Zaak T‑94/04
European Environmental Bureau (EEB) e.a.
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Beroep tot nietigverklaring – Exceptie van niet-ontvankelijkheid – Richtlijn 2003/112/EG – Procesbevoegdheid”
Beschikking van het Gerecht (Tweede kamer) van 28 november 2005
Samenvatting van de beschikking
1. Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke of rechtspersonen – Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken – Richtlijn betreffende op markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen – Beroep van verenigingen met status van adviseur bij gemeenschapsinstellingen en/of nationale of supranationale autoriteiten – Niet-ontvankelijkheid
(Art. 230, vierde alinea, EG; richtlijn 2003/112 van de Commissie)
2. Europese Gemeenschappen – Rechterlijk toezicht op wettigheid van handelingen van instellingen – Handelingen van algemene strekking – Noodzaak voor natuurlijke of rechtspersonen om via exceptie van onwettigheid of prejudiciële verwijzing geldigheid te laten beoordelen
(Art. 230, vierde alinea, EG, 234 EG en 241 EG)
1. Het beroep van verenigingen die de bescherming en de instandhouding van het milieu tot doel hebben en van een vennootschap die tot doel heeft duurzame alternatieve oplossingen voor het gebruik van pesticiden te bevorderen, tot nietigverklaring van richtlijn 2003/112 tot wijziging van richtlijn 91/414 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, teneinde paraquat op te nemen als werkzame stof, is niet-ontvankelijk.
De ernstige negatieve effecten van de bestreden handeling voor de door de verenigingen verdedigde belangen en voor de eigendomsrechten van een ervan leveren namelijk geen bewijs op, dat zij door deze handeling individueel worden geraakt, nu de bepalingen ervan hen treffen in hun objectieve hoedanigheid van entiteiten die tot doel hebben de milieubescherming te behartigen, op dezelfde wijze als ieder ander die zich in dezelfde situatie bevindt.
Voorts kan het feit dat verzoekers een bijzondere adviseursstatus bij de gemeenschapsinstellingen en/of bij nationale of supranationale autoriteiten hebben, op zich geen grond opleveren om hen als door de bestreden handeling individueel geraakt te beschouwen. De omstandigheid dat een persoon op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het proces van totstandkoming van een gemeenschapshandeling, kan die persoon namelijk slechts individualiseren ten opzichte van deze handeling, indien de toepasselijke gemeenschapsregeling voorziet in bepaalde procedurele waarborgen voor die persoon.
Zo ook is de procesbevoegdheid die door de rechtsstelsels van sommige lidstaten aan verzoekers is verleend, niet relevant ter beoordeling van hun bevoegdheid om beroep tot nietigverklaring van een gemeenschapshandeling in te stellen krachtens artikel 230, vierde alinea, EG.
Bovendien ontslaat het feit dat de Commissie in de toelichting bij een voorstel voor een verordening verklaart dat verzoekers procesbevoegdheid hebben, hen niet van de verplichting om aan te tonen dat zij door de bestreden handeling individueel worden geraakt. De beginselen inzake de hiërarchie van normen verzetten zich er namelijk tegen dat een handeling van afgeleid recht procesbevoegdheid toekent aan particulieren die niet voldoen aan de vereisten van artikel 230, vierde alinea, EG. Dit geldt a fortiori voor een toelichting bij een voorstel voor een handeling van afgeleid recht.
(cf. punten 53, 55‑58, 66‑68)
2. Het Verdrag heeft in zijn artikelen 230 EG en 241 EG enerzijds en artikel 234 EG anderzijds een volledig stelsel van rechtsmiddelen en procedures in het leven geroepen, waarin het toezicht op de wettigheid van de handelingen van de instellingen is opgedragen aan de gemeenschapsrechter. In dit stelsel kunnen natuurlijke of rechtspersonen die wegens de ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 230, vierde alinea, EG geen rechtstreeks beroep kunnen instellen tegen gemeenschapshandelingen van algemene strekking, naar gelang van het geval de ongeldigheid van dergelijke handelingen inroepen, hetzij incidenteel voor de gemeenschapsrechter krachtens artikel 241 EG, hetzij voor de nationale rechter, die weliswaar niet bevoegd is zelf de ongeldigheid van genoemde handelingen vast te stellen, maar die ertoe kan worden gebracht daarover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof.
(cf. punt 62)
BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Tweede kamer)
28 november 2005 (*)
„Beroep tot nietigverklaring – Exceptie van niet-ontvankelijkheid – Richtlijn 2003/112/EG – Procesbevoegdheid”
In zaak T‑94/04,
European Environmental Bureau (EEB), gevestigd te Brussel (België),
Pesticides Action Network Europe, gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),
International Union of Food, Agricultural, Hotel, Restaurant, Catering, Tobacco and Allied Workers’ Associations (IUF), gevestigd te Genève (Zwitserland),
European Federation of Trade Unions in the Food, Agricultural and Tourism sectors and allied branches (EFFAT), gevestigd te Brussel,
Stichting Natuur en Milieu, gevestigd te Utrecht (Nederland),
Svenska Naturskyddföreningen, gevestigd te Stockholm (Zweden),
vertegenwoordigd door P. van den Biesen, G. Vandersanden en B. Arentz, advocaten,
verzoekers,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. Doherty als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
ondersteund door
Syngenta Ltd, gevestigd te Guildford (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door C. Simpson, solicitor, en D. Abrahams, barrister,
interveniënte,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van richtlijn 2003/112/EG van de Commissie van 1 december 2003 tot wijziging van richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde paraquat op te nemen als werkzame stof (PB L 321, blz. 32),
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: J. Pirrung, kamerpresident, A. W. H. Meij en I. Pelikánová, rechters,
griffier: E. Coulon,
de navolgende
Beschikking
Rechtskader
Richtlijn 91/414/EEG
1 Artikel 4 van richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 230, blz. 1) bepaalt de voorwaarden en de gewone procedure voor de verlening, de herziening en de intrekking van de toelating door de lidstaten voor het op de markt brengen van bestrijdingsmiddelen. In dit verband preciseert artikel 4, lid 1, sub a, van richtlijn 91/414 dat enkel de gewasbeschermingsmiddelen die werkzame stoffen bevatten die in bijlage I bij richtlijn 91/414 zijn vermeld, kunnen worden toegelaten.
2 De voorwaarden voor opneming van werkzame stoffen in bijlage I bij richtlijn 91/414 zijn gepreciseerd in artikel 5 van richtlijn 91/414. Deze opneming is slechts mogelijk, indien op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis kan worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die de betrokken werkzame stof bevatten, aan bepaalde voorwaarden met betrekking tot hun onschadelijkheid voor de gezondheid van mens en dier alsmede voor het milieu voldoen.
3 Artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414 bepaalt dat de lidstaten in afwijking van het bepaalde in artikel 4 van richtlijn 91/414 gedurende een overgangsperiode mogen toelaten dat gewasbeschermingsmiddelen die niet in bijlage I opgenomen werkzame stoffen bevatten en die twee jaar na de datum van kennisgeving van de richtlijn, te weten op 26 juli 1993, reeds op de markt zijn, op hun grondgebied op de markt worden gebracht.
4 De werkzame stoffen in de producten die in aanmerking komen voor de uitzondering voorzien in artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414 vormen het voorwerp van een geleidelijk onderzoek in het kader van een werkprogramma van de Commissie.
Verordening nr. 3600/92/EEG
5 Artikel 5 van verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie van 11 december 1992 houdende bepalingen voor de uitvoering van de eerste fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414 (PB L 366, blz. 10) bepaalt dat de Commissie de lijst vaststelt van de te beoordelen werkzame stoffen en voor de beoordeling van elke werkzame stof een als rapporteur optredende lidstaat aanwijst.
6 Volgens de artikelen 6 en 7 van verordening nr. 3600/92 dient de als rapporteur aangewezen lidstaat de betrokken werkzame stof te beoordelen en aan de Commissie een evaluatieverslag van het dossier te sturen, dat een aanbeveling bevat om de werkzame stof in bijlage I bij richtlijn 91/414 op te nemen, of andere maatregelen te treffen, zoals het uit de handel nemen ervan.
7 Vervolgens zendt de Commissie het dossier en het verslag voor verder onderzoek aan het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, dat is ingesteld bij artikel 58 van verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31, blz. 1).
8 Artikel 7, lid 3 bis, van verordening nr. 3600/92, ingevoegd bij verordening (EG) nr. 1199/97 van de Commissie van 27 juni 1997 tot wijziging van verordening nr. 3600/92 (PB L 170, blz. 19), bepaalt dat de Commissie aan het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid een ontwerptekst voorlegt, die verschillende vormen kan aannemen. Indien wordt voorgesteld de werkzame stof op te nemen in bijlage I bij richtlijn 91/414, gaat het om een ontwerprichtlijn. Indien het ontwerp strekt tot het vaststellen van negatieve maatregelen tegen de werkzame stof, met inbegrip van de intrekking van de toelating van gewasbeschermingsmiddelen die deze stof bevatten, kan de Commissie een tot de lidstaten gerichte ontwerpbeschikking voorstellen.
Voorgeschiedenis van het geschil
9 In casu zijn er zes verzoekende partijen. De eerste is het European Environmental Bureau (EEB), een vereniging naar Belgisch recht waarvan het statutair doel met name erin bestaat de bescherming en de instandhouding van het milieu in de landen van de Europese Unie te bevorderen. Het EEB neemt deel aan verscheidene adviesorganen van de Commissie, met name aan de permanente groep „gewasbeschermingsmiddelen” en het raadgevend comité „landbouw en milieu”. Ook is het lid van het European Habitats Forum en geniet het uit dien hoofde de status van belanghebbende en waarnemer in het kader van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206, blz. 7).
10 De tweede verzoeker, Pesticides Action Network Europe, is een vennootschap naar Brits recht, die tot doel heeft duurzame alternatieve oplossingen voor het gebruik van pesticiden te bevorderen. Zij heeft deelgenomen aan de Stakeholders’ Conference on the Development of a Thematic Strategy on the Sustainable Use of Pesticides (conferentie van belanghebbenden voor de ontwikkeling van een thematische strategie inzake een duurzaam gebruik van pesticiden), die op 4 november 2002 door de Commissie was georganiseerd.
11 De derde verzoekster, International Union of Food, Agricultural, Hotel, Restaurant, Catering, Tobacco and Allied Workers’ Associations (IUF), is een internationale federatie van nationale vakbonden die werknemers van verschillende sectoren, waaronder de landbouw‑ en plantagesector, vertegenwoordigen. Volgens haar statuten heeft de IUF met name tot doel de algemene en specifieke belangen te behartigen van de werknemers van alle lidstaten van de sectoren die binnen haar bevoegdheid vallen. De IUF maakt deel uit van de Europese vakbondsconfederatie, die door de Europese Unie als de enige representatieve interprofessionele vakbondsorganisatie op Europees niveau is erkend.
12 De European Federation of Trade Unions in the Food, Agricultural and Tourism sectors and allied branches (EFFAT) is een vereniging naar Belgisch recht en is een van de regionale vertakkingen van de IUF. Zij neemt deel aan verschillende door de Commissie ingestelde adviesorganen, waaronder de permanente groep „gewasbeschermingsmiddelen” en het adviescomité „landbouw en milieu”.
13 De vijfde verzoekster, de Stichting Natuur en Milieu (hierna: „Natuur en Milieu”), is een stichting naar Nederlands recht, die volgens haar statuten met name tot doel heeft „het geven van een stem aan wat geen stem heeft” en te zorgen voor een vitale natuur en een gezond milieu voor deze en volgende generaties. Deze stichting is lid van het EEB.
14 De zesde verzoekster, de Svenska Naturskyddförening (hierna: „Naturskyddförening”), is een vereniging naar Zweeds recht, die met name als statutair doel heeft de publieke opinie te mobiliseren en de besluitvorming inzake natuur‑ en milieubescherming te beïnvloeden en op te komen voor de bescherming en het onderhoud van gebieden van ecologisch belang. De Naturskyddförening is voorts eigenares van een boerderij, Osaby, in het zuidoosten van Zweden, waar een volledig organische landbouw wordt beoefend. Volgens verzoekers is Osaby door de ligging ervan en het volstrekt unieke karakter van de biotopen die er te vinden zijn, een habitat die volkomen geschikt is voor amfibieën zoals de bij richtlijn 92/43 beschermde Triturius cristatus en de Rana arvalis.
15 In juli 1993 hebben verschillende ondernemingen, waaronder Syngenta Ltd, tegenover de Commissie de wens geuit dat paraquat in bijlage I bij richtlijn 91/414 zou worden opgenomen.
16 Volgens punt 83 van bijlage I bij verordening nr. 3600/92 behoort paraquat tot de stoffen waarop de eerste fase van het in artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414 bedoelde werkprogramma betrekking heeft.
17 Verordening (EG) nr. 933/94 van de Commissie van 27 april 1994 houdende vaststelling van de werkzame stoffen van gewasbeschermingsmiddelen en aanwijzing van de als rapporteur optredende lidstaten voor de uitvoering van verordening nr. 3600/92 (PB L 107, blz. 8) heeft het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland aangewezen als rapporteur voor paraquat.
18 Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland heeft op 31 oktober 1996 de desbetreffende evaluatieverslagen en aanbevelingen bij de Commissie ingediend overeenkomstig artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 3600/92. Dit evaluatieverslag is door de lidstaten en de Commissie in het kader van Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid onderzocht.
19 Op 12 juni 2003 hebben het EEB, Pesticides Action Network Europe en de Naturskyddförening de Europese milieuministers en de Commissie opgeroepen om paraquat niet in bijlage I bij richtlijn 91/414 op te nemen. Op 25 september 2003 heeft de EFFAT dezelfde oproep aan de leden van de Europese instellingen gericht.
Bestreden handeling
20 Op 1 december 2003 heeft de Commissie richtlijn 2003/112/EG van de Commissie van 1 december 2003 tot wijziging van richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde paraquat op te nemen als werkzame stof (PB L 321 blz. 32; hierna: „bestreden handeling”) vastgesteld.
21 Blijkens artikel 1 en de bijlage bij de bestreden handeling is paraquat in bijlage I bij richtlijn 91/414 opgenomen. Voorts volgt uit de bijlage bij de bestreden handeling dat paraquat alleen mag worden gebruikt als herbicide en dat bepaalde methoden van verspreiding van producten met deze stof verboden zijn.
22 Volgens artikel 2 van de bestreden handeling dragen de lidstaten zorg voor de vaststelling en bekendmaking, uiterlijk op 30 april 2005, van de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen om aan de bestreden handeling te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis en passen deze bepalingen toe met ingang van 1 mei 2005.
23 Volgens artikel 3 van de bestreden handeling onderzoeken de lidstaten de toelating voor ieder gewasbeschermingsmiddel dat paraquat bevat, om ervoor te zorgen dat de in bijlage I bij richtlijn 91/414 vastgestelde voorwaarden voor elk van deze werkzame stoffen in acht zijn genomen.
24 Volgens artikel 4, eerste alinea, van de bestreden handeling zorgen de lidstaten ervoor dat de houders van de toelating uiterlijk op 31 maart 2008 verslag uitbrengen over de effecten van de risicobeperkende maatregelen die in het kader van een beheersprogramma moeten worden genomen en over de implementatie van vorderingen bij paraquat bevattende producten. Volgens deze bepaling dienen de lidstaten deze informatie ook onverwijld in bij de Commissie. Volgens artikel 4, tweede alinea, van de bestreden handeling legt de Commissie het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid een verslag over de toepassing van de bestreden handeling voor, waarin zij aangeeft of nog steeds aan de eisen voor opneming in bijlage I wordt voldaan, en kan zij de wijzigingen in de richtlijn voorstellen die zij nodig acht om aan de bepalingen ervan te voldoen; zo nodig kan zij ook de schrapping uit bijlage I voorstellen.
25 Volgens artikel 5 van de bestreden handeling treedt deze handeling in werking op 1 november 2004.
26 Ten slotte bepaalt artikel 6 van de bestreden handeling, dat deze is gericht tot de lidstaten.
Procesverloop en conclusies van partijen
27 Bij op 27 februari 2004 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift hebben verzoekers het onderhavige beroep ingesteld.
28 Bij op 18 mei 2004 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft verweerster krachtens artikel 114 van het reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Op 30 juli 2004 hebben verzoekers hun opmerkingen over deze exceptie ingediend.
29 Bij op 9 juni 2004 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft Syngenta Ltd verzocht om toelating tot interventie ter ondersteuning van verweerster. Bij beschikking van 14 oktober 2004 heeft de president van de Tweede kamer van het Gerecht deze interventie toegestaan. Interveniënte heeft haar memorie niet tijdig ingediend.
30 Verzoekers concluderen dat het het Gerecht behage:
– de bestreden handeling nietig te verklaren;
– de Commissie te verwijzen in de kosten.
31 Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage:
– het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
– verzoekers te verwijzen in de kosten.
In rechte
32 Volgens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, indien een partij daarom verzoekt, uitspraak doen over de niet-ontvankelijkheid zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan. Overeenkomstig lid 3 van dit artikel geschiedt de verdere behandeling mondeling, tenzij het Gerecht anders beslist. In casu acht het Gerecht zich door de stukken van het dossier voldoende ingelicht om zonder mondelinge behandeling te kunnen beslissen.
De aard van de bestreden handeling als niet-ontvankelijkheidsgrond
33 De Commissie merkt op dat artikel 230, vierde alinea, EG niet spreekt over de mogelijkheid voor een natuurlijke of rechtspersoon om een richtlijn aan te vechten. Met hun verzoek de bestreden handeling nietig te verklaren, vragen verzoekers de gemeenschapsrechter dus de duidelijke tekst van artikel 230, vierde alinea, EG te negeren. Hoe dan ook is het beroep tegen de bestreden handeling wegens het normatieve karakter van richtlijnen niet-ontvankelijk.
34 Dienaangaande stelt het Gerecht vast dat, anders dan de Commissie stelt, het feit dat artikel 230, vierde alinea, EG niet uitdrukkelijk spreekt over de ontvankelijkheid van door particulieren ingestelde beroepen tot nietigverklaring van een richtlijn, niet volstaat om dergelijke beroepen niet-ontvankelijk te verklaren (zie beschikking Gerecht van 6 mei 2003, Vannieuwenhuyze-Morin/Parlement en Raad, T‑321/02, Jurispr. blz. II‑1997, punt 21, en aldaar aangehaalde rechtspraak). De gemeenschapsinstellingen kunnen niet, enkel door de keuze van de vorm van de betrokken handeling, aan particulieren de rechterlijke bescherming ontnemen die deze verdragsbepaling hun biedt (zie beschikking Gerecht van 14 januari 2002, Association contre l’heure d’été/Parlement en Raad, T‑84/01, Jurispr. blz. II‑99, punt 23, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35 Ook stelt de Commissie ten onrechte dat de normatieve aard van de bestreden handeling zich ertegen verzet dat een particulier deze met een beroep tot nietigverklaring kan aanvechten. Volgens de rechtspraak kan een normatieve handeling die van toepassing is op alle belanghebbende marktdeelnemers, in bepaalde omstandigheden sommigen van hen rechtstreeks en individueel raken (arresten Hof van 16 mei 1991, Extramet Industrie/Raad, C‑358/89, Jurispr. blz. I‑2501, punt 13; 18 mei 1994, Codorníu/Raad, C‑309/89, Jurispr. blz. I‑1853, punt 19, en 22 november 2001, Antillean Rice Mills/Raad, C‑451/98, Jurispr. blz. I‑8949, punt 46; arrest Gerecht van 6 december 2001, Emesa Sugar/Raad, T‑43/98, Jurispr. blz. II‑3519, punt 47).
36 In deze omstandigheden dient de niet-ontvankelijkheidsgrond verband houdend met de aard van de bestreden handeling te worden verworpen.
De ontbrekende procesbevoegdheid van verzoekers als niet-ontvankelijkheidsgrond
Argumenten van partijen
37 De Commissie betwist dat verzoekers door de bestreden handeling rechtstreeks en individueel worden geraakt. Met betrekking tot de vraag of verzoekers door de bestreden handeling individueel worden geraakt, stelt zij dat een normatieve handeling een natuurlijke of rechtspersoon enkel individueel kan raken indien zij hem treft uit hoofde van bepaalde bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hem daardoor individualiseert op overeenkomstige wijze als de adressaat van de handeling (zie arrest Hof van 1 april 2004, Commissie/Jégo-Quéré, C‑263/02 P, Jurispr. blz. I‑3425, punt 45, en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dat is hier evenwel niet het geval.
38 Verzoekers stellen, rechtstreeks en individueel door de bestreden handeling te worden geraakt.
39 Wat de voorwaarde van individuele geraaktheid betreft, stellen zij in de eerste plaats dat zij door de bestreden handeling bijzonder worden getroffen, daar elk van hen zich bezighoudt met de behartiging van de hogere belangen die in casu op het spel staan, namelijk de bescherming van het milieu en van de volksgezondheid. Zo houden het EEB, Natuur en Milieu en de Naturskyddförening zich bezig met milieubescherming en instandhouding van de natuur, met inbegrip van de wilde fauna, in het kader van richtlijn 92/43. De IUF en de EFFAT zijn actief op het gebied van de bescherming van de belangen van de werknemers, in het bijzonder in de landbouw, met inbegrip van hun gezondheid. De bestreden handeling tast deze belangen in het bijzonder aan daar de handeling een „verslechtering” op het punt van de bescherming van deze belangen is, die in strijd is met het gemeenschapsrecht. In het bijzonder raakt de bestreden handeling de Naturskyddförening, waarvan de eigendomsrechten in casu op het spel staan.
40 In de tweede plaats stellen zij dat het EEB en de EFFAT een bijzondere status van adviseur van de Commissie en andere Europese instellingen hebben op hun respectieve bevoegdheidsgebieden, dat Natuur en Milieu, de Naturskyddförening en de IUF dezelfde status bij andere nationale of supranationale autoriteiten hebben en dat bepaalde verzoekers overeenkomstig hun statutair doel de Commissie uitdrukkelijk hebben verzocht paraquat niet in bijlage I bij richtlijn 91/414 op te nemen.
41 In de derde plaats stellen zij in wezen dat Natuur en Milieu naar Nederlands recht rechtstreeks en individueel geraakt wordt geacht door schendingen van rechtsregels ter bescherming van de belangen van het milieu en de wilde fauna, en dat naar Zweeds recht hetzelfde geldt voor de Naturskyddförening.
42 In de vierde plaats stellen verzoekers dat hun beroep ontvankelijk moet worden geacht wegens het vereiste van een effectieve rechterlijke bescherming, het beginsel van equality of arms en het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op EG-instellingen en ‑organisaties (COM/2003/0622 def.; hierna: „voorstel voor een verordening betreffende het Verdrag van Aarhus”).
43 Wat om te beginnen de noodzaak van een effectieve rechterlijke bescherming betreft, stellen verzoekers dat de nietigverklaring van de bestreden handeling de inleiding voorkomt van een groot aantal complexe, langdurige en kostbare toelatingsprocedures in verschillende lidstaten. Wanneer zij zich tot de nationale rechter zouden moeten wenden, zouden zij in alle lidstaten in het oog moeten houden of er een toelatingsaanvraag wordt ingediend, het rechtsstelsel moeten bestuderen van de landen waar een handelsvergunning is aangevraagd, en procedures voor de bevoegde nationale rechter moeten aanspannen. Bovendien, wanneer zij zich wensen te verzetten tegen het in de handel brengen van producten met paraquat, zouden zij wegens het beginsel van onderlinge erkenning als bepaald in artikel 10 van richtlijn 91/414, aan alle nationale procedures moeten deelnemen. Ten slotte gaat het daarbij niet louter om een gemakskwestie, zoals de Commissie stelt, aangezien het praktisch gesproken onmogelijk is dat een nationale rechter zich uitspreekt over de geldigheid van de bestreden handeling. Hieruit volgt dat, vanuit het oogpunt van effectiviteit van de rechtsmiddelen die verzoekers ter beschikking staan, zij overeenkomstig de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”), dat krachtens artikel 6, lid 2, EU op het Gerecht van toepassing is, het recht hebben om onderhavig beroep bij het Gerecht in te stellen.
44 Wat vervolgens het beginsel van de equality of arms betreft, stellen verzoekers om te beginnen dat een beroep tegen de bestreden handeling, ingesteld door een producent van paraquat, zoals Syngenta, op basis van artikel 230, vierde alinea, EG ontvankelijk zou moeten worden verklaard, zoals blijkt de uit de beschikking van het Gerecht van 24 januari 2001, Iberotam e.a./Commissie (T‑112/00 en T‑122/00, Jurispr. blz. II‑97, punt 79). Het in de artikelen 6, 13 en 14 EVRM neergelegde beginsel van equality of arms vereist dat partijen voor wie een door de Commissie vastgestelde handeling nadelige effecten heeft, over dezelfde beroepsmogelijkheden beschikken. Zij voegen eraan toe dat het arrest van het Hof van 10 december 1969, Eridania e.a./Commissie (10/68 en 18/68, Jurispr. blz. 459), volgens hetwelk de procesbevoegdheid van particulieren niet kan voortvloeien uit de enkele omstandigheid dat zij in een concurrentieverhouding staan tot de adressaten van de bestreden handeling, in casu irrelevant is aangezien dat arrest mededingingsverhoudingen betreft, die in casu volledig ontbreken.
45 Ten slotte betogen verzoekers dat hun beroep ontvankelijk is gezien de toelichting bij het voorstel voor een verordening betreffende het Verdrag van Aarhus. In deze toelichting is de Commissie van mening dat artikel 230 EG niet behoeft te worden gewijzigd om een procesbevoegdheid te scheppen voor Europese milieuorganisaties die voldoen aan bepaalde, in dit voorstel vastgestelde objectieve criteria. Verzoekers stellen dat zij aan die criteria voldoen, hetgeen, wanneer de redenering van de Commissie wordt gevolgd, voldoende is om hen de bevoegdheid toe te kennen tot het instellen van beroep tot nietigverklaring van de bestreden handeling.
Beoordeling door het Gerecht
46 Volgens artikel 230, vierde alinea, EG kan „iedere natuurlijke of rechtspersoon [...] beroep instellen tegen de tot hem gerichte beschikkingen, alsmede tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raken.”
47 De bestreden handeling is blijkens artikel 6 ervan gericht tot de lidstaten. Het is dus aan verzoekers om aan te tonen dat zij individueel worden geraakt door deze handeling die niet tot hen is gericht.
48 Verzoekers die, zoals in casu, niet de adressaten van een handeling zijn, kunnen volgens de rechtspraak slechts stellen dat zij hierdoor individueel worden geraakt, indien deze handeling hen betreft uit hoofde van bepaalde bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen daardoor op overeenkomstige wijze individualiseert als de adressaat van de handeling (zie arrest Hof van 25 juli 2002, Unión de Pequeños Agricultores/Raad, C‑50/00 P, Jurispr. blz. I‑6677, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 Derhalve moet worden nagegaan of verzoekers in casu door de bestreden handeling worden geraakt uit hoofde van bepaalde bijzondere hoedanigheden dan wel of er, wat de bestreden handeling betreft, sprake is van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert.
50 Om aan te tonen dat de bestreden handeling hen individueel raakt, stellen verzoekers in de eerste plaats dat zij bijzonder worden getroffen door deze handeling wegens de ernstige negatieve gevolgen ervan voor de milieubescherming en de bescherming van de gezondheid van de werknemers, bestaande in een verslechtering van de bescherming van deze belangen. Voorts wordt de Naturskyddförening in het bijzonder geraakt omdat de bestreden handeling haar eigendomsrechten schendt.
51 Om te beginnen stelt het Gerecht vast dat verzoekers niet uitleggen in hoeverre de bestreden handeling een verslechtering van de bescherming van het milieu en van de gezondheid van de werknemers betekent, en geen concreet bewijs leveren van de gestelde ernstige schending van de eigendomsrechten van de Naturskyddförening.
52 De bestreden handeling houdt in wezen het volgende in: wijziging van bijlage I bij richtlijn 91/414 door opneming van de werkzame stof paraquat en vermelding van de voorwaarden voor het gebruik ervan als werkzame stof (artikel 1); een opdracht aan de lidstaten om de toelating voor elk gewasbeschermingsmiddel dat paraquat bevat, opnieuw te onderzoeken en de toegelaten gewasbeschermingsmiddelen die paraquat bevatten, opnieuw te beoordelen (artikel 3); een opdracht aan de lidstaten ervoor te zorgen dat de houders van de toelating uiterlijk op 31 maart 2008 verslag uitbrengen over de effecten van de risicobeperkende maatregelen die in het kader van een beheersprogramma moeten worden genomen en over de implementatie van vorderingen bij paraquat bevattende producten (artikel 4, eerste alinea), en aan de Commissie om het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid een verslag over de toepassing van de bestreden handeling voor te leggen, waarin zij aangeeft of nog steeds aan de eisen voor opneming in bijlage I wordt voldaan, en om de wijzigingen in de richtlijn voor te stellen die zij nodig acht, zo nodig ook de schrapping uit bijlage I (artikel 4, tweede alinea).
53 Los van de vraag welke van deze bepalingen volgens verzoekers een ernstige schending van de door hen behartigde belangen, in de vorm van een verslechtering van de bescherming van deze belangen en een ernstige aantasting van de eigendomsrechten van een van hen betekent, dient te worden vastgesteld dat deze bepalingen hen treffen in hun objectieve hoedanigheid van entiteiten die actief zijn op het gebied van de milieubescherming of de gezondheid van werknemers, of als houders van eigendomsrechten, op dezelfde wijze als ieder ander die zich in dezelfde situatie bevindt.
54 Volgens de rechtspraak vormt deze hoedanigheid alleen evenwel onvoldoende bewijs dat verzoekers door deze bepalingen individueel worden geraakt (zie in die zin arrest Hof van 2 april 1998, Greenpeace e.a./Commissie, C‑321/95 P, Jurispr. blz. I‑1651, punt 28, en beschikking Gerecht van 30 april 2003, Villiger Söhne/Raad, T‑154/02, Jurispr. blz. II‑1921, punt 47, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
55 Uit het voorgaande volgt dat de gestelde ernstige negatieve effecten van de bestreden handeling voor de belangen en eigendomsrechten van verzoekers geen bewijs opleveren, dat verzoekers door de bestreden beschikking individueel worden geraakt.
56 In de tweede plaats stellen verzoekers dat het EEB en de EFFAT een bijzondere adviseursstatus bij de gemeenschapsinstellingen hebben, dat Natuur en Milieu, de Naturskyddförening en de IUF een soortgelijke status bij nationale of supranationale autoriteiten hebben en dat bepaalde verzoekers overeenkomstig hun statutair doel de Commissie uitdrukkelijk hebben verzocht paraquat niet in bijlage I bij richtlijn 91/414 op te nemen.
57 Dienaangaande wordt er allereerst aan herinnerd dat de omstandigheid dat een persoon op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het proces van totstandkoming van een gemeenschapshandeling, die persoon slechts kan individualiseren ten opzichte van deze handeling, indien de toepasselijke gemeenschapsregeling voorziet in bepaalde procedurele waarborgen voor die persoon (zie beschikking Gerecht van 29 april 2002, Bactria/Commissie, T‑339/00, Jurispr. blz. II‑2287, punt 51, en aldaar aangehaalde rechtspraak). De op de vaststelling van de bestreden handeling toepasselijke gemeenschapsregeling voorziet evenwel niet in procedurele waarborgen voor verzoekers en zelfs niet in enige vorm van deelneming van communautaire, nationale of supranationale adviesorganen waarvan verzoekers zeggen deel uit te maken. Noch het feit dat verzoekers de gemeenschapsautoriteiten hebben verzocht paraquat niet in bijlage I bij richtlijn 91/414 op te nemen, noch dat zij zouden deelnemen aan adviesorganen, kan derhalve grond opleveren om hen als door de bestreden handeling individueel geraakt te beschouwen.
58 Wat in de derde plaats het argument betreft dat verzoekers naar Nederlands en Zweeds recht rechtstreeks en individueel geraakt worden geacht door handelingen waardoor de door hen behartigde belangen worden geschaad, wordt opgemerkt dat de procesbevoegdheid die door de rechtsstelsels van sommige lidstaten aan deze verzoekers is verleend niet relevant is ter beoordeling van hun bevoegdheid om beroep tot nietigverklaring van een gemeenschapshandeling in te stellen krachtens artikel 230, vierde alinea, EG (zie in die zin beschikking Gerecht van 9 augustus 1995, Greenpeace e.a./Commissie, T‑585/93, Jurispr. blz. II‑2205, punt 51).
59 Uit het voorgaande volgt dat het gemeenschapsrecht in zijn huidige stand ter zake van een collectief belang niet voorziet in een recht van beroep voor de gemeenschapsrechter, zoals verzoekers dit bepleiten.
60 In de vierde plaats stellen verzoekers dat een effectieve rechterlijke bescherming op de voet van de artikelen 6 en 13 EVRM, dat ingevolge artikel 6, lid 2, EU van toepassing is op de gemeenschapsinstellingen, vereist dat het onderhavige beroep ontvankelijk wordt verklaard omdat, enerzijds, de procedures voor de nationale rechterlijke instanties ingewikkeld, langdurig en kostbaar zouden zijn, en, anderzijds, deze rechterlijke instanties geen uitspraak zouden kunnen doen over de in het kader van het onderhavige beroep gerezen vragen.
61 Het Hof heeft in dit verband geoordeeld dat het recht op een effectieve rechterlijke bescherming een van de algemene rechtsbeginselen is die voortvloeien uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten, en dat dit recht eveneens is neergelegd in de artikelen 6 en 13 EVRM (arrest Unión de Pequeños Agricultores/Raad, punt 48 supra, punten 38 en 39).
62 In datzelfde arrest heeft het Hof geoordeeld dat het EG-Verdrag in zijn artikelen 230 EG en 241 EG enerzijds en artikel 234 EG anderzijds een volledig stelsel van rechtsmiddelen en procedures in het leven heeft geroepen, waarin het toezicht op de wettigheid van de handelingen van de instellingen is opgedragen aan de gemeenschapsrechter. In dit stelsel kunnen natuurlijke of rechtspersonen die wegens de ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 230, vierde alinea, EG geen rechtstreeks beroep kunnen instellen tegen gemeenschapshandelingen van algemene strekking, naar gelang van het geval de ongeldigheid van dergelijke handelingen inroepen, hetzij incidenteel voor de gemeenschapsrechter krachtens artikel 241 EG, hetzij voor de nationale rechter, die weliswaar niet bevoegd is zelf de ongeldigheid van genoemde handelingen vast te stellen, maar die ertoe kan worden gebracht daarover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof (arrest Unión de Pequeños Agricultores/Raad, punt 48 supra, punt 40).
63 Ten slotte blijkt uit de rechtspraak dat de ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring bij de gemeenschapsrechter niet ervan kan afhangen of er een rechtsmiddel bij een nationale rechter bestaat waarmee de geldigheid van de handeling waarvan de nietigverklaring wordt gevorderd, kan worden getoetst (zie in die zin arrest Unión de Pequeños Agricultores/Raad, punt 48 supra, punt 46).
64 Hieruit volgt dat, gelet op de door het Hof gehuldigde rechtsopvatting, verzoekers’ argument inzake het ontbreken van een effectieve rechterlijke bescherming als zodanig geen grond kan opleveren voor de ontvankelijkheid van hun beroep.
65 In de vijfde plaats stellen verzoekers dat hun beroep op grond van het beginsel van equality of arms ontvankelijk moet worden verklaard. Dienaangaande volstaat de vaststelling dat het enkele feit dat een handeling jegens een verzoeker gevolgen teweegbrengt die tegengesteld zijn aan de gevolgen die deze handeling teweegbrengt jegens een persoon die bevoegd is om beroep tot nietigverklaring in te stellen, volgens de rechtspraak niet volstaat om deze verzoeker procesbevoegdheid toe te kennen (zie in die zin arrest Eridania e.a./Commissie, punt 44 supra, punt 7, en arrest Hof van 23 mei 2000, Comité d’entreprise de la société française de production e.a./Commissie, C‑106/98 P, Jurispr. blz. I‑3649, punt 41). Ook al kon interveniënte, zoals verzoekers stellen, beroep tot nietigverklaring van de bestreden handeling instellen, kan deze enkele omstandigheid derhalve niet volstaan om aan te tonen dat verzoekers voldoen aan het vereiste dat zij door de bestreden handeling individueel worden geraakt, en hen evenmin ontslaan van de verplichting om aan te tonen dat zij aan dit vereiste voldoen.
66 In de zesde plaats, ten slotte, stellen verzoekers dat hun procesbevoegdheid volgt uit het feit dat de Commissie in de toelichting bij het voorstel voor een verordening betreffende het Verdrag van Aarhus verklaart dat de Europese milieuverenigingen die voldoen aan bepaalde objectieve criteria, procesbevoegdheid hebben in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG. In casu zouden verzoekers aan deze objectieve criteria voldoen.
67 Dienaangaande wordt erop gewezen dat de beginselen inzake de hiërarchie van normen (zie met name arrest Hof van 27 oktober 1992, Duitsland/Commissie, C‑240/90, Jurispr. blz. I‑5383, punt 42) zich ertegen verzetten dat een handeling van afgeleid recht procesbevoegdheid toekent aan particulieren die niet voldoen aan de vereisten van artikel 230, vierde alinea, EG. Dit geldt a fortiori voor een toelichting bij een voorstel voor een handeling van afgeleid recht.
68 Bijgevolg ontslaat de door verzoekers aangevoerde toelichting hen niet van de verplichting om aan te tonen dat zij door de bestreden beschikking individueel worden geraakt. Ook indien verzoekers bevoegde entiteiten zouden zijn in de zin van het voorstel voor een verordening betreffende het Verdrag van Aarhus, hebben zij nochtans geen enkele reden aangevoerd waarom deze hoedanigheid zou meebrengen dat zij door de bestreden handeling individueel worden geraakt.
69 Gelet op het voorgaande dient te worden vastgesteld dat verzoekers door de bestreden handeling niet individueel worden geraakt. Bijgevolg moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, zonder dat behoeft te worden nagegaan of verzoekers door deze handeling rechtstreeks worden geraakt.
Kosten
70 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover zulks is gevorderd. Aangezien verzoekers in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.
71 Ingevolge artikel 87, lid 4, derde alinea, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht bepalen dat een interveniënt zijn eigen kosten zal dragen. In casu zal interveniënte, die aan de zijde van de Commissie is tussengekomen, haar eigen kosten dragen.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Verzoekers worden in hun eigen kosten en in die van de Commissie verwezen.
3) Interveniënte zal haar eigen kosten dragen.
Luxemburg, 28 november 2005.
De griffier
De president van de Tweede kamer
E. Coulon
J. Pirrung
Inhoud
Rechtskader
Richtlijn 91/414/EEG
Voorgeschiedenis van het geschil
Bestreden handeling
Procesverloop en conclusies van partijen
In rechte
De aard van de bestreden handeling als niet-ontvankelijkheidsgrond
De ontbrekende procesbevoegdheid van verzoekers als niet-ontvankelijkheidsgrond
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
Kosten
* Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy