Zaak C‑504/04
Agrarproduktion Staebelow GmbH
tegen
Landrat des Landkreises Bad Doberan
(verzoek van het Verwaltungsgericht Schwerin om een prejudiciële beslissing)
„Veterinairrechtelijke voorschriften – Preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën – Ruiming van geboortecohorten – Evenredigheid”
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 12 januari 2006
Samenvatting van het arrest
1. Gemeenschapsrecht – Beginselen – Evenredigheid – Draagwijdte
2. Gemeenschapsrecht – Beginselen – Evenredigheid – Handelingen van instellingen
1. Het evenredigheidsbeginsel, dat deel uitmaakt van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht, vereist dat handelingen van de communautaire instellingen niet verder gaan dan geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de legitieme doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd, met dien verstande dat, wanneer een keuze uit verschillende geschikte maatregelen mogelijk is, de minst belastende moet worden gekozen, en de veroorzaakte nadelen niet onevenredig mogen zijn aan de nagestreefde doelstellingen. Bij de vaststelling van een regeling die de volksgezondheid beoogt te beschermen, moet de communautaire wetgever bijgevolg niet alleen ten volle rekening houden met de hoofddoelstelling, maar met alle in geding zijnde belangen, inzonderheid met het eigendomsrecht en hetgeen vereist is voor het welzijn van dieren.
(cf. punten 35, 37)
2. De geldigheid van een communautaire handeling ten aanzien van het evenredigheidsbeginsel kan niet afhangen van beoordelingen achteraf met betrekking tot de graad van doeltreffendheid van die handeling. Wanneer de communautaire wetgever de toekomstige gevolgen van een vast te stellen regeling dient te beoordelen, en die gevolgen niet met zekerheid zijn te voorzien, kan zijn beoordeling slechts worden afgekeurd indien zij, gelet op de gegevens waarover de wetgever ten tijde van de vaststelling van de betrokken regeling beschikte, kennelijk onjuist is. Bij de vaststelling van een regeling die de volksgezondheid beoogt te beschermen, dient dan ook te worden erkend dat wanneer onzekerheid rijst over het bestaan of de omvang van de gevaren voor de gezondheid van personen, de instellingen op basis van het voorzorgs‑ en preventiebeginsel beschermingsmaatregelen kunnen nemen zonder te hoeven wachten totdat deze gevaren en de ernst ervan ten volle vaststaan. Wanneer daarentegen nieuwe elementen een ander licht werpen op een gevaar of aantonen dat dit gevaar kan worden ingeperkt door minder belastende maatregelen dan de bestaande, staat het aan de instellingen, met name aan de Commissie, die het initiatiefrecht heeft, erop toe te zien dat de regelgeving aan de nieuwe gegevens wordt aangepast.
(cf. punten 38‑40)
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
12 januari 2006 (*)
„Veterinairrechtelijke voorschriften – Preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën – Ruiming van geboortecohorten – Evenredigheid”
In zaak C‑504/04,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Verwaltungsgericht Schwerin (Duitsland) bij beslissing van 9 januari 2004, ingekomen bij het Hof op 8 december 2004, in de procedure
Agrarproduktion Staebelow GmbH
tegen
Landrat des Landkreises Bad Doberan,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: A. Rosas (rapporteur), kamerpresident, J. Malenovský, A. La Pergola, A. Borg Barthet en A. Ó Caoimh, rechters,
advocaat-generaal: M. Poiares Maduro,
griffier: B. Fülöp, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 19 oktober 2005,
gelet op de opmerkingen van:
– Agrarproduktion Staebelow GmbH, vertegenwoordigd door Behr & Partner, Rechtsanwälte, en C. Columbus, Rechtsanwältin,
– de Griekse regering, vertegenwoordigd door V. Kontolaimos, S. Papaioannou en M. Tassopoulou als gemachtigden,
– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door H. G. Sevenster als gemachtigde,
– het Europees Parlement, vertegenwoordigd door G. Mazzini en U. Rösslein als gemachtigden,
– de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door F. Ruggeri Laderchi en Z. Kupčová als gemachtigden,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Bordes en F. Erlbacher als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de verenigbaarheid met het evenredigheidsbeginsel van de verplichting tot ruiming van de cohort van een rund waarbij boviene spongiforme encefalopathie (hierna: „BSE”) is bevestigd.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de vennootschap Agrarproduktion Staebelow GmbH (hierna: „Staebelow”) en de Landrat des Landkreises Bad Doberan (hierna: „Landrat”), over het doden van 52 dieren uit de veestapel van Staebelow.
Gemeenschapsregelgeving
3 Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (PB L 147, blz. 1), is vastgesteld op basis van artikel 152, lid 4, sub b, EG, dat de procedure vastlegt volgens welke in afwijking van artikel 37 EG maatregelen op veterinair en fytosanitair gebied moeten worden getroffen die rechtstreeks gericht zijn op de bescherming van de volksgezondheid.
4 Deze verordening brengt een groot deel van de maatregelen die de Europese Gemeenschap sinds 1990 ter bescherming van de gezondheid van mens en dier tegen BSE heeft getroffen op basis van de vrijwaringsbepalingen in de richtlijnen betreffende veterinaire bestrijdingsmaatregelen, in één tekst bijeen.
5 Punt 4 van de considerans van deze verordening luidt als volgt:
„De Commissie heeft over diverse aspecten van de [overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE’s)] wetenschappelijk advies ingewonnen, met name van de Wetenschappelijke Stuurgroep en het Wetenschappelijk Comité inzake veterinaire maatregelen met betrekking tot de volksgezondheid. Die adviezen behelzen ook maatregelen om het potentiële risico voor mens en dier in verband met blootstelling aan geïnfecteerde producten van dierlijke oorsprong te verminderen.”
6 De verplichting om de cohort van een besmet rund te ruimen, vloeit voort uit artikel 13, lid 1, eerste zin, sub c, van verordening nr. 999/2001 juncto bijlage VII, punt 2, sub a, bij deze verordening. Het begrip cohort wordt in bijlage I, sub c, van deze verordening gedefinieerd.
7 Artikel 13 van verordening nr. 999/2001 bepaalt:
„1. Is de aanwezigheid van een TSE officieel bevestigd, dan worden onverwijld de volgende maatregelen getroffen:
a) alle delen van het kadaver van het dier worden overeenkomstig bijlage V volledig vernietigd, behalve het materiaal dat overeenkomstig bijlage III, hoofdstuk B, onderdeel III, punt 2, voor de registers bewaard wordt;
b) er wordt een onderzoek uitgevoerd om overeenkomstig bijlage VII, punt 1, alle dieren te identificeren waarvoor een risico bestaat;
c) alle dieren en producten van dierlijke oorsprong bedoeld in bijlage VII, punt 2, die bij het sub b, bedoelde onderzoek zijn geïdentificeerd als zijnde een risico, worden overeenkomstig bijlage V, punten 3 en 4, gedood en volledig vernietigd.
[…]
4. De eigenaars worden onverwijld vergoed voor dieren en voor producten van dierlijke oorsprong die overeenkomstig artikel 12, lid 2, en lid 1, sub a en c, van dit artikel gedood, c.q. vernietigd zijn.
[…]”
8 Bijlage VII bij verordening nr. 999/2001 is gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1326/2001 van de Commissie van 29 juni 2001 tot vaststelling van overgangsmaatregelen met het oog op de overgang op verordening nr. 999/2001, en tot wijziging van de bijlagen VII en XI bij die verordening (PB L 177, blz. 60). Deze bijlage luidt:
„1. In het kader van het in artikel 13, lid 1, sub b, bedoelde onderzoek moeten worden geïdentificeerd:
a) voor runderen:
– alle andere herkauwers op het bedrijf van het dier waarbij de ziekte is bevestigd;
– ingeval de ziekte bij een vrouwelijk dier bevestigd is, alle embryo’s en eicellen die zijn verzameld en nakomelingen die zijn geboren in de laatste twee jaar voordat of in de periode nadat de eerste klinische verschijnselen van de ziekte zich hebben voorgedaan;
– alle dieren van de cohort van het dier waarbij de ziekte is bevestigd;
[…]
2. De maatregelen bedoeld in artikel 13, lid 1, sub c, omvatten ten minste:
a) in geval van bevestiging van BSE bij een rund, het doden en volledig vernietigen van alle runderen, embryo’s en eicellen van runderen die in het kader van het in punt 1, sub a, eerste, tweede en derde streepje, bedoelde onderzoek zijn geïdentificeerd. Afhankelijk van de epizoötiologische situatie en de traceerbaarheid van de dieren op het bedrijf van het dier waarbij de ziekte is bevestigd, zoals bedoeld in punt 1, sub a, eerste streepje, kan de lidstaat beslissen niet alle andere runderen op dat bedrijf te doden en te vernietigen;
[…]”
9 De „cohort” wordt in bijlage I, sub c, van verordening nr. 999/2001 gedefinieerd als een groep dieren die alle runderen omvat die in de twaalf maanden voor of na de geboorte van een ziek rund geboren zijn in het beslag waarin het zieke rund geboren is of op een bepaald moment in de eerste twaalf maanden van hun leven samen met een ziek rund opgefokt zijn en wellicht hetzelfde voeder heeft gehad als het zieke rund in zijn eerste levensjaar.
10 Punt 7 van de considerans van verordening nr. 1326/2001 luidt:
„Bijlage VII bij verordening (EG) nr. 999/2001 bevat nadere voorschriften voor de maatregelen die moeten worden genomen na bevestiging van de aanwezigheid van een TSE. Deze voorschriften dienen te worden bijgewerkt in het licht van de uitvoerige technische bepalingen inzake uitroeiing die door de lidstaten worden toegepast, met inachtneming van het advies van de Wetenschappelijke Stuurgroep inzake het ruimen van runderen in verband met BSE van 15 september 2000. De Wetenschappelijke Stuurgroep concludeerde in dit advies dat het ruimen van het (hele) beslag al enig effect heeft, doordat een aantal anders niet geconstateerde gevallen worden geëlimineerd en verdere gevallen worden voorkomen. Vrijwel hetzelfde effect kan echter worden bereikt door het ruimen van alle dieren die in de periode van ongeveer twaalf maanden voor tot twaalf maanden na de geboorte van het indexgeval in dezelfde beslagen als het bevestigde geval zijn geboren en/of gehouden (ruimen van de geboortecohort). De Wetenschappelijke Stuurgroep adviseerde om wanneer zich een inheems BSE-geval voordoet ten minste de geboortecohort te ruimen, ongeacht de heersende epizoötiologische situatie. Daarom moeten de nadere bepalingen inzake uitroeiing in die zin worden gewijzigd dat het ruimen van het hele beslag facultatief wordt, al naar de heersende situatie ter plaatse.”
Het hoofdgeding en de prejudiciële vraag
11 Op 29 januari 2002 is bij een test op een geslacht rund uit de veestapel van Staebelow BSE vastgesteld. Vervolgens zijn twee rechtstreekse nakomelingen van het besmette rund en vijftig dieren uit zijn cohort achterhaald.
12 Bij beslissing van 5 februari 2002 heeft de Landrat gelast de 52 runderen onmiddellijk te doden. Staebelow heeft bezwaar gemaakt tegen dit bevel, maar dit is bij beslissing van 13 februari 2002 ongegrond verklaard.
13 Staebelow is op 13 maart 2002 tegen deze beslissing in beroep gegaan bij het Verwaltungsgericht Schwerin.
14 Een eerder verzoek om voorlopige maatregelen was zowel door deze rechter als in hoger beroep door het Oberverwaltungsgericht Mecklenburg-Vorpommern afgewezen. De beslissing van de Landrat is bijgevolg ten uitvoer gelegd. De runderen zijn op 4 april 2002 gedood en zij zijn volledig vernietigd.
15 Staebelow zet de hoofdprocedure voort om te doen verklaren dat het bevel tot doding onrechtmatig is. Zij vreest dat de Landrat in een vergelijkbare situatie weer zal gelasten de runderen uit dezelfde cohort en de afstammelingen van het besmette rund te doden. Daar zij nog steeds runderen houdt en fokt, is de kans dat opnieuw een dergelijke beslissing wordt genomen, in zoverre voldoende concreet. Deze verklaring is voor haar ook om rehabilitatieredenen van belang.
16 Voor het Verwaltungsgericht Schwerin betoogt Staebelow dat de communautaire regelgeving ongeldig is, omdat zij het evenredigheidsbeginsel schendt.
17 Zij voert in de eerste plaats aan dat de verwijdering van gespecificeerd risicomateriaal, dat wil zeggen de delen van het dier waarin prionen geconcentreerd zouden zijn, voorkomt dat met prionen besmette weefsels in de voedselketen terechtkomen.
18 Staebelow beroept zich ook op cijfers van het Bundesverbraucherministerium (bondsministerie van Bescherming van de verbruiker), die inzake de BSE-testresultaten in 2001, in 2002 en in januari 2003 te kennen geven:
– in 2001 bedroeg het percentage positieve BSE-gevallen onder de gezond geslachte dieren 0,0014 % (38 positieve gevallen op 2 593 260 gecontroleerde dieren). Onder de in het kader van de uitroeiing van BSE gedode dieren bedroeg het percentage 0,0446 % (4 positieve gevallen op 8 952 dieren);
– in 2002 bedroeg het percentage positieve BSE-gevallen onder de gezond geslachte dieren 0,0015 % (42 positieve gevallen op 2 759 984 gecontroleerde dieren). Onder de in het kader van de uitroeiing van BSE gedode dieren bedroeg het percentage 0,1185 % (3 positieve gevallen op 2 530 dieren);
– van januari tot oktober 2003 zijn 779 dieren gedood in het kader van het ruimen van cohorten. Er was slechts één ander positief geval onder deze dieren.
19 Op basis van een advies van 15 december 2003 van professor Staufenbiel van de leerstoel diergeneeskunde van de Freie Universität Berlin, leidt Staebelow uit deze gegevens af dat de resultaten niet significant verschillen, zodat het ruimen van de cohort ongeschikt kan worden geacht.
20 Ten slotte betoogt Staebelow dat de snelle BSE-tests 100 % zeker zijn, zodat de besmette dieren uit de cohort hoe dan ook bij de normale slachting van de dieren zouden zijn ontdekt.
21 In deze omstandigheden heeft het Verwaltungsgericht Schwerin de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Is artikel 13, lid 1, eerste zin, sub c, juncto bijlage VII, punten 2, sub a, en 1, sub a, derde streepje, van verordening (EG) nr. 999/2001 […], in de versie van artikel 3, punt 1, en bijlage II van verordening (EG) nr. 1326/2001 ongeldig, omdat dit voorschrift het evenredigheidsbeginsel schendt?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
Bij het Hof ingediende opmerkingen
22 Op basis van diverse wetenschappelijke artikelen betoogt Staebelow dat de verplichting tot ruiming van de cohort van het zieke dier om de in de verwijzingsbeslissing vermelde redenen het evenredigheidsbeginsel schendt, aangezien deze maatregel niet wezenlijk bijdraagt tot de bescherming van de verbruiker. De fokkers ontvangen weliswaar een vergoeding, maar deze dekt de immateriële schade onvoldoende. De communautaire wetgever heeft geen rekening gehouden met de per lidstaat verschillende bedrijfsstructuur. Ook moet rekening worden gehouden met het verbod om een dier zonder noodzaak te doden alsmede met de door de Duitse grondwet gewaarborgde dierenbescherming.
23 Staebelow betoogt ook dat niet is aangetoond dat er een verband bestaat tussen BSE en de gevaren voor de volksgezondheid, welke volgens preciseringen van bepaalde wetenschappers hoe dan ook gering zijn.
24 Staebelow benadrukt ook dat de communautaire wetgever de door hem voorgeschreven maatregelen voortdurend moet verifiëren en rekening moet houden met de ontwikkeling van de wetenschappelijke gegevens.
25 De Griekse en de Nederlandse regering, het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen betogen daarentegen dat de verplichting tot ruiming van de cohort van een besmet dier het evenredigheidsbeginsel niet schendt.
26 Om te beginnen herinneren zij aan de ruime beoordelingsbevoegdheid van de communautaire wetgever, het hoge niveau van bescherming van de volksgezondheid dat moet worden gewaarborgd bij de vaststelling en uitvoering van het beleid en de maatregelen van de Gemeenschap, het belang van het voorzorgsbeginsel en het feit dat de rechtmatigheid van een handeling moet worden beoordeeld aan de hand van de situatie zoals die bestond op de datum waarop de handeling is vastgesteld. Dienaangaande merken zij op dat de voor de verwijzende rechter aangevoerde gegevens zien op een situatie na die van de vaststelling van verordening nr. 999/2001.
27 Deze regeringen en deze gemeenschapsinstellingen herinneren ook aan de ontwikkeling van de communautaire regelgeving ter bestrijding van BSE en TSE’s in het algemeen. Ter terechtzitting hebben deze instellingen uiteengezet dat, anders dan verzoekster in het hoofdgeding beweert, een maatregel als de verplichting om de cohort te doden en de dieren te vernietigen, niet enkel is ingegeven door de bescherming van de verbruiker, maar ook door de doelstelling, BSE uit te roeien.
28 Voormelde regeringen en instellingen benadrukken dat bij de vaststelling van verordening nr. 1326/2001 rekening is gehouden met het advies van 15 september 2000 van de Wetenschappelijke Stuurgroep, zoals punt 7 van de considerans van deze verordening preciseert. In dit verband brengen zij in herinnering dat verordening nr. 999/2001 in haar oorspronkelijke versie voorzag in de ruiming van het hele beslag van het bedrijf van het dier waarbij de ziekte was bevestigd. Na het advies van de Wetenschappelijke Stuurgroep en nog voordat verordening nr. 999/2001 van toepassing was, is bijlage VII gewijzigd teneinde enkel het ruimen van de cohort te vereisen.
29 Zij merken op dat de noodzaak om de cohort te ruimen meermaals is bevestigd door diverse wetenschappelijke comités. In dit verband vermelden zij de conclusies en voornaamste aanbevelingen van het gezamenlijk technisch overleg tussen de Wereldgezondheidsorganisatie, de Wereldvoedselorganisatie en de Wereldorganisatie voor Diergezondheid in verband met BSE: Volksgezondheid, diergezondheid en handel (Consultation technique conjointe OMS/FAO/OIE sur l'encéphalopathie spongiforme bovine: Santé publique, santé animale et commerce) (OIE, Parijs, 11-14 juni 2001), het advies van de Wetenschappelijke Stuurgroep van 11 januari 2002 over de bijkomende garantie die verschillende dodingsregelingen bieden onder de huidige voorwaarden in het Verenigd Koninkrijk en Duitsland (Opinion on the additional safeguard provided by different culling schemes under the current conditions in the UK and DE) alsmede het advies van 21 april 2004 van het Wetenschappelijk Panel voor biologische gevaren, op verzoek van de Commissie, inzake het ruimen van runderen in verband met BSE [Opinion of the Scientific Panel on Biological Hazards on a request from the Commission on BSE-related Culling in Cattle (question Nº EFSA-Q-2003-098) […].
30 Wat de voor de verwijzende rechter aangevoerde argumenten betreft, betogen zij dat er ten tijde van de vaststelling van verordening nr. 999/2001 weinig bekend was over de verspreiding van de besmetting in het lichaam en de organen van een ziek dier. Hoe dan ook volstaat de verwijdering van gespecificeerd risicomateriaal niet als beschermingsmaatregel, aangezien niet kan worden uitgesloten dat besmet weefsel in de voedselketen terechtkomt wanneer de hygiënevoorschriften ontoereikend zijn.
31 De regeringen en de gemeenschapsinstellingen herinneren er bovendien aan dat BSE aan de hand van de snelle tests niet kan worden ontdekt tijdens de incubatieperiode, maar enkel wanneer zij in een zeer vergevorderd stadium is.
32 Zij zijn het niet eens met de conclusies die Staebelow uit de statistische gegevens trekt. Deze bewijzen daarentegen dat er meer kans is op positieve BSE-gevallen onder de gezond geslachte dieren uit de cohort van een ziek dier. Zo waren er, uitgaande van de door de verwijzende rechter verstrekte cijfers, in 2001 31,85 keer (0,0446 % gedeeld door 0,0014 %) meer positieve gevallen in het kader van het ruimen van cohorten dan in het kader van genoemde tests. In 2002 waren er 79 keer meer positieve gevallen (0,1185 % gedeeld door 0,0015 %).
33 Gelet op deze verschillende elementen vinden voormelde regeringen en instellingen dat de verplichting tot ruiming van de betrokken cohort noodzakelijk is voor de bescherming van de gezondheid van mens en dier en dat met de andere maatregelen niet hetzelfde resultaat kan worden bereikt. Rekening houdend met het feit dat de fokkers krachtens artikel 13, lid 4, van verordening nr. 999/2001 een vergoeding ontvangen, is deze maatregel niet onevenredig aan het nagestreefde doel.
34 Zij preciseren ook dat de communautaire regelgeving is aangepast naarmate de wetenschappelijke kennis is ontwikkeld. Zo is bijlage VII bij verordening nr. 999/2001 in 2002, in 2003 en in 2004 gewijzigd, juist om de maatregelen inzake de ruiming te versoepelen.
Antwoord van het Hof
35 Het evenredigheidsbeginsel, dat deel uitmaakt van de algemene beginselen van gemeenschapsrecht, vereist dat handelingen van de communautaire instellingen niet verder gaan dan geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de legitieme doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd, met dien verstande dat, wanneer een keuze uit verschillende geschikte maatregelen mogelijk is, de minst belastende moet worden gekozen, en de veroorzaakte nadelen niet onevenredig mogen zijn aan de nagestreefde doelstellingen (arresten van 13 november 1990, Fedesa e.a., C‑331/88, Jurispr. blz. I‑4023, punt 13; 5 oktober 1994, Crispoltoni e.a., C‑133/93, C‑300/93 en C‑362/93, Jurispr. blz. I‑4863, punt 41; 5 mei 1998, National Farmers’ Union e.a., C‑157/96, Jurispr. blz. I‑2211, punt 60, en 12 juli 2001, Jippes e.a., C‑189/01, Jurispr. blz. I‑5689, punt 81).
36 Wat het rechterlijk toezicht op de voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van dit beginsel betreft, is, gelet op de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de communautaire wetgever beschikt op een gebied als het onderhavige, waarin van hem politieke, economische en sociale keuzes worden verlangd en waarin hij ingewikkelde beoordelingen moet maken, een op dit gebied vastgestelde maatregel slechts onrechtmatig wanneer hij kennelijk onevenredig is aan het door de bevoegde instellingen nagestreefde doel (arrest van 6 december 2005, ABNA e.a., C‑453/03, C‑11/04, C‑12/04 en C‑194/04, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 69).
37 Bij het onderzoek van de belasting die verschillende mogelijke maatregelen meebrengen, moet worden nagegaan of, naast de hoofddoelstelling van bescherming van de volksgezondheid, de communautaire wetgever ten volle rekening heeft gehouden met alle in geding zijnde belangen, inzonderheid met het eigendomsrecht en hetgeen vereist is voor het welzijn van dieren (arrest van 10 maart 2005, Tempelman en Van Schaijk, C‑96/03 en C‑97/03, Jurispr. blz. I‑1895, punt 48).
38 Voorts moet eraan worden herinnerd dat de geldigheid van een communautaire handeling niet kan afhangen van beoordelingen achteraf met betrekking tot de graad van doeltreffendheid van die handeling. Wanneer de communautaire wetgever de toekomstige gevolgen van een vast te stellen regeling dient te beoordelen en die gevolgen niet met zekerheid zijn te voorzien, kan zijn beoordeling slechts worden afgekeurd indien zij, gelet op de gegevens waarover de wetgever ten tijde van de vaststelling van de betrokken regeling beschikte, kennelijk onjuist is (arrest Jippes e.a., reeds aangehaald, punt 84).
39 Wanneer onzekerheid rijst over het bestaan of de omvang van de gevaren voor de gezondheid van personen, kunnen de instellingen op basis van het voorzorgs‑ en preventiebeginsel beschermingsmaatregelen nemen zonder te hoeven wachten totdat deze gevaren en de ernst ervan ten volle vaststaan (zie in die zin arrest National Farmers’ Union e.a., reeds aangehaald, punt 63).
40 Wanneer daarentegen nieuwe elementen een ander licht werpen op een gevaar of aantonen dat dit gevaar kan worden ingeperkt door minder belastende maatregelen dan de bestaande, staat het aan de instellingen, met name aan de Commissie, die het initiatiefrecht heeft, erop toe te zien dat de regelgeving aan de nieuwe gegevens wordt aangepast.
41 Bij de vaststelling van de in verordening nr. 999/2001 neergelegde voorschriften is ervan uitgegaan dat er een verband bestond tussen BSE en de nieuwe variant van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob. Uit punt 1 van de considerans blijkt namelijk dat „[d]e bewijzen dat het BSE-agens gelijkenis vertoont met het agens dat verantwoordelijk is voor de nieuwe variant van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob […] zich op[stapelen]”. In dit verband merkt verzoekster in het hoofdgeding weliswaar op dat het causale verband tussen dit agens en deze ziekte niet vaststaat, maar zij betwist niet dat er een geografische en temporele correlatie bestaat tussen het optreden van BSE en dat van de variant van deze ziekte, die een aanwijzing vormt voor een dergelijk verband.
42 Zoals blijkt uit punt 4 van de considerans van deze verordening, zijn de daarin neergelegde voorschriften gebaseerd op diverse wetenschappelijke adviezen waarin wordt aanbevolen de blootstelling van mens en dier aan producten van besmette dieren te voorkomen. De stand van de wetenschappelijke kennis in dit verband ten tijde van de vaststelling van deze verordening blijkt met name uit bovenvermelde gezamenlijk technisch overleg tussen de Wereldgezondheidsorganisatie, de Wereldvoedselorganisatie en de Wereldorganisatie voor Diergezondheid inzake BSE van 2001, volgens hetwelk „wetenschappers het erover eens zijn dat voeding de voornaamste bron vormt van blootstelling” aan BSE (zie blz. 4 van dit overleg).
43 Gelet op deze elementen moeten de maatregelen die de communautaire wetgever heeft genomen om de blootstelling van mens en dier aan het BSE-agens te verminderen, zoals het doden en vernietigen van de cohort van een besmet dier, geschikt worden geacht voor het nastreven van de doelstelling van bescherming van de volksgezondheid.
44 Ten tijde van de vaststelling van het voorschrift de cohort te ruimen, was een dergelijke maatregel niet overbodig in het licht van de overige beschermingsmaatregelen die toen bestonden. Hieromtrent dient eraan te worden herinnerd dat het totale verbod op het gebruik van diermeel in de voeding van dieren pas sinds 1 maart 2001 van toepassing is, overeenkomstig artikel 3 van beschikking 2001/25/EG van de Commissie van 27 december 2000 houdende een verbod op het gebruik van bepaalde dierlijke bijproducten in diervoeders (PB 2001, L 6, blz. 16).
45 Zoals blijkt uit het in punt 7 van de considerans van verordening nr. 1326/2001 bedoelde advies van de Wetenschappelijke Stuurgroep van 15 september 2000, is het aan de hand van tests op runderen overigens niet mogelijk om de ziekte aan het begin van de incubatieperiode te ontdekken.
46 Wat de evenredigheid van de litigieuze maatregel ten tijde van de feiten van het hoofdgeding betreft, volstaat het vast te stellen dat de artikelen 23 en 24 van verordening nr. 999/2001 de eventuele aanpassing van deze maatregel weliswaar in beginsel toestonden, maar dat voormeld advies van 11 januari 2002, dat ondertussen door de Wetenschappelijke Stuurgroep was vastgesteld, de hiervóór aangehaalde bevinding van het advies van 15 september 2000 bevestigde. In dit nieuwe advies benadrukte de Wetenschappelijke Stuurgroep bovendien dat maatregelen als het verbod op diermeel in de voeding van runderen en de verwijdering van bepaald slachtafval, het gevaar voor de volksgezondheid slechts verminderden indien zij doeltreffend werden uitgevoerd, en dat zelfs kleine nalatigheden een significante vermindering van het veiligheidsniveau konden meebrengen.
47 Zo heeft de Wetenschappelijke Stuurgroep in antwoord op de vraag of het behoud van de verplichting tot ruiming van de cohort ondanks het bestaan van andere maatregelen nuttig was, in genoemd advies van 11 januari 2002 bevestigd dat met het doden van risicodieren het gevaar voor de mens kleiner werd dan het risiconiveau dat met het gebruik van de snelle tests en de verwijdering van bepaald slachtafval werd bereikt (zie blz. 4 van dit advies).
48 Wat in dit verband de door verzoekster in het hoofdgeding voor de verwijzende rechter voorgelegde statistieken betreft, volstaat het vast te stellen, in navolging van de regeringen en de communautaire instellingen die opmerkingen hebben ingediend, dat zij aantonen dat er meer besmette dieren voorkomen in de geboortecohorten van besmette runderen dan in de gewone runderpopulatie. Door het Scientific Panel on Biological Hazards in voormeld rapport van 21 april 2004 onderzochte statistieken bevestigen deze conclusie (zie blz. 1 van dit rapport).
49 Bovendien was de per lidstaat verschillende bedrijfsstructuur geen relevant element waarmee de communautaire wetgever rekening had moeten houden bij de vaststelling van de bestreden maatregel. Aangezien de noodzaak om de cohort te ruimen gebaseerd was op het vermoeden dat de dieren uit deze cohort dezelfde voeding hadden gekregen als het besmette dier, hoefde er immers geen onderscheid te worden gemaakt al naar gelang de cohort slechts 20 of meer dan 500 dieren telde.
50 Daarenboven bepaalt artikel 13, lid 4, van verordening nr. 999/2001 dat de eigenaars van de overeenkomstig lid 1, sub c, van dit artikel vernietigde dieren onverwijld worden vergoed.
51 Ten slotte moet worden benadrukt dat, zoals blijkt uit punt 7 van de considerans van verordening nr. 1326/2001, de aanvankelijk door verordening nr. 999/2001 voorgeschreven maatregel, te weten de vernietiging van het hele beslag van een besmet rund, is versoepeld om rekening te houden met het advies van de Wetenschappelijke Stuurgroep van 15 september 2000 inzake het ruimen van runderen in verband met BSE, volgens hetwelk vrijwel hetzelfde resultaat kon worden bereikt door enkel de geboortecohort van het besmette dier te ruimen in plaats van het hele beslag.
52 Gelet op het voorgaande is het voorschrift waarbij wordt opgelegd de cohort van een besmet rund te doden en te vernietigen, zoals dit voortvloeit uit verordening nr. 999/2001, gewijzigd bij verordening nr. 1326/2001, niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel, aangezien het niet verder gaat dan geschikt en noodzakelijk was om de gezondheid van mens en dier te beschermen.
53 Bijgevolg moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat bij onderzoek ervan niet is gebleken van feiten of omstandigheden die gelet op het evenredigheidsbeginsel de geldigheid kunnen aantasten van artikel 13, lid 1, eerste zin, sub c, van verordening nr. 999/2001, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1326/2001, juncto bijlage VII, punten 2, sub a, en 1, sub a, derde streepje, van deze verordening.
Kosten
54 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Derde kamer) verklaart voor recht:
Bij onderzoek van de gestelde vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die gelet op het evenredigheidsbeginsel de geldigheid kunnen aantasten van artikel 13, lid 1, eerste zin, sub c, van verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1326/2001 van de Commissie van 29 juni 2001 tot vaststelling van overgangsmaatregelen met het oog op de overgang op verordening nr. 999/2001, en tot wijziging van de bijlagen VII en XI bij die verordening, juncto bijlage VII, punten 2, sub a, en 1, sub a, derde streepje, van deze verordening.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy