ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer)
13 februari 2007
Zaak T‑354/04
Gaetano Petralia
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Openbare dienst – Tijdelijk functionarissen – Wetenschappelijke groep – Indeling in rang”
Betreft: Vordering tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 7 oktober 2003 betreffende de definitieve indeling van verzoeker in de rang B 5, salaristrap 3, en van het besluit van 13 mei 2004 houdende afwijzing van verzoekers klacht.
Beslissing: Het beroep wordt verworpen. Elke partij zal haar eigen kosten dragen.
Samenvatting
1. Openbare dienst – Tijdelijk functionarissen – Aanwerving – Functionaris aangesteld krachtens artikel 2, sub d, van de Regeling welke van toepassing is op andere personeelsleden
(Regeling andere personeelsleden, art. 2, sub d, en 8, vierde alinea)
2. Ambtenaren – Statuut – Regeling welke van toepassing is op andere personeelsleden – Criteria voor indeling in rang bij aanwerving van ambtenaar – Toepassing op tijdelijk functionarissen
(Ambtenarenstatuut, art. 31)
3. Ambtenaren – Aanwerving – Aanstelling in rang – Aanstelling in hoogste rang van loopbaan
(Ambtenarenstatuut, art. 5 en 31, lid 2; bijlage I)
4. Ambtenaren – Aanwerving – Aanstelling in rang – Aanstelling in hoogste rang van loopbaan
(Ambtenarenstatuut, art. 31, lid 2)
5. Ambtenaren – Beginselen – Bescherming van gewettigd vertrouwen – Voorwaarden
6. Ambtenaren – Gelijke behandeling
1. Uit artikel 8, vierde alinea, eerste en tweede streepje, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden volgt duidelijk dat de in artikel 2, sub d, van die Regeling bedoelde tijdelijk functionarissen zowel in een wetenschappelijke of technische functie als in een administratieve functie kunnen worden aangesteld. Een aanstelling krachtens artikel 2, sub d, van de Regeling teneinde tijdelijk een vast ambt te vervullen dat uit de onderzoeks‑ en investeringskredieten wordt bezoldigd, volstaat derhalve niet om ipso facto onder de wetenschappelijke groep te vallen.
(cf. punt 65)
2. Ook al is artikel 31, lid 2, van het Statuut, betreffende de criteria voor de indeling in rang bij de aanwerving van ambtenaren, door de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden niet uitdrukkelijk van toepassing verklaard op andere functionarissen, de in deze bepaling opgenomen regels kunnen op grond van het beginsel van behoorlijk bestuur in redelijkheid worden toegepast op tijdelijk functionarissen.
(cf. punten 5 en 85)
Referentie: Gerecht 17 november 1998, Fabert-Goossens/Commissie, T‑217/96, JurAmbt. blz. I‑A‑607 en II‑1841, punt 41; Gerecht 6 juli 1999, Forvass/Commissie, T‑203/97, JurAmbt. blz. I‑A‑129 en II‑705, punt 42; Gerecht 17 december 2003, Chawdhry/Commissie, T‑133/02, JurAmbt. blz. I‑A‑329 en II‑1617, punt 35
3. Artikel 31, lid 2, van het Statuut verleent het tot aanstelling bevoegd gezag of, in geval van tijdelijk functionarissen, het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag weliswaar de bevoegdheid om een ambtenaar of functionaris in de hoogste rang van zijn loopbaan aan te stellen, doch het gebruik van deze bevoegdheid moet in overeenstemming worden gebracht met de eisen die uit het in artikel 5 en in bijlage I bij het Statuut neergelegde begrip „loopbaan” voortvloeien. Een aanwerving kan derhalve alleen bij wijze van uitzondering in de hoogste rang van de loopbaan plaatsvinden.
Noemt een interne richtlijn, die de uitoefening van de bij artikel 31, lid 2, van het Statuut verleende discretionaire bevoegdheid regelt, als alternatieve gevallen die in aanmerking kunnen komen voor een indeling in de hoogste rang van de loopbaan, de uitzonderlijke kwalificaties van de betrokkene of de specifieke behoeften van de dienst die de aanwerving van een bijzonder bekwaam ambtenaar vergen, dan is het tot aanstelling bevoegd gezag of het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag gehouden, in concreto na te gaan of dit het geval is voor een nieuw aangeworven ambtenaar of tijdelijk functionaris die om toepassing van artikel 31, lid 2, van het Statuut verzoekt. Komt het tot de conclusie dat het onderhavige geval één van die alternatieve gevallen vormt, dan dient het gezag concreet te beoordelen of deze bepaling eventueel moet worden toegepast. Het kan in dit stadium, rekening houdend met het algemeen dienstbelang, beslissen of de betrokkene al dan niet in de hoogste rang van de loopbaan moet worden ingedeeld. Het gebruik van het werkwoord „kunnen” in artikel 31, lid 2, van het Statuut impliceert immers dat dit gezag niet verplicht is die bepaling toe te passen en dat de nieuw aangeworven ambtenaren of functionarissen geen subjectief recht op die indeling hebben.
Uit het voorgaande volgt dat het tot aanstelling bevoegd gezag of het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag binnen het door artikel 31 van het Statuut vastgestelde kader over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt om te onderzoeken of het te vervullen ambt de aanwerving van een bijzonder bekwame kandidaat vereist dan wel of laatstgenoemde uitzonderlijke kwalificaties bezit. Het beschikt eveneens over een ruime beoordelingsvrijheid wanneer het, na te hebben vastgesteld dat één van die beide situaties zich voordoet, de gevolgen daarvan onderzoekt.
(cf. punten 88‑90, 92 en 93)
Referentie: Hof 28 maart 1968, Kurrer/Raad, 33/67, Jurispr. blz. 180, 195; Hof 6 juni 1985, De Santis/Rekenkamer, 146/84, Jurispr. blz. 1723, punten 9 en 11; Hof 1 juli 1999, Alexopoulou/Commissie, C‑155/98 P, Jurispr. blz. I‑4069, punten 32 en 33; Gerecht 5 oktober 1995, Alexopoulou/Commissie, T‑17/95, JurAmbt. blz. I‑A‑227 en II‑683, punt 21; Gerecht 13 februari 1998, Alexopoulou/Commissie, T‑195/96, JurAmbt. blz. I‑A‑51 en II‑117, punt 43; Chawdhry/Commissie, reeds aangehaald, punten 37 en 44; Gerecht 26 oktober 2004, Brendel/Commissie, T‑55/03, JurAmbt. blz. I‑A‑311 en II‑1437, punt 61; Gerecht 15 november 2005, Righini/Commissie, T‑145/04, JurAmbt. blz. I‑A‑349 en II‑1547, punten 43, 44 en 52; Gerecht 15 maart 2006, Kimman/Commissie, T‑44/04, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 28 en 94; Gerecht 10 mei 2006, R/Commissie, T‑331/04, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 18, 19, 23 en 24
4. De rechterlijke controle van een besluit houdende indeling in rang kan niet in de plaats komen van het oordeel van het tot aanstelling bevoegd gezag of van het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag. De gemeenschapsrechter moet zich beperken tot de vraag of er geen sprake is van schending van wezenlijke vormvoorschriften, of het gezag zijn besluit niet op inhoudelijk onjuiste of onvolledige feiten heeft gebaseerd dan wel of het besluit niet gebrekkig is wegens misbruik van bevoegdheid, een verkeerde rechtsopvatting of een ontoereikende motivering. Ten slotte moet worden nagegaan of dit gezag zijn bevoegdheid niet kennelijk onjuist heeft gebruikt.
(cf. punt 94)
Referentie: Gerecht 3 oktober 2002, Platte/Commissie, T‑6/02, JurAmbt. blz. I‑A‑189 en II‑973, punt 36; Chawdhry/Commissie, reeds aangehaald, punt 45; Brendel/Commissie, reeds aangehaald, punt 60; R/Commissie, reeds aangehaald, punt 26
5. Het recht op bescherming van gewettigd vertrouwen, dat een van de fundamentele beginselen van de Gemeenschap is, strekt zich uit tot eenieder die zich in een situatie bevindt waaruit blijkt dat de communautaire administratie, door hem nauwkeurige toezeggingen te doen, gegronde verwachtingen bij hem heeft gewekt. Wat een arbeidsverhouding met een instelling betreft, moeten deze toezeggingen hoe dan ook in overeenstemming zijn met het Statuut of met de Regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden.
(cf. punt 115)
Referentie: Gerecht 23 februari 2006, Karatzoglou/EBW, T‑471/04, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 33 en 34, en aangehaalde rechtspraak
6. De eerbiediging van het beginsel van gelijke behandeling moet te verenigen zijn met de eerbiediging van het legaliteitsbeginsel, dat meebrengt dat niemand zich ten eigen voordele kan beroepen op een onwettigheid waarvan anderen hebben kunnen profiteren. Heeft het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag een fout gemaakt bij de indeling van tijdelijk functionarissen in de wetenschappelijke of technische groep, dan kan de functionaris die is aangesteld in de administratieve groep, maar zich in exact dezelfde feitelijke en juridische situatie bevindt als die functionarissen, in de zin dat hij aan dezelfde selectieprocedure heeft deelgenomen en dezelfde werkzaamheden verricht, daarvan niet profiteren door zich te beroepen op een schending van het beginsel van gelijke behandeling.
(cf. punt 134)
Referentie: Hof 9 oktober 1984, Witte/Parlement, 188/83, Jurispr. blz. 3465, punt 15; Hof 4 juli 1985, Williams/Rekenkamer, 134/84, Jurispr. blz. 2225, punt 14; Hof 14 maart 2002, Italië/Raad, C‑340/98, Jurispr. blz. I‑2663, punten 87‑93
Full & Egal Universal Law Academy