ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)
3 mei 2007
Zaak T‑261/04
Alain Crespinet
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Ambtenaren – Bevordering – Bevorderingsronde 2003 – Toekenning van gratificatiepunten”
Betreft: Vordering tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie waarbij verzoeker in het kader van de bevorderingsronde 2003 gratificatiepunten zijn toegekend alsmede van het besluit om verzoekers naam niet te plaatsen op de lijst van ambtenaren die in het kader van diezelfde bevorderingsronde tot de rang A 5 zijn bevorderd.
Beslissing: Het beroep wordt verworpen. Elke partij zal haar eigen kosten dragen.
Samenvatting
1. Ambtenaren – Beroep – Bezwarend besluit
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
2. Ambtenaren – Bevordering – Vergelijking van verdiensten
(Ambtenarenstatuut, art. 45, lid 1)
3. Ambtenaren – Bevordering – Vergelijking van verdiensten
(Ambtenarenstatuut, art. 5, 7 en 45, lid 1)
4. Ambtenaren – Besluit dat ambtelijke positie van ambtenaar raakt
(Ambtenarenstatuut, art. 26 en 45)
5. Ambtenaren – Bevordering – Vergelijking van verdiensten
(Ambtenarenstatuut, art. 45, lid 1)
1. Wat een beroep betreft, strekkende tot nietigverklaring van zowel het besluit tot toekenning van gratificatiepunten aan de verzoeker alsook het besluit om zijn naam niet op de lijst van bevorderde ambtenaren te plaatsen, is de eerste vordering niet-ontvankelijk, aangezien het besluit tot toewijzing van gratificatiepunten in het kader van het door de Commissie ingevoerde bevorderingsstelsel een voorbereidende handeling vormt die voorafgaat aan en noodzakelijk is voor het definitieve besluit om verzoekers naam niet op de lijst van bevorderde ambtenaren te plaatsen en voor de daarin begrepen autonome, daarvan los te koppelen handeling, namelijk de vaststelling van het totaalaantal punten. Aangezien de wettigheid van een voorbereidende handeling echter kan worden betwist in het kader van een beroep tegen het eindbesluit, moet het onderzoek van de gegrondheid van de vordering tot nietigverklaring van het besluit om de naam van de verzoeker niet op de lijst van bevorderde ambtenaren te plaatsen ook betrekking hebben op elk argument van het verzoekschrift dat de onwettigheid van het besluit tot toekenning van gratificatiepunten beoogt aan te tonen.
(cf. punten 39 en 41-44)
Referentie: Gerecht 9 april 2003, Tejada Fernández/Commissie, T‑134/02, JurAmbt. blz. I‑A‑125 en II‑609, punt 18; Gerecht 19 oktober 2006, Buendía Sierra/Commissie, T‑311/04, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 97 en 98
2. De administratie beschikt bij de beoordeling van de verdiensten die in het kader van een bevorderingsbesluit als bedoeld in artikel 45 van het Statuut en bijgevolg ook in het kader van een besluit tot toekenning van gratificatiepunten in aanmerking moeten worden genomen in een bevorderingsstelsel waarin deze beoordeling wordt gekwantificeerd, over een ruime beoordelingsvrijheid, en het toezicht van de gemeenschapsrechter moet zich beperken tot de vraag of de administratie, gelet op de wegen en middelen die haar tot haar oordeel konden brengen, binnen redelijke grenzen is gebleven en niet kennelijk onjuist gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid.
(cf. punten 58 en 93)
Referentie: Hof 21 april 1983, Ragusa/Commissie, 282/81, Jurispr. blz. 1245, punt 9; Hof 4 februari 1987, Bouteiller/Commissie, 324/85, Jurispr. blz. 529, punt 6; Gerecht 11 december 2003, Breton/Hof van Justitie, T‑323/02, JurAmbt. blz. I‑A‑325 en II‑1587, punt 98; Buendía Sierra/Commissie, reeds aangehaald, punten 291 en 320
3. In het kader van het bevorderingsstelsel dat is ingevoerd bij een interne regeling van de Commissie en dat is gebaseerd op het kwantificeren van de verdiensten, hetgeen wordt gekenmerkt door de jaarlijkse toekenning aan de ambtenaren van verschillende soorten punten, betekent het feit dat ambtenaren van eenzelfde rang overeenkomstig de artikelen 5 en 7 van het Statuut geacht worden functies van een gelijk niveau van verantwoordelijkheid uit te oefenen, niet dat hun verdiensten voor de toekenning van gratificatiepunten die elk directoraat-generaal ter beschikking staan gelijk moeten worden geacht, aangezien die punten zijn voorbehouden aan ambtenaren die blijk hebben gegeven van uitzonderlijke verdiensten.
(cf. punt 65)
Referentie: Gerecht 12 juli 2001, Schochaert/Raad, T‑131/00, JurAmbt. blz. I‑A‑141 en II‑743, punt 38; Buendía Sierra/Commissie, reeds aangehaald, punt 290
4. De artikelen 26 en 45 van het Statuut strekken ertoe, het recht op verweer van de ambtenaar te waarborgen door te voorkomen dat het tot aanstelling bevoegd gezag zijn ambtelijke positie en loopbaan rakende besluiten neemt op grond van gegevens betreffende zijn gedrag die niet in zijn persoonsdossier zijn opgenomen. Een op dergelijke gegevens berustend besluit is in strijd met de waarborgen van het Statuut en moet, waar het is genomen na een onregelmatige procedure, nietig worden verklaard.
Dit is niet het geval bij een besluit tot toekenning van bevorderingspunten dat is gebaseerd op het strategische belang van de door de ambtenaar uitgeoefende werkzaamheden, aangezien deze omstandigheid in beginsel kan worden afgeleid uit de gegevens in zijn persoonsdossier en, met name, zijn loopbaanontwikkelingsrapport.
(cf. punten 77 en 78)
Referentie: Gerecht 9 februari 1994, Lacruz Bassols/Hof van Justitie, T‑109/92, JurAmbt. blz. I‑A‑31 en II‑105, punt 68; Gerecht 27 september 2006, Lantzoni/Hof van Justitie, T‑156/05, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 67
5. Het feit dat elke voor bevordering in aanmerking komende ambtenaar mag verwachten dat het tot aanstelling bevoegd gezag zijn verdiensten vergelijkt met die van alle andere ambtenaren die voor bevordering tot de betrokken rang in aanmerking komen, daaronder begrepen die van andere diensten, betekent in het kader van het door de Commissie ingevoerde bevorderingsstelsel niet dat een dergelijk uitgebreid onderzoek moet voorafgaan aan de toekenning van bevorderingspunten op het niveau van de directoraten-generaal. Integendeel, het voorafgaande onderzoek van de verdiensten van de kandidaten binnen elk directoraat-generaal, dat tot de toekenning van die punten leidt, maakt deel uit van het beginsel van behoorlijk bestuur daar het het tot aanstelling bevoegd gezag met name de gelegenheid geeft, de verdiensten van alle, voor bevordering tot een bepaalde graad in aanmerking komende kandidaten op een objectieve basis te vergelijken.
(cf. punten 82 en 85)
Referentie: Gerecht 13 juli 1995, Rasmussen/Commissie, T‑557/93, JurAmbt. blz. I‑A‑195 en II‑603, punt 21; Gerecht 16 september 1998, Rasmussen/Commissie, T‑234/97, JurAmbt. blz. I‑A‑507 en II‑1533, punt 24; Gerecht 3 oktober 2000, Cubero Vermurie/Commissie, T‑187/98, JurAmbt. blz. I‑A‑195 en II‑885, punt 61; Gerecht 19 maart 2003, Tsarnavas/Commissie, T‑188/01–T‑190/01, JurAmbt. blz. I‑A‑95 en II‑495, punt 121; Gerecht 21 januari 2004, Mavridis/Commissie, T‑97/02, JurAmbt. blz. I‑A‑9 en II‑45, punt 77
Full & Egal Universal Law Academy