Zaak T‑7/04
Shaker di L. Laudato & C. Sas
tegen
Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)
„Gemeenschapsmerk – Oppositieprocedure – Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk Limoncello della Costiera Amalfitana shaker – Ouder nationaal woordmerk LIMONCHELO – Relatieve weigeringsgrond – Verwarringsgevaar – Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94 – Hogere voorziening – Verwijzing door Hof”
Samenvatting van het arrest
1. Gemeenschapsmerk – Definitie en verkrijging van gemeenschapsmerk – Relatieve weigeringsgronden – Oppositie door houder van gelijk of overeenstemmend ouder merk dat is ingeschreven voor zelfde of soortgelijke waren of diensten – Gevaar voor verwarring met ouder merk
(Verordening nr. 40/94 van de Raad, art. 8, lid 1, sub b)
2. Gemeenschapsmerk – Definitie en verkrijging van gemeenschapsmerk – Relatieve weigeringsgronden – Oppositie door houder van gelijk of overeenstemmend ouder merk dat is ingeschreven voor zelfde of soortgelijke waren of diensten – Gevaar voor verwarring met ouder merk
(Verordening nr. 40/94 van de Raad, art. 8, lid 1, sub b)
1. In het kader van het onderzoek van een oppositie die op grond van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 inzake het gemeenschapsmerk wordt ingesteld door de houder van een ouder merk moet het onderscheidend vermogen van dit merk weliswaar in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van het verwarringsgevaar, maar het is slechts één van de elementen die bij deze beoordeling een rol spelen. Zelfs in het geval van een ouder merk met een zwak onderscheidend vermogen kan er sprake zijn van verwarringsgevaar, in het bijzonder wegens overeenstemming van de tekens en soortgelijkheid van de waren of diensten.
De stelling dat een ouder merk met een zwak onderscheidend vermogen slechts beperkte bescherming kan genieten, zou ertoe leiden dat de overeenstemming van de merken als criterium zou worden verdrongen door het onderscheidend vermogen van het oudere merk, dat daardoor overdreven betekenis zou krijgen. Dit zou tot resultaat hebben dat, zodra het oudere merk slechts zwak onderscheidend vermogen heeft, er enkel verwarringsgevaar zou bestaan indien dit merk volledig werd gereproduceerd door het merk waarvan om inschrijving wordt verzocht en zulks ongeacht de mate van overeenstemming van de betrokken tekens. Een dergelijk resultaat zou echter indruisen tegen het wezen zelf van de globale beoordeling die de bevoegde autoriteiten op grond van artikel 8, lid 1, sub b, van deze verordening moeten verrichten.
(cf. punten 56‑57)
2. Bij de gemiddelde Spaanse consument bestaat gevaar voor verwarring, in de zin van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 inzake het gemeenschapsmerk, tussen het beeldteken Limoncello della Costiera Amalfitana shaker, waarvan de inschrijving als gemeenschapsmerk is aangevraagd voor „citroenlikeuren afkomstig uit de Costiera Amalfitana” van klasse 33 in de zin van de Overeenkomst van Nice, en het woordmerk LIMONCHELO, dat in Spanje eerder is ingeschreven voor „wijnen, spiritualiën en likeuren” van dezelfde klasse in de zin van deze Overeenkomst.
Het relevante publiek blijft immers slechts een onvolmaakt beeld van de betrokken merken bij, zodat het gemeenschappelijke element ervan, het woord „limoncello” of „limonchelo”, zorgt voor een zekere overeenstemming tussen deze merken, aangezien het woord „limoncello” de totaalindruk die het aangevraagde merk bij het relevante publiek nalaat, kan domineren. Bovendien zijn de betrokken waren dezelfde.
(cf. punt 58)
ARREST VAN HET GERECHT (Eerste kamer)
12 november 2008 (*)
„Gemeenschapsmerk – Oppositieprocedure – Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk Limoncello della Costiera Amalfitana shaker – Ouder nationaal woordmerk LIMONCHELO – Relatieve weigeringsgrond – Verwarringsgevaar – Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94 – Hogere voorziening – Verwijzing door Hof”
In zaak T‑7/04,
Shaker di L. Laudato & C. Sas, gevestigd te Vietri sul Mare (Italië), vertegenwoordigd door F. Sciaudone, advocaat,
verzoekster,
tegen
Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM), vertegenwoordigd door O. Montalto en P. Bullock als gemachtigden,
verweerder,
andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM:
Limiñana y Botella, SL, gevestigd te Monforte del Cid (Spanje),
betreffende een beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 24 oktober 2003 (zaak R 933/2002‑2) inzake een oppositieprocedure tussen Limiñana y Botella, SL en Shaker di L. Laudato & C. Sas,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: V. Tiili (rapporteur), kamerpresident, F. Dehousse en I. Wiszniewska-Białecka, rechters,
griffier: J. Palacio González, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 17 juni 2008,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1 Op 20 oktober 1999 heeft verzoekster, Shaker di L. Laudato & C. Sas, bij het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) een gemeenschapsmerkaanvraag ingediend krachtens verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1), zoals gewijzigd.
2 De inschrijvingsaanvraag betreft het hieronder weergegeven beeldmerk in de kleuren blauw, hemelsblauw, geel, rood en wit volgens de beschrijving in de aanvraag:
3 Na een tussenkomst door het BHIM op 23 november 1999 en de intrekking van een klasse, behoren de waren waarvoor de inschrijving werd aangevraagd, tot de klassen 29 en 33 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd. Na een beperking zijn zij voor elk van deze klassen omschreven als volgt:
– klasse 29: „Geleien, jams, confituren”;
– klasse 33: „Citroenlikeuren afkomstig uit de Costiera Amalfitana”.
4 Op 17 april 2000 werd deze aanvraag gepubliceerd in het Blad van gemeenschapsmerken nr. 30/2000.
5 Op 1 juni 2000 heeft opposante, Limiñana y Botella, SL, krachtens artikel 42 van verordening nr. 40/94 oppositie ingesteld tegen de inschrijving van het aangevraagde merk. De oppositie was gebaseerd op Spaanse inschrijving nr. 2 020 372, die op 27 maart 1996 was aangevraagd voor het woordmerk LIMONCHELO ter aanduiding van waren van klasse 33 („Wijnen, spiritualiën en likeuren”).
6 De oppositie had betrekking op een deel van de in de gemeenschapsmerkaanvraag aangeduide waren, te weten de waren van klasse 33. Zij was gebaseerd op alle waren waarop het oudere merk betrekking had.
7 Tot staving van de oppositie werd de weigeringsgrond van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 aangevoerd.
8 Bij beslissing van 9 september 2002 heeft de oppositieafdeling de oppositie toegewezen. Zij was van oordeel dat er op het Spaanse grondgebied verwarringsgevaar bestond, gelet op het feit dat de betrokken waren dezelfde waren en de conflicterende merken visueel en fonetisch overeenstemden.
9 Op 7 november 2002 heeft verzoekster krachtens de artikelen 57 tot en met 62 van verordening nr. 40/94 bij het BHIM beroep ingesteld tegen de beslissing van de oppositieafdeling.
10 Bij beslissing van 24 oktober 2003 (hierna: „bestreden beslissing”) heeft de tweede kamer van beroep het beroep verworpen. Gelet op de gelijkenis tussen de conflicterende merken en de overeenstemming van de betrokken waren, bestond volgens haar een gevaar dat Spaanse consumenten de commerciële herkomst ervan verwarren of associëren.
Procesverloop voor het Gerecht en voor het Hof
11 Bij een op 7 januari 2004 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster beroep tot vernietiging van de bestreden beslissing ingesteld. Tot staving van haar beroep voerde zij in de eerste plaats schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 aan, in de tweede plaats misbruik van bevoegdheid en in de derde plaats schending van de motiveringsplicht.
12 Bij arrest van 15 juni 2005, Shaker/BHIM – Limiñana y Botella (Limoncello della Costiera Amalfitana shaker) (T‑7/04, Jurispr. blz. II‑2305; hierna: „arrest van het Gerecht”), heeft het Gerecht verzoeksters beroep toegewezen en de bestreden beslissing vernietigd.
13 In dit arrest heeft het Gerecht om te beginnen vastgesteld dat de waren dezelfde zijn. Vervolgens heeft het Gerecht de betrokken merken vergeleken. Het Gerecht heeft vastgesteld dat de afbeelding van het met citroenen versierde ronde bord het dominerende bestanddeel van het aangevraagde merk was (punt 59 van het arrest van het Gerecht). De woordelementen van dit merk domineerden niet op visueel vlak en de fonetische of begripsmatige kenmerken van deze elementen hoefden dus niet te worden geanalyseerd (punten 60‑64 van het arrest van het Gerecht).
14 Het feit dat de afbeelding van een met citroenen versierd rond bord de andere bestanddelen van het aangevraagde merk domineerde, voorkwam volgens het Gerecht elk gevaar voor verwarring op grond van visuele, fonetische of begripsmatige overeenstemming tussen de termen „limonchelo” en „limoncello”, die deel uitmaken van de betrokken merken (punt 66 van het arrest van het Gerecht). Ook heeft het Gerecht vastgesteld dat, aangezien het beeldelement bestaande uit het met citroenen versierde ronde bord het dominerende bestanddeel van het aangevraagde merk was, de beoordeling van de onderscheidende elementen van het oudere merk in casu van geen invloed was voor de toepassing van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94. Deze dominerende positie van een met citroenen versierd rond bord sloot immers elk gevaar voor verwarring met het oudere merk uit (punt 68 van het arrest van het Gerecht).
15 Het Gerecht heeft dus geoordeeld dat, ondanks de gelijkheid van de betrokken waren, de mate van overeenstemming van de betrokken merken onvoldoende groot was om verwarringsgevaar te doen ontstaan (punt 69 van het arrest van het Gerecht). Bijgevolg heeft het Gerecht het eerste middel toegewezen, geoordeeld dat de andere middelen niet behoefden te worden onderzocht, en de bestreden beslissing vernietigd.
16 Bij een op 9 september 2005 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft het BHIM hogere voorziening ingesteld strekkende tot vernietiging van het arrest van het Gerecht. Tot staving van zijn hogere voorziening heeft het BHIM twee middelen ingeroepen, maar het tweede heeft het in de loop van de procedure voor het Hof ingetrokken na een rectificatie door het Gerecht bij beschikking van 12 januari 2006. Het middel dat het BHIM in het kader van zijn hogere voorziening heeft aangevoerd, was ontleend aan verkeerde uitlegging en toepassing van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94.
17 Bij arrest van 12 juni 2007, BHIM/Shaker (C‑334/05 P, Jurispr. blz. I‑4529; hierna: „arrest van het Hof” of „arrest BHIM/Shaker”), heeft het Hof het arrest van het Gerecht vernietigd, de zaak naar het Gerecht verwezen en de beslissing omtrent de kosten aangehouden.
18 In zijn arrest heeft het Hof in het bijzonder gesteld:
„37 In de onderhavige zaak heeft het Gerecht in punt 49 van het bestreden arrest de aandacht gevestigd op de rechtspraak [...] volgens welke de globale beoordeling van het verwarringsgevaar moet worden gebaseerd op de totaalindruk die de betrokken tekens achterlaten.
38 In punt 54 van het bestreden arrest heeft het Gerecht evenwel opgemerkt dat indien het aangevraagde merk een samengesteld merk van visuele aard is, de beoordeling van de door dit merk opgeroepen totaalindruk alsmede de vaststelling of een bestanddeel ervan dominerend is, moeten gebeuren op basis van een visuele analyse. Het heeft hieraan toegevoegd dat in een dergelijk geval alleen voor zover een eventueel dominerend bestanddeel niet-visuele semantische aspecten bevat, dit bestanddeel dient te worden vergeleken met het oudere merk met inaanmerkingneming van deze andere semantische aspecten, zoals relevante fonetische aspecten of abstracte concepten.
39 Op basis van deze overwegingen heeft het Gerecht, in het kader van het onderzoek van de betrokken tekens, eerst vastgesteld dat het aangevraagde merk een dominerend element had bestaande in de afbeelding van een met citroenen versierd rond bord. In punten 62 tot en met 64 van het bestreden arrest heeft het daaruit vervolgens afgeleid dat de fonetische of begripsmatige kenmerken van de overige elementen van dat merk niet hoefden te worden onderzocht. In punt 66 van hetzelfde arrest heeft het ten slotte geconcludeerd dat het feit dat de afbeelding van een met citroenen versierd rond bord de andere bestanddelen van het aangevraagde merk domineerde, elk gevaar voor verwarring op grond van visuele, fonetische of begripsmatige overeenstemming van de termen ‚limonchelo’ en ‚limoncello’, die deel uitmaken van de betrokken merken, belette.
40 Met deze benadering heeft het Gerecht geen globale beoordeling van het gevaar voor verwarring van de betrokken merken gemaakt.
41 Volgens de rechtspraak van het Hof moet immers bij het onderzoek of sprake is van gevaar voor verwarring, niet slechts één bestanddeel van een samengesteld merk in de beschouwing worden betrokken en worden vergeleken met een ander merk. Bij een dergelijke vergelijking moeten de betrokken merken juist elk in hun geheel worden onderzocht, hetgeen niet uitsluit dat de totaalindruk die een samengesteld merk bij het relevante publiek nalaat, in bepaalde omstandigheden door een of meerdere bestanddelen ervan kan worden gedomineerd [...]
42 [...] alleen wanneer alle andere bestanddelen van het merk te verwaarlozen zijn, [kan] de overeenstemming op basis van enkel het dominerende bestanddeel worden beoordeeld.
43 Bijgevolg heeft het Gerecht artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 verkeerd toegepast.
44 In die omstandigheden kan het BHIM op goede gronden stellen dat het bestreden arrest blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.”
Procesverloop en conclusies van partijen na de verwijzing
19 Bij brief van 19 juni 2007 heeft de griffie van het Gerecht partijen verzocht, binnen twee maanden na de betekening van het arrest van het Hof overeenkomstig artikel 119, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht hun schriftelijke opmerkingen in te dienen over de gevolgen die in de onderhavige procedure aan dit arrest moeten worden gegeven.
20 Verzoekster en het BHIM hebben hun opmerkingen bij de griffie van het Gerecht ingediend binnen de gestelde termijn, te weten respectievelijk op 3 en 31 juli 2007. Opposante heeft binnen de gestelde termijn geen opmerkingen ingediend.
21 In haar opmerkingen concludeert verzoekster dat het het Gerecht behage:
– de bestreden beslissing te vernietigen en in die zin te herzien dat de oppositie wordt afgewezen;
– het BHIM te verwijzen in alle kosten betreffende de procedures voor het Gerecht en het Hof.
22 In zijn opmerkingen concludeert het BHIM dat het het Gerecht behage:
– primair, het beroep te verwerpen en verzoekster te verwijzen in alle kosten betreffende de procedures voor het Gerecht en het Hof;
– subsidiair, indien het BHIM ten gronde in het ongelijk wordt gesteld en rekening houdend met de toewijzing van zijn hogere voorziening door het Hof, de kosten over de partijen te verdelen of te beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen.
In rechte
23 Tot staving van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan. Volgens het eerste middel is artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 geschonden. Het tweede middel betreft misbruik van bevoegdheid en het derde schending van de motiveringsplicht.
Eerste middel: schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94
24 Verzoekster voert aan dat er geen gevaar voor verwarring van de conflicterende merken bestaat, omdat de overeenstemmingen tussen deze merken ontoereikend zijn. Bovendien heeft het oudere merk een zwak onderscheidend vermogen, aangezien het gewoon de Spaanse vertaling is van de term „limoncello”, die op algemene wijze de met citroenschillen en alcohol bereide likeur beschrijft. Volgens verzoekster heeft de kamer van beroep nagelaten om de conflicterende merken globaal te onderzoeken, door ten onrechte te menen dat de term „limoncello” het dominerende bestanddeel van het aangevraagde merk was.
25 Volgens het BHIM heeft de kamer van beroep het bestaan van verwarringsgevaar correct beoordeeld.
26 Om te beginnen dient eraan te worden herinnerd dat de geldigheid van een nationaal merk, in casu dat van opposante, niet kan worden betwist in het kader van een inschrijvingsprocedure voor een gemeenschapsmerk, maar alleen in een in de betrokken lidstaat ingeleide nietigheidsprocedure [arresten Gerecht van 23 oktober 2002, Matratzen Concord/BHIM – Hukla Germany (MATRATZEN), T‑6/01, Jurispr. blz. II‑4335, punt 55, en 13 december 2007, Xentral/BHIM – Pages jaunes (PAGESJAUNES.COM), T‑134/06, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 36]. Het merk LIMONCHELO moet dus in het kader van de onderhavige procedure worden beschouwd als een geldig merk in Spanje.
27 Volgens artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 wordt na oppositie door de houder van een ouder merk inschrijving van het aangevraagde merk geweigerd wanneer het gelijk is aan of overeenstemt met het oudere merk en betrekking heeft op dezelfde of soortgelijke waren of diensten, indien daardoor verwarring bij het publiek kan ontstaan op het grondgebied waarop het oudere merk wordt beschermd. Verwarring omvat het gevaar van associatie met het oudere merk. Verder moet volgens artikel 8, lid 2, sub a‑ii, van verordening nr. 40/94 onder oudere merken worden verstaan: de in een lidstaat ingeschreven merken waarvan de datum van de inschrijvingsaanvraag voorafgaat aan de datum van de gemeenschapsmerkaanvraag.
28 Volgens vaste rechtspraak is er sprake van verwarringsgevaar wanneer het publiek kan menen dat de betrokken waren of diensten van dezelfde onderneming of, in voorkomend geval, van economisch verbonden ondernemingen afkomstig zijn.
29 Volgens dezelfde rechtspraak dient het verwarringsgevaar globaal te worden beoordeeld, met inachtneming van de wijze waarop het relevante publiek de betrokken tekens en waren of diensten percipieert en van alle relevante omstandigheden van het concrete geval, in het bijzonder de onderlinge samenhang tussen de overeenstemming van de tekens en de soortgelijkheid van de waren of diensten waarop zij betrekking hebben [zie arrest Gerecht van 9 juli 2003, Laboratorios RTB/BHIM – Giorgio Beverly Hills (GIORGIO BEVERLY HILLS), T‑162/01, Jurispr. blz. II‑2821, punten 30‑33, en aangehaalde rechtspraak].
30 Voor deze globale beoordeling wordt de gemiddelde consument geacht normaal geïnformeerd en redelijk omzichtig en oplettend te zijn. Evenwel moet in aanmerking worden genomen dat het aandachtsniveau van de gemiddelde consument kan variëren naargelang van de soort waren of diensten waarom het gaat en dat de consument slechts zelden de mogelijkheid heeft, de verschillende merken rechtstreeks met elkaar te vergelijken, maar moet afgaan op het onvolmaakte beeld dat hem is bijgebleven [arrest Hof van 22 juni 1999, Lloyd Schuhfabrik Meyer, C‑342/97, Jurispr. blz. I‑3819, punt 26, en arrest Gerecht van 30 juni 2004, BMI Bertollo/BHIM – Diesel (DIESELIT), T‑186/02, Jurispr. blz. II‑1887, punt 38].
31 In casu is het merk waarop de oppositie was gebaseerd, een in Spanje ingeschreven nationaal merk. Bijgevolg is het voor de analyse van het verwarringsgevaar relevante grondgebied het Spaanse grondgebied.
32 Aangezien de betrokken waren gangbare consumptiegoederen zijn, bestaat het relevante publiek uit de normaal geïnformeerde en redelijk omzichtig en oplettende gemiddelde Spaanse consument.
33 Niet betwist wordt dat de waren van klasse 33 waarop de conflicterende merken betrekking hebben, dezelfde zijn. De oppositieafdeling en de kamer van beroep hebben zich immers op het standpunt gesteld dat de door het oudere merk aangeduide likeuren ook de citroenlikeuren afkomstig uit de Costiera Amalfitana omvatten. Derhalve behoeft de soortgelijkheid van de betrokken waren niet te worden onderzocht.
Vergelijking van de conflicterende tekens
34 Volgens vaste rechtspraak dient de globale beoordeling van het verwarringsgevaar wat de visuele, fonetische of begripsmatige overeenstemming van de conflicterende tekens betreft, te berusten op de totaalindruk die door de betrokken tekens wordt opgeroepen, waarbij in het bijzonder rekening dient te worden gehouden met de onderscheidende en dominerende bestanddelen ervan [zie arrest Gerecht van 14 oktober 2003, Phillips‑Van Heusen/BHIM – Pash Textilvertrieb und Einzelhandel (BASS), T‑292/01, Jurispr. blz. II‑4335, punt 47, en aangehaalde rechtspraak].
35 Verzoekster is van mening dat de conflicterende tekens niet overeenstemmen, terwijl zij volgens het BHIM wel overeenstemmen.
36 De conflicterende tekens zijn de volgende:
Ouder merk
Aangevraagd merk
LIMONCHELO
37 Het oudere merk bestaat uit één element, te weten het woordelement LIMONCHELO. Aangezien dit het enige bestanddeel van dit merk is, is verzoeksters argument dat dit woord in het Spaans gebruikelijk is geworden, van geen belang voor de vergelijking van de conflicterende tekens.
38 Het aangevraagde merk is een beeldmerk bestaande uit de term „limoncello” in het wit, de uitdrukking „della costiera amalfitana” in het geel, de term „shaker” in het blauw tegen een witte achtergrond waarbij de letter „k” een glas voorstelt, en uit de afbeelding van een groot rond bord, waarvan het midden wit is en de rand is versierd met enerzijds tekeningen van gele citroenen tegen een donkere achtergrond en anderzijds een niet-doorlopende, afwisselend turquoise en witte strook. Al deze bestanddelen van het aangevraagde merk zijn geplaatst tegen een donkerblauwe achtergrond.
39 De kamer van beroep was van oordeel dat het woord „limoncello” het dominerende bestanddeel van het aangevraagde merk was en dat de conflicterende tekens dus visueel en fonetisch bijna identiek waren, terwijl verzoekster in wezen aanvoert dat het woord „limoncello” geen onderscheidend vermogen bezit, daar het likeuren op basis van citroen aanduidt, zodat dit woord niet het dominerende bestanddeel van dit merk kan zijn voor de vergelijking van de conflicterende tekens.
40 Volgens de rechtspraak mag bij de beoordeling van de overeenstemming van twee merken niet slechts één bestanddeel van een samengesteld merk in de beschouwing worden betrokken en worden vergeleken met een ander merk. Bij een dergelijke vergelijking moeten de betrokken merken juist elk in hun geheel worden onderzocht, hetgeen niet uitsluit dat de totaalindruk die een samengesteld merk bij het relevante publiek nalaat, in bepaalde omstandigheden door een of meerdere bestanddelen ervan kan worden gedomineerd. Alleen wanneer alle andere bestanddelen van het merk te verwaarlozen zijn, kan de overeenstemming op basis van enkel het dominerende bestanddeel worden beoordeeld. Dit kan onder meer het geval zijn wanneer dit bestanddeel op zichzelf het beeld van dit merk dat bij het relevante publiek in herinnering blijft, kan domineren, zodat alle andere bestanddelen verwaarloosbaar zijn voor de door het merk opgeroepen totaalindruk (arrest BHIM/Shaker, reeds aangehaald, punten 41 en 42, en arrest Hof van 20 september 2007, Nestlé/BHIM, C‑193/06 P, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 42 en 43).
41 Om te beginnen dient te worden opgemerkt dat het beeldelement van het aangevraagde merk, bestaande in de afbeelding van het met citroenen versierde ronde bord, visueel een even belangrijke plaats in dit merk inneemt als het woord „limoncello”. Verder zijn de woorden „della”, „costiera” en „amalfitana” in veel kleinere gele letters geschreven onder het woord „limoncello”, zodat zij duidelijk bijkomstig zijn ten opzichte van het woord „limoncello”. Wat het woord „shaker” betreft, dit woord is nauwelijks zichtbaar in het geheel van het merk, aangezien het onderaan het merk is geschreven in kleine blauwe letters in een kader met witte achtergrond. De afbeelding van het glas in de letter „k” wordt bijna niet opgemerkt. Het element „shaker” is dus verwaarloosbaar in de door het aangevraagde merk opgeroepen totaalindruk.
42 Voorts dient eraan te worden herinnerd dat consumenten van de betrokken waren gewend zijn deze waren aan te duiden en te herkennen op basis van het woordelement dat hen identificeert [zie in die zin arresten Gerecht van 13 juli 2005, Murúa Entrena/BHIM – Bodegas Murúa (Julián Murúa Entrena), T‑40/03, Jurispr. blz. II‑2831, punt 56, en 12 maart 2008, Sebirán/BHIM – El Coto de Rioja (Coto d’Arcis), T‑332/04, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 38]. Voor zover het beeldelement van het aangevraagde merk uitsluitend bestaat in een met citroenen versierde ronde bord, trekt dit element niet de aandacht van de gemiddelde consumenten van de betrokken waren, die regelmatig worden geconfronteerd met afbeeldingen van citroenen op likeuren op citroenbasis. Wat daarentegen het woord „limoncello” betreft, gelet op de in het oog springende plaats en de positie ervan ten opzichte van de andere elementen, het feit dat het in grote witte letters op een blauwe achtergrond is geschreven, waardoor het goed uitkomt op deze achtergrond, en gelet op de afmetingen ervan ten opzichte van alle andere woordelementen van dit samengesteld merk, is het dit woord dat bij het relevante publiek in herinnering blijft. Bijgevolg faalt verzoeksters argument dat het met citroenen versierde ronde bord, ook al is het een sierelement, beter de aangeduide waren kan onderscheiden en de aandacht van de betrokken consument kan trekken dan het woordelement.
43 In deze omstandigheden dient te worden geoordeeld dat het woord „limoncello” de totaalindruk die het aangevraagde merk bij het relevante publiek nalaat, kan domineren.
44 Deze conclusie wordt niet op losse schroeven gezet door verzoeksters argument dat het woord „limoncello” geen onderscheidend vermogen heeft omdat het beschrijvend is. Zonder evenwel te onderzoeken of het woord „limoncello” beschrijvend is voor het relevante publiek, dient eraan te worden herinnerd dat in elk geval een eventueel zwak onderscheidend vermogen van een bestanddeel van een samengesteld merk niet noodzakelijkerwijs betekent dat dit geen dominerend bestanddeel kan zijn, daar het immers met name vanwege de positie ervan binnen het teken of de afmetingen ervan in het oog kan springen van de consument en in zijn geheugen kan blijven hangen [arrest Gerecht van 13 juni 2006, Inex/BHIM – Wiseman (Afbeelding van koeienhuid), T‑153/03, Jurispr. blz. II‑1677, punt 32, en arrest PAGESJAUNES.COM, reeds aangehaald, punt 54; zie ook, in die zin, arrest Gerecht van 13 juli 2004, AVEX/BHIM – Ahlers (a), T‑115/02, Jurispr. blz. II‑2907, punt 20].
45 Bijgevolg hoeft er in dit stadium van het onderzoek geen uitspraak te worden gedaan over het eventuele zwakke onderscheidend vermogen van het woord „limoncello”, nu het, gelet op wat hierboven in de punten 41 tot en met 43 is overwogen, duidelijk is dat dit woord in het oog kan springen van het relevante publiek en in zijn geheugen kan blijven hangen (zie in die zin arrest PAGESJAUNES.COM, reeds aangehaald, punt 55).
46 Wat de visuele vergelijking van de conflicterende tekens in hun geheel betreft, dient aldus te worden opgemerkt dat er een zekere overeenstemming tussen deze tekens bestaat. De woorden „limoncello” en „limonchelo” zijn immers visueel bijna identiek, zodat moet worden vastgesteld dat het aangevraagde merk het oudere merk omvat. De verschillen die verband houden met de toevoeging van het met citroenen versierde ronde bord, en met de andere woord‑ of beeldelementen die verwaarloosbaar of minstens bijkomstig zijn, zoals in punt 41 supra werd vastgesteld, zijn onvoldoende belangrijk om de overeenstemming opzij te zetten die wordt gecreëerd door het woord „limoncello”, dat het eerste woord van het aangevraagde merk vormt en aldus meer de aandacht van de consument trekt.
47 Wat de fonetische vergelijking betreft, dient te worden vastgesteld dat de woorden „limoncello” en „limonchelo” fonetisch overeenstemmen. De eerste twee lettergrepen „li” en „mon” worden op dezelfde wijze uitgesproken en de twee lettergrepen „cello” en „chelo” worden weliswaar anders geschreven, maar ze worden in Spanje op soortgelijke wijze uitgesproken. Anders dan verzoekster aanvoert, blijkt immers dat het Spaanse publiek het woord „limoncello” uitspreekt volgens de Italiaanse uitspraakleer, dit wil zeggen op dezelfde wijze als het woord „limonchelo” in het Spaans. Hoewel de conflicterende merken een verschillend aantal woorden bevatten, is er sprake van fonetische overeenstemming van deze merken, aangezien het oudere merk volledig is opgenomen in het aangevraagde merk.
48 Bovendien is het gemeenschappelijke element van de twee betrokken merken het eerste woord van het aangevraagde merk en wordt het dus het eerst uitgesproken. Noch de toevoeging van de uitdrukking „della costiera amalfitana” noch de toevoeging van het woord „shaker” doet af aan deze overeenstemming, aangezien geenszins kan worden uitgesloten dat de betrokken consument bij mondelinge bestellingen enkel dit eerste woord uitspreekt. Het is algemeen bekend dat likeur op citroenbasis vaak na een mondelinge bestelling wordt gedronken als digestief aan het einde van een maaltijd. In dit verband faalt verzoeksters argument dat klanten in een restaurant de waar op generieke wijze bestellen („een limoncello”), zonder dat op basis van een specifiek merk te kunnen doen, en dat de relevante aankoop dus vooraf wordt verricht door de restauranthouder, die daadwerkelijk de mogelijkheid heeft om de waar op basis van het merk te kiezen. Restaurants kunnen immers verschillende merken hebben en de eindverbruiker kan nog een keuze maken bij zijn bestelling. Het woord „limoncello” is dus uit fonetisch oogpunt het dominerende bestanddeel van het aangevraagde merk. Bijgevolg is er sprake van een belangrijke fonetische overeenstemming van de conflicterende tekens.
49 Wat de begripsmatige vergelijking van de conflicterende tekens betreft, is niet uitgesloten dat de woorden „limoncello” of „limonchelo” kunnen zinspelen op een likeur op citroenbasis. De uitdrukking „della costiera amalfitana” wordt waarschijnlijk begrepen als een aanduiding dat de betrokken waar afkomstig is van een bepaalde kust. De begripsmatige betekenis van het aangevraagde merk voor het Spaanse publiek is dus „likeur op basis van citroen, afkomstig van een bepaalde kust”. Het enige begripsmatige verschil met het oudere merk bestaat dus in de precisering dat deze likeur afkomstig is van een bepaalde kust. Niets belet evenwel dat de door het oudere merk aangeduide waren afkomstig zijn van dezelfde kust, hoewel het woord dat dit merk vormt, wordt geschreven volgens de Spaanse spellingregels. Voorts dient eraan te worden herinnerd dat verwarringsgevaar niet uitgesloten kan worden geacht louter op grond dat de betrokken dranken op verschillende plaatsen worden geproduceerd (zie in die zin arrest Hof van 29 september 1998, Canon, C‑39/97, Jurispr. blz. I‑5507, punten 29 en 30, en beschikking Hof van 24 april 2007, Castellblanch/BHIM, C‑131/06 P, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 46). Bijgevolg stemmen de conflicterende tekens eveneens begripsmatig overeen.
50 In deze omstandigheden dient te worden geconcludeerd dat de betrokken merken in zekere mate overeenstemmen. Bijgevolg kan niet worden ingestemd met de vaststelling van de kamer van beroep in punt 21 van de bestreden beslissing dat de merken visueel en fonetisch bijna identiek zijn. Deze onjuiste opvatting volstaat op zich evenwel niet voor de vernietiging van de bestreden beslissing indien de kamer van beroep terecht heeft geconcludeerd tot het bestaan van verwarringsgevaar.
51 Bijgevolg dient nog globaal te worden beoordeeld of er gevaar voor verwarring van de conflicterende merken bestaat.
Verwarringsgevaar
52 Er dient aan te worden herinnerd dat de globale beoordeling van het verwarringsgevaar een zekere onderlinge samenhang tussen de in aanmerking te nemen factoren veronderstelt, met name tussen de overeenstemming van de merken en de soortgelijkheid van de waren of diensten waarop zij betrekking hebben. Zo kan een geringe mate van soortgelijkheid van de betrokken waren of diensten worden gecompenseerd door een hoge mate van overeenstemming van de merken, en omgekeerd (arrest Canon, reeds aangehaald, punt 17).
53 De opvatting van de kamer van beroep inzake het bestaan van verwarringsgevaar wordt in punt 22 van de bestreden beslissing als volgt uiteengezet:
„Gelet op de gelijkenis tussen de merken en de overeenstemming van de erdoor aangeduide waren van klasse 33 bestaat een gevaar dat Spaanse consumenten de commerciële herkomst ervan verwarren of associëren.”
54 Verzoekster voert aan dat de visuele, fonetische en begripsmatige verschillen tussen de conflicterende tekens de gelijkheid van de betrokken waren compenseren, en dat er dus geen gevaar voor verwarring van de conflicterende merken bestaat. Dit wordt nog versterkt door het zwakke onderscheidend vermogen van het oudere merk LIMONCHELO, dat dus slechts beperkte bescherming kan genieten.
55 Op dit punt dient te worden opgemerkt dat de kamer van beroep het onderscheidend vermogen van het oudere merk „LIMONCHELO” of van het Italiaanse woord „limoncello” geenszins heeft onderzocht. Zelfs indien de kamer van beroep ten onrechte niet heeft erkend dat deze woorden een zwak onderscheidend vermogen hebben, toch kan een dergelijke fout niet leiden tot vernietiging van de bestreden beslissing.
56 Er dient immers te worden opgemerkt dat, ook al wordt erkend dat het onderscheidend vermogen van het oudere merk zwak is, dit er niet aan in de weg staat dat in de onderhavige zaak verwarringsgevaar wordt vastgesteld. Het onderscheidend vermogen van het oudere merk moet weliswaar in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van het verwarringsgevaar (zie, naar analogie, arrest Canon, reeds aangehaald, punt 24), maar is slechts één van de elementen die bij deze beoordeling een rol spelen. Zelfs in het geval van een ouder merk met een zwak onderscheidend vermogen kan er sprake zijn van verwarringsgevaar, in het bijzonder wegens overeenstemming van de tekens en soortgelijkheid van de betrokken waren of diensten [arrest PAGESJAUNES.COM, reeds aangehaald, punt 70; zie in die zin arrest Gerecht van 16 maart 2005, L’Oréal/BHIM – Revlon (FLEXI AIR), T‑112/03, Jurispr. blz. II‑949, punt 61].
57 Daarenboven zou de door verzoekster op dit punt verdedigde stelling ertoe leiden dat de overeenstemming van de merken als criterium zou worden verdrongen door het onderscheidend vermogen van het oudere nationale merk, dat daardoor overdreven betekenis zou krijgen. Dit zou tot resultaat hebben dat, zodra het oudere nationale merk slechts zwak onderscheidend vermogen heeft, er enkel verwarringsgevaar zou bestaan indien dit merk volledig werd gereproduceerd door het merk waarvan om inschrijving wordt verzocht en zulks ongeacht de mate van overeenstemming van de betrokken tekens (beschikking Hof van 27 april 2006, L’Oréal/BHIM, C‑235/05 P, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 45). Een dergelijk resultaat zou echter indruisen tegen het wezen zelf van de globale beoordeling die de bevoegde autoriteiten op grond van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 moeten verrichten (arrest Hof van 15 maart 2007, T.I.M.E. ART/Devinlec en BHIM, C‑171/06 P, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 41, en arrest PAGESJAUNES.COM, reeds aangehaald, punt 71).
58 Uit het voorgaande volgt dat er in casu verwarringsgevaar bestaat, inzonderheid doordat het relevante publiek slechts een onvolmaakt beeld van de betrokken merken bijblijft, zodat het gemeenschappelijke element ervan, het woord „limoncello” of „limonchelo”, zorgt voor een zekere overeenstemming tussen deze merken, en door de onderlinge samenhang tussen de verschillende in aanmerking te nemen factoren, aangezien de betrokken waren dezelfde zijn.
59 Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat de kamer van beroep op goede gronden heeft geconcludeerd tot het bestaan van verwarringsgevaar. Het eerste middel moet dus worden afgewezen.
Tweede middel: misbruik van bevoegdheid
60 Verzoekster is van mening dat, gelet op de kennelijk onjuiste beoordeling in de bestreden beslissing, het BHIM misbruik van bevoegdheid heeft gemaakt.
61 Dat er sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling door het BHIM, vloeit volgens verzoekster om te beginnen voort uit het feit dat bij de beoordeling van het gevaar voor verwarring met het oudere merk enkel de term „limoncello” van het aangevraagde merk in aanmerking is genomen, in strijd met een globale beoordeling van de verschillende factoren die verwarringsgevaar kunnen doen ontstaan.
62 Voorts ziet verzoekster een kennelijk onjuiste beoordeling in de stellingnames van het BHIM in de loop van de procedure, omdat deze volkomen tegenstrijdig zijn. Zij vergelijkt daartoe de brief van het BHIM van 23 november 1999 met de bestreden beslissing.
63 Het BHIM betwist de argumenten van verzoekster.
64 Er zij aan herinnerd dat het begrip misbruik van bevoegdheid in het gemeenschapsrecht een welbepaalde inhoud heeft en ziet op het geval dat een administratief gezag zijn bevoegdheden gebruikt voor een ander doel dan dat waarvoor zij zijn verleend. Dienaangaande is het vaste rechtspraak dat bij een besluit slechts sprake is van misbruik van bevoegdheid wanneer er objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen bestaan dat het is genomen ter bereiking van andere doeleinden dan die welke zijn aangevoerd [arresten Gerecht van 24 april 1996, Industrias Pesqueras Campos e.a./Commissie, T‑551/93 en T‑231/94–T‑234/94, Jurispr. blz. II‑247, punt 168; 12 januari 2000, DKV/BHIM (COMPANYLINE), T‑19/99, Jurispr. blz. II‑1, punt 33; 19 september 2001, Henkel/BHIM (Rood en wit rond tablet), T‑337/99, Jurispr. blz. II‑2597, punt 66, en 12 december 2002, eCopy/BHIM (ECOPY), T‑247/01, Jurispr. blz. II‑5301, punt 22].
65 Opgemerkt dient te worden dat verzoekster geen enkel element aanvoert waaruit kan worden afgeleid dat de vaststelling van de bestreden beslissing een ander doel had dan nagaan of de inschrijving van het aangevraagde merk moest worden geweigerd op basis van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94.
66 Wat de loutere inaanmerkingneming van de term „limoncello” betreft, volstaat het in herinnering te brengen dat, zoals hierboven werd vastgesteld, de kamer van beroep op goede gronden heeft geconcludeerd dat er in casu gevaar voor verwarring van de conflicterende merken bestond. De fouten die de kamer van beroep mogelijkerwijs heeft gemaakt om tot deze conclusie te komen, volstaan dus niet voor vernietiging van de bestreden beslissing.
67 Wat de tegenstrijdige stellingname van het BHIM betreft, wijst verzoekster erop dat het BHIM het gevaar voor verwarring inzake de herkomst van de likeur heeft willen vermijden door in zijn brief van 23 november 1999 te wijzen op de noodzaak, de inschrijvingsaanvraag te beperken tot de specifieke klasse van waren bestaande in citroenlikeuren afkomstig uit de Costiera Amalfitana wegens het specifieke belang van de herkomst van limoncello voor de door de consument te maken keuze. Aldus heeft het BHIM erkend dat het aangevraagde merk van huis uit in staat is, de in het gebied van de Costiera Amalfitana geproduceerde citroenlikeur te identificeren. Daarentegen heeft de kamer van beroep volgens verzoekster op tegenstrijdige wijze in de bestreden beslissing geoordeeld dat dezelfde uitdrukking bij de gemiddelde Spaanse consument verwarringsgevaar kan doen ontstaan.
68 Dit betoog kan niet slagen. Het BHIM heeft immers verzocht om beperking van de categorie van waren waarvoor het aangevraagde merk kan worden ingeschreven, in het kader van het onderzoek of het aangevraagde merk viel onder de absolute weigeringsgronden, en in het bijzonder de weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, sub g, van verordening nr. 40/94, in die zin dat er zonder deze beperking een gevaar voor misleiding van de consument kon bestaan met betrekking tot de geografische herkomst van de door het merk aangeduide waar. Het BHIM heeft dus geenszins gesteld dat de geografische aanduiding elk verwarringsgevaar bij een eventuele oppositie in het kader van artikel 8, lid 1, sub b, van deze verordening uitsloot.
69 Bijgevolg dient het tweede middel te worden afgewezen.
Derde middel: motiveringsplicht
70 Verzoekster betoogt dat de bestreden beslissing ontoereikend is gemotiveerd doordat zij de redenering van de kamer van beroep niet duidelijk en ondubbelzinnig doet uitkomen. De motivering van de bestreden beslissing wordt gekenmerkt door vele omissies door de kamer van beroep bij haar vergelijking van de tekens en beoordeling van het verwarringsgevaar.
71 Het BHIM betwist de argumenten van verzoekster.
72 Voor zover verzoeksters argumenten verband houden met een grief ontleend aan een kennelijk onjuiste beoordeling, werden deze reeds in het kader van het eerste middel onderzocht.
73 Wat de motivering van de bestreden beslissing als zodanig betreft, dient om te beginnen eraan te worden herinnerd dat volgens artikel 73, eerste volzin, van verordening nr. 40/94 de beslissingen van het BHIM met redenen moeten worden omkleed. Voorts bepaalt regel 50, lid 2, sub h, van verordening (EG) nr. 2868/95 van de Commissie van 13 december 1995 tot uitvoering van verordening nr. 40/94 (PB L 303, blz. 1) dat de beslissing van de kamer van beroep de motivering van de beslissing behelst. Deze motiveringsplicht heeft dezelfde draagwijdte als die welke is geformuleerd in artikel 253 EG. Volgens vaste rechtspraak moet de door artikel 253 EG vereiste motivering de redenering van de instantie waarvan de handeling afkomstig is, duidelijk en ondubbelzinnig doen uitkomen. Deze verplichting heeft een tweeledig doel, namelijk enerzijds de betrokkene in staat te stellen kennis te nemen van de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel om zijn rechten te kunnen verdedigen, en anderzijds de gemeenschapsrechter in staat te stellen zijn toezicht op de rechtmatigheid van de beslissing uit te oefenen. Bij het antwoord op de vraag of de motivering van een beslissing aan deze vereisten voldoet, moet niet alleen acht worden geslagen op de bewoordingen ervan, doch ook op de context waarin zij is gegeven, en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen [arresten Gerecht van 28 april 2004, Sunrider/BHIM – Vitakraft-Werke Wührmann en Friesland Brands (VITATASTE en METABALANCE 44), T‑124/02 en T‑156/02, Jurispr. blz. II‑1149, punten 72 en 73, en 21 november 2007, Wesergold Getränkeindustrie/BHIM – Lidl Stiftung (VITAL FIT), T‑111/06, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 62].
74 Verzoekster verwijt de kamer van beroep dat zij zonder enige analyse heeft verklaard dat de twee merken visueel en fonetisch zeer dicht bij elkaar liggen.
75 Dienaangaande dient te worden vastgesteld dat de kamer van beroep eerst heeft herinnerd aan de inhoud van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 en aan de wijze waarop dit artikel in de rechtspraak is uitgelegd, en vervolgens in overweging 18 van de bestreden beslissing heeft gesteld dat zij het met de oppositieafdeling eens was dat de conflicterende merken, gelet op de erdoor aangeduide waren van klasse 33, dermate overeenstemden dat verwarringsgevaar kon ontstaan in de zin van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94.
76 Zij heeft gepreciseerd dat citroenlikeuren afkomstig uit de Costiera Amalfitana, waarop het aangevraagde merk betrekking heeft, duidelijk deel uitmaken van de door het oudere merk aangeduide categorie van „likeuren”. Vervolgens heeft zij gepreciseerd dat het dominerende bestanddeel van het aangevraagde merk het woord „limoncello” was, aangezien dit woord, en niet het versierde en gekleurde etiket waarop het was aangebracht, voor de betrokken consument het belangrijkste onderscheidend element was. Zij heeft erop gewezen dat, gelet op de grotere afmetingen van de letters van het woord „limoncello” en de in het oog springende positie ervan, consumenten de extra woorden die daaronder in kleinere letters zijn geschreven, waarschijnlijk grotendeels niet opmerken.
77 De kamer van beroep heeft erop gewezen dat het oudere merk bestond uit het teken LIMONCHELO, dat de conflicterende merken visueel en fonetisch zeer dicht bij elkaar lagen, en dat het gelet op de onmiddellijk waarneembare globale gelijkenis tussen de conflicterende tekens onnodig was over te gaan tot een ontleding letter voor letter, lettergreep voor lettergreep om de overeenstemming ervan aan te tonen. De kamer van beroep was van mening dat de merken visueel en fonetisch bijna identiek waren.
78 Zij heeft dus geconcludeerd dat, gelet op de gelijkenis tussen de conflicterende merken en de overeenstemming van de erdoor aangeduide waren, een gevaar bestond dat Spaanse consumenten de commerciële herkomst ervan verwarren of associëren.
79 Zelfs indien wordt aangenomen dat deze motivering van de bestreden beslissing bondig is en onvoldoende de redenen vermeldt op basis waarvan de kamer van beroep tot die conclusie is gekomen, dient rekening te worden gehouden met de omstandigere motivering op dit punt in de beslissing van de oppositieafdeling. De kamer van beroep heeft immers in overweging 18 van de bestreden beslissing gesteld dat zij het met de oppositieafdeling eens was dat de merken, gelet op de erdoor aangeduide waren van klasse 33, dermate overeenstemden dat verwarringsgevaar kon ontstaan in de zin van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94. Gelet op de uit artikel 62, lid 1, van verordening nr. 40/94 blijkende functionele continuïteit tussen oppositieafdelingen en kamers van beroep [arrest Hof van 13 maart 2007, BHIM/Kaul, C‑29/05 P, Jurispr. blz. I‑2213, punt 30; arrest Gerecht van 10 juli 2006, La Baronia de Turis/BHIM – Baron Philippe de Rothschild (LA BARONNIE), T‑323/03, Jurispr. blz. II‑2085, punten 57 en 58], maken deze beslissing en de motivering ervan deel uit van de context waarin de bestreden beslissing werd vastgesteld. Verzoekster is op de hoogte van deze context en de rechter kan op basis daarvan zijn toezicht op de rechtmatigheid volledig uitoefenen wat de gegrondheid van de beoordeling van het verwarringsgevaar betreft. Vastgesteld dient te worden dat de oppositieafdeling in haar beslissing heeft vermeld in welk opzicht de conflicterende merken visueel en fonetisch overeenstemden en waarom er in casu verwarringsgevaar bestond.
80 Ten slotte voert verzoekster aan dat in de bestreden beslissing niet wordt gepreciseerd waarom op basis van verzoeksters motivering en bewijselementen niet kan worden geconcludeerd dat de relevante consumenten de conflicterende merken niet verwarren.
81 Op dit punt hoeft enkel in herinnering te worden gebracht dat de instellingen niet verplicht zijn, in de motivering van hun beslissingen hun standpunt te bepalen met betrekking tot alle argumenten die de betrokkenen voor hen aanvoeren, doch kunnen volstaan met een uiteenzetting van de feiten en rechtsoverwegingen die in het bestek van de beslissing van wezenlijk belang zijn [beschikking Gerecht van 18 februari 2008, Altana Pharma/BHIM – Avensa (PNEUMO UPDATE), T‑327/06, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 18; zie in die zin arrest Gerecht van 27 september 2006, Haladjian Frères/Commissie, T‑204/03, Jurispr. blz. II‑3779, punt 199].
82 Er dient te worden vastgesteld dat de kamer van beroep in casu in de bestreden beslissing de feiten en rechtsoverwegingen heeft uiteengezet die haar tot het nemen van die beslissing hebben gebracht, zoals blijkt uit de beschrijving van de bestreden beslissing in de punten 75 tot en met 78 supra. Derhalve kan haar niet worden verweten dat zij niet heeft geantwoord op het argument van verzoekster dat de term „limoncello” zuiver beschrijvend is en gewoonlijk wordt gebruikt in generieke beschrijvingen van een type likeur, of op verzoeksters argument dat het BHIM zelf heeft gesuggereerd om de waren waarop de inschrijving van het aangevraagde merk betrekking heeft, te beperken tot citroenlikeuren afkomstig uit de Costiera Amalfitana, op grond dat het merk misleidend is wanneer de betrokken likeur een andere herkomst heeft.
83 Bijgevolg dient het derde middel inzake schending van de motiveringsplicht te worden afgewezen.
84 Gelet op een en ander, moet het beroep in zijn geheel worden verworpen.
Kosten
85 Verzoekster vordert dat het BHIM wordt verwezen in alle kosten betreffende de procedures voor het Gerecht en de procedure in hogere voorziening voor het Hof. Met betrekking tot het tweede middel dat het BHIM in hogere voorziening voor het Hof heeft ingeroepen en waarbij het heeft gewezen op de innerlijke tegenspraak en het gebrek aan logische samenhang in het vernietigde arrest, moet het BHIM in elk geval worden verwezen in de kosten betreffende dit middel, los van de vraag of het Gerecht de conclusies inzake het verwarringsgevaar toewijst. Verzoekster herinnert eraan dat het BHIM dit middel heeft ingetrokken na de reeds aangehaalde beschikking van het Gerecht van 12 juni 2006, waarbij het op dit punt in het gelijk werd gesteld.
86 Het BHIM vordert dat verzoekster wordt verwezen in alle kosten betreffende de procedures voor het Gerecht en het Hof.
87 In het arrest van het Gerecht werd het BHIM verwezen in de kosten. Het Hof heeft in zijn arrest de beslissing omtrent de kosten aangehouden. Het Gerecht dient dus in het onderhavige arrest te beslissen over alle kosten betreffende de verschillende procedures overeenkomstig artikel 121 van het Reglement voor de procesvoering.
88 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien verzoekster volledig in het ongelijk is gesteld, dienen de kosten in casu niet te worden verdeeld over de partijen bij gebreke van bijzondere redenen. Verzoekster dient dus overeenkomstig de vordering van het BHIM te worden verwezen in de kosten die het BHIM voor het Gerecht en het Hof heeft gemaakt.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
rechtdoende, verklaart:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) Shaker di L. Laudato & C. Sas wordt verwezen in alle kosten die op de procedures voor het Gerecht en het Hof zijn gevallen.
Tiili
Dehousse
Wiszniewska-Białecka
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 12 november 2008.
ondertekeningen
* Procestaal: Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy