Het betreft olijfolie en olie uit afvallen van olijven in de zin van punt 1, sub a en b, en de punten 3 en 6 van de bijlage bij verordening nr. 136/99, waarin zij, ongeacht de vorm waarin zij te koop worden aangeboden – te weten verpakt dan wel onverpakt – worden ingedeeld naar hun beschrijvende kenmerken.
26 Om met name de authenticiteit van olijfolie te garanderen, heeft verordening nr. 1019/2002 handelsnormen voor de verpakking ervan opgesteld. Zo bepaalt artikel 2, eerste alinea, van deze verordening dat de olie aan de eindverbruiker in voorverpakte vorm in verpakkingen van maximaal vijf liter wordt aangeboden, die zijn voorzien van een niet-herbruikbare sluiting, en verder van een etiket dat aan de normen van de artikelen 3 tot en met 6 van verordening nr. 1019/2002 voldoet.
27 Deze normen gelden voor alle in artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1019/2002 bedoelde olie, en voorzien slechts in één uitzondering, die in artikel 2, tweede alinea, van deze verordening uitdrukkelijk wordt vermeld. Deze uitzondering, die overigens niet op de verplichting om olie in een verpakking aan te bieden, maar enkel op de inhoud van deze verpakking betrekking heeft, geeft de lidstaten het recht om voor olie die bestemd is voor consumptie in centrale keukens, naar gelang van de betrokken inrichting, voor deze verpakkingen een maximuminhoud van meer dan vijf liter vast te stellen.
28 Gelet op het voorgaande, kunnen olijfolie en olie uit afvallen van olijven, behalve in het in het vorige punt vermelde uitzonderingsgeval, slechts aan de eindverbruiker worden aangeboden, wanneer zij voldoen aan de in artikel 2, eerste alinea, van verordening nr. 1019/2002 neergelegde normen en, meer in het bijzonder, aan de in deze bepaling opgenomen verpakkingsvoorwaarde. Volgens artikel 35 bis, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 136/66, mogen namelijk producten waarvoor handelsnormen zijn vastgesteld, enkel nog in overeenstemming daarmee in de handel worden gebracht.
29 Aan deze uitlegging wordt niet afgedaan door het voorbehoud in artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1019/2002, dat de handelsnormen voor olijfolie en olie uit afvallen van olijven worden vastgesteld „onverminderd het bepaalde in richtlijn 2000/13/EG”.
30 Luidens punt 1 van de considerans van verordening nr. 1019/2002, vervolledigen de specifieke etiketteringsvoorschriften van deze verordening de algemene en horizontale voorschriften van richtlijn 2000/13, die van toepassing zijn op alle levensmiddelen die in de handel worden gebracht. De verwijzing naar richtlijn 2000/13 in artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1019/2002 kan bijgevolg niet aldus worden opgevat dat zij een afwijking of een vrijstelling van de specifieke voorschriften van deze verordening voor de etikettering van olijfolie en olie uit afvallen van olijven beoogt in te voeren, doch moet aldus worden begrepen dat zij ertoe strekt, naast de naleving van deze specifieke voorschriften, ook die van de algemenere voorschriften van richtlijn 2000/13 te waarborgen.
31 Inzake etikettering van olijfolie en olie uit afvallen van olijven zijn de bepalingen van richtlijn 2000/13 die bijvoorbeeld de verplichting inhouden om de nettohoeveelheid of de uiterste consumptiedatum te vermelden, bijgevolg van toepassing naast de specifieke voorschriften van met name de artikelen 3 tot en met 6 van verordening nr. 1019/2002.
32 Daarentegen is artikel 14 van richtlijn 2000/13 – waarop verzoeker in het hoofdgeding zich beroept –, voor zover de lidstaten daarbij bevoegdheid wordt verleend om de wijze te bepalen waarop de in de artikel 3 en artikel 4, lid 2, van deze richtlijn bedoelde vermeldingen op niet-voorverpakte levensmiddelen worden aangebracht, irrelevant, omdat artikel 2, eerste alinea, van verordening nr. 1019/2002 deze aanbiedingsvorm voor olijfolie en olie uit afvallen van olijven verbiedt, en omdat de lidstaten slechts bevoegd blijven met betrekking tot de maximale inhoud van verpakkingen voor centrale keukens.
33 Op de eerste en de tweede vraag moet dus worden geantwoord dat verordening nr. 1019/2002, en meer in het bijzonder, artikel 2, eerste alinea, daarvan, aldus moeten worden uitgelegd dat olijfolie en olie uit afvallen van olijfolie aan de eindverbruiker enkel mogen worden aangeboden in een verpakking die aan de voorwaarden van deze bepaling voldoet.
Derde vraag
34 Met zijn derde, subsidiaire, vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, eerste alinea, van verordening nr. 1019/2002 aldus kan worden uitgelegd dat het een verkoopmethode, als die welke verzoeker in het hoofdgeding gebruikt („bag in the box”-methode), niet verbiedt.
35 Volgens verzoeker in het hoofdgeding biedt de „bag in the box”-methode de consument een vergelijkbare bescherming als wanneer de verkoop tot het afleveren van voorverpakte olijfolie wordt beperkt. De verwijzende rechter vraagt zich bijgevolg af of de specifieke kenmerken van deze verkoopmethode aan het verbod ervan in de weg kunnen staan.
36 In dit verband zij eraan herinnerd dat in een procedure volgens artikel 234 EG, die op een duidelijke scheiding van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof berust, elke beoordeling van de feiten tot de bevoegdheid van de nationale rechter behoort. Het Hof is dus niet bevoegd om over de feiten van het hoofdgeding te beslissen, of om de communautaire voorschriften die het heeft uitgelegd, op nationale maatregelen of situaties toe te passen, aangezien dit tot de uitsluitende bevoegdheid van de nationale rechter behoort (arrest van 9 juni 2005, HLH Warenvertrieb en Orthica, C‑211/03, C‑299/03 en C‑316/03‑C‑318/03, Jurispr. blz. I‑5141, punt 96).
37 Het Hof kan aan de nationale rechter evenwel interpretatiegegevens met betrekking tot het gemeenschapsrecht verstrekken, die bij de toepassing van deze regel voor hem van waarde kunnen zijn (arrest van 23 oktober 1975, Matisa Maschinen, 35/75, Jurispr. blz. 1205, punt 3).
38 Zoals in punt 28 van het onderhavige arrest is gezegd, bepaalt artikel 35 bis, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 136/66, dat producten waarvoor handelsnormen zijn vastgesteld, enkel nog in overeenstemming daarmee in de handel mogen worden gebracht.
39 Bijgevolg moet een verkoopmethode voor olijfolie en olie uit afvallen van olijven worden getoetst aan de voorwaarden van artikel 2, eerste alinea, van verordening nr. 1019/2002, en moet zij met deze verordening onverenigbaar worden geacht indien aan deze voorwaarden niet is voldaan.
40 In het onderhavige geval zij vastgesteld dat een verkoopmethode voor olijfolie en olie uit afvallen van olijven aan de eindverbruiker, als die welke verzoeker in het hoofdgeding gebruikt, inhoudt dat de olie op de plaats van aankoop uit een open of nog te openen zak moet worden overgegoten in een recipiënt dat de eindverbruiker heeft gekocht of meegebracht.
41 Daar de olie dient te worden overgegoten, kan een dergelijke verkoopmethode evenwel niet voldoen aan de voorwaarde van artikel 2, eerste alinea, van verordening nr. 1019/2002, dat olijfolie aan de eindverbruiker moet worden aangeboden, dit wil zeggen te koop gesteld, in een verpakking met een niet-herbruikbare sluiting.
42 In die omstandigheden kan men niet aanvoeren, zoals verzoeker in het hoofdgeding doet, dat de zak waaruit de olijfolie en de olie uit afvallen van olijven worden afgetapt, mogelijk aan de voorwaarden inzake maximale inhoud, sluiting en etikettering van artikel 2, eerste alinea, van verordening nr. 1019/2002 voldoet. De voorwaarde van een adequate sluiting die, conform punt 2 van de considerans van verordening nr. 1019/2002, is ingevoerd om de authenticiteit van de olijfolie te garanderen, impliceert namelijk dat de eindverbruiker de verpakking zelf moet kunnen openen.
43 Evenmin kan men stellen, zoals de Commissie van de Europese Gemeenschappen doet, dat een verkoopmethode als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, geoorloofd moet worden geacht wanneer de recipiënten waarin de olie wordt gegoten voldoen aan de vereisten inzake maximale inhoud, sluiting en etikettering van artikel 2, eerste alinea, van verordening nr. 1019/2002. Wanneer een adequate sluiting pas op het recipiënt wordt aangebracht bij de afgifte ervan aan de eindverbruiker, beantwoordt dit niet aan de doelstelling die met het opleggen van deze sluiting wordt nagestreefd, omdat het gevaar voor aantasting van de authenticiteit van de olijfolie en de olie uit afvallen van olijven zich voordoet in het stadium vóór deze aflevering.
44 Overigens zou, indien de geoorloofdheid van de verkoopmethode afhankelijk werd gesteld van een onderzoek van de – in voorkomend geval door de consumenten meegebrachte – recipiënten waarin de olijfolie en de olie uit afvallen van olijven op de plaats van aankoop worden overgegoten, dit ertoe leiden dat deze verkoopmethode in bepaalde gevallen wél en in andere niet geoorloofd is, zonder dat tussen deze gevallen onderling een wezenlijk verschil bestaat. Deze oplossing zou de controle op de naleving van verordening nr. 1019/2002 bemoeilijken.
45 Gelet op het voorgaande, moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 2, eerste alinea, van verordening nr. 1019/2002 aldus moet worden uitgelegd, dat het een verkoopmethode, als die welke verzoeker in het hoofdgeding gebruikt, die niet voldoet aan de voorwaarden van deze bepaling, verbiedt.
Kosten
46 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Vierde kamer) verklaart voor recht:
1) Verordening (EG) nr. 1019/2002 van de Commissie van 13 juni 2002 betreffende de handelsnormen voor olijfolie, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1176/2003 van de Commissie van 1 juli 2003, en meer in het bijzonder artikel 2, eerste alinea, daarvan, moeten aldus worden uitgelegd dat olijfolie en olie uit afvallen van olijfolie aan de eindverbruiker enkel mogen worden aangeboden in een verpakking die aan de voorwaarden van deze bepaling voldoet.
2) Artikel 2, eerste alinea, van verordening nr. 1019/2002, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1176/2003, moet aldus worden uitgelegd, dat het een verkoopmethode, als die welke verzoeker in het hoofdgeding gebruikt, die niet voldoet aan de voorwaarden van deze bepaling, verbiedt.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy