Zaak C‑447/04
Autohaus Ostermann GmbH
tegen
VAV Versicherungs AG
(verzoek van het Landesgericht Innsbruck om een prejudiciële beslissing)
„Artikel 104, lid 3, tweede alinea, van Reglement voor procesvoering – Verzekering wettelijke aansprakelijkheid motorrijtuigen – Richtlijn 2000/26/EG – Termijn voor onderzoek van schadeclaims door verzekeringsmaatschappij”
Beschikking van het Hof (Tweede kamer) van 1 december 2005
Samenvatting van de beschikking
Vrij verrichten van diensten – Verzekering wettelijke aansprakelijkheid motorrijtuigen – Richtlijn 2000/26 – Afwikkeling van ongevallen – Termijn voor onderzoek van schadeclaims door verzekeringsmaatschappij – Nationale rechtsregel die benadeelde mogelijkheid biedt rechtsvordering in te stellen nadat redelijke termijn, korter dan door richtlijn gestelde termijn, is verstreken – Toelaatbaarheid
(Richtlijn 2000/26 van het Europees Parlement en de Raad, art. 4, lid 6)
Artikel 4, lid 6, van richtlijn 2000/26 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en houdende wijziging van de richtlijnen 73/239 en 88/357 (Vierde richtlijn motorrijtuigenverzekering) bepaalt dat de verzekeringsonderneming van degene die aansprakelijk is, binnen drie maanden na de datum waarop de benadeelde zijn verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend, gehouden is naar gelang van het geval een met redenen omkleed voorstel tot schadevergoeding voor te leggen of een met redenen omkleed antwoord te geven op alle punten van het verzoek.
Deze bepaling verzet zich niet tegen een nationale rechtsregel die de benadeelde de mogelijkheid biedt een rechtsvordering tegen een verzekeringsmaatschappij in te stellen nadat een redelijke betalingstermijn, korter dan deze termijn van drie maanden, is gesteld.
Het zou namelijk in strijd zijn met het door artikel 4, lid 6, van richtlijn 2000/26 nagestreefde doel van bescherming van de benadeelde om de termijn van drie maanden aldus uit te leggen dat de benadeelde ook in een eenvoudige feitelijke en juridische situatie vóór het verstrijken van deze termijn geen afwikkeling van de schade door de verzekeraar kan verkrijgen.
(cf. punten 26, 28 en dictum)
BESCHIKKING VAN HET HOF (Tweede kamer)
1 december 2005 (*)
„Artikel 104, lid 3, tweede alinea, van Reglement voor de procesvoering – Verzekering wettelijke aansprakelijkheid motorrijtuigen – Richtlijn 2000/26/EG – Termijn voor onderzoek van schadeclaims door verzekeringsmaatschappij”
In zaak C‑447/04,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Landesgericht Innsbruck (Oostenrijk) bij beschikking van 30 september 2004, ingekomen bij het Hof op 27 oktober 2004, in de procedure
Autohaus Ostermann GmbH
tegen
VAV Versicherungs AG,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans (rapporteur), kamerpresident, R. Schintgen, R. Silva de Lapuerta, G. Arestis en J. Klučka, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger,
griffier: R. Grass,
na de verwijzende rechterlijke instantie ervan in kennis te hebben gesteld dat het Hof voornemens is, overeenkomstig artikel 104, lid 3, van zijn Reglement voor de procesvoering te beslissen bij met redenen omklede beschikking,
na de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie bedoelde belanghebbenden te hebben verzocht, hun eventuele opmerkingen dienaangaande in te dienen,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4, lid 6, van richtlijn 2000/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 mei 2000 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en houdende wijziging van de richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG van de Raad (Vierde richtlijn motorrijtuigenverzekering) (PB L 181, blz. 65).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Autohaus Ostermann GmbH, verzoekster in het hoofdgeding (hierna: „Ostermann”), en VAV Versicherungs AG, verweerster in het hoofdgeding (hierna: „VAV”), over de kosten van de afwikkeling van de gevolgen van een verkeersongeval.
Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapsregeling
3 De achttiende overweging van de considerans van richtlijn 2000/26 luidt:
„Het is passend om, in aanvulling op de aanwezigheid in het land van woonplaats van de benadeelde van een vertegenwoordiger van de verzekeringsonderneming, ook het specifieke recht van de benadeelde op een snelle afwikkeling van de vordering te garanderen. Bijgevolg moeten de nationale wetgevingen voorzien in passende, afdoende en systematische financiële of daaraan gelijkwaardige administratieve sancties – zoals met administratieve geldboeten gecombineerde dwangbevelen, regelmatige rapportage aan toezichthoudende autoriteiten, controles ter plaatse, bekendmakingen in het nationale publicatieblad en in de pers, schorsing van de werkzaamheden van de verzekeringsonderneming (verbod om gedurende een bepaalde periode nieuwe contracten af te sluiten), aanwijzing van een speciale vertegenwoordiger van de toezichthoudende autoriteiten die moet nagaan of het bedrijf conform de verzekeringswetgeving wordt uitgeoefend, intrekking van de vergunning voor deze branche, sancties tegen bestuurders en kaderpersoneel en tegen de verzekeringsonderneming – voor het geval de verzekeringsonderneming, of haar schaderegelaar, de verplichting om binnen een redelijke termijn een voorstel tot schadevergoeding voor te leggen, niet nakomt. Dit dient de toepassing van andere nodig geachte maatregelen – met name maatregelen krachtens de toezichtswetgeving – onverlet te laten. De verzekeringsonderneming kan evenwel enkel dan binnen de voorgeschreven termijn een met redenen omkleed voorstel doen, wanneer over de aansprakelijkheid en de geleden schade geen betwisting bestaat. Het met redenen omklede voorstel tot schadevergoeding moet schriftelijk worden gedaan en moet de gronden bevatten waarop de aansprakelijkheid en de schade werden vastgesteld.”
4 Richtlijn 2000/26 bepaalt in artikel 1 „Toepassingsgebied”:
„1. Deze richtlijn heeft tot doel bijzondere bepalingen vast te stellen die van toepassing zijn op benadeelden die aanspraak kunnen maken op vergoeding van materiële schade of lichamelijk letsel ten gevolge van ongevallen die zich hebben voorgedaan in een andere lidstaat dan de lidstaat van hun woonplaats en veroorzaakt zijn door de deelneming aan het verkeer door voertuigen die gewoonlijk zijn gestald en verzekerd in een lidstaat.
[...]
2. De artikelen 4 en 6 zijn slechts van toepassing met betrekking tot ongevallen die veroorzaakt zijn door het gebruik van een voertuig dat
a) verzekerd is via een vestiging in een andere lidstaat dan die van de woonplaats van de benadeelde en
b) gewoonlijk is gestald in een andere lidstaat dan die van de woonplaats van de benadeelde.
[...]”
5 In artikel 4 van richtlijn 2000/26, „Schaderegelaar”, is bepaald:
„[...]
6. De lidstaten stellen verplicht dat – op straffe van passende, afdoende en systematische financiële of daaraan gelijkwaardige administratieve sancties en binnen drie maanden na de datum waarop de benadeelde zijn verzoek tot schadevergoeding hetzij rechtstreeks bij de verzekeringsonderneming van degene die dat ongeval heeft veroorzaakt, hetzij bij haar schaderegelaar heeft ingediend –,
a) de verzekeringsonderneming van degene die het ongeval heeft veroorzaakt of haar schaderegelaar een met redenen omkleed voorstel tot schadevergoeding voorlegt, wanneer de aansprakelijkheid niet wordt betwist en de schade is gekwantificeerd, of
b) de verzekeringsonderneming tot wie het verzoek tot schadevergoeding is gericht of haar schaderegelaar, een met redenen omkleed antwoord geeft op alle punten van het verzoek tot schadevergoeding wanneer de aansprakelijkheid wordt betwist of de schade niet volledig is gekwantificeerd.
De lidstaten nemen bepalingen aan om ervoor te zorgen dat, indien geen voorstel is voorgelegd binnen de termijn van drie maanden over de door de verzekeringsonderneming voorgestelde of door de rechter toegewezen vergoeding interest verschuldigd is.
[...]”
6 Artikel 10, lid 4, van richtlijn 2000/26, „Omzetting”, preciseert:
„De lidstaten mogen in overeenstemming met het Verdrag bepalingen handhaven of invoeren die voor de benadeelde gunstiger zijn dan de bepalingen die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen.”
Nationale regeling
7 De wet inzake de aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen van 19 augustus 1994 (Kraftfahrzeug-Haftpflichtversicherungsgesetz, BGBl. nr 651/1994, in de gewijzigde en in het BGBl. I, nr. 11/2002 gepubliceerde versie; hierna: „KHVG”), bepaalt in § 29a:
„(1) De verzekeraar of zijn overeenkomstig § 12a VAG [wet toezicht verzekeringswezen (Versicherungsaufsichtsgesetz)] aangewezen schaderegelaar moet de benadeelde binnen drie maanden nadat deze een schadegeval heeft aangegeven, een voorstel tot schadevergoeding voorleggen wanneer de grondslag en het bedrag ervan niet worden betwist.
(2) Indien de verzekeraar of zijn schaderegelaar de vergoedingsplicht betwist of het onderzoek tot vaststelling van de vergoedingsplicht binnen de in lid 1 gestelde termijn nog niet is afgesloten, moeten zij de benadeelde binnen de in lid 1 gestelde termijn schriftelijk de redenen daarvan meedelen.
[...]
(4) Indien de verzekeraar of zijn schaderegelaar hun verplichtingen krachtens de leden 1 en 2 niet nakomen, heeft de benadeelde recht op de wettelijke rente vanaf uiterlijk het verstrijken van de in lid 1 bedoelde termijn.”
Het hoofdgeding en de prejudiciële vraag
8 Op 3 februari 2004 heeft zich op het gebied van de stad Innsbruck een verkeersongeval tussen twee motorrijtuigen met Oostenrijks kenteken voorgedaan. De eigenares van een van deze motorrijtuigen liet de schade herstellen bij Ostermann, aan wie zij haar rechten jegens VAV, een in Wenen gevestigde verzekeringsmaatschappij, cedeerde
9 Bij brief van 19 februari 2004 verzocht de vertegenwoordiger van Ostermann van VAV om vóór 2 maart 2004 verschillende bedragen, namelijk 2 206,39 EUR herstelkosten, 156 EUR expertisekosten, 36 EUR bijkomende kosten van het ongeval, alsook de kosten van de vertegenwoordiger van Ostermann te betalen.
10 Daar VAV niet binnen de gestelde termijn reageerde, gaf het Bezirksgericht Innsbruck op verzoek van Ostermann op 19 maart 2004 een bevelschrift tot betaling van een bedrag van 2 407,39 EUR, vermeerderd met 5,5 % rente vanaf 2 maart 2004. Het betalingsbevel werd VAV op 23 maart 2004 betekend; enige dagen daarvoor had zij de hoofdsom evenwel volledig op de rekening van de vertegenwoordiger van Ostermann gestort, waarop het op 24 maart 2004 werd bijgeschreven.
11 Daar VAV de hoofdsom had betaald, werd de vordering voor het Bezirksgericht Innsbruck beperkt tot de proceskosten. Dit gerecht heeft VAV bij beschikking van 18 juni 2004 verwezen in de kosten ten bedrage van 531,01 EUR op grond dat de verzekeraars tegen wettelijke aansprakelijkheid volgens vaste rechtspraak een schadegeval binnen een als redelijk te beschouwen termijn van 10 tot 14 kalenderdagen dienen af te wikkelen; bij een normale behandeling van het dossier mag de gelaedeerde binnen die termijn betaling verwachten. Dit gerecht verwierp het verweer van VAV, dat zij voor de afwikkeling van de schade krachtens § 29a, lid 1, KHVG over een termijn van drie maanden beschikte.
