Zaak C‑161/04
Republiek Oostenrijk
tegen
Europees Parlement en Raad van de Europese Unie
„Doorhaling”
Conclusie van advocaat-generaal L. A. Geelhoed van 26 januari 2006
Beschikking van de president van de Eerste kamer van het Hof van 6 september 2006
BESCHIKKING VAN DE PRESIDENT VAN DE EERSTE KAMER VAN HET HOF VAN JUSTITIE
6 september 2006 (*)
„Doorhaling”
- 758 432 -
In zaak C‑161/04,
betreffende een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230 EG, ingesteld op 30 maart 2004,
Republiek Oostenrijk, vertegenwoordigd door H. Dossi en E. Riedl als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door M. Gómez-Leal en U. Rösslein als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
en
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door A. Lopes Sabino en J.‑P. Hix als gemachtigden,
verweerders,
ondersteund door
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door W. Wils en G. Braun als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënte,
geeft
DE PRESIDENT VAN DE EERSTE KAMER VAN HET HOF VAN JUSTITIE,
advocaat-generaal L. A. Geelhoed gehoord,
de navolgende
Beschikking
1 Bij op 3 juli 2006 ter griffie van het Hof neergelegde brief heeft de Republiek Oostenrijk het Hof overeenkomstig artikel 78 van het Reglement voor de procesvoering meegedeeld dat zij afstand doet van instantie.
2 Bij op 14 juli 2006 ter griffie van het Hof neergelegde brief heeft het Parlement krachtens artikel 69, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering verzocht de Republiek Oostenrijk in de kosten te verwijzen.
3 De Raad heeft geen opmerkingen over deze afstand ingediend binnen de gestelde termijn.
4 Volgens artikel 69, lid 5, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering wordt de partij die afstand doet van instantie in de proceskosten veroordeeld voor zover dit door de wederpartij in haar opmerkingen op de afstand is gevorderd.
5 Bijgevolg dient de Republiek Oostenrijk te worden veroordeeld in de kosten van het Parlement.
6 Aangezien de Raad geen kostenveroordeling van de Republiek Oostenrijk heeft gevorderd, zal de Raad zijn eigen kosten dragen.
7 Volgens artikel 69, lid 4, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering dragen de lidstaten en de instellingen die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten.
8 Bijgevolg zal de Commissie haar eigen kosten dragen.
De president van de Eerste kamer van het Hof van Justitie beschikt:
1) Zaak C‑161/04 wordt doorgehaald in het register van het Hof.
2) De Republiek Oostenrijk wordt veroordeeld in de kosten van het Europees Parlement.
3) De Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen dragen ieder hun eigen kosten.
Luxemburg, 6 september 2006.
De griffier
De president van de Eerste kamer
R. Grass
P. Jann
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy