Zaak T‑247/04
Asociación de exportadores españoles de productos farmacéuticos (Aseprofar) en Española de desarrollo e impulso farmacéutico, SA (Edifa)
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Beroep tot nietigverklaring – Ontvankelijkheid – Handeling waartegen kan worden opgekomen – Verzuim om niet-nakomingsprocedure in te leiden – Mededeling 2002/C 244/03”
Beschikking van het Gerecht (Vierde kamer) van 19 september 2005
Samenvatting van de beschikking
Beroep tot nietigverklaring – Handelingen waartegen beroep kan worden ingesteld – Begrip – Handelingen die bindende rechtsgevolgen sorteren – Precontentieuze fase van niet-nakomingsprocedure – Besluit van Commissie waarbij klacht ad acta wordt gelegd – Daarvan uitgesloten
(Art. 226 EG en 230 EG)
Besluiten waarbij de Commissie een klacht over gedrag van een lidstaat dat grond kan zijn voor het inleiden van een niet-nakomingsprocedure, ad acta legt, zijn geen voor beroep vatbare handelingen, en het tegen deze besluiten ingestelde beroep tot nietigverklaring moet niet-ontvankelijk worden verklaard, zonder dat hoeft te worden onderzocht of het aan de andere voorwaarden van artikel 230 EG voldoet.
Als een handeling die vatbaar is voor beroep in de zin van deze bepaling, is immers te beschouwen elke maatregel die bindende rechtsgevolgen in het leven roept welke de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen
Besluiten waarbij ad acta worden gelegd klachten met betrekking tot gedrag van een lidstaat op grond waarvan krachtens artikel 226 EG een niet-nakomingsprocedure kan worden ingeleid, maken deel uit van de verplichtingen die de Commissie op zich heeft genomen in het belang van een goed beheer van de precontentieuze fase van de niet–nakomingsprocedure, zoals mededeling 2002/C 244/03 van de Commissie betreffende betrekkingen met de klager inzake inbreuken op het gemeenschapsrecht vermeldt.
Aangezien de precontentieuze fase van de niet-nakomingsprocedure uitsluitend tot doel heeft de lidstaat in staat te stellen, vrijwillig te voldoen aan de vereisten van het Verdrag of in voorkomend geval zijn standpunt te rechtvaardigen, heeft geen van de in dit kader door de Commissie vastgestelde handelingen bindende kracht
(cf. punten 44, 46‑48, 56, 60)
BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Vierde kamer)
19 september 2005 (*)
„Beroep tot nietigverklaring – Ontvankelijkheid – Voor beroep vatbare handeling – Verzuim om niet-nakomingsprocedure in te leiden – Mededeling 2002/C 244/03”
In zaak T‑247/04,
Asociación de exportadores españoles de productos farmacéuticos (Aseprofar), gevestigd te Madrid (Spanje),
Española de desarrollo e impulso farmacéutico, SA (Edifa), gevestigd te Madrid,
vertegenwoordigd door L. Ortiz Blanco, advocaat,
verzoeksters,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Valero Jordana als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 30 maart 2004 tot seponering van klacht P/2002/4609, en van het besluit van de Commissie van 30 maart 2004 tot seponering van klacht P/2003/5119 voorzover betrekking hebbend op artikel 29 EG,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: H. Legal, kamerpresident, P. Mengozzi en I. Wiszniewska-Białecka, rechters,
griffier: H. Jung,
de navolgende
Beschikking
Rechtskader
1 Artikel 226, eerste alinea, EG bepaalt dat de Commissie, indien zij van oordeel is dat een lidstaat een van de krachtens het EG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, dienaangaande een met redenen omkleed advies uitbrengt, na deze staat in de gelegenheid te hebben gesteld zijn opmerkingen te maken. Artikel 226, tweede alinea, EG bepaalt dat de Commissie de zaak aanhangig kan maken bij het Hof van Justitie, indien de betrokken lidstaat dit advies niet binnen de door de Commissie gestelde termijn opvolgt.
2 Mededeling 2002/C 244/03 van de Commissie aan het Europees Parlement en de Europese ombudsman betreffende betrekkingen met de klager inzake inbreuken op het gemeenschapsrecht is gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen op 10 oktober 2002 (PB 244, blz. 5).
3 Volgens de vijfde en de zesde alinea van deze mededeling is het doel ervan, „het geconsolideerd geheel van [de] interne procedureregels [van de Commissie] die van toepassing zijn op de betrekkingen met de klager in het kader van een procedure wegens niet-nakoming, te publiceren” en te dien einde „de administratieve maatregelen ten gunste van de klager [die de Commissie] zal naleven tijdens de behandeling van zijn klacht en het onderzoek van het desbetreffende inbreukdossier” uiteen te zetten.
4 In de zevende alinea van deze mededeling wordt verklaard: „Deze maatregelen doen evenwel geen afbreuk aan de bilaterale aard van de [...] procedure wegens niet-nakoming” als bedoeld in artikel 226 EG, en voorts dat de Commissie over een „discretionaire bevoegdheid” beschikt om deze procedure in te leiden.
5 Punt 1 van de bijlage bij mededeling 2002/C 244/03, met het opschrift „Definities en reikwijdte”, bepaalt met name: „Onder ‚klacht’ wordt verstaan: ieder bij de Commissie ingediend document waarin maatregelen of praktijken worden gemeld die strijdig zijn met het Gemeenschapsrecht”, waarvan „[h]et onderzoek [...] de Commissie ertoe [kan] nopen een inbreukprocedure in te leiden”. Het bepaalt tevens: „Onder ‚inbreukprocedure’ wordt verstaan: de precontentieuze fase van de procedure wegens niet-nakoming die door de Commissie wordt ingeleid” krachtens artikel 226 EG.
6 Punt 2 van deze bijlage, met het opschrift „Grondslagen”, bepaalt met name: „Iedereen kan een lidstaat ter verantwoording roepen door kosteloos een klacht bij de Commissie in te dienen”, die „[discretionair oordeelt] of al dan niet gevolg moet worden gegeven aan een klacht”.
7 De punten 3 tot en met 6 van deze bijlage hebben betrekking op de registratie van klachten, het bewijs van ontvangst van klachten, de wijze van indiening van klachten en de bescherming van klagers en van persoonsgegevens.
8 Punt 7 van deze bijlage draagt het opschrift „Contacten met de klager”. Het bepaalt dat, behoudens wanneer wegens eenzelfde feit een groot aantal klachten wordt ingediend, „[d]e diensten van de Commissie [contact opnemen] met de klager en [hem schriftelijk op de hoogte stellen] van ieder besluit van de Commissie (aanmaning, met redenen omkleed advies, aanhangigmaking bij het Hof van Justitie of seponering van de zaak) met betrekking tot het dossier dat naar aanleiding van zijn klacht is aangelegd”.
9 Punt 8 van deze bijlage, met het opschrift „Termijn voor het onderzoek van een klacht”, bepaalt met name: „In het algemeen streven de diensten van de Commissie er bij het onderzoek van een geregistreerde klacht naar dat binnen een termijn van uiterlijk een jaar na de registratie van de klacht [...], wordt besloten een aanmaning te verzenden of de klacht te seponeren”.
10 Punt 9 van deze bijlage, met het opschrift „Resultaat van het onderzoek van een klacht”, bepaalt met name: „Na afloop van het onderzoek van een klacht, kunnen de diensten van de Commissie het college van Commissieleden voorstellen de betrokken lidstaat een aanmaning toe te zenden, waardoor de inbreukprocedure wordt ingeleid, dan wel de klacht te seponeren”, over welk voorstel „[d]e Commissie beslist [...] op grond van haar discretionaire bevoegdheid”. Het bepaalt tevens dat, behoudens wanneer wegens eenzelfde feit een groot aantal klachten wordt ingediend, „[d]e klager [...] schriftelijk op de hoogte [wordt] gesteld van het besluit van de Commissie over het inbreukdossier naar aanleiding van zijn klacht”.
11 Punt 10 van deze bijlage heeft het opschrift „Sepot” en bepaalt dat „de dienst van de Commissie die voornemens is voor te stellen dat een klachtendossier wordt geseponeerd, de klager van tevoren hiervan op de hoogte [stelt] in een schrijven waarin de redenen voor dit voorstel tot seponering worden vermeld en de klager wordt verzocht eventuele opmerkingen binnen vier weken in te dienen”, volgens bepaalde modaliteiten en onder bepaalde voorbehouden.
12 Punt 11 van deze bijlage, met het opschrift „Vereenvoudigde seponeringsprocedure”, bepaalt dat in sommige gevallen „[i]nbreukdossiers in verband waarmee nog geen aanmaning is verzonden, kunnen worden geseponeerd [...], waarvoor geen onderzoek door het college van Commissieleden nodig is”.
13 De punten 12 tot en met 14 van deze bijlage hebben betrekking op de publicatie van de besluiten van de Commissie, de toegang tot documenten inzake inbreuken en het beroep bij de Europese ombudsman, dat in geval van wanbeheer voor de klager openstaat onder de voorwaarden van de artikelen 21 EG en 195 EG.
Voorgeschiedenis van het geschil
14 Verzoeksters, de Asociación de exportadores españoles de productos farmacéuticos (hierna: „Aseprofar”), en Española de desarrollo e impulso farmacéutico, SA (hierna: „Edifa”), zijn twee in Spanje gevestigde belangenverenigingen. De ondernemingen waarvan zij de belangen behartigen, zijn met name actief op het gebied van de groothandel en de parallelhandel in geneesmiddelen.
15 Op 31 oktober 2001 heeft het Spaanse Ministerie van Volksgezondheid en Consumentenzaken een overeenkomst gesloten met een vereniging die de belangen behartigt van in Spanje gevestigde farmaceutische laboratoria (hierna: „overeenkomst van 31 oktober 2001”). Deze overeenkomst heeft tot doel, zoals ook het opschrift ervan aangeeft, „het opstellen en uitvoeren van een volledig plan van maatregelen ter beheersing van de farmaceutische uitgaven en voor een rationeel gebruik van geneesmiddelen”.
16 Bij brief van 28 november 2001 heeft Aseprofar de Commissie geïnformeerd over de gevolgen die volgens haar uit de overeenkomst van 31 oktober voortvloeiden, en gesteld dat de overeenkomst mogelijk artikel 28 EG en eventueel artikel 29 EG schond. Bij brief van 22 mei 2002 heeft de European Association of Euro-Pharmaceutical Companies, een belangenvereniging waarvan Aseprofar lid is, een klacht ingediend waarin zij stelde dat de overeenkomst van 31 oktober 2001 de artikelen 28 EG tot en met 30 EG schond. De Commissie heeft deze klacht ingeschreven onder nummer P/2002/4609.
17 Op 13 juni 2003 hebben de Spaanse autoriteiten koninklijk decreet 725/2003 houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 100 van wet 25/1990 van 20 december 1990 op de geneesmiddelen (BOE nr. 152, van 26 juni 2003, blz. 24596) vastgesteld.
18 Bij brief van 29 september 2003 hebben Aseprofar en Edifa een klacht ingediend waarin zij stelden dat Koninklijk decreet 725/2003 enerzijds artikel 29 EG, en anderzijds de artikelen 10 EG en 81 EG schond. De Commissie heeft deze klacht ingeschreven onder nr. P/2003/5119.
19 De diensten van de Commissie hebben de klachten P/2002/4609 en P/2003/5119 onderzocht.
20 Het college van Commissieleden heeft tijdens zijn vergadering van 30 maart 2004 besloten om klacht P/2002/4609 te seponeren en om klacht P/2003/5119 te seponeren voorzover betrekking hebbend op artikel 29 EG.
21 Bij brief van 2 april 2007, ontvangen op 7 april daaraanvolgend, heeft de Commissie Aseprofar en Edifa kennis gegeven van haar besluit tot seponering van klacht P/2002/4609.
22 Bij brief van 6 mei 2004, ontvangen op 10 mei daaraanvolgend, heeft de Commissie Aseprofar en Edifa kennis gegeven van haar besluit tot seponering van klacht P/2003/5119 voorzover betrekking hebbend op artikel 29 EG.
Procesverloop
23 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 17 juni 2004, hebben Aseprofar en Edifa het onderhavige beroep ingesteld.
24 Bij op 27 juli 2004 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft de Commissie het Gerecht verzocht, overeenkomstig artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht uitspraak te doen over de ontvankelijkheid zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan.
25 Bij op 1 oktober 2004 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte hebben Aseprofar en Edifa hun opmerkingen over dit verzoek ingediend, overeenkomstig artikel 114, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering.
26 Bij op 19 april 2005 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte hebben Aseprofar en Edifa krachtens artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering een nieuw middel voorgedragen. Zij hebben verklaard dat dit was gebaseerd op een juridische omstandigheid waarvan eerst in de loop van de behandeling was gebleken, te weten het arrest van het Hof van 22 februari 2005, Commissie/T‑Mobile Austria (C‑141/02, Jurispr. blz. I‑1283).
27 Bij op 6 juni 2005 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft de Commissie op het nieuwe middel geantwoord, overeenkomstig artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering.
28 Bij op 1 september 2005 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte hebben Aseprofar en Edifa krachtens artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering een ander nieuw middel opgeworpen. Dit middel is gebaseerd op de uitspraak van het Tribunal Supremo (Spanje) van 20 juni 2005, waarbij hun bestuursrechterlijke beroep tegen koninklijk besluit 725/2003 is afgewezen.
Conclusies van partijen
29 In hun inleidend verzoekschrift concluderen Aseprofar en Edifa dat het het Gerecht behage:
– het besluit van de Commissie van 30 maart 2004 tot seponering van klacht P/2002/4609 nietig te verklaren;
– het besluit van de Commissie van 30 maart 2004 tot seponering van klacht P/2003/5119 voorzover betrekking hebbend op artikel 29 EG, nietig te verklaren;
– de Commissie in de kosten te verwijzen.
30 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
– het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, zonder op de zaak ten gronde in te gaan;
– Aseprofar en Edifa in de kosten te verwijzen.
31 In hun opmerkingen concluderen Aseprofar en Edifa dat het het Gerecht behage, de exceptie van niet-ontvankelijkheid te verwerpen.
In rechte
32 Volgens artikel 114, leden 1 en 4, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, indien een partij verzoekt uitspraak te doen over de ontvankelijkheid zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan, op dit verzoek beslissen of het met de zaak ten gronde voegen. Overeenkomstig artikel 114, lid 3, van dit reglement geschiedt de verdere behandeling van de zaak mondeling, tenzij het Gerecht anders beslist.
33 In casu acht het Gerecht zich door de processtukken voldoende voorgelicht om zonder mondelinge behandeling te kunnen beslissen.
Argumenten van partijen
34 De Commissie betoogt dat het beroep niet-ontvankelijk is en voert daartoe twee gronden aan. In de eerste plaats zijn de bestreden besluiten geen voor beroep vatbare handelingen. In de tweede plaats zijn Aseprofar en Edifa niet bevoegd nietigverklaring van die besluiten te vorderen.
35 Aseprofar en Edifa antwoorden hierop dat het beroep ontvankelijk is.
36 Allereerst is dit beroep niet gericht tegen de weigering van de Commissie om een niet-nakomingsprocedure tegen het Koninkrijk Spanje in te leiden, maar tegen twee besluiten van de Commissie van 30 maart 2004 tot seponering van enerzijds klacht P/2002/4609, en anderzijds klacht P/2003/5119 voorzover deze betrekking heeft op artikel 29 EG.
37 Voorts zijn deze besluiten volgens hen voor beroep vatbare handelingen. Zij roepen namelijk bindende rechtsgevolgen in het leven die de rechtspositie van Aseprofar en Edifa aanmerkelijk wijzigen. Zij wijzen hun klachten af, bevatten een beoordeling waarmee de nationale rechter rekening kan houden – zoals het Tribunal Supremo in zijn uitspraak van 20 juni 2005 ook heeft gedaan – en ontnemen Aseprofar en Edifa de mogelijkheid om heropening van het onderzoek te verlangen. Bovendien markeren de beslissingen het einde van een procedure die verschilt van de in artikel 226 EG bedoelde niet-nakomingsprocedure.
38 Ten slotte zijn Aseprofar en Edifa bevoegd nietigverklaring te vorderen van deze besluiten, die tot hen zijn gericht en hun in elk geval rechtstreeks en individueel raken.
39 Aseprofar en Edifa beroepen zich ter zake met name op mededeling 2002/C 244/03. Tevens beroepen zij zich op de rechtspraak met betrekking tot de ontvankelijkheid van beroepen tot nietigverklaring tegen weigeringen van de Commissie om op grond van artikel 86, lid 3, EG te handelen, en tegen haar besluiten tot seponering van klachten ingediend uit hoofde van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81] en [82] van het Verdrag (PB 1962, 13, blz. 204), en verordening nr. 99/63/EEG van de Commissie van 25 juli 1963 over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 2, van verordening nr. 17 (PB 1963, 127, blz. 2268). Ten slotte beroepen zij zich op de beginselen van goed bestuur en van effectieve rechtsbescherming.
Beoordeling door het Gerecht
40 Particulieren kunnen niet in rechte opkomen tegen een weigering van de Commissie om een niet-nakomingsprocedure tegen een lidstaat in te leiden (beschikking Hof van 12 juni 1992, Asia Motor France/Commissie, C‑29/92, Jurispr. blz. I‑3935, punt 21, en beschikking Gerecht van 15 maart 2004, Institouto N. Avgerinopoulou e.a./Commissie, T‑139/02, Jurispr. blz. II‑875, punt 76).
41 Aseprofar en Edifa zijn dus niet-ontvankelijk in hun vordering tot nietigverklaring van de weigering van de Commissie om een niet-nakomingsprocedure tegen het Koninkrijk Spanje in te leiden op grond dat de overeenkomst van 21 oktober 2001 de artikelen 28 tot en met 30 schendt en dat het koninklijk decreet 725/2003 artikel 29 EG schendt.
42 Aseprofar en Edifa betogen echter dat zij niet de nietigverklaring vorderen van deze weigering, maar van de besluiten van de Commissie van 30 maart 2004 tot seponering van hun klachten.
43 Derhalve moet worden onderzocht of deze besluiten voor beroep vatbare handelingen zijn en, zo ja, of Aseprofar en Edifa bevoegd zijn een vordering tot nietigverklaring daartegen in te stellen.
44 Om uit te maken of een maatregel een voor beroep vatbare handeling is in de zin van artikel 230, eerste alinea, EG, moet worden afgegaan op de inhoud ervan, aangezien de vorm ervan in dit opzicht niet relevant is. Als een handeling die vatbaar is voor beroep in de zin van deze bepaling, is te beschouwen elke maatregel die bindende rechtsgevolgen in het leven roept, welke de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen (arresten Hof van 11 november 1981, IBM/Commissie, 60/81, Jurispr. blz. 2639, punt 9, en 11 november 2004, Portugal/Commissie, C‑249/02, Jurispr. blz. I‑10717, punt 35).
45 Uit de vijfde en de zesde alinea van mededeling 2002/C 244/03, gelezen in samenhang met de punten 1 tot en met 12 van de bijlage ervan, blijkt dat de Commissie zich ertoe heeft verbonden om degene die haar in kennis stelt van gedrag van een lidstaat dat grond kan zijn een niet-nakomingsprocedure in te leiden, volgens bepaalde modaliteiten en onder bepaalde voorbehouden aan te merken als „klager”, de stappen die diegene hiertoe onderneemt, als „klacht”, waarvan het „onderzoek” wordt afgesloten met een „besluit tot aanmaning” of een „besluit tot seponering”.
46 Uit de zevende alinea van mededeling 2002/C 244/03, gelezen in samenhang met punt 1 van de bijlage ervan, blijkt echter dat deze verplichtingen betrekking hebben op een „inbreukprocedure”, omschreven als de precontentieuze fase van de niet-nakomingsprocedure van artikel 226 EG, die de Commissie geenszins heeft willen wijzigen.
47 Aangezien de precontentieuze fase van de niet-nakomingsprocedure van artikel 226 EG uitsluitend tot doel heeft de lidstaat in staat te stellen, vrijwillig te voldoen aan de vereisten van het Verdrag of in voorkomend geval zijn standpunt te rechtvaardigen (arresten Hof van 18 maart 1986, Commissie/België, 85/85, Jurispr. blz. 1149, punt 11, en 29 september 1998, Commissie/Duitsland, C‑191/95, Jurispr. blz. I‑5449, punt 44), heeft geen van de in dit kader door de Commissie vastgestelde handelingen bindende kracht (arrest Hof van 1 maart 1966, Lütticke e.a./Commissie, 48/65, Jurispr. blz. 27, 39).
48 Het besluit van de Commissie tot seponering van een klacht waardoor zij in kennis is gesteld van gedrag van een lidstaat op grond waarvan een niet-nakomingsprocedure kan worden ingeleid, is derhalve niet verbindend.
49 Aseprofar en Edifar hebben niets gesteld op grond waarvan deze conclusie in twijfel kan worden getrokken.
50 Met name is niet relevant dat volgens de sepotbesluiten de aan de orde gestelde gedragingen niet het gemeenschapsrecht schonden. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt immers dat het standpunt dat de Commissie in een dergelijk besluit tot uitdrukking brengt, op zich aan dit besluit niet het karakter van een voor beroep vatbare handeling verleent (arrest Lütticke e.a./Commissie, reeds aangehaald, punten 38 en 39).
51 Voorts doet niet ter zake dat dit door de Commissie in de precontentieuze fase van de niet-nakomingsprocedure tot uitdrukking gebrachte standpunt door de nationale rechter in aanmerking kan worden genomen. Een dergelijk standpunt vormt namelijk een feitelijk gegeven dat deze laatste niet bindt (beschikkingen Hof van 7 juli 1998, Sateba/Commissie, C‑422/97 P, Jurispr. blz. I‑4913, punt 38, en Gerecht van 14 januari 2004, Makedoniko Metro en Michaniki/Commissie, T‑202/02, Jurispr. blz. II‑181, punt 47). Het feit dat het Tribunal Supremo bij zijn onderzoek naar de rechtmatigheid van koninklijk decreet 725/2003 met het standpunt van de Commissie inzake dit decreet rekening heeft gehouden, vormt dus niet een rechtsgevolg waardoor het besluit tot seponering van klacht P/2003/5119 vatbaar wordt voor beroep. Dit door Aseprofar en Edifa aangevoerde nieuwe middel moet derhalve worden afgewezen.
52 Tevens faalt het beroep op de rechtspraak inzake sepotbesluiten van de Commissie op klachten krachtens verordening nr. 17 - waarop verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB 2003, L 1, blz. 1) is gevolgd – en krachtens verordening nr. 99/63. De niet-nakomingsprocedure van artikel 226 EG is op andere doelen gericht dan de administratieve procedure waarin die verordeningen voorzien, en beide zijn aan onderling verschillende regels onderworpen.
53 De persoon die bij de Commissie een klacht indient over gedrag van een onderneming dat in strijd zou zijn met de artikelen 81 EG of 82 EG, heeft in het kader van de verordeningen nrs. 17, 1/2003 en 99/63 procedurele rechten die hem door bepalingen van afgeleid recht zijn verleend. Die persoon is tevens bevoegd het besluit waarbij de Commissie aan het einde van de procedure zijn klacht seponeert, aan de rechter voor te leggen (arresten Hof van 25 oktober 1997, Metro/Commissie, 26/76, Jurispr. blz. 1875, punt 13, en 18 maart 1997, Guérin automobiles/Commissie, C‑282/95 P, Jurispr. blz. I‑1503, punt 36).
54 De situatie van een persoon die de Commissie in kennis stelt van gedrag van een lidstaat dat grond kan zijn een niet-nakomingsprocedure in te leiden, is echter een geheel andere.
55 Weliswaar heeft de Commissie zich er in mededeling 2002/C 244/03 toe verbonden, met die persoon contact op te nemen en hem schriftelijk in kennis te stellen van de ontwikkelingen in het naar aanleiding van de klacht geopende dossier (punt 7 van de bijlage bij de mededeling), hem voorafgaand aan seponering van zijn klacht op de hoogte te stellen van de redenen waarom haar diensten de klacht willen seponeren, en hem te verzoeken zijn eventuele opmerkingen te maken in dit verband (punt 10 van de bijlage bij de mededeling).
56 Deze interne regels vormen echter geen procedurele waarborgen van afgeleid recht, maar, zoals daarin wordt aangegeven, administratieve maatregelen die de Commissie heeft vastgesteld in het belang van een goed beheer van de precontentieuze fase van de niet–nakomingsprocedure van artikel 226, eerste alinea, EG (zesde en zevende alinea van de mededeling, en punten 1 en 14 van de bijlage bij de mededeling).
57 Evenzo faalt het beroep op de rechtspraak met betrekking tot brieven waarbij de Commissie een particulier laat weten dat zij niet van plan is om krachtens artikel 86, lid 3, EG op te treden Artikel 86, lid 3, EG en artikel 226 EG streven immers verschillende doelen na en de respectieve procedures zijn aan onderling verschillende regels onderworpen. Bovendien sorteren dergelijke brieven geen bindende rechtsgevolgen en zijn zij derhalve geen voor beroep vatbare handelingen in de zin van artikel 230, eerste alinea, EG (arrest Commissie/T‑Mobile Austria, reeds aangehaald, punt 70).
58 Bijgevolg hoeft niet overeenkomstig artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering te worden onderzocht, of het reeds aangehaalde arrest Commissie/T‑Mobile Austria, dat op deze brieven betrekking heeft, een juridische omstandigheid is waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken, en derhalve of het hieraan door Aseprofar en Edifa ontleende nieuwe middel ontvankelijk is.
59 Ten slotte faalt ook het beroep op de beginselen van behoorlijk bestuur en van effectieve rechtsbescherming. Het beginsel van behoorlijk bestuur kan niet leiden tot ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring dat niet tegen een voor beroep vatbare handeling is gericht en derhalve niet aan de eisen van artikel 230 EG voldoet (zie, mutatis mutandis, arrest Commissie/T‑Mobile Austria, punt 72). Hetzelfde geldt voor het beginsel van effectieve rechtsbescherming. Zomin als de rechter op grond van dit beginsel kan voorbijgaan aan de voorwaarde van procesbevoegdheid van artikel 230, vierde alinea, EG (arresten Hof van 25 juli 2002, Unión de Pequeños Agricultores/Conseil, C‑50/00 P, Jurispr. blz. I‑6677, punt 44, en 30 maart 2004, Rothley e.a./Parlement, C‑167/02 P, Jurispr. blz. I‑3166, punt 25), kan hij voorbijgaan aan de voorwaarde van het bestaan van een voor beroep vatbare handeling van artikel 230, eerste alinea, EG.
60 Derhalve zijn besluiten waarbij de Commissie een klacht over gedrag van een lidstaat dat grond kan zijn voor het inleiden van een niet-nakomingsprocedure, seponeert, geen voor beroep vatbare handelingen en moet het tegen deze besluiten ingestelde beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk worden verklaard, zonder dat hoeft te worden onderzocht of het aan de andere voorwaarden van artikel 230 EG voldoet.
61 Het beroep tegen de besluiten van de Commissie van 30 maart 2004 tot seponering van de klachten P/2002/4609 en P/2003/5119 moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.
Kosten
62 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd.
63 Aangezien Aseprofar en Edifa in casu in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Asociación de exportadores españoles de productos farmacéuticos en Española de desarrollo e impulso farmacéutico, SA, worden in de kosten verwezen.
Luxemburg, 19 september 2005.
De griffier
De president van de Vierde kamer
H. Jung
H. Legal
* Procestaal: Spaans.
Full & Egal Universal Law Academy