12 VAV heeft hoger beroep ingesteld bij het Landesgericht Innsbruck. Zij vordert de beschikking van het Bezirksgericht Innsbruck aldus te wijzigen, dat Ostermann wordt verwezen in de kosten ten bedrage van 404,02 EUR. Subsidiair vordert zij vernietiging van deze beschikking.
13 Volgens de verwijzende rechter gaan de §§ 41 en volgende van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Zivilprozessordnung; hierna: „ZPO”) in wezen uit van het beginsel, dat de in het ongelijk gestelde partij wordt verwezen in de gedingkosten van de in het gelijk gestelde partij. Krachtens § 45 ZPO moet evenwel de eiser de kosten van de verweerder dragen, ook al is zijn vordering gegrond, wanneer verweerder het geding niet door zijn gedrag heeft veroorzaakt en het gevorderde onmiddellijk heeft erkend.
14 Indien het juist is, zoals VAV stelt, dat de verzekeraar krachtens artikel 4, lid 6, van richtlijn 2000/26 hoe dan ook over een afwikkelingstermijn van drie maanden beschikt, dan moet Ostermann volgens § 45 ZPO de kosten dragen. Wanneer daarentegen Ostermann gelijk heeft en genoemde richtlijnbepaling aldus moet worden uitgelegd dat de benadeelde zijn schuldvordering eerder kan opeisen en aan de verzekeringsmaatschappij een redelijke betalingstermijn, korter dan drie maanden, kan stellen, dan heeft VAV het geding veroorzaakt, zodat zij de kosten moet dragen.
15 In die omstandigheden heeft het Landesgericht Innsbruck de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Dient artikel 4, lid 6, van richtlijn 2000/26 [...] aldus te worden uitgelegd dat de tot schadevergoeding aangesproken verzekeringsmaatschappij steeds over een afwikkelingstermijn van drie maanden beschikt, ook bij een eenvoudige feitelijke en juridische situatie, of dient het alleen te worden opgevat als een opeisbaarheidsbepaling die niet uitsluit dat eerder een rechtsvordering tegen de verzekeringsmaatschappij wordt ingesteld, nadat een „redelijke” betalingstermijn, die ook korter dan de termijn van drie maanden kan zijn, is gesteld?”
De prejudiciële vraag
16 Van oordeel dat over het antwoord op de gestelde vraag redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan, heeft het Hof de verwijzende rechter ervan in kennis gesteld dat het voornemens is overeenkomstig artikel 104, lid 3, tweede alinea, van zijn Reglement voor de procesvoering te beslissen bij met redenen omklede beschikking, en heeft het de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie bedoelde belanghebbenden verzocht, hun eventuele opmerkingen dienaangaande in te dienen.
17 Partijen hebben geen opmerkingen gemaakt.
18 Om te beginnen vraagt de Oostenrijkse regering zich af of het Hof bevoegd is om de gestelde vraag te beantwoorden. Richtlijn 2000/26 is volgens haar artikel 1, lid 1, namelijk van toepassing op schade ten gevolge van ongevallen die zich hebben voorgedaan in een andere lidstaat dan de lidstaat van de woonplaats van de benadeelde. De feiten van het hoofdgeding betreffen evenwel alleen Oostenrijk.
19 Dienaangaande dient te worden opgemerkt dat blijkens de verwijzingsbeschikking de Oostenrijkse wetgever bij de omzetting van richtlijn 2000/26 in nationaal recht heeft besloten om zuiver nationale situaties en die welke onder de richtlijn vallen, gelijk te behandelen.
20 Het Hof heeft zich herhaaldelijk bevoegd verklaard om uitspraak te doen op verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffende bepalingen van gemeenschapsrecht in situaties waarin de feiten van het hoofdgeding buiten de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht vielen, maar waarin deze bepalingen toepasselijk waren krachtens nationaal recht (zie met name arrest van 17 maart 2005, Feron, C‑170/03, Jurispr. blz. I‑2299, punt 11, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
21 De gestelde vraag moet dus worden beantwoord.
22 Daarmee wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4, lid 6, van richtlijn 2000/26 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale rechtsregel die de benadeelde de mogelijkheid biedt een rechtsvordering tegen een verzekeringsmaatschappij in te stellen nadat een redelijke betalingstermijn, korter dan de termijn van drie maanden bedoeld in deze bepaling, is gesteld.
23 Volgens VAV moet de gestelde vraag bevestigend worden beantwoord, terwijl Ostermann, de Oostenrijkse en de Duitse regering alsook de Commissie van de Europese Gemeenschappen het tegendeel stellen.
24 Dienaangaande dient te worden vastgesteld dat artikel 4, lid 6, van richtlijn 2000/26 niet tot doel heeft, zoals VAV stelt, de verzekeraar een redelijke termijn voor de afwikkeling van de schade te geven, maar, zoals uit de achttiende overweging van de considerans van deze richtlijn blijkt, het specifieke recht van de benadeelde op een snelle afwikkeling te garanderen.
25 Dit doel valt samen met dat van bescherming van de benadeelden, welk doel reeds ten grondslag ligt aan de richtlijnen die richtlijn 2000/26, blijkens de achtste overweging van de considerans moet aanvullen, namelijk richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PB L 103, blz. 1), de Tweede richtlijn 84/5/EEG van de Raad van 30 december 1983 (PB 1984, L 8, blz. 17) en de Derde richtlijn 90/232/EEG van de Raad van 14 mei 1990 (PB L 129, blz. 33), beide inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (zie in die zin arresten van 28 maart 1996, Ruiz Bernáldez, C‑129/94, Jurispr. blz. I-1829, punt 18, en 30 juni 2005, Candolin e.a., C‑537/03, Jurispr. blz. I‑5745, punt 18).
26 Het zou in strijd zijn met dit doel van bescherming van de benadeelde om de termijn van drie maanden van artikel 4, lid 6, van richtlijn 2000/26 aldus uit te leggen dat de benadeelde ook in een eenvoudige feitelijke en juridische situatie geen afwikkeling van de schade door de verzekeraar vóór het verstrijken van deze termijn kan verkrijgen.
27 Overigens ware een uitlegging in die zin dat artikel 4, lid 6, van richtlijn 2000/26 zich verzet tegen een nationale rechtsregel die de benadeelde de mogelijkheid biedt om betaling te eisen binnen een redelijke termijn die korter is dan voormelde termijn van drie maanden, in strijd met artikel 10, lid 4, van deze richtlijn, volgens hetwelk de lidstaten in overeenstemming met het EG-Verdrag bepalingen mogen handhaven of invoeren die voor de benadeelde gunstiger zijn dan de bepalingen die nodig zijn om aan richtlijn 2000/26 te voldoen.
28 Derhalve moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 4, lid 6, van richtlijn 2000/26 zich niet verzet tegen een nationale rechtsregel die de benadeelde de mogelijkheid biedt een rechtsvordering tegen een verzekeringsmaatschappij in te stellen nadat een redelijke betalingstermijn, korter dan de termijn van drie maanden bedoeld in deze bepaling, is gesteld.
Kosten
29 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart voor recht:
Artikel 4, lid 6, van richtlijn 2000/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 mei 2000 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en houdende wijziging van de richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG van de Raad (Vierde richtlijn motorrijtuigenverzekering), verzet zich niet tegen een nationale rechtsregel die de benadeelde de mogelijkheid biedt een rechtsvordering tegen een verzekeringsmaatschappij in te stellen nadat een redelijke betalingstermijn, korter dan de termijn van drie maanden bedoeld in deze bepaling, is gesteld.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy