Zaak T‑37/04 R
Região autónoma dos Açores
tegen
Raad van de Europese Unie
„Procedure in kort geding – Visserij – Verordening (EG) nr. 1954/2003 van Raad – Verzoek om gedeeltelijke opschorting van tenuitvoerlegging en om andere voorlopige maatregelen – Ontvankelijkheid – Spoedeisendheid – Interventie”
Beschikking van de president van het Gerecht van 7 juli 2004
Samenvatting van de beschikking
1. Procedure – Interventie – Belanghebbenden – Interventie in kader van verzoek om opschorting van tenuitvoerlegging – Verzoek betreffende verordening nr. 1954/2003, voorzover betrekking hebbend op wateren van Azoren – Coöperatieve vennootschap van vissers die hun activiteit in wateren van Azoren uitoefenen – Territoriale vereniging ter bescherming van archipel van Azoren – Ontvankelijkheid – Voorwaarden – Internationale vereniging voor milieubescherming – Niet-ontvankelijkheid
(Statuut van het Hof van Justitie, art. 40, tweede alinea; verordening nr. 1954/2003 van de Raad)
2. Kort geding – Opschorting van tenuitvoerlegging – Voorwaarden voor ontvankelijkheid – Ontvankelijkheid prima facie van beroep in hoofdzaak – Summier onderzoek van beroep in hoofdzaak door kortgedingrechter
(Art. 242 EG; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2)
3. Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke of rechtspersonen – Beroep ingesteld door regionale autoriteit – Regio die naar nationaal recht rechtspersoonlijkheid bezit – Regio die beroep kan instellen
(Art. 230, vierde alinea, EG)
4. Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke of rechtspersonen – Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken – Verordening betreffende visserijbeheer in bepaalde gebieden – Beroep ingesteld door regionale autoriteit van een van gebieden waarop verordening betrekking heeft – Ontvankelijkheid – Voorwaarden
(Art. 230, vierde alinea, EG; verordening nr. 1954/2003 van de Raad)
5. Kort geding – Opschorting van tenuitvoerlegging – Voorlopige maatregelen – Voorwaarden voor toekenning – Spoedeisendheid – Afweging van betrokken belangen – Opschorting van tenuitvoerlegging van maatregel van algemene strekking – Afweging van gevolgen van opschorting voor vele belanghebbenden tegen noodzakelijkheid van maatregel voor verzoeker
(Art. 242 EG en 243 EG; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2; verordening nr. 1954/2003 van de Raad)
6. Kort geding – Opschorting van tenuitvoerlegging – Voorlopige maatregelen – Voorwaarden voor toekenning – Spoedeisendheid – Ernstige en onherstelbare schade – Bestaan van andere middelen die door Commissie of lidstaten kunnen worden gebruikt – Spoedeisendheid uitgesloten
(Art. 242 EG en 243 EG; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2; verordening nr. 1954/2003 van de Raad)
1. Het begrip belang bij de beslissing van het geding, in de zin van artikel 40, tweede alinea, van het Statuut van het Hof, moet worden opgevat als een rechtstreeks en actueel belang bij de beslissing op het gevorderde. Met name moet worden geverifieerd, of de verzoeker tot interventie door de bestreden handeling rechtstreeks wordt geraakt, en of zijn belang bij de uitkomst van het geding vaststaat. Verenigingen kunnen tot interventie worden toegelaten om voor de belangen van hun leden op te komen, in zaken waarin het gaat om principiële kwesties die die belangen kunnen raken.
Een producentenvereniging in de vorm van een coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, waarvan het voornaamste doel bestaat in de behartiging van de belangen van haar leden, hoofdzakelijk vissers die hun activiteit in de Azoren uitoefenen, heeft een dergelijk belang in het kader van een verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van verordening nr. 1954/2003 betreffende het beheer van de visserijinspanning voor bepaalde vangstgebieden en visbestanden van de Gemeenschap, voorzover deze betrekking heeft op de wateren van de Azoren. Een vereniging voor milieubescherming, zonder winstoogmerk en met als voornaamste doelstelling de bestudering en het behoud van het nationale en culturele erfgoed van de archipel van de Azoren alsook de bescherming van de visstand en de mariene ecosystemen van die archipel, heeft ook een dergelijk belang.
Daarentegen is het interventieverzoek van een internationale vereniging voor milieubescherming niet-ontvankelijk wanneer de doelstellingen en activiteiten van deze vereniging uitgestrekte geografische gebieden bestrijken en niet uitsluitend of hoofdzakelijk op de wateren van de Azoren gericht zijn. De belangen van een dergelijke internationale vereniging zijn namelijk te ruim en te algemeen om door de afloop van de procedure tot opschorting van de tenuitvoerlegging van een verordening die alleen de wateren van de Azoren betreft, wezenlijk te worden beïnvloed.
(cf. punten 59‑60, 63, 69‑70)
2. De ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak behoort in beginsel niet in het kader van een kort geding te worden getoetst, teneinde de beslissing in de hoofdzaak niet te prejudiciëren. Niettemin dient, wil het verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van een handeling kunnen worden ontvangen, de verzoeker het bestaan aannemelijk te maken van bepaalde elementen die voorshands de conclusie toelaten dat het beroep waarmee het verzoek in kort geding samenhangt, ontvankelijk is, dit om te voorkomen dat de verzoeker in kort geding opschorting van tenuitvoerlegging weet te verkrijgen van een handeling die het Hof vervolgens weigert nietig te verklaren omdat het beroep in de hoofdzaak niet-ontvankelijk blijkt te zijn.
Gezien het spoedeisend karakter van het kort geding, is het onderzoek naar de ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak noodzakelijkerwijs summier. In het kader van een verzoek in kort geding kan over de ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak immers slechts een voorlopig oordeel worden geveld; het gaat er hierbij om, te bepalen of de verzoeker voldoende gegevens aanbrengt die a priori de conclusie toelaten, dat de ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak niet kan worden uitgesloten. Derhalve kan de kortgedingrechter het verzoek slechts niet-ontvankelijk verklaren, wanneer volstrekt kan worden uitgesloten dat het beroep in de hoofdzaak ontvankelijk is. Anders zou met een uitspraak over de ontvankelijkheid in het stadium van het kort geding, wanneer deze op het eerste gezicht niet volstrekt uitgesloten is, op de beslissing van het Gerecht in de hoofdzaak vooruit worden gelopen.
(cf. punten 108‑110)
3. Voorzover een regio naar nationaal recht rechtspersoonlijkheid bezit, kan zij in principe een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230, vierde alinea, EG instellen. Volgens deze bepaling kan iedere natuurlijke of rechtspersoon beroep instellen tegen tot hem gerichte beschikkingen, alsmede tegen beschikkingen die, hoewel gegeven in de vorm van een verordening of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raken.
(cf. punt 112)
4. In de zin van artikel 230, vierde alinea, EG, kan een handeling van algemene strekking, zoals een verordening, natuurlijke of rechtspersonen slechts individueel raken indien zij hen treft wegens bepaalde bijzondere hoedanigheden of een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen daardoor op overeenkomstige wijze individualiseert als een adressaat.
In het bijzonder is in het kader van een door een regio als de autonome regio van de Azoren ingesteld beroep tot nietigverklaring van verordening nr. 1954/2003 betreffende het beheer van de visserijinspanning voor bepaalde vangstgebieden en visbestanden van de Gemeenschap, voorzover deze betrekking heeft op de wateren van de Azoren, het algemene belang dat die regio als bevoegd lichaam voor economische vraagstukken op haar grondgebied, waaronder de visserij, erbij kan hebben om een voor het economisch welvaren van de visserij gunstig resultaat te bereiken, op zich niet voldoende om haar als geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG te beschouwen. Als bewijs van het individuele belang volstaat ook niet dat verzoekster bijzondere bescherming onder het Verdrag geniet (artikel 299, lid 2, EG), dat de bestreden handeling haar uitdrukkelijk noemt, of nog dat de Raad verzoeksters situatie bij de vaststelling van de bestreden verordening in aanmerking moest nemen.
Verzoekster dient aan de hand van de feiten aannemelijk te maken dat de bestreden handeling haar treft wegens een feitelijke situatie die haar karakteriseert ten opzichte van iedere andere persoon, ook ten opzichte van de andere ultraperifere regio’s. Op het eerste gezicht kan zulks het geval zijn indien zij kan aantonen dat de bestreden verordening onmiddellijke en aanzienlijke gevolgen zal hebben voor haar rechtssituatie, doordat zij, als gevolg van de toepassing van de bepalingen ervan, haar de bevoegdheid ontneemt regels te stellen voor de visserij en een nadelige invloed heeft op de visserijactiviteiten, die een belangrijk onderdeel van haar economie vormen, en haar situatie bijzonder is wat het mariene ecosysteem en de visserijactiviteiten betreft.
(cf. punten 116‑120)
5. In het kader van een verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van een verordening die een maatregel van algemene strekking bevat, zoals verordening nr. 1954/2003 betreffende het beheer van de visserijinspanning voor bepaalde vangstgebieden en visbestanden van de Gemeenschap, moet de kortgedingrechter de gevolgen van een opschorting van de tenuitvoerlegging voor zeer vele belanghebbenden afwegen tegen de noodzakelijkheid van de gevraagde voorlopige maatregelen ter voorkoming van de ernstige en onherstelbare schade die, naar verzoekster stelt, tot aan de beslissing in de hoofdzaak zou ontstaan.
Ook moet in aanmerking worden genomen dat, wanneer de Raad als wetgever over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt en de rechter zich er derhalve toe beperkt, te toetsten of er geen sprake is van een kennelijke dwaling of van misbruik van bevoegdheid en of het betrokken gezagsorgaan de grenzen van zijn beoordelingsvrijheid niet kennelijk heeft overschreden, de kortgedingrechter, behalve in een situatie van kennelijke spoedeisendheid, zijn beoordeling niet in de plaats kan stellen van die van de Raad zonder inbreuk te maken op de beoordelingsvrijheid van deze instelling.
De afweging van de betrokken belangen brengt dus mee dat de kortgedingrechter zijn beoordeling slechts in de plaats van die van de Raad kan stellen in buitengewone omstandigheden die worden gekenmerkt door een bijzonder serieuze fumus boni juris en door kennelijke spoedeisendheid.
(cf. punten 135‑138, 193, 195)
6. De spoedeisendheid van een verzoek in kort geding moet worden getoetst naar de maatstaf of een voorlopige beslissing noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade voor de partij die om de voorlopige maatregel verzoekt. In het bijzonder wanneer het intreden van de schade van een aantal factoren afhangt, volstaat het dat de schade met een zekere mate van waarschijnlijkheid voorzienbaar is.
Dienaangaande is het met betrekking tot een verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van een verordening, zoals verordening nr. 1954/2003 betreffende het beheer van de visserijinspanning voor bepaalde vangstgebieden en visbestanden van de Gemeenschap, uitgesloten dat deze voorlopige maatregel noodzakelijk is indien er andere, geschiktere en meer evenredige middelen zijn, zoals de spoedmaatregelen die de Commissie of de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid kunnen vaststellen, en indien de verzoeker iets kan ondernemen om de toepassing van dergelijke maatregelen te verkrijgen.
(cf. punten 141, 194)
BESCHIKKING VAN DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
7 juli 2004 (*)
„Kort geding – Visserij – Verordening (EG) nr. 1954/2003 van de Raad – Verzoek om gedeeltelijke opschorting van tenuitvoerlegging en andere voorlopige maatregelen – Ontvankelijkheid – Spoedeisendheid – Interventie”
In zaak T‑37/04 R,
Região autónoma dos Açores, vertegenwoordigd door M. Renouf, S. Crosby en C. Bryant, solicitors, en H. Mercer, barrister,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J. Monteiro en F. Florindo Gijón als gemachtigden,
verweerder,
ondersteund door
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door T. van Rijn en B. Doherty als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
en door
Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door N. Díaz Abad en E. Braquehais Conesa als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënten,
betreffende een verzoek om gedeeltelijke opschorting van de tenuitvoerlegging van verordening (EG) nr. 1954/2003 van de Raad van 4 november 2003 betreffende het beheer van de visserijinspanning voor bepaalde vangstgebieden en visbestanden van de Gemeenschap, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2847/93 en tot intrekking van de verordeningen (EG) nr. 685/95 en (EG) nr. 2027/95 (PB L 289, blz. 1), voorzover betrekking hebbend op de wateren van de Azoren, met name de artikelen 3, 5, lid 1, 11, 13, sub b, en 15 en de bijlage, en/of alle andere passend geachte voorlopige maatregelen,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
de navolgende
Beschikking
De toepasselijke regeling
1 De voor dit verzoek om voorlopige maatregelen relevante wettelijke regeling is die betreffende het gemeenschappelijk visserijbeleid van de Gemeenschap, met name voorzover als dat betrekking hebbende op een onder Portugese jurisdictie vallende zone van 200 zeemijl vanaf de basislijn van de Azoren (hierna: „wateren van de Azoren”), ook bekend als de exclusieve economische zone van de Azoren. Die zeer ingewikkelde wettelijke regeling omvat een groot aantal normatieve handelingen van afgeleid recht, die op de visserij in die zone van toepassing zijn.
A – Bepalingen betreffende de toegang tot de wateren onder Portugese jurisdictie, met name de wateren van de Azoren
2 Sedert de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek tot de Gemeenschap op 1 januari 1986 gelden voor de toegang van buitenlandse vaartuigen tot de wateren onder Portugese jurisdictie, waaronder die van de Azoren, de bepalingen van het Verdrag betreffende de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB 1985, L 302, blz. 9; hierna „Toetredingsakte”), en de nadere regeling van afgeleid recht.
3 In het bijzonder de artikelen 154 tot en met 166 en 346 tot en met 363 Toetredingsakte bevatten overgangsbepalingen voor de visserij in Spanje en Portugal. Ingevolge de artikelen 162 en 350 Toetredingsakte en artikel 43 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 37 EG) werd een overgangsregeling vastgesteld in de vorm van verordening (EG) nr. 1275/94 van de Raad van 30 mei 1994 inzake aanpassingen in de regeling die is vastgesteld in de hoofdstukken „Visserij” van de Akte van Toetreding van Spanje en Portugal (PB L 140, blz. 1). Deze verordening legde het institutionele kader vast waarbinnen de Raad nieuwe maatregelen kon treffen. Volgens artikel 353 Toetredingsakte zou de overgangsregeling tot 31 december 2002 van kracht blijven.
4 Krachtens verordening nr. 1275/94 stelde de Raad twee verordeningen vast, te weten verordening (EG) nr. 685/95 van de Raad van 27 maart 1995 betreffende het beheer van de visserijinspanningen voor bepaalde vangstgebieden en visbestanden van de Gemeenschap (PB L 71, blz. 5), en verordening (EG) nr. 2027/95 van de Raad van 15 juni 1995 tot invoering van een regeling voor het beheer van de visserijinspanning voor bepaalde vangstgebieden en visbestanden van de Gemeenschap (PB L 199, blz. 1) (hierna tezamen „de verordeningen van 1995”).
5 De verordeningen van 1995 regelen de toegang tot de wateren onder Portugese jurisdictie, waaronder de wateren van de Azoren. Zij voeren, onder meer, een beperking van de visserijinspanning in, door de toegang van buitenlandse vaartuigen tot de wateren van de Azoren uitdrukkelijk uit te sluiten.
6 Verordening nr. 685/95 bevat bepalingen krachtens welke Spaanse vaartuigen voor de tonijnvisserij geen toegang tot de wateren van de Azoren hebben (artikel 8 en bijlage III, punt 3).
7 Verordening nr. 2027/95 bepaalt in bijlage I voor elke lidstaat de maximale jaarlijkse visserijinspanning per tak van visserij. Volgens de in die bijlage genoemde maxima mag Portugal als enige lidstaat in de wateren van de Azoren vissen op diepzeesoorten. Verder kent de bijlage geen enkel quotum toe voor de visserij met gesleept vistuig op demersale en diepzeesoorten in de wateren van de Azoren, wat in wezen neerkomt op een verbod op het gebruik van gesleept vistuig in die wateren.
B – Andere op de wateren van de Azoren toepasselijke verordeningen
8 Enkele andere verordeningen, die onder meer op de wateren van de Azoren van toepassing zijn, regelen hier relevante punten, zoals de totaal toelaatbare vangsten („TAC’s”), de visserijinspanning voor diepzeesoorten en het gebruik van toegestane vistuigen.
1. De basisverordening
9 Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (PB L 358, blz. 59), is de in deze procedure toepasselijke „basisverordening”.
10 De artikelen 1 en 2 van de basisverordening bepalen, respectievelijk, dat het gemeenschappelijk visserijbeleid gericht is op „de instandhouding, het beheer en exploitatie van levende aquatische hulpbronnen [...]”, en dat het gemeenschappelijk visserijbeleid „een exploitatie van de levende aquatische hulpbronnen [garandeert] die voor duurzame omstandigheden op economisch, ecologisch en sociaal gebied zorgt”. Met het oog op die doelstellingen bepaalt artikel 4 van de basisverordening, dat „de Raad communautaire maatregelen [vaststelt] waarbij de toegang tot wateren en hulpbronnen en de duurzame uitoefening van visserijactiviteiten worden geregeld”, en dat „bedoelde maatregelen worden vastgesteld met inachtneming van de beschikbare wetenschappelijke, technische en economische adviezen”. De maatregelen kunnen gericht zijn op bepaalde bestanden of groepen bestanden en kunnen bestaan in het bepalen van doelstellingen, de beperking van vangsten en van de visserijinspanning, technische maatregelen (bijvoorbeeld betreffende de structuur van vistuigen) of in „specifieke maatregelen om de gevolgen van visserijactiviteiten voor mariene ecosystemen en niet-doelsoorten te beperken”.
11 De artikelen 7 en 8 van de basisverordening machtigen de Commissie, respectievelijk de lidstaten om in het geval van ernstige bedreiging van het mariene ecosysteem of de visbestanden noodmaatregelen te treffen. Deze artikelen luiden als volgt:
„Artikel 7
Noodmaatregelen van de Commissie
„1. Indien er bewijs is van een, onmiddellijke actie vereisende, ernstige bedreiging voor de instandhouding van levende aquatische hulpbronnen of voor het mariene ecosysteem als gevolg van visserijactiviteiten, kan de Commissie, op gemotiveerd verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief, beslissen over noodmaatregelen waarvan de geldigheidsduur ten hoogste zes maanden bedraagt. De Commissie kan een nieuw besluit nemen om de maatregelen met ten hoogste zes maanden te verlengen.
[...]
Artikel 8
Noodmaatregelen van een lidstaat
1. Indien er bewijs is van een ernstige en onvoorziene bedreiging voor de instandhouding van levende aquatische hulpbronnen of voor het mariene ecosysteem als gevolg van visserijactiviteiten, die zich voordoet in wateren onder de soevereiniteit of jurisdictie van een lidstaat, waarbij elk te langdurig uitstel zou leiden tot schade die moeilijk te herstellen zou zijn, kan die lidstaat noodmaatregelen nemen waarvan de geldigheidsduur ten hoogste drie maanden bedraagt.
[...]”
2. Verordeningen van 2002 betreffende de bestanden van diepzeevissen
12 Enkele verordeningen regelen de TAC’s en de beperking van de visserijinspanning voor diepzeevissen.
13 Verordening (EG) nr. 2340/2002 van de Raad van 16 december 2002 tot vaststelling, voor 2003 en 2004, van de vangstmogelijkheden voor bestanden van diepzeevissen (PB L 356, blz. 1) bevat de TAC’s en de quota voor de bestanden van diepzeevissen. Met betrekking tot de wateren van de Azoren noemt bijlage I bij deze verordening bijzondere beperkingen voor twee diepzeesoorten, de zwarte haarstaartvis en de zeebrasem.
14 Verordening (EG) nr. 2347/2002 van de Raad van 16 december 2002 tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor de toegang tot diepzeebestanden en bij de visserij daarop in acht te nemen voorschriften (PB L 351, blz. 6) (hierna, tezamen met verordening nr. 2340/2002, „de verordeningen van 2002”) bevat voorschriften die beperkingen stellen aan de visserijinspanning voor een aantal in bijlage I bij deze verordening genoemde diepzeesoorten (daaronder belangrijke Azorensoorten zoals de Atlantische slijmkop en de beryciden). Ten aanzien van deze soorten wordt de visserijinspanning aldus beperkt, dat het totale motorvermogen en het totale volume van de jaren 1998, 1999 en 2000 niet mogen worden overschreden. Bijlage II bij de verordening bevat een andere lijst van diepzeesoorten (waaronder de wrakbaars, de roodbaars, de moro en de zeepaling), waarvoor de vaartuigen logboeken met gedetailleerde gegevens moeten bijhouden om een permanent toezicht op de situatie van die soorten mogelijk te maken.
3. Verordening nr. 850/98 betreffende het gebruik van vistuigen
15 Het gemeenschappelijk visserijbeleid omvat ook maatregelen die eisen stellen aan het gebruik van bijzondere vistuigen en/of het gebruik daarvan verbieden. Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad van 30 maart 1998 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen PB L 125, blz. 1) schrijft minimummaaswijdten voor gesleept vistuig voor en is van toepassing op, onder meer, de wateren van de Azoren.
16 De Commissie heeft de Raad een voorstel voor een verordening van de Raad houdende wijziging van verordening nr. 850/98 voorgelegd met betrekking tot de bescherming van koudwaterkoraalriffen tegen de gevolgen van de trawlvisserij in bepaalde gebieden van de Atlantische Oceaan [COM(2004) 58; hierna „voorstel trawlvisserij”].
17 Hierin wordt voorgesteld het gebruik van bodemtrawls of soortgelijke gesleepte vistuigen in de wateren van de Azoren te verbieden. Artikel 30 van verordening nr. 850/98 zou komen te luiden:
„Vaartuigen mogen geen bodemtrawls of soortgelijke sleepnetten die in contact komen met de bodem van de zee, gebruiken in [onder meer, de wateren van de Azoren].”
4. Verordening nr. 2847/93 betreffende controleregelingen (VMS en meldingsregeling)
18 Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (PB L 261, blz. 1), zoals laatstelijk gewijzigd bij verordening (EG) nr. 806/2003 van de Raad van 14 april 2003 tot aanpassing aan besluit 1999/468/EG van de bepalingen betreffende de comités die de Commissie bijstaan in de uitoefening van haar uitvoeringsbevoegdheden die zijn vastgelegd in volgens de raadplegingsprocedure (gekwalificeerde meerderheid) goedgekeurde besluiten van de Raad (PB L 122, blz. 1; hierna „verordening nr. 2847/93”), voert een controlestelsel in dat de vaartuigen verplicht apparatuur aan boord te hebben en ingeschakeld te houden, waarmee het vaartuig via een satellietverbinding kan worden gedetecteerd en geïdentificeerd (satellietvolgsysteem, Vessel Monitoring System, hierna „VMS”).
19 Titel II bis van verordening nr. 2847/93 is ingevoegd bij verordening (EG) nr. 2870/95 van de Raad van 8 december 1995 houdende wijziging van verordening nr. 2847/93 (PB L 301, blz. 1). Deze titel verplicht vaartuigen die op demersale soorten vissen, hun vangsten aan te melden (titel II bis, artikelen 19 bis, lid 3, 19 ter, 19 quater, 19 quinquies en 19 sexies, lid 3). Deze meldingsregeling staat ook bekend als het „hailing system”.
20 In een aantal andere verordeningen zijn aanvullende regels voor het gebruik van het VMS neergelegd. Zo bevat verordening nr. 2347/2002 bijzondere regels voor het gebruik van het VMS door vaartuigen voor de diepzeevisserij. Verordening nr. 2371/2002 stelt het VMS ook verplicht voor schepen van meer dan 18 meter lengte en, vanaf 2005, van meer dan 15 meter lengte. Verordening (EG) nr. 2244/2003 van de Commissie van 18 december 2003 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen inzake satellietvolgsystemen (PB L 333, blz. 17) bevat andere technische voorschriften voor het gebruik van het VMS.
C – Verordening nr. 1954/2003, de bestreden verordening
21 Zoals de voorgaande beknopte bespreking reeds duidelijk maakt, is verordening (EG) nr. 1954/2003 van de Raad van 4 november 2003 betreffende het beheer van de visserijinspanning voor bepaalde vangstgebieden en visbestanden van de Gemeenschap, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2847/93 en tot intrekking van de verordeningen (EG) nr. 685/95 en (EG) nr. 2027/95 (PB L 289, blz. 1; hierna „bestreden verordening”) niet de enige gemeenschapshandeling die van belang is voor de visserij, en met name de diepzeevisserij in de wateren van de Azoren. Zij maakt immers deel uit van een bundel van normatieve handelingen in de ruimere context van het gemeenschappelijk visserijbeleid.
22 De bestreden verordening is vastgesteld op de grondslag van de artikelen 37 EG en 299, lid 2, EG. Zij voert een visserijinspanningsregeling in voor een groot gedeelte van de noordelijke Atlantische Oceaan (ICES-deelgebieden V, VI, VII, VIII, IX en X en CECAF-sectoren 34.1.1, 34.1.2 en 34.2.0), aangeduid als de „westelijke wateren”. Zoals vermeld in artikel 2 van de bestreden verordening, zijn genoemde deelgebieden en sectoren omschreven in verordening (EEG) nr. 3880/91 van de Raad van 17 december 1991 inzake de verstrekking van statistieken van de nominale vangsten van lidstaten die in het noordoostelijke gedeelte van de Atlantische Oceaan vissen (PB L 365, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1637/2001 van de Commissie van 23 juli 2001 (PB L 222, blz. 20). De wateren van de Azoren behoren tot ICES X en CECAF 34.2.0.
23 Volgens punt 2 van de considerans van de bestreden verordening moeten na het verstrijken van de toegangsregeling van de Toetredingsakte een aantal bepalingen van de verordeningen van 1995 betreffende deze toegang worden aangepast aan de nieuwe rechtssituatie.
24 Volgens artikel 3 van de bestreden verordening moeten de lidstaten een raming maken van de visserijinspanning die door vaartuigen met een lengte over alles van 15 meter of meer (bijzondere bepalingen gelden voor schepen van minder dan 15 meter; zie artikel 4 van de verordening) als jaarlijks gemiddelde van de periode 1998 tot en met 2002 is verricht in elk van de in artikel 1 genoemde ICES-deelgebieden en CECAF-sectoren voor de demersale visserij – uitgezonderd de onder verordening nr. 2347/2002 vallende diepzeevisserij – en de geraamde hoeveelheid verdelen over de diverse visserijtakken.
25 Ingevolge de artikelen 7 en 8 van de bestreden verordening stellen de lidstaten een lijst op van de vissersvaartuigen die hun vlag voeren en in de betrokken vangstgebieden de visserij mogen uitoefenen; zij nemen de nodige maatregelen om de visserijinspanning te reguleren en houden daartoe toezicht op de activiteit van hun vloot. Volgens artikel 10 moeten de lidstaten de Commissie mededeling doen van de overeenkomstig artikel 3 gemaakte raming van de visserijinspanning, van de lijsten van schepen en van de in de artikelen 7 en 8 bedoelde maatregelen.
26 Artikel 11 van de bestreden verordening stelt een procedure in volgens welke de Raad, of in voorkomend geval de Commissie, een verordening kan vaststellen ter bepaling van het maximale jaarlijkse visserijinspanningsniveau voor elke lidstaat en voor elk van de deelgebieden en sectoren en elk van de betrokken visserijtakken (hierna: „uitvoeringsverordening”). Artikel 11 luidt:
„Besluitvorming
1. Aan de hand van de in artikel 10 bedoelde informatie en na nauw overleg met de betrokken lidstaten dient de Commissie uiterlijk op 29 februari 2004 bij de Raad een voorstel in voor een verordening tot vaststelling van het maximale jaarlijkse visserijinspanningsniveau voor elke lidstaat en voor de verschillende in de artikelen 3 en 6 omschreven deelgebieden en visserijtakken.
2. Uiterlijk op 31 mei 2004 neemt de Raad, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een besluit over het in lid 1 bedoelde maximale jaarlijkse visserijinspanningsniveau.
[...]
3. Indien de Raad uiterlijk op 31 mei 2004 geen besluit heeft genomen, dan neemt de Commissie op grond van het in lid 1 bedoelde voorstel, volgens de procedure van artikel 30, lid 2, van verordening (EG) nr. 2371/2002, uiterlijk op 31 juli 2004 een verordening aan tot vaststelling van het maximale jaarlijkse visserijinspanningsniveau voor elke lidstaat en voor de verschillende in de artikelen 3 en 6 omschreven deelgebieden en visserijtakken.”
27 Artikel 14 van de bestreden verordening brengt wijzigingen aan in een aantal bepalingen van verordening nr. 2847/93 betreffende het gebruik van het VMS en de meldingsregeling. Artikel 13 heeft in wezen betrekking op het VMS en de meldingsregeling waarin verordening nr.2847/93 voorziet, voor een biologisch kwetsbaar gebied rond Ierland, omschreven in artikel 6 van de bestreden verordening. Artikel 13, sub b, evenwel, dat voor alle andere gebieden geldt, met inbegrip van de wateren van de Azoren, heeft enkel betrekking op het VMS en stelt de meldingsregeling in die gebieden buiten werking.
28 Artikel 15 van de bestreden verordening regelt de intrekking van de verordeningen van 1995 met ingang van de dag van inwerkingtreding van de uitvoeringsverordening, dan wel, indien dat eerder is, per 1 augustus 2004.
29 Artikel 5 van de bestreden verordening bevat een speciale beperking voor de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden. Het luidt:
„In de wateren tot 100 zeemijlen vanaf de basislijnen van de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden kunnen de betrokken lidstaten de visserij beperken tot vaartuigen die geregistreerd zijn in de havens van die eilanden, met uitzondering van communautaire vaartuigen die van oudsher in die wateren vissen, mits de van oudsher uitgeoefende visserijinspanning daardoor niet toeneemt.
[...]”
De feiten
A – De verzoekster
30 Verzoekster, de Região autónoma dos Açores, is een autonoom gebiedsdeel van de Portugese Republiek. Zij is een rechtspersoon naar Portugees recht en beschikt krachtens de Portugese grondwet over omvangrijke autonome bevoegdheden, waaronder regelgevende bevoegdheid met betrekking tot visserijaangelegenheden (artikelen 227 en 228 van de Portugese grondwet).
B – Ontstaansgeschiedenis van de bestreden verordening en latere voorstellen betreffende uitvoeringsmodaliteiten
31 Op 16 december 2002 nam de Commissie een voorstel aan waaruit vervolgens de bestreden verordening is voortgekomen [voorstel voor een verordening van Raad betreffende het beheer van de visserijinspanning voor bepaalde vangstgebieden en visbestanden van de Gemeenschap en tot wijziging van verordening nr. 2847/93 – COM(2002) 739 def.].
32 Op 19 mei respectievelijk 28 mei 2003 publiceerde het voorzitterschap van de Raad een memorandum en vervolgens een werkdocument met wijzigingsvoorstellen op het voorstel van de Commissie. Met name stelde het voorzitterschap voor om rond de Azoren, naast de door de Commissie voorgestelde beheerszone van 200 zeemijl voor tonijnachtigen, op de grondslag van artikel 299, lid 2, EG een beheerszone van 50 zeemijl voor diepzeesoorten in te stellen.
33 Op 4 juni 2003 aanvaardde het Europees Parlement een wetgevingsresolutie [P5‑TA(2003) 0250] waarin het voorstel van de Commissie werd goedgekeurd behoudens een aantal wijzigingen, waaronder handhaving van het in verordening nr. 685/95 geregelde stelsel voor een nieuwe periode van tien jaar.
34 Op 5 september 2003 legde het voorzitterschap van de Raad, in overeenstemming met de Commissie, een compromisvoorstel voor, waarin als rechtsgrondslag voor de bestreden verordening niet slechts artikel 37 EG, maar ook artikel 299, lid 2, EG werd genoemd. Artikel 6, lid 1, van het compromisvoorstel van het voorzitterschap voorzag in een beheerszone van 100 zeemijl rond de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden voor alle soorten, dus niet enkel voor tonijnachtigen zoals in het oorspronkelijke voorstel van de Commissie.
35 Op 13 oktober 2003 bereikte de Raad een politiek akkoord op basis van het compromisvoorstel van het voorzitterschap van 5 september 2003. Dezelfde dag legde de Commissie de volgende, bij het proces-verbaal van de Raad gevoegde, verklaring af:
„Ter aanvulling van de beperkingen bij de Azoren en om schade aan de kwetsbare ecosystemen in de wateren tot ten minste 200 zeemijl rond de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden te voorkomen, zal de Commissie binnenkort een voorstel doen voor een verordening tot wijziging van verordening nr. 850/98 om de visserij met gesleepte vistuigen te verbieden.”
36 Op 4 november 2003 stelde de Raad de bestreden verordening vast.
37 Op 3 februari 2004 diende de Commissie een voorstel in voor een verordening van de Raad houdende wijziging van verordening nr. 850/98 met betrekking tot de bescherming van koudwaterkoraalriffen tegen de gevolgen van de trawlvisserij in bepaalde gebieden van de Atlantische Oceaan [COM(2004) 58 def.].
38 Op 12 maart 2004 aanvaardde de Commissie een voorstel voor een uitvoeringsverordening als bedoeld in artikel 11 van de bestreden verordening, tot vaststelling van het maximale jaarlijkse visserijinspanningsniveau voor bepaalde vangstgebieden en visserijtakken [COM(2004) 166 def.].
Het procesverloop
39 Krachtens verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot de documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, (PB L 145, blz. 43) diende verzoekster, bij brieven van haar raadslieden aan de secretaris-generaal van de Raad en de directeur-generaal van het directoraat-generaal („DG”) Visserij van de Commissie, op 12 december 2003 een eerste verzoek in om inzage van een zeker aantal op de vaststelling van de bestreden verordening betrekking hebbende stukken.
40 Bij brief van 7 januari 2004 deelde het secretariaat-generaal van de Raad verzoekster mee, dat het 24 stukken had gevonden die haar integraal zouden worden meegedeeld. Op 13 januari 2004 herhaalde verzoekster haar verzoek, stellende dat het antwoord van het secretariaat-generaal onvoldoende rekening hield met alle aspecten van haar eerste verzoek. Op 15 januari 2004 antwoordde de eenheid Communicatie en voorlichting van DG Visserij van de Commissie met een e-mail aan verzoeksters raadsman op het eerste verzoek om inzage van stukken. Op 10 februari 2004 gaf de Raad zijn goedkeuring aan een antwoord op het herhaalde verzoek en gaf een aantal in punt 4 van het antwoord opgesomde aanvullende stukken vrij.
41 Bij verzoekschrift, op 2 februari 2004 neergelegd ter griffie van het Gerecht, heeft verzoekster krachtens de artikelen 230 EG en 231 EG beroep ingesteld tot, onder meer, gedeeltelijke nietigverklaring van de bestreden verordening voorzover betrekking hebbend op de wateren van de Azoren, met name de artikelen 3, 5, lid 1, 11, 13, sub b, en 15 en de bijlage van die verordening.
42 Bij op 9 maart 2004 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft verzoekster krachtens de artikelen 242 EG en 243 EG en artikel 104 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht het onderhavige verzoek ingediend om gedeeltelijke opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden verordening en/of alle andere passend geachte voorlopige maatregelen. In het bijzonder concludeert verzoekster dat het het Gerecht behage:
– de uitvoering van de artikelen 3 en 11 en van de bijlage van [de bestreden verordening] op te schorten totdat het Gerecht arrest heeft gewezen in de hoofdzaak of tot nader order, voorzover zij:
– bepalen dat de visserijinspanning in de zin van de verordening enkel onder verwijzing naar de doelsoort en het ICES/CEFAF-gebied wordt bepaald, en niet tevens onder verwijzing naar het gebruikte type – passief dan wel gesleept – vistuig;
– de onder verordening nr. 2347/2002 vallende demersale soorten van de toepassing van de artikelen 3 en 11 uitsluiten;
– de uitvoering van artikel 15 van [de bestreden verordening] op te schorten totdat het Gerecht arrest heeft gewezen in de hoofdzaak of tot nader order, voorzover de intrekking van [de verordeningen van 1995]
– een eind maakt aan de bevoegdheid van de Gemeenschap om de visserijinspanning niet slechts te bepalen naar de doelsoorten en de ICES/CEFAF-gebieden, maar tevens naar de gebruikte vistuigen (artikel 3, lid 1, artikel 6 en bijlage 1 van verordening nr. 685/95, en artikel 2 en bijlage van verordening nr. 2027/95), en een einde maakt aan de wijze van bepaling van de visserijinspanning als geregeld in verordening nr. 2027/95;
– een eind maakt aan de bevoegdheid om een maximale jaarlijkse visserijinspanning per gebied te bepalen voor de onder verordening nr. 2347/2002 vallende demersale soorten, en aan de wijze van bepaling van die inspanning als geregeld in verordening nr. 2027/95;
– het verbod voor Spaanse vaartuigen om in de onder de soevereiniteit of jurisdictie van Portugal vallende insulaire wateren in het deelgebied ICES X en CEFAF-sector 34.2.0 op tonijn en tonijnachtigen te vissen (bijlage III, punt 3, van verordening nr. 685/95), opheft;
– in werking kan treden op 1 augustus 2004, ongeacht of er dan een verordening als bedoeld in artikel 11, lid 2 of lid 3, van [de bestreden verordening] in werking is getreden;
– de tenuitvoerlegging van artikel 5, lid 1, van de bestreden verordening op te schorten totdat het Gerecht arrest heeft gewezen in de hoofdzaak of tot nader order, voorzover het het verbod voor Spaanse vaartuigen om in de onder de soevereiniteit of jurisdictie van Portugal vallende insulaire wateren in het deelgebied ICES X en CEFAF-sector 34.2.0 op tonijn en tonijnachtigen te vissen, niet in stand laat;
– de tenuitvoerlegging van artikel 13, sub b, van de bestreden verordening op te schorten totdat het Gerecht arrest heeft gewezen in de hoofdzaak of tot nader order, voorzover het een eind maakt aan de toepassing van de artikelen 19 bis, lid 3, 19 ter, 19 quater, 19 quinquies en 19 sexies van verordening nr. 2847/93 in de onder de soevereiniteit of jurisdictie van Portugal vallende wateren rond de Azoren;
– subsidiair, een voorlopige beschikking te geven met werking tot de uitspraak van het arrest in de hoofdzaak of tot nader order, met een verbod voor Spaanse vaartuigen om in de wateren van de Azoren op tonijn of tonijnachtigen te vissen, en een verbod voor vaartuigen uit de andere lidstaten behalve Portugal om in die wateren op demersale en diepzeesoorten te vissen;
– elke andere beschikking te geven of maatregel die treffen die in de omstandigheden van deze zaak billijk en passend voorkomt:
– de Raad in de kosten te verwijzen.
43 De Raad heeft op 31 maart 2004 opmerkingen over het verzoek in kort geding ingediend. Daarin concludeert hij dat het het Gerecht behage
– het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren;
– subsidiair, het verzoek als ongegrond af te wijzen;
– verzoekster in de kosten te verwijzen.
44 Bij verzoekschriften, op 30 maart respectievelijk 1 april 2004 neergelegd ter griffie van het Gerecht, hebben de Commissie en het Koninkrijk Spanje verzocht om toelating tot interventie in het kort geding ter ondersteuning van de conclusies van de Raad.
45 De verzoeken tot interventie zijn overeenkomstig artikel 116, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering aan de partijen betekend.
46 Bij brieven van 6 april 2004 hebben zowel verzoekster als de Raad verklaard geen bezwaar te hebben tegen de verzoeken tot interventie van de Commissie en het Koninkrijk Spanje.
47 Bij beschikking van 20 april 2004 heeft de president van het Gerecht de Commissie en het Koninkrijk Spanje toegelaten tot interventie in deze procedure ter ondersteuning van de conclusies van de Raad.
48 Op 21 april 2004 hebben de Commissie en het Koninkrijk Spanje opmerkingen over het verzoek in kort geding ingediend. Daarin concluderen zij dat het het Gerecht behage:
– het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren;
– subsidiair, het verzoek als ongegrond af te wijzen;
– verzoekster in de kosten te verwijzen.
49 Bij op 22 april 2004 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft de Raad krachtens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen tegen het beroep in de hoofdzaak, waarin hij het Gerecht verzoekt het beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van de bestreden verordening kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren, met verwijzing van verzoekster in de kosten.
50 Op 27 april 2004 zijn verzoekster en de Commissie uitgenodigd uiterlijk 28 april 2004 over te leggen, respectievelijk, alle stukken die zij op haar verzoek van 12 december 2003 en op haar latere verzoeken om inzage van het dossier had ontvangen, en fotokopieën van het voorstel voor een uitvoeringsverordening als bedoeld in artikel 11 van de bestreden beschikking. De Commissie heeft op 27 april 2004 en verzoekster op 29 april 2004 de gevraagde stukken overgelegd; zij zijn bij beschikking van 30 april 2004 aan het dossier toegevoegd.
51 Bij afzonderlijk document, op 30 april 2004 neergelegd bij de griffie van het Gerecht, heeft de Raad verzocht twee stukken die aan de door het Koninkrijk Spanje op 21 april 2004 ingediende opmerkingen waren gehecht, bestaande in adviezen van de juridische dienst van de Commissie, uit het dossier te verwijderen en niet in aanmerking te nemen. Het Koninkrijk Spanje is uitgenodigd, op de voor 5 mei 2004 vastgestelde hoorzitting opmerkingen over het verzoek van de Raad te maken.
52 Bij op 29 en 30 april 2004 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschriften hebben vier organisaties, Seas at Risk, WWF – World Wide Fund for Nature (hierna: „WWF”), vertegenwoordigd door R. Buxton, solicitor, en D. Owen, barrister, Porto de Abrigo – Organização de Produtores da Pesca CRL (hierna: „Porto de Abrigo”) en GÊ-Questa – Associação de Defesa do Ambiente (hierna: „GÊ-Questa”), vertegenwoordigd door P. Linhares Dias, advocaat, verzocht om toelating tot interventie in het kort geding ter ondersteuning van de conclusies van verzoekster.
53 De vier genoemde organisaties zijn uitgenodigd te verschijnen op de voor 5 mei 2004 vastgestelde hoorzitting en er hun argumenten voor te dragen, onder voorbehoud van de beslissing over hun verzoek tot interventie.
54 Op de hoorzitting van 5 mei 2004 hebben verzoekster, de Raad, de Commissie, het Koninkrijk Spanje en de verzoeksters tot interventie (WWF, Seas at Risk, Porto de Abrigo en GÊ-Questa) hun argumenten voorgedragen en vragen van de president van het Gerecht beantwoord. Ofschoon de president alle vier organisaties heeft toegestaan hun standpunt met betrekking tot hun verzoek en de gegrondheid van het verzoek in kort geding uiteen te zetten, heeft hij zich de definitieve beslissing over hun verzoek tot interventie voorbehouden.
55 Daar het Koninkrijk Spanje op de hoorzitting geen bezwaar heeft gemaakt tegen het verzoek van de Raad om de twee aan de opmerkingen van 21 april 2004 gehechte documenten uit het dossier te verwijderen en niet in aanmerking te nemen, heeft de president op de zitting besloten de verwijdering van die twee documenten uit het dossier te gelasten.
56 Op 18 juni 2004 heeft verzoekster het Gerecht verzocht, de schriftelijke behandeling te heropenen en het relevante gedeelte van het verslag van juni 2004 van het raadgevend comité voor het beheer van de visbestanden (ACFM) van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) in het dossier op te nemen. De president heeft positief op dit verzoek beslist, en op 30 juni 2004 heeft de griffier van het Gerecht een exemplaar van dat verslag aan de andere partijen gezonden om hun in staat te stellen desgewenst opmerkingen erover te maken. De Raad, de Commissie en het Koninkrijk Spanje hebben hun opmerkingen op 6 juli 2004 ingediend.
In rechte
A – De interventieverzoeken van WWF, Seas at Risk, Porto de Abrigo en GÊ‑Questa
57 Zoals gezegd, hebben WWF, Seas at Risk, Porto de Abrigo en GÊ‑Questa verzocht om toelating tot tussenkomst overeenkomstig artikel 40, tweede alinea, van het Statuut van het Hof. Op de hoorzitting hebben de andere partijen geen opmerkingen over deze verzoeken gemaakt.
58 Volgens artikel 40, tweede alinea, van het Statuut van het Hof, dat ingevolge artikel 53 van dat Statuut van toepassing is op het Gerecht, kan een persoon die aannemelijk maakt belang te hebben bij de beslissing van een bij het Gerecht aanhangig geding, in dat geding interveniëren.
59 Volgens vaste rechtspraak moet het begrip belang bij de beslissing van het geding worden opgevat als een rechtstreeks en actueel belang bij de beslissing op het gevorderde. Met name moet worden geverifieerd, of de verzoeker tot interventie rechtstreeks door de bestreden handeling wordt geraakt en of zijn belang bij de uitkomst van het geding vaststaat (beschikking president Eerste kamer van het Gerecht van 3 juni 1999, ACAV e.a./Raad, T‑138/98, Jurispr. blz. II‑1797, punt 14, en beschikking president Gerecht van 10 juli 2000, Federación de Cofradías de Pescadores de Guipúzcoa e.a./Raad, T‑54/00 R, Jurispr. blz. II‑2875, punt 15 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Verenigingen kunnen tot interventie worden toegelaten om voor de belangen van hun leden op te komen, in zaken waarin het gaat om principiële kwesties die die belangen kunnen raken (beschikking president Hof van 28 september 1998, Pharos/Commissie, C‑151/98 P, Jurispr. blz. I‑5441, punt 6 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
60 Porto de Abrigo is een producentenvereniging in de vorm van een coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. Volgens haar statuten bestaat haar voornaamste doel in de behartiging van de belangen van haar leden, hoofdzakelijk vissers die hun activiteit in de Azoren uitoefenen.
61 Het is duidelijk dat de bestreden verordening, die de visserijactiviteiten in onder meer de wateren van de Azoren regelt, alsook iedere schorsingsbeschikking of andere voorlopige maatregel rechtstreekse en wezenlijke gevolgen zal hebben voor de leden van Porto de Abrigo, wier bestaansmiddelen van die visserijactiviteiten afhangen. Porto de Abrigo heeft dus een vaststaand rechtstreeks belang bij de uitkomst van de onderhavige procedure.
62 Porto de Abrigo moet dus overeenkomstig haar verzoek worden toegelaten tot interventie in deze procedure ter ondersteuning van de conclusies van verzoekster.
63 GÊ‑Questa is een vereniging voor milieubescherming, zonder winstoogmerk en met als voornaamste doelstelling de bescherming en van het milieu en de bevordering daarvan, alsmede de bestudering en het behoud van het nationale en culturele erfgoed van de archipel van de Azoren. Haar statuten bevatten de uitdrukkelijke opdracht zich in te zetten voor de bescherming van het natuurlijke erfgoed van de Azoren, waarvan de visstand en de mariene ecosystemen van die archipel deel uitmaken.
64 Opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden verordening zou rechtstreekse gevolgen hebben voor de visserijactiviteiten in de wateren van de Azoren, daaronder begrepen het gebruik van vistuig dat een aanzienlijke invloed kan hebben op het ecosysteem in de wateren van de Azoren, het gebied waarop de werkzaamheid van GÊ‑Questa voornamelijk is gericht. GÊ‑Questa heeft dus een vaststaand rechtstreeks belang bij de uitkomst van de onderhavige procedure.
65 GÊ‑Questa moet dus overeenkomstig haar verzoek worden toegelaten tot interventie in deze procedure ter ondersteuning van de conclusies van verzoekster.
66 Seas at Risk is volgens eigen zeggen een onafhankelijke internationale milieuorganisatie zonder winstoogmerk; haar hoofdvestiging bevindt zich in Nederland. Haar doelstelling is de bescherming en verbetering van het mariene milieu. Seas at Risk is de grootste Europese federatie van niet-gouvernementele milieu-organisaties met zestien aangesloten organisaties in acht lidstaten en Noorwegen, die zij op Europees niveau vertegenwoordigt bij de commissie van het OSPAR (Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan), de North East Atlantic Fisheries Commission (NEAFC), de International Maritime Organisation en in procedures voor de Conference for the Protection of the North Sea. Zij houdt zich uitsluitend bezig met zaken die het mariene milieu betreffen, en haar activiteiten bestrijken de gehele noordoostelijke Atlantische Oceaan.
67 De doelstellingen van WWF zijn nog ruimer dan die van Seas at Risk. In haar verzoek noemt WWF zichzelf een van de grootste milieuorganisaties ter wereld met bijna vijf miljoen sympathisanten: zij is in meer dan 100 landen actief. Zij stelt zich ten doel een eind te maken aan de verschraling van het natuurlijk milieu van de planeet. Zij neemt deel aan een programma „bedreigde zeeën”, dat de oceanen van de gehele wereld bestrijkt. In de commissie van het OSPAR en de daarbij aangesloten staten is WWF ook betrokken bij een programma voor het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan, speciaal gericht op het bevorderen van duurzame visserij en de instelling van netwerken van beschermde zeegebieden.
68 In hun gezamenlijk verzoek om toelating tot interventie stellen Seas at Risk en WWF een rechtstreeks en specifiek belang bij de uitkomst van de procedure te hebben. Hun activiteit is vooral gericht op de diepzeevisserij, de bescherming van het mariene milieu en van de diepzeehabitat, daaronder begrepen de onderzeese bergen, en zij hebben de laatste jaren aanzienlijke middelen gestoken in het bevorderen van de bescherming van de visbestanden en de habitats waarop de regeling van de bestreden verordening van toepassing is. Seas at Risk en WWF betogen voorts, dat zij actief hebben gelobbyd en contacten hebben onderhouden met de regeringen en de gemeenschapsinstellingen, zowel vóór als tijdens het wetgevingsproces dat tot vaststelling van de bestreden verordening heeft geleid. Zij menen tot interventie te moeten worden toegelaten, omdat het verzoek in kort geding belangrijke vragen doet rijzen, waarbij zij een rechtstreeks en specifiek belang hebben wat de wederzijdse beïnvloeding tussen het milieubeleid en het visserijbeleid van de Europese Gemeenschap betreft. Volgens Seas at Risk en WWF mogen de leden van deze twee organisaties verwachten, dat zij in een situatie als de onderhavige hun stem voor de gemeenschapsrechter laten horen.
69 Deze argumenten kunnen niet worden aanvaard. Anders dan bij de twee organisaties van de Azoren het geval is, zijn de belangen van Seas at Risk en WWF te ruim en te algemeen om door de afloop van deze procedure wezenlijk te worden beïnvloed, en de kortgedingrechter kan hen daarom niet toestaan om in de procedure te interveniëren.
70 Bij al hun deskundigheid en betrokkenheid bij milieuvraagstukken, bestrijken de doelstellingen en activiteiten van beide organisaties echter uitgestrekte geografische gebieden en zijn niet uitsluitend of hoofdzakelijk op de wateren van de Azoren gericht. Het is echter slechts met betrekking tot deze wateren, dat verzoekster om gedeeltelijke opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden verordening verzoekt. Bovendien regelt de bestreden verordening de visserijactiviteiten in de wateren van de Azoren en zal de toepassing ervan weinig invloed hebben op de activiteiten van WWF of Seas at Risk, bestaande in het verrichten van wetenschappelijk milieuonderzoek en in lobbying op milieugebied in een ruimere context. De leden en sympathisanten van Seas at Risk en WWF zijn over de hele wereld verspreid en hun belangen, bestaande in de bescherming van het milieu in het algemeen, liggen nog verder weg.
71 Seas at Risk en WWF hebben dus niet aannemelijk gemaakt een rechtstreeks en actueel belang te hebben bij de beslissing op het door verzoekster in kort geding gevorderde. Hun verzoek om toelating tot interventie moet dan ook worden afgewezen.
B – Het verzoek in kort geding
1. Argumenten van partijen
a) Argumenten van verzoekster
De ontvankelijkheid
72 Verzoekster stelt procesbevoegd te zijn in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG, omdat zij, ook al is de bestreden handeling een verordening van de Raad, er rechtstreeks en individueel door wordt geraakt.
73 Met betrekking tot het criterium van rechtstreeks belang betoogt verzoekster, dat de bestreden verordening direct ingrijpt in haar bevoegdheid om regels te stellen op het gebied van de visserij in de wateren onder haar jurisdictie. De werking van de bestreden verordening vloeit uit deze laatste rechtstreeks voort, aangezien de lidstaten en in het bijzonder Portugal bij de uitvoering ervan geen enkele speelruimte hebben.
74 Met betrekking tot het individuele belang voert verzoekster twee hoofdargumenten aan. In de eerste plaats geniet zij ingevolge artikel 299, lid 2, EG de bijzondere bescherming van het Verdrag en bovendien wordt haar bijzondere situatie uitdrukkelijk erkend door de bestreden verordening, die specifieke bepalingen betreffende de Azoren bevat (artikel 5). In de tweede plaats ontneemt de bestreden verordening haar de bevoegdheid regels te stellen voor de visserij in de wateren van de Azoren.
De fumus boni juris
75 Verzoekster stelt, dat haar beroep tegen de bestreden verordening op zes verschillende middelen berust en daadwerkelijk gegrond is.
76 In de eerste plaats is de bestreden verordening in strijd met het milieurecht, in het bijzonder de artikelen 6 EG en 174, leden 1 tot en met 3, EG, en met de basisverordening doordat zij belangrijke milieubeginselen, die in het kader van de regelingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid verbindend zijn, niet eerbiedigt, te weten het beginsel van duurzame ontwikkeling, het voorzorgsbeginsel, het beginsel van preventieve actie en van bestrijding aan de bron en het beginsel dat de vervuiler betaalt. Al deze beginselen zijn geschonden, omdat de bestreden verordening zal leiden tot intensivering van de visserijinspanning, schade aan het mariene milieu en uitputting van de visbestanden.
77 In het bijzonder zal de bestreden verordening de na te noemen gevolgen hebben. Door de intrekking van de verordeningen van 1995, die de toegang van buitenlandse vaartuigen tot de wateren van de Azoren beperkten en die in wezen het gebruik van gesleept vistuig in die wateren verboden, zal de bestreden verordening een aanzienlijke toeneming van de visserijinspanning door de industriële vloot van andere lidstaten bewerkstellingen. Zo ontbreekt in de definitie van de visserijtakken in de artikelen 3 en 11 van de bestreden verordening iedere verwijzing naar gesleepte vistuigen, waardoor het gebruik van die tuigen indirect wordt toegestaan. Verder sluiten die bepalingen de soorten uit die worden genoemd in bijlage I van verordening nr. 2347/2002, die de visserijinspanning voor een aantal diepzeevissen beperkte. Bovendien worden de verordeningen van 1995 ingetrokken bij artikel 15 van de bestreden verordening nog voordat de uitvoeringsverordening die de visserijinspanning reguleert, in werking is getreden. Artikel 5 stelt een beheerszone van 100 zeemijl in; de zone tussen 100 en 200 zeemijl valt dus buiten de regeling, zodat buitenlandse vaartuigen daar op alle soorten mogen vissen, met inbegrip van diepzeevissen en tonijn. Artikel 13 van de bestreden verordening ten slotte schaft de meldingsregeling af, waardoor verzoekster essentiële informatie zal missen die haar in staat stelde, doeltreffend toezicht te houden op de visserijactiviteiten in de wateren onder haar jurisdictie.
78 In het verband met die gevolgen stelt verzoekster schending van het beginsel van duurzame ontwikkeling, neergelegd in artikel 6 EG en artikel 2, lid 1, van de basisverordening. Ook het voorzorgsbeginsel (artikel 6 EG, artikel 174, lid 2, EG en artikel 2 van de basisverordening) is geschonden, doordat de Raad geen rekening heeft gehouden met wetenschappelijk bewijsmateriaal en doordat de bestreden verordening tot intensieve visserij in de betrokken gebieden zal leiden en verzoekster onmisbare wetenschappelijke gegevens onthoudt die zij voor preventieve acties in de nabije toekomst zou kunnen gebruiken. Het beginsel van preventieve actie (artikel 174, lid 2, EG en artikelen 7, 8 en 26 van de basisverordening) is geschonden, doordat de Raad de bestreden verordening heeft vastgesteld zonder rekening te houden met de dreigende ernstige milieuschade. Het beginsel van bestrijding aan de bron is geschonden, doordat de bestreden verordening de plaatselijke autoriteiten, die de wateren van de Azoren het beste kennen, de bevoegdheid ontneemt zich met de met die wateren verband houdende ecologische vraagstukken bezig te houden. Ten slotte is het beginsel dat de vervuiler betaalt geschonden, doordat de bestreden verordening de industriële vloot toestaat het milieu schade toe te brengen zonder de verplichting deze te herstellen.
79 In de tweede plaats stelt verzoekster, dat de bestreden verordening onverenigbaar is met de bepalingen van primair en afgeleid recht die de Azoren moeten beschermen. In het bijzonder is de verordening in strijd met de artikelen 158 EG en 299, lid 2, EG, omdat zij in weerwil van de strekking van deze bepalingen, de Azoren niet beschermt. Door de schade die zij aan het natuurlijk milieu van de Azoren toebrengt, en door de uitputting van de visbestanden in die archipel, zal de bestreden verordening de lokale visserijsector benadelen en de achterstand van de Azoren ten opzichte van continentaal Europa nog vergroten.
80 In de derde plaats stelt verzoekster dat de bestreden verordening, door de plaatselijke vissers niet te beschermen, inbreuk maakt op het beginsel van relatieve stabiliteit, neergelegd in verordening nr. 2371/2002 (punten 16, 17 en 18 van de considerans en artikel 20 van de basisverordening).
81 In de vierde plaats stelt verzoekster schending van een wezenlijk vormvoorschrift, doordat de Raad de bestreden verordening heeft vastgesteld zonder het Europees Parlement opnieuw te raadplegen ondanks een uitdrukkelijk verzoek in die zin in de resolutie van het Parlement en ondanks ingrijpende wijzigingen in de definitieve versie van de verordening, waaronder de vermelding van artikel 299, lid 2, EG als rechtsgrondslag, de verkleining van de beschermde zone rond de Azoren tot 100 zeemijl, de afschaffing van de meldingsregeling en de uitsluiting van de diepzeesoorten van het toepassingsgebied van de beheersregeling voor de maximale visserijinspanning.
82 In de vijfde plaats stelt verzoekster schending van artikel 4, lid 2, van de basisverordening, doordat de Raad geen rekening heeft gehouden met de beschikbare wetenschappelijke, technische en economische adviezen, met name de rapporten van het wetenschappelijk, technisch en economisch comité voor de visserij („STECF”), en door geen impactonderzoek te verrichten. Dit blijkt zonneklaar uit de antwoorden van de Commissie en de Raad op verzoeksters verzoeken om inzage van documenten.
83 In de zesde plaats stelt verzoekster schending van artikel 253 EG, doordat de Raad de bestreden verordening niet behoorlijk heeft gemotiveerd. In het bijzonder zullen de resultaten van de verordening tegengesteld zijn aan dat wat in de punten 3 en 6 van de considerans is uiteengezet, te weten de bescherming van de wateren van de Azoren. Noch de wijziging ten opzichte van de eerdere regeling noch de intrekking van de verordeningen van 1995 is gemotiveerd.
84 Ten slotte verwijst verzoekster naar een aantal in het verzoekschrift in de hoofdzaak aangevoerde aanvullende argumenten, volgens welke de bestreden verordening in strijd is met verordening nr. 1275/94, met fundamentele beginselen van gemeenschapsrecht en met het internationale recht van de zee. Maar afgezien van deze verwijzing naar het beroep in de hoofdzaak vermeldt verzoekster in het verzoekschrift in kort geding geen bijzonderheden over die middelen.
De spoedeisendheid
85 Volgens verzoekster is een voorlopige voorziening noodzakelijk omdat het mariene milieu, de visbestanden en de plaatselijke economie zonder de gevraagde voorlopige maatregelen ernstige en onherstelbare schade zullen lijden. Zonder die maatregelen zou verzoekster dus geen volledige en doeltreffende rechtsbescherming krijgen.
86 De schadelijke gevolgen voor het mariene milieu, aldus verzoekster, zullen zich uiterlijk op 1 augustus 2004 beginnen voor te doen, wanneer de verordeningen van 1995 krachtens artikel 15 van de bestreden verordening formeel buiten werking treden. De toestemming voor buitenlandse vaartuigen om in de wateren van de Azoren op diepzeesoorten te vissen, zal voor het eerst het gebruik te zien geven van schadelijke vistuigen en vismethoden, zoals bodemtrawlvisserij, trawlvisserij zonder contact met de bodem, visserij met bodemkieuwnetten en intensieve beugvisserij, waarmee veel te veel vis van alle soorten zonder onderscheid wordt gevangen, en die de oorzaak zijn van wat bekend staat als „spookvisserij” (waarvan de gevolgen in diep water veel erger zijn), waarbij verloren gegaan vistuig nog lang schade blijft aanrichten. Al die methoden hebben ernstige schadelijke neveneffecten doordat zij de zeebodem, de riffen en koraalbanken vernielen. Het is mogelijk dat het Commissievoorstel betreffende de trawlvisserij niet tijdig wordt vastgesteld, maar ook als dat wel gebeurt, zal het tekortschieten, omdat het niet het gebruik verbiedt van andere schadelijke intensieve industriële visserijmethoden.
87 Ook voor de visbestanden zullen de schadelijke gevolgen van de bestreden verordening volgens verzoekster vanaf 1 augustus 2004 intreden. Veel buitenlandse (Spaanse) vaartuigen zijn al met de intensieve visserij in de wateren van de Azoren begonnen, nadat de Commissie en de Spaanse minister van Landbouw hadden verklaard dat de bestreden verordening al van kracht was. In de eerste plaats, aldus verzoekster, zal de in artikel 11 van de bestreden verordening bedoelde uitvoeringsverordening met de maximaal toegestane visserijinspanningsniveaus niet tijdig worden vastgesteld en zal er dus lange tijd een rechtsvacuüm bestaan. In de tweede plaats zullen de in de bestreden verordening aangekondigde intensieve visserijmethoden tot uitputting van de visbestanden leiden. Zo gebruiken de Spaanse vaartuigen beugen met tot twaalf keer zoveel haken (24 000) als de vaartuigen van de Azoren gebruiken (2 000). Verder zijn de Spaanse vaartuigen berekend op een langer verblijf op zee en hebben zij meer opslagruimte, zodat zij veel langer achtereen intensieve visserij kunnen bedrijven dan de vaartuigen van de Azoren. Omdat de visserij in de tot nu toe niet geëxploiteerde diepe wateren sneller rendabel is, zullen veel vaartuigen in de wateren van de Azoren komen vissen. Hierdoor wordt het fragiele ecologische evenwicht, dat toch al dicht bij niet-duurzame niveaus is, aangetast en dreigt een totale instorting („boom and bust”) en een snelle en onomkeerbare uitputting van de visbestanden. Daarbij is van belang, dat door de bijzondere kenmerken van de diepzeesoorten (geringe vruchtbaarheid, late geslachtsrijpheid, lange levensduur) het herstel van die visbestanden uiterst traag verloopt.
88 Met betrekking tot de visserijindustrie in de Azoren stelt verzoekster, dat door het uitdunnen van de visbestanden de plaatselijke activiteit zal instorten; deze is sterk afhankelijk van de visserij, in het bijzonder de diepzeevisserij (die 59 % van de vangsten in de Azoren oplevert), terwijl 31 % van de vangsten in de Azoren afkomstig zijn van visbanken in de „geliberaliseerde” zone tussen 100 en 200 zeemijl. Bijna 12 % van de bevolking van de Azoren is in de visserij en aanverwante bedrijfstakken werkzaam.
89 Verzoekster erkent, dat zij niet kan voorspellen wanneer de schade onherstelbaar zal worden, maar zij verwacht dat de gevolgen zich binnen één visserijseizoen zullen doen gevoelen. In elk geval verzoekt zij het Gerecht het voorzorgsbeginsel te willen toepassen en de voorlopige maatregelen toe te staan om die gevolgen te voorkomen, ook al kan het tijdstip waarop de schade zal optreden, niet met mathematische zekerheid worden aangegeven.
De belangenafweging
90 Verzoekster stelt dat de schaal duidelijk doorslaat ten gunste van voorlopige maatregelen. Deze kunnen de visbestanden en het mariene ecosysteem beschermen tot het moment van de uitspraak van het arrest in de hoofdzaak, zonder iemand te benadelen en zonder de beslissing in de hoofdzaak te prejudiciëren. Wanneer de Raad in het gelijk wordt gesteld, zullen de belangen van de vissersvloten van andere lidstaten, in het bijzonder het Koninkrijk Spanje, zijn gevrijwaard; wordt verzoekster in het gelijk gesteld, dan zullen haar belangen zijn gevrijwaard.
b) Argumenten van Porto de Abrigo en GÊ-Questa
91 Porto de Abrigo en GÊ-Questa ondersteunen verzoeksters betoog, dat de bestreden verordening met name de Spaanse vaartuigen in staat stelt tot intensieve bevissing van de wateren van de Azoren. Vergeleken met de vaartuigen van de Azoren, die voor hergebruik bestemde vistuigen inzetten, zijn de Spaanse vaartuigen veel groter, gebruiken zij beugen die over een veel grotere afstand worden verankerd (50 à 60 zeemijl in plaats van 30 zeemijl), en blijven zij veel langer achtereen op zee (60 dagen in plaats van een week zoals bij vaartuigen van de Azoren gebruikelijk is). Nu al vissen elke maand gemiddeld 58 Spaanse vaartuigen in de wateren van de Azoren, tegen normaliter vier in het verleden. Deze intensieve visserij zal de visbestanden in de zone van 100 tot 200 zeemijl compleet decimeren, en zelfs die in de zone tussen 0 en 100 zeemijl door het zogenoemde „aanzuigeffect” (de vis wordt verjaagd van de visbanken die aan weerszijden van de 100-mijlgrens liggen). De decimering van de visbestanden zal ernstige schade toebrengen aan het milieu en de ondergang van de plaatselijke visserijactiviteit betekenen.
c) Argumenten van de Raad, de Commissie en het Koninkrijk Spanje
92 De Raad, ondersteund door de Commissie en het Koninkrijk Spanje, stelt om te beginnen, dat wegens de kennelijke niet-ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak ook het onderhavige verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
93 Volgens de Raad is de bestreden verordening een maatregel van algemene strekking en niet een verkapte beschikking en kan zij derhalve niet door verzoekster worden betwist. Bovendien wordt verzoekster er in elk geval niet individueel door geraakt. Haar algemeen belang bij het economisch welvaren van de visserijactiviteit in de regio volstaat niet om te voldoen aan het standaardcriterium voor de bevoegdheid van natuurlijke of rechtspersonen om een beroep krachtens artikel 230, vierde alinea, EG in te stellen, te weten dat de bestreden handeling hun rechtspositie aantast op grond van bepaalde bijzondere hoedanigheden die zij bezitten, of van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van iedere andere persoon karakteriseert en hen daardoor individualiseert zoals de adressaat van een beschikking. Verzoekster toont niet aan, in welk opzicht de bestreden verordening haar economie op andere wijze treft dan die van andere regio’s, met inbegrip van andere „ultraperifere” regio’s. De enkele omstandigheid dat de Azoren in artikel 299, lid 2, EG worden genoemd, maakt verzoekster nog niet procesbevoegd; een andere uitlegging zou de ultraperifere regio`s een geprivilegieerde rechtsingang bij het Gerecht verlenen, wat in strijd zou zijn met het door het EG-Verdrag ingerichte stelsel van rechtsbescherming. De ingreep in verzoeksters regelgevende bevoegdheden ten slotte leidt evenmin tot een individueel of rechtstreeks belang; een dergelijke ingreep is nu eenmaal een onvermijdelijk gevolg van alle verordeningen van algemene strekking.
94 De Raad, hierin ondersteund door de Commissie en het Koninkrijk Spanje, stelt voorts dat het beroep in alle geval ongegrond is, omdat verzoekster geen fumus boni juris heeft aangetoond.
95 Wijzend op de ruime beoordelingsvrijheid van de gemeenschapswetgever in deze materie, stelt de Raad om te beginnen dat de milieubepalingen niet van toepassing zijn, omdat de bestreden verordening haar rechtsgrondslag heeft in de artikelen 37 EG en 299, lid 2, EG.
96 In de tweede plaats maakt de bestreden verordening in geen geval inbreuk op de bepalingen van het milieurecht (artikelen 6 EG en 174 EG en de beginselen van het milieurecht), omdat de door de verordening ingevoerde regeling geen enkele schade aan het milieu of aan de visbestanden zal veroorzaken. De bestreden verordening verzoent uiteenlopende belangen zoals bescherming van het milieu, duurzame exploitatie van de visbestanden en bescherming van de visserijsector van de Azoren, en houdt tezelfdertijd rekening met het in artikel 12 EG neergelegde beginsel van non-discriminatie op grond van nationaliteit.
97 Ondersteund door de Commissie en het Koninkrijk Spanje, betoogt de Raad voorts dat de bestreden verordening rekening houdt met milieuoverwegingen door de visserijinspanning op basis van historische gemiddelden te beperken, en dat zij moet worden gezien in het kader van andere maatregelen van het gemeenschappelijk visserijbeleid (zoals de verordeningen nrs. 2340/2002 en 2347/2002 en de binnenkort krachtens artikel 11 van de bestreden verordening vast te stellen uitvoeringsverordening), die tezamen als milieubeschermingsmaatregelen voor een passende bescherming van alle diepzeesoorten zorgen. Niet is aangetoond dat de afschaffing van de zogenoemde meldingsregeling problemen voor het milieu of andere problemen heeft veroorzaakt. Evenmin is aangetoond dat er problemen zijn met betrekking tot de tonijnachtigen die, als trekkende soorten, voldoende worden beschermd door de International Commission for the Conservation of Atlantic Tunas (ICCAT) en door de in de secundaire gemeenschapsregeling bepaalde TAC’s en quota.
98 Erop wijzend dat de Raad ten aanzien van deze ingewikkelde economische vraagstukken over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt, betogen de Raad en de Commissie in de derde plaats dat de bestreden verordening geen inbreuk maakt op de artikelen 299, lid 2, EG en 158 EG, omdat zij de industrie op de Azoren door de instelling van een beschermingszone van 100 zeemijlen passende en geëvenredigde bescherming biedt.
99 In de vierde plaats wordt ook de relatieve stabiliteit bewaard, aangezien de bestreden verordening de visserijinspanning op basis van de historische gemiddelden beperkt. De Commissie merkt nog op, dat het beginsel van relatieve stabiliteit hoe dan ook enkel relevant is voor de vaststelling van TAC’s en niet voor een beperking van de visserijinspanning als die geregeld in de bestreden verordening.
100 Ten slotte betoogt de Raad, hierin ondersteund door de Commissie en het Koninkrijk Spanje, dat hij geen wezenlijke vormvoorschriften heeft geschonden. Hij behoefde het Parlement niet opnieuw te raadplegen, omdat de opzet van de verordening in haar geheel door de aangebrachte wijzigingen niet werd gewijzigd. Naar uit haar considerans blijkt, is de bestreden verordening naar behoren met redenen omkleed. Voorts is rekening gehouden met de wetenschappelijke gegevens, waaronder de rapporten van het STEFC en de ICES.
101 Met betrekking tot de spoedeisendheid betogen de Raad, de Commissie en het Koninkrijk Spanje, dat er zonder voorlopige maatregelen geen ernstige en onherstelbare schade zal ontstaan en dat dus niet aan het criterium van spoedeisendheid is voldaan.
102 Om te beginnen stelt de bestreden verordening geen ongelimiteerde visserijinspanning in het vooruitzicht; zij beperkt integendeel die inspanning op basis van historische gemiddelden. Tezamen met de verordeningen van 2002 biedt zij voldoende bescherming aan de visbestanden en het milieu. Voorlopige maatregelen zijn voorts niet noodzakelijk omdat er andere, meer geschikte mogelijkheden zijn om, zo nodig, het milieu en de visbestanden te beschermen, bijvoorbeeld de maatregelen bedoeld in de artikelen 7 en 8 van de basisverordening, waarvan verzoekster nog geen gebruik heeft gemaakt. Het verzoek in kort geding is prematuur, aangezien de Commissie op de twee punten ten aanzien waarvan verzoekster van onherstelbare schade spreekt (milieuschade door bodemtrawlvisserij en verarming van de visbestanden), voorstellen heeft gedaan om alle gesignaleerde problemen het hoofd te bieden. In elk geval zorgen de bestreden verordening en de verordeningen van 2002 door beperking van de visserijinspanning voor passende bescherming van de visbestanden. Wat ten slotte de tonijnachtigen betreft, aldus de Raad, brengt verzoekster geen enkel bewijs van de spoedeisendheid aan. Het Koninkrijk Spanje sluit zich hierbij aan en merkt op, dat waar de tonijn een uitgesproken trekvis is, de beperking van de toegang tot bepaalde gebieden geen enkel effect heeft en een discriminatie naar nationaliteit vormt.
103 Ten slotte betogen de Raad, de Commissie en het Koninkrijk Spanje, dat bij afweging van de belangen de schaal ten gunste van afwijzing van het verzoek doorslaat. De door verzoekster gevraagde maatregelen zouden het milieu minder en niet meer bescherming bieden. Opschorting van de tenuitvoerlegging zou voorts een periode van rechtsonzekerheid over de toepassing van de verordeningen van 1995 doen voortduren en nadelig zijn voor duizenden vissers en honderden vaartuigen in een groot gedeelte van de noordoostelijke Atlantische Oceaan. Voorlopige maatregelen zouden onder deze omstandigheden dus enkel om dwingende redenen gerechtvaardigd kunnen zijn.
2. Beoordeling door de kortgedingrechter
104 Volgens artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet een verzoek om voorlopige maatregelen een duidelijke omschrijving bevatten van de omstandigheden waaruit het spoedeisend karakter van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijke als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt. Deze voorwaarden zijn cumulatief, zodat de voorlopige voorziening moet worden geweigerd wanneer aan een ervan niet wordt voldaan [beschikking president Hof van 14 oktober 1996, SCK en FNK/Commissie, C‑268/96 P(R), Jurispr. blz. I‑4971, punt 30]. In voorkomend geval gaat de kortgedingrechter voorts over tot afweging van de betrokken belangen (beschikking president Hof van 23 februari 2001, Oostenrijk/Raad, C‑445/00 R, Jurispr. blz. I‑1461, punt 73). De gevraagde maatregel moet bovendien voorlopig zijn in die zin, dat hij de in geschil zijnde feitelijke en rechtsvragen niet prejudicieert en de werking van de later in de hoofdzaak te geven beslissing niet bij voorbaat ongedaan maakt [beschikking president Hof van 19 juli 1995, Commissie/Atlantic Container Line e.a., C‑149/95 P(R), Jurispr. blz. I‑2165, punt 22].
105 In het kader van dit algemene onderzoek beschikt de kortgedingrechter over een ruime beoordelingsvrijheid en kan hij, met inachtneming van de bijzonderheden van de zaak, vrij bepalen hoe en in welke volgorde deze verschillende voorwaarden worden onderzocht, omdat geen enkele regel van gemeenschapsrecht hem een vooraf vastgesteld onderzoeksschema voor de beoordeling van de noodzaak van een voorlopige voorziening voorschrijft (beschikking Commissie/Atlantic Container Line e.a., reeds aangehaald, punt 23).
106 In het licht van deze beginselen dient het verzoek om voorlopige maatregelen te worden onderzocht.
a) De ontvankelijkheid
107 De eerste vraag die zich stelt, is of het verzoek om voorlopige maatregelen, zoals de Raad, de Commissie en het Koninkrijk Spanje betogen, niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak.
108 Het is vaste rechtspraak dat de ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak in beginsel niet in het kader van een kort geding behoort te worden getoetst, teneinde de beslissing in de hoofdzaak niet te prejudiciëren. Niettemin dient de verzoeker, wil het verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van een handeling kunnen worden ontvangen, het bestaan aannemelijk te maken van bepaalde elementen die voorshands de conclusie toelaten dat het beroep waarmee het verzoek in kort geding samenhangt, ontvankelijk is, dit om te voorkomen dat de verzoeker in kort geding opschorting van tenuitvoerlegging weet te verkrijgen van een handeling die het Hof vervolgens weigert nietig te verklaren omdat het beroep in de hoofdzaak niet-ontvankelijk blijkt te zijn [beschikking president Hof van 18 november 1999, Pfizer Animal Health/Raad, C‑329/99 P(R), Jurispr. blz. I‑8343, punt 89].
109 Gezien het spoedeisend karakter van het kort geding, is het onderzoek naar de ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak noodzakelijkerwijs summier [beschikking president Hof van 12 oktober 2000, Federación de Cofradías de Pescadores de Guipúzcoa e.a./Raad, C‑300/00 P(R), Jurispr. blz. I‑8797, punt 35].
110 In het kader van een verzoek in kort geding kan over de ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak immers slechts een voorlopig oordeel worden geveld; het gaat er hierbij om te bepalen of de verzoeker voldoende gegevens aanbrengt die de conclusie toelaten, dat de ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak niet al aanstonds kan worden uitgesloten. De kortgedingrechter kan het verzoek slechts niet-ontvankelijk verklaren, wanneer volstrekt kan worden uitgesloten dat het beroep in de hoofdzaak ontvankelijk is. Anders zou met een uitspraak over de ontvankelijkheid in het stadium van het kort geding, wanneer deze op het eerste gezicht niet volstrekt uitgesloten is, op de beslissing van het Gerecht in de hoofdzaak vooruit worden gelopen (beschikkingen president Gerecht van 17 januari 2001, Petrolessence en SG2R/Commissie, T‑342/00 R, Jurispr. blz. II‑67, punt 17, en 19 december 2001, Government of Gibraltar/Commissie, T‑195/01 R en T‑207/01 R, Jurispr. blz. II‑3915, punt 47).
111 Derhalve moet worden onderzocht, of verzoekster althans op het eerste gezicht aannemelijk heeft gemaakt, dat zij bevoegd is krachtens artikel 230, vierde alinea, EG de gedeeltelijke nietigverklaring van de bestreden verordening te vorderen.
112 Aangezien de autonome regio van de Azoren krachtens het Portugese recht rechtspersoonlijkheid bezit, kan zij in principe een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230, vierde alinea, EG instellen. Volgens deze bepaling kan iedere natuurlijke of rechtspersoon beroep instellen tegen tot hem gerichte beschikkingen, alsmede tegen beschikkingen die, hoewel gegeven in de vorm van een verordening of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raken (arrest Hof van 22 november 2001, Nederlandse Antillen/Raad, C‑452/98, Jurispr. blz. I‑8973, punt 51; hierna „arrest Nederlandse Antillen I”).
113 Zoals de Raad terecht heeft opgemerkt, is de bestreden verordening een maatregel van algemene strekking en niet een verkapte beschikking. Zij regelt de visserij op de diepzeevisbestanden in een groot gebied van het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan – de „westelijke wateren” – en is zonder onderscheid van toepassing op alle vissers die in dat gebied hun activiteit willen uitoefenen. Verder is de bestreden verordening, hoewel de Azoren in punt 6 van de considerans en in artikel 5 uitdrukkelijk worden genoemd, gelijkelijk van toepassing op alle in artikel 299, lid 2, EG bedoelde ultraperifere gebieden, te weten de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden.
114 Dat de bestreden handeling een maatregel van algemene strekking is, is op zich evenwel geen reden om een door een natuurlijke of rechtspersoon krachtens artikel 230, vierde alinea, EG tegen die handeling ingesteld beroep niet-ontvankelijk te achten. Volgens vaste rechtspraak kan immers ook een maatregel van algemene strekking bepaalde natuurlijke of rechtspersonen rechtstreeks en individueel raken (arrest Nederlandse Antillen I, punt 51, en arrest Hof van 18 mei 1994, Codorníu/Raad, C‑309/89, Jurispr. blz. I‑1853, punt 19).
115 De vraag is dus, of de autonome regio van de Azoren na een summier onderzoek kan worden geacht rechtstreeks en individueel door de bestreden verordening te worden geraakt.
116 Wat het criterium van rechtstreeks belang betreft, is het vaste rechtspraak dat de bestreden gemeenschapshandeling een verzoeker rechtstreeks raakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG, wanneer zij rechtstreeks gevolgen heeft voor rechtssituatie van de verzoeker en de uitvoering van de handeling zuiver automatisch verloopt en voortvloeit uit de gemeenschapsregeling zelf, zonder dat nadere regels noodzakelijk zijn (arrest Gerecht van 12 juli 2001, Comafrica en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie, T‑198/95, T‑171/96, T‑230/97, T‑174/98 en T‑225/99, Jurispr. blz. II‑1975, punt 96). De bestreden verordening nu is rechtstreeks toepasselijk in alle lidstaten en zal onmiddellijk effect sorteren, zonder dat de lidstaten aanvullende voorschriften moeten vaststellen. De bestreden verordening zal onmiddellijke en aanzienlijke gevolgen hebben voor verzoeksters rechtssituatie, doordat zij haar de bevoegdheid ontneemt regels te stellen voor de visserij in de zone tussen 100 en 200 zeemijl en een nadelige invloed heeft op de visserijactiviteiten, die volgens verzoekster een belangrijk onderdeel van haar economie vormen. Althans op het eerste gezicht is het dus aannemelijk, dat de bestreden verordening verzoekster rechtstreeks raakt.
117 Wat het individuele belang betreft, kan een handeling van algemene strekking, zoals een verordening, natuurlijke of rechtspersonen slechts individueel raken indien zij hen treft wegens bepaalde bijzondere hoedanigheden of een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen daardoor op overeenkomstige wijze individualiseert als een adressaat (arresten Hof van 22 november 2001, Antillean Rice Mills/Raad, C‑451/98, Jurispr. blz. I‑8949, punt 49; 25 juli 2002, Unión de Pequeños Agricultores/Raad, C‑50/00 P, Jurispr. blz. I‑6677, punt 36, en 10 april 2003, Commissie/Nederlandse Antillen, C‑142/00 P, Jurispr. blz. I‑3483, punt 65, hierna „Nederlandse Antillen II”; arrest Nederlandse Antillen I, punt 60).
118 Het algemene belang dat de autonome regio van de Azoren, als bevoegd lichaam voor economische vraagstukken op haar grondgebied, waaronder de visserij, erbij kan hebben om een voor het economisch welvaren van de visserij gunstig resultaat te bereiken, is volgens vaste rechtspraak op zich niet voldoende om haar als geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG te beschouwen (arrest Nederlandse Antillen II, punt 69).
119 Als bewijs van het individuele belang volstaat ook niet, dat verzoekster bijzondere bescherming onder het Verdrag geniet (artikel 299, lid 2, EG), dat de bestreden verordening haar in punt 6 van de considerans en in artikel 5 uitdrukkelijk noemt, of dat de Raad verzoeksters situatie bij de vaststelling van de bestreden verordening in aanmerking moest nemen (in die zin, arrest Nederlandse Antillen II, punten 74‑76). Anders zouden de in artikel 299, lid 2, EG genoemde ultraperifere regio’s, zoals de Raad terecht opmerkt, beroepsrechten verkrijgen die vergelijkbaar zijn met die van de lidstaten. Dat zou niet overeen zijn te brengen met artikel 230 EG dat de regionale lichamen niet naar analogie toestaat onder dezelfde voorwaarden beroep in te stellen als de lidstaten (in overeenkomstige zin, arrest Nederlandse Antillen I, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
120 Bijgevolg dient verzoekster aan de hand van de feiten aannemelijk te maken, dat de bestreden verordening haar treft wegens een feitelijke situatie die haar karakteriseert ten opzichte van iedere andere persoon, in concreto dus ook ten opzichte van de andere ultraperifere regio’s (in overeenkomstige zin, arrest Nederlandse Antillen I, punt 72).
121 Hoewel verzoekster niet echt moeite doet om duidelijk te maken, in welk opzicht zij door de bestreden verordening op andere wijze wordt getroffen dan de andere ultraperifere regio’s en daardoor voldoende wordt gekarakteriseerd om individueel geraakt te zijn, voert zij wel enkele gegevens aan op grond waarvan niet volstrekt valt uit te sluiten dat zij in een feitelijke situatie verkeert die haar zo kan karakteriseren.
122 In de eerste plaats tast de bestreden verordening rechtstreeks en in aanzienlijke mate de bevoegdheden van verzoekster aan, aangezien zij niet langer bevoegd zal zijn regels te stellen voor de visserij in de zone van 100 tot 200 zeemijl. Een dergelijk gevolg voor de bevoegdheden van een regio kan steun bieden aan de opvatting, dat de betrokken regio individueel wordt geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG (in die zin, arrest Gerecht van 15 december 1999, Freistaat Sachsen e.a./Commissie, T‑132/96 en T‑143/96, Jurispr. blz. II‑3663, punt 84 en aldaar aangehaalde rechtspraak, in het bijzonder arrest Gerecht van 15 juni 1999, Regione autonoma Friuli-Venezia Giulia/Commissie, T‑288/97, Jurispr. blz. II‑1871, punten 31‑32).
123 In de tweede plaats is de situatie van de Azoren bijzonder in die zin, dat het mariene ecosysteem er wordt gekenmerkt door het voorkomen van tal van diepe troggen waardoor plaatselijke getijden en opwellingen van koud dieptewater ontstaan, door het voorkomen van hydrothermale schoorsteenvelden en natuurlijke warmtebronnen, door het ontbreken van een continentaal plat en door een sterke afhankelijkheid van de diepzeevisserij. Volgens verzoekster is bijna 12 % van de actieve bevolking van de Azoren afhankelijk van activiteiten in verband met de visserij en vertegenwoordigt de diepzeevisserij naar waarde bijna 60 % van alle vangsten. Tijdens de hoorzitting verklaarde verzoekster dat de visserij gerelateerde activiteiten 5 % van haar bruto nationaal product vertegenwoordigen, wat een niet te veronachtzamen percentage zou zijn (vgl. conclusie van advocaat-generaal Léger in zaak C‑301/97, Nederland/Raad, arrest Hof van 22 november 2001, Jurispr. blz. I‑8853, I‑8858, en de zaak Nederlandse Antillen I, Jurispr. blz. I‑8975, punt 95; volgens de advocaat-generaal was een bijdrage van slechts 0,9 % aan het bruto nationaal product van de Nederlandse Antillen onvoldoende bewijs van de bijzondere hoedanigheden die die regio zou bezitten; dit kon zijns inziens anders zijn indien de door de in geding zijnde handeling getroffen sector een veel aanzienlijker aandeel in het bruto nationaal product van het betrokken overzeese gebiedsdeel vertegenwoordigde).
124 Op basis van dit feitelijke bewijs van verzoekster is de kortgedingrechter van oordeel dat, ook al bestaat er gerede twijfel over de vraag of verzoekster aannemelijk heeft gemaakt dat de bestreden verordening haar op andere wijze treft dan andere ultraperifere regio’s, niet volstrekt valt uit te sluiten dat verzoekster in de hoofdzaak zal kunnen aantonen dat de bestreden verordening haar individueel raakt.
125 Aangezien in dit stadium niet volstrekt kan worden uitgesloten dat het beroep in de hoofdzaak ontvankelijk is, kan het verzoek om voorlopige maatregelen derhalve niet uitsluitend op gronden van niet-ontvankelijkheid worden afgewezen.
b) Fumus boni juris, spoedeisendheid en belangenafweging
126 Om te beoordelen of verzoekster voldoet aan de voor een voorlopige voorziening noodzakelijke cumulatieve voorwaarden van fumus boni juris en spoedeisendheid, moet eerst worden bepaald wat de aard van de gevraagde voorlopige maatregelen is, en moeten de diverse belangen worden afgewogen, dat wil zeggen de mogelijke gevolgen van een voorlopige voorziening voor verzoekster, verweerder, interveniënten, de communautaire rechtsorde en derden.
Belangenafweging – Gevolgen van de gevraagde voorlopige maatregelen
127 In de eerste plaats valt op, dat sommige van de gevraagde voorlopige maatregelen ongeschikt en onevenredig lijken ten opzichte van het voornaamste ermee beoogde doel, te weten de bescherming van het mariene ecosysteem van de Azoren en de visbestanden. Elk van die maatregelen verdient dan ook een nader onderzoek.
128 Opschorting van de tenuitvoerlegging van artikel 3 van de bestreden verordening zou aanzienlijke gevolgen hebben, doordat dit de lidstaten zou ontslaan van de verplichting de visserijinspanningsniveaus op basis van de historische gemiddelden te ramen en te verdelen. Een dergelijke maatregel lijkt naar zijn aard niet geschikt voor, en nog minder evenredig aan, het doel dat verzoekster wil bereiken, te weten de bescherming van het mariene milieu en de instandhouding van de visbestanden. Opschorting van de tenuitvoerlegging van die bepaling, erop neerkomend dat vistuigen uit de definitie van de betrokken visserijtakken worden geschrapt, zou niet betekenen dat de gemeenschapsinstellingen dan verplicht waren de visserijtakken naar vistuig te omschrijven, en evenmin dat het gebruik van bijzondere vistuigen dan verboden was. En omdat genoemde bepaling geen betrekking heeft op de onder verordening nr. 2347/2002 vallende vissoorten, waarop deze eerdere, in casu niet bestreden verordening van toepassing is, zou opschorting van tenuitvoerlegging neerkomen op een cumulatie van regelingen en niet noodzakelijkerwijs een betere bescherming van die soorten bewerkstelligen.
129 Opschorting van de tenuitvoerlegging van artikel 5 van de bestreden verordening zou in wezen een eind maken aan de bescherming die voor de zone tot 100 zeemijl rond de Azoren is ingesteld, een gevolg dat tegengesteld lijkt aan wat verzoekster beoogt te bereiken. Artikel 5 stelt immers een beheerszone van 100 zeemijl in voor alle soorten, daaronder begrepen tonijn en diepzeesoorten. Voorzover wordt gevorderd dat de Spaanse vaartuigen die op tonijn en tonijnachtigen vissen, uit de zone tussen 0 en 200 zeemijl uitgesloten blijven, zou dat dus niet worden bereikt door de tenuitvoerlegging van artikel 5 van de bestreden verordening op te schorten.
130 Opschorting van de tenuitvoerlegging van artikel 11 van de bestreden verordening zou de Raad en de Commissie verhinderen de uitvoeringsverordening vast te stellen en de maximale jaarlijkse visserijinspanningsniveaus voor elke lidstaat en voor elk van de in de artikelen 3 en 6 omschreven gebieden en visserijtakken te bepalen. Die maatregel zou niet bijdragen aan de bescherming van het milieu en de instandhouding van de visbestanden in de wateren van de Azoren. Volgens verzoekster zelf zal de uitvoeringsverordening, wanneer zij eenmaal is vastgesteld, een althans gedeeltelijke bescherming van de wateren van de Azoren verzekeren.
131 Door opschorting van de tenuitvoerlegging van artikel 13, sub b, van de bestreden verordening zou de zogenoemde meldingsregeling weer van kracht worden, wat ingrijpende gevolgen zou hebben voor zeer veel vissersvaartuigen, die zich weer aan die regeling zouden moeten houden. Herinvoering van de meldingsregeling zou verzoekster echter op hooguit in staat stellen aanvullende gegevens over de activiteit van in de wateren van de Azoren aanwezige vaartuigen te verzamelen, en verzoekster maakt niet aannemelijk dat het VMS, ook al verschaft het haar minder informatie, haar belet de door de bestreden verordening ingestelde regeling toe te passen en voldoende oog te houden op de activiteiten van de in de wateren van de Azoren aanwezige vaartuigen. Ook al zou deze bepaling, zoals verzoekster stelt, de hoeveelheid informatie beperken die de autoriteiten van de Azoren van de binnen hun rechtsgebied opererende vaartuigen kunnen verlangen, zij heeft niet duidelijk gemaakt in welk opzicht die situatie concrete gevolgen voor het mariene ecosysteem en de visbestanden kan hebben.
132 Opschorting van de tenuitvoerlegging van artikel 15 van de bestreden verordening, waarbij de verordeningen van 1995 uiterlijk per 1 augustus 2004 worden ingetrokken, zou alle vissers raken die in de wateren van de Azoren willen vissen, en ernstige rechtsonzekerheid veroorzaken omtrent de in die wateren geldende regeling. Door opschorting van de tenuitvoerlegging van die bepaling zou een hele vroegere rechtsregeling, die de gemeenschapswetgever door de regeling van de bestreden verordening heeft vervangen, weer tot leven worden gewekt. Daarbij moet worden bedacht, dat er grote onzekerheid bestaat omtrent de vraag of wegens hun nauwe samenhang met de overgangsregeling van de Toetredingsakte en met verordening nr. 1275/94 bepaalde regelingen van de verordeningen van 1995 nog wel toepasbaar zijn na het verstrijken van de overgangsperiode op 1 januari 2003. Weliswaar zou opschorting van de tenuitvoerlegging van artikel 15 continuering van de oude regeling betekenen, die althans volgens verzoekster de wateren van de Azoren adequate bescherming bood, maar daarbij valt op te merken dat de regeling van 1995 niet rechtstreeks in die bescherming voorzag door middel van milieuvoorschriften zoals het verbod van bepaalde vistuigen, maar indirect door het weren van buitenlandse vaartuigen uit de wateren van de Azoren. Opschorting van de tenuitvoerlegging van artikel 15 zou de bepalingen van de verordeningen van 1995 die de toegang van buitenlandse vaartuigen tot de wateren van de Azoren beperkten, in stand houden, ofschoon de bij de Toetredingsakte ingestelde voorlopige toegangsregeling uiterlijk op 31 december 2002 had moeten eindigen. Daarbij komt, dat die bepalingen rechtstreeks discrimineren op grond van nationaliteit en dus in strijd zijn met het beginsel van artikel 12 EG en artikel 17, lid 1, van de basisverordening.
133 De door verzoekster subsidiair gevraagde maatregelen ten slotte – verbod voor Spaanse vaartuigen om in de wateren van de Azoren op tonijn en tonijnachtigen te vissen en verbod voor niet-Portugese vaartuigen om er op demersale soorten en diepzeesoorten te vissen – zijn in wezen geen maatregelen ter bescherming van het milieu, maar toegangsregelingen die rechtstreeks discrimineren op grond van nationaliteit en afbreuk doen aan de belangen van buitenlandse vaartuigen. Een beschikking in kort geding met dergelijke maatregelen zou niet rechtstreeks strekken tot bescherming van het mariene milieu en de visbestanden, zou niet het gebruik van schadelijke vistuigen verbieden en zou geen bijzondere limiet aan de visserijinspanning stellen of andere in ecologisch opzicht rationele maatregelen treffen, maar enkel en alleen buitenlandse vaartuigen uit de wateren van de Azoren uitsluiten. Zij zou dus naar haar aard onevenredig zijn.
134 Uit dit onderzoek van de aard van de gevraagde voorlopige maatregelen blijkt dus dat, in tegenstelling tot wat verzoekster beweert, gedeeltelijke opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden verordening of de subsidiair gevraagde voorlopige maatregelen merkelijke negatieve gevolgen voor derden zouden hebben en de goede werking van het gemeenschappelijk visserijbeleid zouden verstoren.
135 De bestreden verordening is immers een maatregel van algemene strekking die op abstracte wijze een breed scala van visserijactiviteiten regelt waarbij een zeer groot aantal vaartuigen en vissers betrokken zijn, regelt. Gedeeltelijke opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden verordening zou de belangen aantasten van die vissers die uit andere lidstaten afkomstig zijn, in het bijzonder van de Spaanse vissers, door het hun door de gemeenschapswetgever toegekende recht om zonder discriminatie op grond van nationaliteit onder meer in de wateren van de Azoren visserijactiviteiten uit te oefenen, op te schorten.
136 Deze gevolgen van een gedeeltelijke opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden verordening, die een potentieel verstrekkende betekenis voor zeer vele belanghebbenden kunnen hebben, moeten worden afgewogen tegen de noodzakelijkheid van de gevraagde voorlopige maatregelen ter voorkoming van de ernstige en onherstelbare schade die, naar verzoekster stelt, tot de beslissing in de hoofdzaak zou ontstaan. Hierbij moet rekening worden gehouden met de ernst van de gestelde schade, die het milieu betreft.
137 Bij deze afweging zou, ten slotte, ook in aanmerking moeten worden genomen, dat in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid de Raad als wetgever over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt, overeenkomend met de politieke verantwoordelijkheid die de artikelen 34 EG tot en met 37 EG bij die instelling leggen. Bij het toezicht op de wijze waarop de Raad die bevoegdheden uitoefent, dient de rechter zich ertoe te beperken te toetsten of er geen sprake is van een kennelijke dwaling of van misbruik van bevoegdheid, en of het betrokken gezagsorgaan de grenzen van zijn beoordelingsvrijheid niet kennelijk heeft overschreden (arrest Hof van 19 februari 1998, NIFPO en Northern Ireland Fishermen’s Federation/Department of Agriculture for Northern Ireland, C‑4/96, Jurispr. blz. I‑681, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
138 In het licht van deze overwegingen kan de kortgedingrechter, behalve in een situatie van kennelijke spoedeisendheid, zijn beoordeling niet in de plaats stellen van die van de Raad zonder inbreuk te maken op de beoordelingsvrijheid van deze instelling (in die zin, beschikking president Gerecht van 2 maart 1998, Nederlandse Antillen/Raad, T‑310/97 R, Jurispr. blz. II‑455, punten 64 en 65). De afweging van de betrokken belangen brengt, zoals hiervóór beklemtoond, mee dat de kortgedingrechter zijn beoordeling slechts in de plaats kan stellen van die van de Raad in buitengewone omstandigheden, gekenmerkt door een bijzonder serieuze fumus boni juris en kennelijke spoedeisendheid (in die zin, beschikking president Gerecht van 1 februari 2001, Free Trade Foods/Commissie, T‑350/00 R, Jurispr. blz. II‑493, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
139 In dit kader moeten de cumulatieve voorwaarden van fumus boni juris en spoedeisendheid worden onderzocht. Eerst moet echter worden nagegaan of verzoekster aannemelijk maakt dat de voorlopige maatregelen noodzakelijk zijn, want als niet heel duidelijk aan deze voorwaarde is voldaan, kan een volledig onderzoek naar het bestaan van fumus boni juris achterwege blijven.
De spoedeisendheid
140 De spoedeisendheid van een verzoek in kort geding moet worden getoetst naar de maatstaf of een voorlopige beslissing noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade voor de partij die om de voorlopige maatregel verzoekt (beschikking Pfizer Animal Health/Raad, reeds aangehaald, punt 94).
141 In het bijzonder wanneer het intreden van de schade van een aantal factoren afhangt, volstaat het dat de schade met een zekere mate van waarschijnlijkheid voorzienbaar is [in die zin, beschikking Hof van 29 juni 1993, Duitsland/Raad, C‑280/93 R, Jurispr. blz. I‑3667, punt 34, en beschikking president Hof van 14 december 1999, HFB e.a./Commissie, C‑335/99 P(R), Jurispr. blz. I‑8705, punt 67]. De verzoeker blijft echter gehouden de feiten te bewijzen waarop hij zijn verwachting van ernstige en onherstelbare schade baseert (beschikking HFB e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 67, en beschikking president Hof van 12 oktober 2000, Griekenland/Commissie, C‑278/00 R, Jurispr. blz. I‑8787, punt 15).
142 Het onderzoek moet zich dus richten op de vraag of verzoekster heeft aangetoond dat de gevraagde voorlopige maatregelen noodzakelijk zijn om de drieledige schade te voorkomen die volgens haar uit de toepassing van de bestreden verordening zal voortvloeien: a) schade aan het mariene ecosysteem (koraalbanken, diepzeetroggen enz.) doordat het gebruik van gesleept vistuig en andere industriële tuigen zoals kieuwnetten en beugen wordt toegestaan; b) verarming van de bestanden van diepzeevissen tot een niveau waarop herstel niet meer mogelijk is, als gevolg van de intensivering van de visserijinspanning; c) ineenstorting van de visserijsector op de Azoren.
143 Alvorens elk van deze schades te beoordelen, wijst de kortgedingrechter erop dat er tussen de partijen ernstig verschil van mening bestaat over het precieze tijdstip van intrekking van de verordeningen van 1995, op welk tijdstip de bestreden verordening de gestelde gevolgen in de wateren van de Azoren zal sorteren zonder de voordelen van de beschermingsregeling van 1995. In deze procedure moet er bij de beoordeling van de gevolgen van de bestreden verordening van worden uitgegaan, dat de verordeningen van 1995 in elk geval uiterlijk op 1 augustus 2004 zullen worden ingetrokken. Dit lijkt de redelijkste uitlegging te zijn, aangezien artikel 15 van de bestreden verordening een bijzondere bepaling is ter regeling van de intrekking van de verordeningen van 1995. Het staat buiten kijf dat krachtens artikel 15 de verordeningen van 1995 na 1 augustus 2004 niet meer van toepassing zullen zijn en dat verzoeksters betoog over de gevolgen van de bestreden verordening voor het mariene milieu, de visbestanden en de visserijsector op de Azoren op dat gegeven is opgebouwd.
– Ernstige en onherstelbare schade aan het mariene ecosysteem
144 Verzoekster stelt dat de bestreden verordening een visserijinspanning op industriële schaal toelaat, alsook het gebruik van gesleept vistuig en andere typen van industrieel vistuig, zoals bodemtrawls en trawls, die geen contact met de bodem maken, bodemkieuwnetten en beugen van industrieel type, die ernstige en onherstelbare schade aan het mariene ecosysteem zullen toebrengen doordat zij de zeebodem, de riffen en de koralen vernielen.
145 Onder de oude regeling van de verordeningen van 1995, met name de artikelen 3 en 6 en bijlage I van verordening nr. 685/95, aldus verzoekster, werd elke visserijtak door verwijzing naar het type vistuig gedefinieerd (bijvoorbeeld gesleept of passief vistuig) en kon de Raad dus indirect het gebruik van gesleept vistuig beperken door bijvoorbeeld te voorzien in een nullimiet voor de visserijinspanning in een bepaald gebied voor een gegeven type vistuig. Voor de wateren van de Azoren is dat gebeurd bij artikel 2 en de bijlage van verordening nr. 2027/95. De bestreden verordening (artikel 3 en bijlage) definieert de visserijtakken niet naar vistuig, en in de toekomst zal het dus niet mogelijk zijn een maximaal nulniveau van de visserijinspanning voor gesleept vistuig te bepalen. Bovendien zijn alle plaatselijke verboden op het gebruik van dergelijk vistuig ingevolge artikel 10 van verordening nr. 2371/2002 niet van toepassing op buitenlandse vaartuigen buiten de twaalfmijlszone; er is dus geen enkele andere mogelijkheid een dergelijk verbod te handhaven. Aangezien artikel 15 van de bestreden verordening ook de verordeningen van 1995 uiterlijk per 1 augustus 2004 intrekt, zal het gebruik van gesleept vistuig in de wateren van de Azoren dan dus zijn toegestaan.
146 Alle partijen erkennen dat na de intrekking ingevolge artikel 15 van de bestreden verordening van de verordeningen van 1995 uiterlijk op 1 augustus 2004, vissersvaartuigen in de wateren van de Azoren bodemtrawls mogen gebruiken, terwijl dat onder de vorige regeling verboden was.
147 Partijen betwisten ook niet dat wanneer de bodemtrawlvisserij niet onder controle wordt gehouden, dat ernstige negatieve gevolgen voor het mariene ecosysteem kan hebben. Op de hoorzitting hebben de Raad en de Commissie erkend dat de bodemtrawlvisserij ernstige en onherstelbare schade kan aanrichten doordat zij gevoelige elementen van het mariene ecosysteem zoals koraalriffen vernielt. Volgens de toelichting bij het voorstel van de Commissie betreffende de trawlvisserij blijkt uit recente wetenschappelijke rapporten dat bepaalde diepzeehabitats, waaronder die bij de Azoren, tegen mechanische erosie door vistuigen beschermd moeten worden. Volgens punt 4 van de considerans van dat voorstel wijzen de beschikbare wetenschappelijke gegevens erop, dat het herstel van de door bodemtrawls veroorzaakte schade aan koralen onmogelijk, althans zeer moeilijk is en veel tijd vergt.
148 Anders dan met betrekking tot de gevolgen van de trawlvisserij, waarvan de kortgedingrechter voldoende bewijs is aangeboden om te kunnen concluderen dat de mogelijke schade ervan ernstig en onherstelbaar is wanneer die activiteit niet onder controle wordt gehouden, is niet voldoende aannemelijk gemaakt dat vergelijkbare schade het gevolg kan zijn van het gebruik van andere vistuigen, zoals trawls die niet in contact met de bodem komen, kieuwnetten en, in het bijzonder, beugen.
149 Volgens verzoekster veroorzaken die andere intensieve vismethoden indirecte schade aan de visbestanden (waarop echter een visserijinspanningsregeling van toepassing is), maar ernstige en onherstelbare schade aan het mariene milieu als zodanig wordt niet aangetoond. Volgens het door verzoekster overgelegde deskundigenrapport (bijlage 2 bij het verzoekschrift) veroorzaken weliswaar alle industriële visserijmethoden indirecte schade, maar is dit bij netten die de bodem niet raken, en bij beugen veel minder het geval dan bij de bodemtrawlvisserij met beugen, die als veroorzaker van „beperkte schade aan de habitats” wordt beschouwd. Het gestelde over de zogenoemde „spookvisserij” heeft hoofdzakelijk betrekking op de instandhouding van de visbestanden en niet op de aan het milieu als zodanig toegebrachte schade, en is bovendien algemeen geformuleerd, zonder nadere gegevens over de meer of mindere ernst van de schade of over het waarschijnlijke tijdsverloop waarbinnen die schade ernstig en onherstelbaar zou worden.
150 Verzoeksters verwijzingen naar verklaringen van de Commissie in de bij het voorstel trawlvisserij gevoegde persberichten betreffen de visserij met bodemtrawls of soortgelijke vistuigen en kunnen niet worden beschouwd als een erkenning door de Commissie van de schadelijke gevolgen van het gebruik van andere typen vistuigen.
151 Het betoog van verzoekster over spoedeisendheid voor wat andere vistuigen dan bodemtrawls en soortgelijke gesleepte netten betreft, moet dan ook worden afgewezen.
152 Met betrekking tot de bodemtrawlvisserij erkennen de Raad en de Commissie evenwel dat dit type visserij, wanneer niet onder controle gehouden, waarschijnlijk ernstige schade aan het ecosysteem van de Azoren zal toebrengen. Die schade is onherstelbaar in die zin, dat deze naar algemene opvatting niet of slechts zeer moeilijk ongedaan kan worden gemaakt.
153 De te onderzoeken vraag is dus of de bestreden verordening zonder de gevraagde voorlopige maatregelen met zekerheid en onmiddellijk schade zal veroorzaken. Daarbij staat het aan verzoekster de feiten te bewijzen waarop zij haar verwachting van ernstige en onherstelbare schade baseert ( beschikking HFB e.a./Commissie, punt 67, en Griekenland/Commissie, punt 15, beide reeds aangehaald).
154 Anders dan verzoekster lijkt te suggereren, staat de bestreden verordening de trawlvisserij nergens uitdrukkelijk toe, noch belet zij de Raad of de Commissie aanvullende maatregelen tegen dergelijke visserijactiviteiten vast te stellen. Het voorstel van de Commissie inzake de trawlvisserij beoogt de bestreden verordening aan te vullen met een specifiek verbod op de trawlvisserij, onder meer in de wateren van de Azoren. Het voorstel zal leiden tot een wijziging van artikel 30 van verordening nr. 850/98 door aanvulling van dit artikel met de volgende bepaling:
„Vaartuigen mogen geen bodemtrawls of soortgelijke sleepnetten die in contact komen met de bodem van de zee, gebruiken in [onder meer, de wateren van de Azoren].”
155 Uit een en ander volgt dat de door verzoekster verlangde opschorting van de tenuitvoerlegging van artikel 3, artikel 5, lid 1, artikel 11 of artikel 13 geen verbod van de bodemtrawlvisserij in de wateren van de Azoren zal meebrengen en dus geen enkel nut voor verzoekster zal hebben. Niet is aangetoond, dat genoemde bepalingen enige betekenis voor de trawlvisserij hebben. Opschorting van de tenuitvoerlegging ervan is dus kennelijk niet noodzakelijk.
156 Zoals verzoekster echter zelf opmerkt, zal de trawlvisserij indirect zijn toegestaan na de intrekking van de verordeningen van 1995 die, doordat zij de vistuigen met de definitie van de visserijtakken verbonden, dat punt langs een omweg en niet rechtsreeks regelden. Alleen opschorting van de tenuitvoerlegging van artikel 15 van de bestreden verordening (waarbij de verordeningen van 1995 worden ingetrokken) zou dus effect op de bodemtrawlvisserij kunnen hebben, omdat de regeling van de verordeningen van 1995 en dus het indirecte verbod op de bodemtrawlvisserij in de Azoren dan van toepassing zou blijven.
157 De noodzaak van die opschorting of een andere voorlopige maatregel om te verhinderen dat in de betrokken periode schade aan het mariene ecosysteem wordt toegebracht, valt echter moeilijk in te zien omdat er in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid verscheidene andere, meer evenredige en geschiktere instrumenten zijn die snel en effectief kunnen worden ingezet om die schade te voorkomen.
158 Daartoe behoren onder meer noodmaatregelen van de Commissie of de lidstaten, in het bijzonder de Portugese Republiek, op basis van de artikelen 7 en 8 van de basisverordening, die die maatregelen juist toestaan „wanneer er bewijs is van een ernstige en onvoorziene bedreiging voor de instandhouding van levende aquatische hulpbronnen of voor het mariene ecosysteem als gevolg van visserijactiviteiten” en de situatie geen uitstel kan lijden. Volgens artikel 8 is de duur van dergelijke maatregelen beperkt tot hoogstens drie maanden en tot zes maanden voor maatregelen krachtens artikel 7 van de basisverordening, met een eventuele verlenging van nogmaals zes maanden. De duur van die maatregelen is dus voldoende om schade te voorkomen zolang het voorstel van de Commissie inzake de trawlvisserij niet is goedgekeurd, wat naar het zich laat aanzien, binnenkort zal gebeuren. Verder staat artikel 45, leden 1 en 2, van verordening nr. 850/98 de vaststelling toe van noodmaatregelen van de Commissie, of de lidstaten voor de onder hun jurisdictie vallende wateren, „[i]ndien de instandhouding van bestanden van mariene organismen onmiddellijk optreden vergt” of „[w]anneer de instandhouding van bepaalde soorten of bepaalde visgronden ernstig wordt bedreigd en elk uitstel moeilijk te herstellen schade zou meebrengen”.
159 Naar op de hoorzitting is gebleken, heeft verzoekster niets gedaan om dergelijke maatregelen te doen vaststellen.
160 Bovendien heeft de Commissie op de hoorzitting meegedeeld, dat zij de situatie voortdurend in het oog houdt en dat zij zo nodig die noodmaatregelen zal treffen.
161 Overeenkomstige maatregelen zijn vastgesteld in het geval van de Darwin Mounds in het Verenigd Koninkrijk [verordening (EG) nr. 1475/2003 van de Commissie van 20 augustus 2003 inzake de bescherming van koudwaterkoraalriffen tegen de gevolgen van de trawlvisserij in een gebied ten noordwesten van Schotland (PB L 211, blz. 14)] Het voorstel trawlvisserij toont aan, dat de Commissie zich van de situatie bewust is en ze permanent bewaakt. In de toelichting op dat voorstel verklaart zij: „In de communautaire visgebieden rond de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden bestaan met zekerheid koudwaterhabitats die tot nu toe gespaard zijn gebleven voor de trawlvisserij dankzij de speciale toegangsregeling in verordening (EG) nr. 2027/95 van de Raad. Aangezien deze regeling in 2004 afloopt, is het belangrijk dat de blijvende bescherming van die gebieden wordt gegarandeerd door ze in de communautaire regelgeving op te nemen.” Daar de Commissie bekend is met de gestelde problematiek, is het niet erg waarschijnlijk dat zij zich tegen de vaststelling van dergelijke maatregelen zal verzetten of dat zij niet zal ingrijpen om schade te voorkomen.
162 Nu verzoekster andere, geschiktere mogelijkheden heeft, lijken de gevraagde voorlopige maatregelen niet noodzakelijk (in overeenkomstige zin, beschikking president Hof van 22 april 1994, Commissie/België, C‑87/94 R, Jurispr. blz. I‑1395, punten 40‑42; beschikking Free Trade Foods/Commissie, reeds aangehaald, punt 59; beschikkingen president Gerecht van 7 mei 2002, Aden e.a./Raad en Commissie, T‑306/01 R, Jurispr. blz. II‑2387, punt 109, en 3 december 2002, Neue Erba Lautex/Commissie, T‑181/02 R, Jurispr. blz. II‑5081, punten 105‑110).
163 Gelet op het voorgaande is de kortgedingrechter van oordeel, dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gevraagde voorlopige maatregelen noodzakelijk zijn om ernstige en onherstelbare schade aan het mariene ecosysteem te voorkomen.
– Schade aan de visbestanden
164 Aangaande de ernstige en onherstelbare schade aan de visbestanden stelt verzoekster, dat uiterlijk vanaf 1 augustus 2004 de intrekking van de verordeningen van 1995 en de inwerkingtreding van de bestreden verordening tot een aanzienlijke intensivering van de visserijinspanning zullen leiden, met als gevolg een snelle verschraling van de bestanden van diepzeevissen tot een niveau waarop herstel niet meer mogelijk is.
165 Het is van belang hier twee bestanden te onderscheiden: dat van de tonijn en dat van de diepzeevissen.
166 Met betrekking tot de tonijn en de tonijnachtigen levert verzoekster duidelijk geen voldoende bewijs voor de noodzaak van de gevraagde voorlopige maatregelen om ernstige en onherstelbare schade te voorkomen.
167 De tonijnachtigen zijn trekvissen, die in uitgestrekte gebieden voorkomen en niet specifiek aan de wateren van de Azoren zijn gebonden. Instandhoudingsmaatregelen dienen voor het gehele verspreidingsgebied te gelden en rekening te houden met de trekroutes van de soorten. Een maatregel die een bijzondere zone van 100 zeemijl zou sluiten of vrijgeven, draagt er niet toe bij de uitdunning van deze soorten te voorkomen daar zij immers over grote afstanden trekken. Als trekvissen worden de tonijn en de tonijnachtigen door diverse maatregelen beschermd, zoals de TAC’s en de quota die bij verordening (EG) nr. 2287/2003 van de Raad van 19 december 2003 (PB L 344, blz. 1) voor een groot gedeelte van de noordoostelijke Atlantische Oceaan zijn vastgesteld. Verder worden de tonijn en de tonijnachtigen beschermd door de International Commission for the Conservation of Atlantic Tunas (ICCAT), waarbij de Gemeenschap is aangesloten, en voor de meeste tonijnsoorten zijn beperkingen van de vangst of van de visserijinspanning ingevoerd. Verzoeksters bewering op de hoorzitting ten slotte, dat de vaartuigen voor de tonijnvisserij over een groot gebied verspreid zijn en andere vaartuigen hinderen bij het vissen op diepzeesoorten, biedt kennelijk geen steun aan haar stelling dat de tonijnbestanden of die van de diepzeesoorten uitgeput zullen raken.
168 Wat de bestanden van diepzeevissen betreft, is de door verzoekster aangesneden problematiek feitelijk veel ingewikkelder. Men kan echter niet stellen, dat verzoekster aannemelijk heeft gemaakt dat, zonder voorlopige maatregelen in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak, de bestreden verordening een zo sterke intensivering van de visserijinspanning mogelijk maakt, dat de visbestanden zullen worden uitgeput in een mate die ernstige en onherstelbare schade oplevert, of dat een dergelijke schade met zekerheid en onmiddellijk te verwachten is.
169 Verzoekster toont niet aan dat door de bestreden verordening een situatie zal ontstaan waarin een onbeperkte visserijinspanning voor alle soorten in de wateren van de Azoren mogelijk is. Zoals de Raad, de Commissie en het Koninkrijk Spanje opmerken, voorziet de bestreden verordening evenals de verordeningen van 2002 juist in een aantal maatregelen ter beperking van de visserijinspanning dan wel in TAC’s en quota voor diepzeesoorten.
170 Zo gelden, naar ook verzoekster toegeeft, ingevolge verordening nr. 2340/2002voor twee diepzeesoorten (de zwarte haarstaartvis en de zeebrasem) specifieke TAC’s en quota. Een aantal van de in bijlage I bij verordening nr. 2347/2002 genoemde diepzeesoorten zullen worden onderworpen aan een strenge beperking van de visserijinspanning op communautaire schaal. Deze regeling omvat strikte uitvoerings‑ en controlemaatregelen en verklaart de Commissie bevoegd om de situatie nauwlettend te volgen, zodat zij ten aanzien van alle soorten waarvoor naar haar oordeel overbevissing dreigt, andere maatregelen kan treffen. Hierbij valt nog op te merken, dat het onderhavige beroep geen betrekking heeft op verordening nr. 2347/2002.
171 Ten slotte voert de bestreden verordening zelf een beperking van de visserijinspanning in voor alle demersale soorten, daaronder begrepen alle diepzeesoorten die niet al onder de beschermingsregeling van verordening nr. 2347/2002 vallen. Volgens artikel 3 van de bestreden verordening is deze beperking van de visserijinspanning gebaseerd op de historische gemiddelden van de jaren 1998 tot en met 2002. Dit komt erop neer, dat de bestreden verordening een maximale visserijinspanning op die basis vastlegt.
172 In tegenstelling tot wat verzoekster aanneemt, lijkt het onwaarschijnlijk dat de in artikel 11 van de bestreden verordening bedoelde uitvoeringsverordening niet vóór 1 augustus 2004, de datum waarop de verordeningen van 1995 moeten zijn ingetrokken, tot stand zal komen. Verzoekster zegt te vrezen dat er een situatie zal ontstaan waarin als gevolg van een rechtsvacuüm een tijd lang een ongelimiteerde visserijinspanning in de betrokken zone mogelijk zal zijn. Zoals eerder opgemerkt, heeft de Commissie thans echter een voorstel voor een uitvoeringsverordening aanvaard. Dit voorstel bepaalt nauwkeurige en gedetailleerde maximale visserijinspanningsniveaus voor elke lidstaat en voor elke tak van visserij in de westelijke wateren, gebaseerd op de ICES-deelgebieden en CEFAF-sectoren, op de grondslag van de door de lidstaten medegedeelde gegevens, aan de hand waarvan de gemiddelde jaarlijkse inspanning in de periode 1998‑2002 kan worden berekend. Het voorstel is op 12 mei 2004 aanvaard. Ingevolge artikel 11 van de bestreden verordening kan de Commissie, indien de Raad de uitvoeringsverordening niet uiterlijk op 31 mei 2004 heeft vastgesteld, deze tot uiterlijk 31 juli 2004 zelf vaststellen. Op de hoorzitting heeft de Commissie bevestigd dat deze regeling het haar mogelijk maakt, de uitvoeringsverordening vóór 31 juli 2004 vast te stellen. In elk geval zijn de lidstaten ook bij ontbreken van een uitvoeringsverordening ingevolge artikel 3 van de bestreden verordening verplicht de visserijinspanning te begrenzen. Er behoeft dus niet voor een rechtsvacuüm te worden gevreesd.
173 Verzoekster betoogt evenwel dat de bestreden verordening en verordening nr. 2347/2002 de deur openzetten voor een intensivering van de visserijinspanning in de wateren van de Azoren, omdat zij maximale inspanningsniveaus voor uitgestrekte gebieden tot ver buiten de wateren van de Azoren vaststellen. Dit kan tot een grotere visserijinspanning in de wateren van de Azoren leiden, in de tussen 100 en 200 zeemijl gelegen zone. De snelle winstgevendheid waarop de vissers wegens het nog intacte karakter van de visgronden in de diepzee rond de Azoren rekenen, maakt volgens verzoekster die intensivering van de visserijinspanning in die zone waarschijnlijk.
174 Verzoekster verstrekt enkele anekdotische gegevens over bijzondere visexpedities van Spaanse vaartuigen, volgens welke de intensieve beugvisserij bij één enkele tocht enorme vangsten opleverde, tot wel 7 % van de totale vangsten van bijzondere soorten als de beryciden. Porto de Abrigo vermeldt soortgelijke berichten over 58 Spaanse vaartuigen (in tegenstelling tot vroeger gemiddeld vier) die thans in de wateren van de Azoren vissen. Verzoekster heeft op de hoorzitting ook proberen aan te tonen dat vissersvaartuigen met het industriële vistuig in staat zijn, in de zeer korte periode van hoogstens drie maanden het grootste deel van de wateren van de Azoren af te vissen.
175 Verzoekster en interveniënten hebben echter geen gegevens verschaft aan de hand waarvan de kortgedingrechter zich een nauwkeurig beeld van de ernst en duur van de gestelde schade zou kunnen vormen. Zij hebben niet proberen vast te stellen, hoe en in welke mate de visserijinspanning in de Azoren zal toenemen tegen de achtergrond de beperkingen waarin de verordeningen van 2002 en de bestreden verordening voorzien, en wat voor de verschillende soorten diepzeevissen de gevolgen zullen zijn van een eventuele intensivering van de visserijinspanning in het tijdsverloop tot de beslissing in de hoofdzaak.
176 Verzoekster geeft immers toe dat zij niet precies kan aangeven, wanneer de door de nieuwe regeling veroorzaakte schade onherstelbaar zal worden en wanneer de grotere visserijinspanning niet meer hernieuwbare niveaus zal hebben bereikt. Zij verwacht echter dat die gevolgen zich binnen een enkel visseizoen en, in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak, in elk geval binnen enkele visseizoenen zullen doen gevoelen.
177 De door verzoekster verstrekte gegevens suggereren evenwel dat aan de diepzeevisserij bij Nieuw-Zeeland toegebrachte schade zich eerder in jaren dan maanden laat meten. Uit de wetenschappelijke rapporten blijkt voorts dat buiten de wateren van de Azoren in het gebied van de Midden-Atlantische rug (waartoe de Azoren behoren) al enige decennia lang niet-gereglementeerde diepzeevisserij wordt bedreven, en ofschoon dit tot achteruitgang van de doelsoorten en de als bijvangst gevangen soorten heeft gevoerd, is er blijkbaar geen sprake van instorting van de visbestanden. In het door verzoekster overgelegde deskundigenrapport wordt bijvoorbeeld gezegd, dat hoewel de visbestanden gevoelig zijn voor overbevissing, de vangsten in bijna elke thans beviste zone zich snel ontwikkelen („bust and boom”), met aanvankelijk hoge vangsten die zo’n tien jaar na het begin van de visserij instorten (bijlage 2 bij het verzoekschrift, blz. 2‑3).
178 Ten slotte, hoewel zij zich zorgen maken over onherstelbare schade aan de habitats en verwijzen naar de situatie aan de rand van duurzaamheid, geven de aangehaalde wetenschappelijke rapporten (met name bijlage 3 bij het verzoekschrift) blijk van een grote onzekerheid met betrekking tot de waarschijnlijke gevolgen van de aangenomen overbevissing. Het rapport (bijlage 3 bij het verzoekschrift) wijst er ook op, dat de relevante indicatoren „niet wijzen op het bestaan van duidelijke problemen als gevolg van overbevissing van de demersale soorten”, ook al kan ervan worden uitgegaan dat bij deze soorten van een intensieve bevissing sprake is. Verder wordt in het rapport opgemerkt, dat bij bepaalde soorten van jaar tot jaar veranderingen worden geconstateerd „die niet uitsluitend rechtstreeks lijken samen te hangen met de door de visserij veroorzaakte mortaliteit, en omtrent de oorzaak waarvan nog weinig bekend is” (bijlage 3 bij het verzoekschrift, blz. 17). Ten slotte vermeldt het rapport, dat „nog niet alles bekend is over de gevolgen van de overbevissing van sommige van die gebieden, te weten de onderzeese bergen, omdat hun dynamiek nog niet goed is onderzocht” (ibid., blz. 25).
179 Daarnaast moet worden opgemerkt dat twee van de wetenschappelijke rapporten waarbij verzoekster steun zoekt voor haar betoog inzake de waarschijnlijke verschraling van de bestanden van diepzeevissen (dat van de ICES en dat van de STECF), van vóór de vaststelling van de verordeningen van 2002 dateren. Deze verordeningen zijn vastgesteld naar aanleiding van de wetenschappelijke adviezen in die rapporten, teneinde rekening te houden met de daarin verschafte gegevens en een regeling in te stellen ter begrenzing van de visserijinspanning voor de door overbevissing bedreigde diepzeesoorten (punten 2 en 4 van de considerans van verordening nr. 2347/2002). Bovendien bevatten die rapporten geen gegevens waaruit blijkt dat de bestreden verordening of een vergelijkbare regeling tot uitputting van de visbestanden zal leiden. Zij bevelen de opstelling aan van algemene beginselen voor een duurzaam beheer van de visbestanden. Zij pleiten niet voor een regeling op basis van beperking van de toegang of van exclusieve toepassing van TAC’s en quota, maar geven de voorkeur aan beheersing van de visserijinspanning. Het is deze lijn die de Raad heeft gevolgd bij de vaststelling van de verordeningen van 2002 en van de bestreden verordening, die alle de limitering van de visserijinspanning tot doel hebben.
180 Met betrekking tot het recentste, op 11 juni 2004 gepubliceerde ICES-rapport zegt verzoekster zelf in haar verzoekschrift van 21 juni 2004, dat het niets nieuws bevat wat feitelijk of rechtens van belang is. Het rapport herhaalt de conclusies uit 2002 onder toevoeging van enkele recente ontwikkelingen. Ofschoon het ICES-rapport 2004 opnieuw de al in 2002 geformuleerde zorgpunten vermeldt, te weten dat de diepzeesoorten kwetsbaar zijn en dat de exploitatie ervan niet op duurzame wijze gebeurt, erkent het dat „op dit moment geen adviezen kunnen worden opgesteld voor de bijzondere takken van visserij op diepzeesoorten” (ICES-rapport 2004, blz. 82). Als positief beoordeelt het rapport evenwel de vaststelling van de meer recente verordeningen (zoals die van 2002) en het erkent, dat „in het door de NEAFC gereglementeerde gebied bevriezing van de visserijinspanning in 2003 en 2004 was aanbevolen en dat in de communautaire takken van diepzeevisserij een regeling voor het beheer van de inspanning geldt”. Hierbij merkt het rapport nog op dat de recente verordeningen die tot doel hebben de visserijinspanning te stabiliseren of te verminderen, „de toestand van de bestanden zouden moeten verbeteren of tenminste hun achteruitgang zouden moeten vertragen”, maar dat „de actuele effecten ervan op de bestanden zich thans nog niet laten kwantificeren” (ibid., blz. 83). De in het ICES-rapport 2004 geschetste recente ontwikkelingen wijzen dus niet op een verslechtering van de vroegere situatie en brengen geen wijziging in het algemene beeld. In het bijzonder bevat het rapport van 2004 evenmin als dat van 2002 bewijskrachtige gegevens met betrekking tot de gevolgen van de bestreden verordening in de wateren van de Azoren, die de conclusie zouden toelaten dat de gevraagde voorlopige maatregelen noodzakelijk zijn om ernstige en onherstelbare schade aan de visbestanden in dat gebied te verhinderen.
181 De bewering van verzoekster, dat de Commissie in wezen zelf erkent dat de bestreden verordening schadelijke gevolgen voor de visbestanden zal hebben, is overigens onjuist. De door verzoekster aangehaalde passages uit het persbericht van de Commissie van 3 februari 2004 betreffende het voorstel trawlvisserij verwijzen uitsluitend naar de schadelijke effecten van bodemtrawls op de mariene habitats, en niet naar de uitputting van de visbestanden.
182 Ten slotte, wat in het voorgaande is overwogen met betrekking tot geschiktere mogelijkheden om alle problemen in verband met het mariene ecosysteem te lijf te gaan, geldt mutatis mutandis evenzeer voor de beoordeling van de spoedeisendheid in verband met de uitputting van de visbestanden.
183 Zo kunnen de noodmaatregelen bedoeld in de artikelen 7 en 8 van de basisverordening en artikel 45 van verordening nr. 850/98, eveneens worden ingezet wanneer het gaat om de instandhouding van de visbestanden. Verzoekster heeft zich niet voor de toepassing van dergelijke maatregelen ingespannen, en men kan derhalve van oordeel zijn dat het verzoek in kort geding overbodig is. Voorts kent verordening nr. 2347/2002 een strenge toezichtregeling in het kader waarvan de Commissie en de betrokken wetenschappelijke instanties de situatie van, met name, de diepzeesoorten nauwlettend kunnen volgen. De Commissie moet vóór juni 2005 een verslag opstellen over het gehele beheersprogramma voor diepzeesoorten en de Raad een voorstel doen over de eventueel in dat programma aan te brengen wijzigingen.
184 Waar verzoekster over andere en geschiktere mogelijkheden beschikt en de gemeenschapsinstellingen de betrokken situatie in het algemene kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid nauwlettend in het oog houden, lijken de gevraagde voorlopige maatregelen dus niet noodzakelijk (in overeenkomstige zin, beschikkingen Commissie/België, punten 40‑42; Free Trade Foods/Commissie; Aden e.a./Raad en Commissie, punt 109, en Neue Erba Lautex/Commissie, punten 105‑110, alle reeds aangehaald).
– Schade aan de industrie van de Azoren
185 Verzoekster en Porto de Abrigo stellen dat een onomkeerbare uitputting van de visbestanden het bestaan van de vissers van de Azoren in gevaar zou brengen en de totale instorting van de industrie van de Azoren zou betekenen. Dit argument hangt samen met het eerder behandelde argument inzake de uitputting van de visbestanden.
186 Verzoekster noch Porto de Abrigo maakt voldoende aannemelijk dat de bestreden verordening in het tijdsverloop tot de beslissing in de hoofdzaak ernstige en onherstelbare schade zal toebrengen aan de visserijsector op de Azoren, laat staan aan de economie van de Azoren in haar geheel.
187 Naast de eerder besproken argumenten betreffende de uitputting van de visbestanden zijn de gegevens die verzoekster aandraagt, niet voldoende om de kortgedingrechter in staat te stellen zich een oordeel te vormen over de wijze waarop, en binnen welk tijdsverloop, een intensivering van de visserijinspanning door buitenlandse vaartuigen ongunstige gevolgen voor de financiële belangen van de visserijsector op de Azoren zal hebben.
188 De bestreden verordening zal nog steeds voorzien in een zone van 100 zeemijl waar uitsluitend de vissers van de Azoren zowel op tonijn als op diepzeesoorten mogen vissen. Ook als het juist zou zijn wat verzoekster betoogt, te weten dat 31,4 % van de vangsten op de Azoren afkomstig is van de visserijbanken in de zone tussen 100 en 200 zeemijl, bewijst dat niet dat, zelfs indien dat gehele volume aan de buitenlandse vaartuigen was voorbehouden, de belangen van de vissers van de Azoren in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak ernstig en onherstelbaar zouden worden geschaad. Nog minder weet verzoekster aannemelijk te maken, dat de gevolgen voor de economie van de Azoren in haar geheel in ernstige en onherstelbare schade zouden bestaan.
189 De stelling dat ernstige en onherstelbare schade aan de visserijsector op de Azoren zou worden toegebracht, is hiermee dus voorshands niet aannemelijk gemaakt.
190 In het licht van al het voorgaande is de kortgedingrechter van oordeel, dat verzoekster niet naar de eis van het recht heeft aangetoond dat de bestreden verordening ernstige en onherstelbare schade zal toebrengen aan het mariene ecosysteem, aan de visbestanden of aan de visserijsector op de Azoren, of dat de gestelde schade zeker is en onmiddellijk dreigt. Zij heeft dus niet aangetoond dat de gevraagde voorlopige maatregelen noodzakelijk zijn, en aan de voorwaarde van spoedeisendheid is derhalve niet voldaan.
191 Nu verzoekster niet heeft weten aan te tonen dat de gevraagde voorlopige maatregelen noodzakelijk zijn om, in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak, ernstige en onherstelbare schade te voorkomen, behoeft niet meer te worden onderzocht of aan de voorwaarde van fumus boni juris is voldaan.
192 Ten slotte, zoals ook al aan het begin van deze analyse opgemerkt, kan in het licht van het hiervóór overwogene de afweging van de belangen niet ten gunste van verzoekster uitvallen.
193 Het is duidelijk dat een gedeeltelijke opschorting van de tenuitvoerlegging ingrijpende gevolgen voor het gemeenschappelijk visserijbeleid en voor derden zou hebben; de gevraagde voorlopige maatregelen zijn onevenredig ten opzichte van het ermee beoogde doel, en die maatregelen zouden een drastische ingreep in de ruime beoordelingsvrijheid van de Raad op het gebied van het gemeenschappelijk visserijbeleid betekenen. In gevallen als het onderhavige kan de kortgedingrechter slechts in buitengewone omstandigheden, gekenmerkt door een bijzonder serieuze fumus boni juris en kennelijke spoedeisendheid, waarvan in casu geen sprake is, zijn beoordeling in de plaats van die van de Raad stellen (in die zin beschikking Free Trade Foods/Commissie, reeds aangehaald, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
194 De gevraagde voorlopige maatregelen zijn onder meer daarom niet noodzakelijk omdat er andere, geschiktere en meer evenredige middelen zijn, zoals de noodmaatregelen die de Commissie of de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid kunnen vaststellen, en omdat verzoekster niets heeft ondernomen om de toepassing van dergelijke maatregelen te verkrijgen.
195 Gelet op een en ander is de kortgedingrechter van oordeel dat de afweging van de belangen in het nadeel van verzoekster uitvalt (in overeenkomstige zin, beschikkingen Commissie/België, punten 40‑42; Free Trade Foods/Commissie, punt 59; Aden e.a./Raad en Commissie, punt 109, en Neue Erba Lautex/Commissie, punten 105‑110, alle reeds aangehaald).
196 Omdat niet aan de voorwaarde van spoedeisendheid is voldaan en bij de belangenafweging de schaal ten gunste van de Raad doorslaat, moet het verzoek in kort geding worden afgewezen.
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG,
beschikt:
1) Porto de Abrigo – Organização de Produtores da Pesca CRL, en GÊ‑Questa – Associão de Defesa do Ambiente, worden toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van verzoekster.
2) Het verzoek om toelating tot interventie van WWF – World Wide Fund for Nature, en van Seas at Risk wordt afgewezen.
3) Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.
4) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 7 juli 2004.
De griffier
De president
H. Jung
B. Vesterdorf
* Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy