Zaak T‑287/04
Lorte, SL e.a.
tegen
Raad van de Europese Unie
„Beroep tot nietigverklaring – Verordeningen (EG) nr. 864/2004 en (EG) nr. 865/2004 – Steunregeling in olijfoliesector – Natuurlijke en rechtspersonen – Niet individueel geraakt worden – Niet-ontvankelijkheid”
Beschikking van het Gerecht (Derde kamer) van 8 september 2005
Samenvatting van de beschikking
1. Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke of rechtspersonen – Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken – Verordening waarbij criteria voor berekening van steun aan olijfolieproducenten zijn vastgesteld – Beroep ingesteld door olijfolieproducenten en producentenverenigingen – Handeling van algemene strekking – Verzoekers die niet individueel geraakt worden – Niet-ontvankelijkheid
(Art. 230, vierde alinea, EG)
2. Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke of rechtspersonen – Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken – Beroep ingesteld door beroepsvereniging die belangen van haar leden vertegenwoordigt en behartigt – Ontvankelijkheid – Voorwaarden
(Art. 230, vierde alinea, EG)
3. Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke of rechtspersonen – Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken – Uitlegging contra legem van voorwaarde van individueel geraakt worden – Ontoelaatbaarheid
(Art. 230, vierde alinea, EG)
1. Het beroep tot nietigverklaring ingesteld door olijfolieproducenten en producentenverenigingen tegen artikel 1, punten 7, 11 en 20, van verordening nr. 864/2004 houdende wijziging van verordening nr. 1782/2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, alsook de bijlage bij deze verordening, is niet-ontvankelijk.
Voorzover zij de criteria voor de berekening van de steun in de olijfoliesector vaststellen in algemene en abstracte bewoordingen zonder rekening te houden met de specifieke situatie van elke olijfolieproducent, zijn de bestreden bepalingen van deze verordening, in hun geheel beschouwd, naar aard en strekking namelijk handelingen van algemene strekking en geen beschikkingen in de zin van artikel 249 EG.
Bovendien worden verzoekers door de bestreden bepalingen juist geraakt wegens een objectieve feitelijke situatie, namelijk als producenten en verenigingen waarvan de leden in de referentieperiode olijfolie hebben geproduceerd en steun hebben genoten uit hoofde van een van de vastgestelde steunregelingen. Deze situatie is bepaald in relatie met het doel van de verordening die de bestreden bepalingen bevat, namelijk de invoering van een nieuwe steunregeling in de olijfoliesector. De omstandigheid dat de bestreden bepalingen een bijzonder gevolg voor bepaalde producenten kunnen hebben, meer bepaald uitsluiting van steunverlening wegens de erin vastgestelde berekeningscriteria, betekent namelijk niet dat deze bepalingen automatisch geen algemene strekking meer hebben, zolang ze van toepassing zijn op alle betrokken marktdeelnemers die in dezelfde, objectief omschreven feitelijke of rechtssituatie verkeren. Dat bepaalde marktdeelnemers door een handeling economisch sterker worden getroffen dan de andere marktdeelnemers uit dezelfde sector, volstaat namelijk niet om hen als door die handeling individueel geraakt te beschouwen.
Ook de omstandigheid dat de Raad vóór de vaststelling van de bestreden bepalingen de situatie van verzoeksters via de bevoegde nationale autoriteiten en de Commissie kende, kan dezen niet individualiseren ten opzichte van deze bepalingen, wanneer niet vaststaat dat de Raad krachtens een gemeenschapsrechtelijke bepaling verplicht zou zijn, daarmee rekening te houden in het kader van de voorwaarden voor verlening van de betrokken steun.
(cf. punten 38‑39, 41, 43‑44, 54, 62)
2. Beroepen tot nietigverklaring ingesteld door verenigingen kunnen in drie gevallen ontvankelijk zijn: namelijk wanneer een wettelijke bepaling uitdrukkelijk een aantal procedurele bevoegdheden aan beroepsverenigingen toekent; wanneer de vereniging de belangen vertegenwoordigt van ondernemingen die zelf bevoegd zouden zijn beroep in te stellen, en wanneer de vereniging wordt geïndividualiseerd wegens een aantasting van haar eigen belangen als vereniging, met name doordat haar positie als onderhandelingspartner door de voor nietigverklaring voorgedragen handeling is aangetast.
(cf. punt 64)
3. De door artikel 230, vierde alinea, EG gestelde voorwaarde van individuele geraaktheid moet weliswaar worden uitgelegd tegen de achtergrond van het beginsel van effectieve rechtsbescherming, rekening houdend met de verschillende omstandigheden die een verzoeker kunnen individualiseren, maar een dergelijke uitlegging mag deze voorwaarde, die uitdrukkelijk door het Verdrag wordt gesteld, niet tot een dode letter maken, omdat anders de grenzen van de door het Verdrag aan de gemeenschapsrechter verleende bevoegdheden zouden worden overschreden.
Weliswaar is een ander stelsel van toezicht op de wettigheid van de gemeenschapshandelingen van algemene strekking denkbaar dan het stelsel dat in het oorspronkelijke Verdrag is vastgelegd en waarvan de beginselen sindsdien nooit zijn gewijzigd, doch, in voorkomend geval, staat het aan de lidstaten om het thans geldende stelsel te herzien overeenkomstig artikel 48 EU.
(cf. punten 73‑74)
BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Derde kamer)
8 september 2005 (*)
„Beroep tot nietigverklaring – Verordeningen (EG) nr. 864/2004 en nr. 865/2004 – Steunregeling in olijfoliesector – Natuurlijke en rechtspersonen – Geen individuele geraaktheid – Niet-ontvankelijkheid”
In zaak T‑287/04,
Lorte, SL, gevestigd te Sevilla (Spanje),
Oleo Unión, Federación empresarial de organizaciones de productores de aceite de oliva, gevestigd te Sevilla,
Unión de organizaciones de productores de aceite de oliva (Unaproliva), gevestigd te Jaén (Spanje),
vertegenwoordigd door R. Illescas Ortiz, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoeksters,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M. Balta en F. Gijón als gemachtigden,
verweerder,
betreffende een beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van verordening (EG) nr. 864/2004 van de Raad van 29 april 2004 houdende wijziging van verordening (EG) nr. 1782/2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, en tot aanpassing daarvan in verband met de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije tot de Europese Unie (PB L 161, blz. 48), alsmede van verordening (EG) nr. 865/2004 van de Raad van 29 april 2004 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten voor olijfolie en tafelolijven en tot wijziging van verordening (EEG) nr. 827/68 (PB L 161, blz. 97),
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: M. Jaeger, kamerpresident, J. Azizi en E. Cremona, rechters,
griffier: H. Jung,
de navolgende
Beschikking
Rechtskader
1 Op 22 september 1966 stelde de Raad verordening nr. 136/66/EEG vast, houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten (PB L 172, blz. 3025; hierna: „basisverordening”). De basisverordening richtte onder meer een gemeenschappelijke marktordening voor olijfolie in, die voorzag in een stelsel van interventieprijzen, opslagovereenkomsten, steun voor de productie en voor het verbruik.
2 De in de basisverordening vastgestelde regelingen zijn meermaals gewijzigd, met name bij verordening (EEG) nr. 1915/87 van de Raad van 2 juli 1987 (PB L 183, blz. 7), verordening (EG) nr. 1638/98 van de Raad van 20 juli 1998 (PB L 210, blz. 32) en verordening (EG) nr. 1513/2001 van de Raad van 23 juli 2001 houdende wijziging van verordening (EG) nr. 1638/98, met het oog op de verlenging van de steunregeling en de kwaliteitsstrategie voor olijfolie (PB L 201, blz. 4).
3 Deze wijzigingen op basis van de beginselen van de in 1992 ingezette hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) beoogden in wezen het stelsel van prijs‑ en productiesteun te vervangen door een stelsel van inkomenssteun aan de landbouwproducenten. Deze hervorming heeft voor bepaalde landbouwproducten geleid tot verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het GLB en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001 (PB L 270, blz. 1).
4 Tevens heeft de Raad, ter aanpassing van de gemeenschappelijke marktordeningen voor olijfolie, ruwe tabak, hop en katoen aan de GLB-hervorming, op 29 april 2004 verordening (EG) nr. 864/2004 vastgesteld, houdende wijziging van verordening (EG) nr. 1782/2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, en tot aanpassing daarvan in verband met de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije tot de Europese Unie (gerectificeerde versie, PB L 206, blz. 20). Dezelfde dag heeft de Raad ook verordening (EG) nr. 865/2004 vastgesteld, houdende een gemeenschappelijke ordening der markten voor olijfolie en tafelolijven en tot wijziging van verordening (EEG) nr. 827/68 (gerectificeerde versie, PB L 206, blz. 37) (hierna: „bestreden verordeningen”).
5 Verordening nr. 864/2004 heeft het oude stelsel van steun voor de productie van olijfolie vervangen door een stelsel van „bedrijfstoeslagen” ofwel „ontkoppelde steun”, dat wil zeggen steun die niet aan de daadwerkelijk geproduceerde hoeveelheid olijfolie is gerelateerd. Voor bepaalde categorieën producten is echter een stelsel van „gekoppelde” of productiegebonden steun gehandhaafd, waarvoor bepaalde voorwaarden en grenzen gelden.
6 Wat olijfolie betreft heeft artikel 1, punt 7 van verordening nr. 864/2004 artikel 37, lid 1, van verordening (EG) nr. 1782/2003 aldus gewijzigd, dat het referentiebedrag voor de berekening van de hoogte van de ontkoppelde steun „het gemiddelde [is] over vier jaar van het totale bedrag aan betalingen die een landbouwer toegewezen kreeg uit hoofde van de in bijlage VI [van verordening nr. 1782/2003] bedoelde steunregeling voor olijfolie, berekend en aangepast overeenkomstig bijlage VII [van verordening nr. 1782/2003], in de verkoopjaren 1999/2000, 2000/2001, 2001/2002 en 2002/2003”.
7 Bovendien is bij artikel 1, punt 11, van verordening nr. 864/2004 een wijziging aangebracht in artikel 44, lid 2, van verordening nr. 1782/2003. Volgens een nieuw toegevoegde alinea wordt onder een voor ontkoppelde steun in aanmerking komende hectare verstaan de oppervlakte waarop in een geografisch informatiesysteem geregistreerde, vóór 1 mei 1998 (voor Cyprus en Malta 31 december 2001) aangeplante olijfbomen of nieuwe olijfbomen ter vervanging van bestaande olijfbomen of onder een goedgekeurd aanplantprogramma vallende olijfbomen staan.
8 Bovendien heeft artikel 1, punt 20, van verordening nr. 864/2004 aan verordening nr. 1782/2003 een artikel 110 octies toegevoegd, krachtens hetwelk aan landbouwproducenten als bijdrage voor het onderhoud van in milieu‑ of maatschappelijk opzicht waardevolle olijfgaarden steun wordt verleend. Voor deze steun gelden evenwel bepaalde voorwaarden: alleen oppervlakten waarop hetzij vóór 1 mei 1998 aangeplante olijfbomen, behalve in het geval van Cyprus en Malta, hetzij vervangende bomen staan of die onder een door de Commissie goedgekeurd programma vallen, komen in aanmerking.
9 Ten slotte komen volgens de bijlage bij verordening nr. 864/2004, die bijlage VI bij verordening nr. 1782/2003 aanvult, olijfolieproducenten die een productiesteun krachtens artikel 5 van de basisverordening hebben genoten, in aanmerking voor een bedrijfstoeslag.
10 Verordening nr. 865/2004 geldt vanaf het verkoopseizoen 2005/2006; vanaf dat tijdstip worden de gemeenschappelijke marktordening voor oliën en vetten van de basisverordening alsook de steun voor de productie van olijfolie en de gegarandeerde nationale hoeveelheden afgeschaft.
11 Bij wijze van overgangsmaatregel bepaalt artikel 22 van verordening nr. 865/2004, dat in artikel 5 van verordening nr. 1638/98 lid 1 wordt geschrapt, waarbij artikel 5 van de basisverordening inzake de invoering van een productiesteun voor olijfolie, werd ingetrokken. De productiesteunregeling voor olijfolie is dus van toepassing gedurende het verkoopjaar 2004/2005.
Procesverloop en conclusies van partijen
12 Verzoeksters zijn Lorte SL, een vennootschap naar Spaanse recht, in haar hoedanigheid van olijfolieproducent en lid van de vereniging Oleo Unión, Federación empresarial de organizaciones de productores de aceite de oliva (hierna: „Oleo Unión”) enerzijds, en twee verenigingen van olijfolieproducenten, Oleo Unión en Unión de organizaciones de productores de aceite de oliva (Unaproliva) anderzijds.
13 Oleo Unión is een vereniging zonder winstoogmerk naar Spaans recht, die volgens haar statuten is opgericht ter behartiging van haar economische en sociale belangen alsook van die van de ondernemingen, ondernemersverenigingen en olijfolieproducenten die het product in de Comunidad autónoma de Andalucía (autonoom gebied Andalusië) produceren of verwerken.
14 Unaproliva is eveneens een vereniging zonder winstoogmerk naar Spaans recht. Zij heeft in het bijzonder als doel, de communautaire subsidies en steun, met name die voor de olijfolieproductie, te kanaliseren. Daartoe is Unaproliva volgens haar statuten bevoegd om alle handelingen te verrichten die ertoe kunnen dienen haar doel te bereiken en de belangen van haar leden en de betrokken economische sector te behartigen, ook al is die handeling niet uitdrukkelijk genoemd in haar statuten.
15 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 13 juli 2004, hebben verzoeksters het onderhavige beroep ingesteld.
16 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 14 oktober 2004, heeft de Raad op grond van artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.
17 In hun op 29 november 2004 ingediende opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid concluderen verzoeksters tot verwerping van deze exceptie.
18 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 2 december 2004, heeft de Commissie verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van de Raad.
19 Verzoeksters en verweerder hebben respectievelijk op 24 januari 2005 16 december 2004 hun opmerkingen over het interventieverzoek van de Commissie ingediend.
20 Verzoeksters concluderen dat het het Gerecht behage:
– artikel 1, punten 7, 11 en 20, van verordening nr. 864/2004 alsook de bijlage bij deze verordening nietig te verklaren;
– artikel 22 van verordening nr. 865/2004 nietig te verklaren;
– de Raad te verwijzen in de kosten.
21 In zijn exceptie van niet-ontvankelijkheid concludeert de Raad dat het het Gerecht behage:
– het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
– verzoeksters te verwijzen de kosten.
22 In hun opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid concluderen verzoeksters dat het het Gerecht behage:
– de door de Raad opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid te verwerpen;
– de Raad te verwijzen in de kosten.
In rechte
Argumenten van partijen
23 Volgens de Raad is het onderhavige beroep niet-ontvankelijk omdat verzoeksters door de bestreden bepalingen niet individueel worden geraakt.
24 De Raad brengt in herinnering dat een door een particulier tegen een verordening ingesteld beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230, vierde alinea, EG, slechts kan worden ontvangen indien hij rechtstreeks en individueel wordt geraakt uit hoofde van een bepaalde bijzondere hoedanigheid of van een feitelijke situatie die hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hem daardoor op overeenkomstige wijze individualiseert als de adressaat (arresten Hof van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, Jurispr. blz. 205, blz. 232, en 22 november 2001, Nederlandse Antillen/Commissie, C‑452/98, Jurispr. blz. I‑8973, punt 60).
25 Verzoeksters stellen dat zij door de bestreden bepalingen individueel worden geraakt. Zij wijzen er meteen op dat de Raad niet betwist dat zij door deze bepalingen rechtstreeks worden geraakt.
26 In de eerste plaats betwisten verzoeksters de algemene strekking van de bestreden bepalingen. Huns inziens hebben deze bepalingen wegens de bijzondere of individuele gevolgen die zij voor bepaalde adressaten meebrengen, het karakter van een beschikking. De individuele strekking van deze bepalingen volgt uit het feit dat in het bijzonder de tussen 1995 en 1998 aangeplante olijfbomen om biologische en botanische redenen geen vruchten hebben voortgebracht in de voor de berekening van de „ontkoppelde steun” vastgestelde referentieperiode. Derhalve komt Lorte niet in aanmerking voor de betrokken steun.
27 In de tweede plaats voeren verzoeksters verschillende argumenten aan ten bewijze dat zij door de bestreden bepalingen in elk geval individueel worden geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG.
28 Om te beginnen stelt Lorte dat zij door de bestreden bepalingen niet in haar objectieve hoedanigheid van olijfolieproducent wordt geraakt, aangezien zij gedurende de referentieperiode en wat de tussen 1995 en 1998 aangeplante olijfbomen betreft, wegens biologische en botanische omstandigheden niets heeft geproduceerd.
29 Doordat er geen productie in de referentieperiode is geweest, bevindt Lorte zich dus in een feitelijke situatie die haar ten opzichte van ieder ander karakteriseert. Vervolgens merkt zij op dat de nationale en communautaire autoriteiten via de door haarzelf ingediende jaarlijkse aangiften over de olijfolieproductie bekend waren met deze situatie.
30 In de derde plaats hebben de bestreden bepalingen andere gevolgen voor Lorte dan voor de andere olijfolieproducenten, doordat zij wordt uitgesloten van de bij deze bepalingen ingevoerde steun voor olijfolie. Lorte behoort dus wegens enerzijds de biologische en botanische redenen waarom de met name tussen 1995 en 1998 aangeplante olijfbomen geen vruchten hebben voortgebracht, en anderzijds de in de bestreden bepalingen vastgestelde referentieperiode tot een gesloten en beperkte kring van olijfolieproducenten. Dat zij tot deze gesloten kring behoort, is niet het gevolg van factoren die verband houden met de doelstelling zelf van de bestreden verordeningen (beschikking Gerecht van 15 september 1999, Van Parys e.a./Commissie, T‑11/99, Jurispr. blz. II‑2653, punt 48). Lorte moet dus als door de bestreden bepalingen individueel geraakt worden beschouwd. Lorte baseert dit argument ook op de arresten van het Hof van 28 april 1988, Mulder (120/86, Jurispr. blz. 2321) en von Deetzen (170/86, Jurispr. blz. 2355).
31 Oleo Unión meent dat het onderhavige beroep ontvankelijk is, daar zij optreedt ter behartiging van het belang van haar leden die, zoals Lorte, procesbevoegd zijn aangezien zij rechtstreeks en individueel door de bestreden bepalingen worden geraakt.
32 Unaproliva preciseert alleen dat zij krachtens de ruime bevoegdheden van haar statuut gerechtigd is de belangen van haar leden te vertegenwoordigen, vooral met betrekking tot de gemeenschapssteun aan de olijfolieproducenten, en dus ontvankelijk is in het onderhavige beroep.
33 Ten slotte stellen verzoeksters, dat het Gerecht hun recht op een effectieve rechtsbescherming zou schenden indien het hun beroep niet-ontvankelijk verklaarde. Die schending kan niet worden opgeheven door de mogelijkheid een schadevordering in te stellen, een exceptie van onwettigheid op te werpen of, voorzover mogelijk, een prejudiciële verwijzing uit te lokken.
Beoordeling door het Gerecht
34 Volgens artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering beslist het Gerecht, indien een partij daarom verzoekt, over de niet-ontvankelijkheid zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan. Volgens het derde lid van dit artikel geschiedt de verdere behandeling mondeling, tenzij het Gerecht anders beslist. In casu acht het Gerecht zich door de processtukken voldoende ingelicht om zonder mondelinge behandeling te kunnen beslissen.
35 Volgens artikel 230, vierde alinea, EG kan „[i]edere natuurlijke of rechtspersoon [...] beroep instellen tegen de tot hem gerichte beschikkingen, alsmede tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raken”.
36 Volgens vaste rechtspraak kunnen particulieren krachtens artikel 230, vierde alinea, EG beroep instellen tegen iedere beschikking die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, hen rechtstreeks en individueel raakt. Het doel van die bepaling is met name, te voorkomen dat de gemeenschapsinstellingen enkel door de vorm van een verordening te kiezen, het beroep van een particulier tegen een beschikking die hem rechtstreeks en individueel raakt, onmogelijk kunnen maken, en daarmee duidelijk te maken dat de keuze van de vorm de aard van de handeling niet kan wijzigen (arrest Hof van 17 juni 1980, Calpak en Società emiliana lavorazione frutta/Commissie, 789/79 en 790/79, Jurispr. blz. 1949, punt 7; beschikkingen Gerecht van 30 september 1997, Federolio/Commissie, T‑122/96, Jurispr. blz. II‑1559, punt 50, en 23 november 1999, Unión de Pequeños Agricultores/Raad, T‑173/98, Jurispr. blz. II‑3357, punt 34).
37 Het onderscheid tussen een verordening en een beschikking moet volgens de rechtspraak worden gezocht in de al dan niet algemene strekking van de betrokken handeling (arresten Hof van 14 december 1962, Confédération nationale des producteurs de fruits et légumes e.a./Raad, 16/62 en 17/62, Jurispr. blz. 943, 958; 6 oktober 1982, Alusuisse/Raad en Commissie, 307/81, Jurispr. blz. 3463, punt 19, en beschikking Hof van 23 november 1995, Asocarne/Raad, C‑10/95 P, Jurispr. blz. I‑4149, punt 28). Een handeling heeft een algemene strekking indien zij van toepassing is op objectief bepaalde situaties en rechtsgevolgen heeft voor algemeen en abstract omschreven categorieën van personen (zie arresten Hof van 21 november 1989, Usines coopératives de déshydratation du Vexin e.a./Commissie, C‑244/88, Jurispr. blz. 3811, punt 13, en 31 mei 2001, Sadam Zuccherifici e.a./Raad, C‑41/99 P, Jurispr. blz. I‑4239, punt 24; beschikking Gerecht van 2 april 2004, Gonnelli en AIFO/Commissie, T‑231/02, Jurispr. blz. II‑1051, punt 29, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38 De bestreden bepalingen maken onbetwistbaar deel uit van handelingen van algemene strekking. Zij stellen de criteria vast voor de berekening van de steun in de olijfoliesector in het kader van verordening nr. 1782/2003 (zie punt 6 hierboven).
39 Deze criteria zijn algemeen en abstract geformuleerd. De wijze van berekening van de referentiebedragen en van het steunbedrag gaat namelijk niet uit van de specifieke situatie van elke olijfolieproducent die onder de bestreden bepalingen valt, maar van objectieve en algemene criteria.
40 De bestreden bepalingen zijn dus van toepassing op objectief bepaalde situaties en hebben rechtsgevolgen voor algemeen en abstract omschreven categorieën van personen. Het Gerecht herinnert eraan dat bepalingen van een handeling worden geacht op objectief omschreven situaties van toepassing te zijn, wanneer die toepassing plaatsvindt op grond van een in de handeling in relatie tot haar doelstelling omschreven objectieve feitelijke of rechtsituatie (beschikking Unión de Pequeños Agricultores/Raad, aangehaald in punt 36, punt 40).
41 In casu worden verzoeksters door de bestreden bepalingen juist geraakt wegens een objectieve feitelijke situatie. Zij worden namelijk door de bestreden bepalingen geraakt als vereniging waarvan de leden in de referentieperiode olijfolie hebben geproduceerd en steun hebben genoten uit hoofde van een van de vastgestelde steunregelingen. Deze situatie wordt bepaald in relatie met het doel van de verordeningen die de bestreden bepalingen bevatten, namelijk de invoering van een nieuwe steunregeling in de olijfoliesector.
42 Bovendien is er geen enkele grond waarop de bestreden bepalingen als beschikkingen in de vorm van een verordening kunnen worden gekwalificeerd. Verzoeksters’ argumenten kunnen dit oordeel niet aantasten.
43 De omstandigheid dat de bestreden bepalingen een bijzonder gevolg voor bepaalde olijfolieproducenten kunnen hebben, meer bepaald uitsluiting van steunverlening wegens de erin vastgestelde berekeningscriteria, betekent namelijk niet dat de bestreden bepalingen automatisch geen algemene strekking meer hebben, zolang ze van toepassing zijn op alle betrokken marktdeelnemers die in dezelfde, objectief omschreven feitelijke of rechtssituatie verkeren. Verzoeksters hebben niet aangetoond dat dit anders is wat de toepassing van de bestreden bepalingen betreft (zie in die zin beschikking Unión de Pequeños Agricultores/Raad, aangehaald in punt 36, punt 39).
44 De bestreden bepalingen zijn dus, in hun geheel beschouwd, naar aard en strekking handelingen van algemene strekking en geen beschikkingen in de zin van artikel 249 EG.
45 Dat de bestreden handeling naar haar aard van algemene strekking is en niet een beschikking in de zin van artikel 249 EG, sluit op zich evenwel nog niet uit dat een particulier tegen deze handeling een beroep tot nietigverklaring kan instellen (zie arresten Hof van 18 mei 1994, Codorníu/Raad, C‑309/89, Jurispr. blz. I‑1853, punt 19, en 22 november 2001, Antillean Rice Mills/Raad, C‑451/98, Jurispr. blz. I‑8949, punt 49; beschikking Gonnelli en AIFO/Commissie, aangehaald in punt 37, punt 31, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 Ook een handeling van algemene strekking die voor alle betrokken marktdeelnemers geldt, kan namelijk onder bepaalde omstandigheden sommigen van hen rechtstreeks en individueel raken (arresten Hof van 16 mei 1991, Extramet Industrie/Raad, C‑358/89, Jurispr. blz. I‑2501, punt 13, en Codorníu/Raad, aangehaald in punt 45, punt 19; beschikkingen Gerecht van 10 september 2002, Japan Tobacco en JT International/Parlement en Raad, T‑223/01, Jurispr. blz. II‑3259, punt 29, en Gonnelli en AIFO/Commissie, aangehaald in punt 37, punt 32).
47 Daartoe moet een natuurlijke of rechtspersoon door de betrokken handeling rechtstreeks en individueel worden geraakt uit hoofde van een bepaalde bijzondere hoedanigheid of van een feitelijke situatie die hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hem daardoor op overeenkomstige wijze individualiseert als de adressaat van een beschikking (arrest Plaumann/Commissie, aangehaald in punt 24, en beschikking Hof van 12 december 2003, Bactria/Commissie, C‑258/02 P, Jurispr. blz. I‑15105, punt 34; beschikking Gonnelli en AIFO/Commissie, aangehaald in punt 37, punt 35).
48 Indien deze voorwaarde niet wordt vervuld, is een natuurlijke of rechtspersoon niet-ontvankelijk in zijn beroep tot nietigverklaring (arrest Hof van 25 juli 2002, Unión de Pequeños Agricultores/Raad, C‑50/00 P, Jurispr. blz. I‑6677, punt 37, en beschikking Asocarne/Raad, aangehaald in punt 37, punt 26).
49 Bijgevolg moet worden nagegaan of verzoeksters door de bestreden bepalingen worden geraakt uit hoofde van een bepaalde bijzondere hoedanigheid of van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert.
50 In de eerste plaats zal de ontvankelijkheid van het beroep van Lorte in haar hoedanigheid van olijfolieproducent te worden onderzocht.
51 Verzoekster Lorte wordt, anders dan zij stelt, door de bestreden bepalingen geraakt in haar objectieve hoedanigheid van olijfolieproducente die in de referentieperiode in aanmerking kwam voor een van de steunregelingen van de eerder geldende maatregelen, op dezelfde wijze als iedere andere producent of marktdeelnemer in de sector die door de bestreden bepalingen wordt geregeld. Dat een handeling van algemene strekking de rechtspositie van een particulier raakt, kan evenwel niet afdoen aan de aard en strekking van deze handeling (zie in die zin beschikking Gonnelli en AIFO/Commissie, aangehaald in punt 37, punt 38).
52 Zoals de Raad terecht stelt, zijn de bestreden bepalingen waarin de voorwaarden voor steunverlening en de criteria voor de berekening van de steun in de olijfoliesector zijn vastgesteld, voorts zonder onderscheid van toepassing op alle olijfolieproducenten, ongeacht de hoeveelheid die zij daadwerkelijk hebben geproduceerd, ja zelfs ongeacht de productie in de referentieperiode. De criteria voor de berekening van de steun zijn namelijk vastgesteld los van de bijzondere situatie van elke olijfolieproducent.
53 Voorts kan de omstandigheid dat een handeling van algemene strekking uiteenlopende concrete gevolgen kan hebben voor de verschillende rechtssubjecten waarop zij van toepassing is, hen niet ten opzichte van alle andere betrokken marktdeelnemers karakteriseren, wanneer de toepassing van die handeling plaatsvindt op grond van een objectief bepaalde situatie (zie arrest Gerecht van 22 februari 2000, ACAV e.a./Raad, T‑138/98, Jurispr. blz. II‑341, punt 66, en aldaar aangehaalde rechtspraak). Ook al kunnen de gevolgen van de bestreden bepalingen verschillen naar gelang van de betrokken olijfolieproducent, is dit in casu geen afdoend bewijs dat Lorte een bijzondere hoedanigheid bezit of zich in een feitelijke situatie bevindt die haar karakteriseert ten opzichte van de andere olijfolieproducenten.
54 Ook indien Lorte op grond van de bestreden bepalingen niet in aanmerking kwam voor steun voor olijfolie, zou zij nochtans niet individueel worden geraakt door de bestreden bepalingen. Dat bepaalde marktdeelnemers door een handeling economisch sterker worden getroffen dan de andere marktdeelnemers uit dezelfde sector, volstaat namelijk niet om hen als door die handeling individueel geraakt te beschouwen (beschikkingen Van Parys e.a./Commissie, aangehaald in punt 30, punten 50 en 51, en Gonnelli en AIFO/Commissie, aangehaald in punt 37, punt 45).
55 Bovendien, ook al zou Lorte niet voor steun in aanmerking komen, zouden alle andere olijfolieproducenten die tussen 1995 en 1998 aangeplante olijfbomen bezitten, met soortgelijke gevolgen te maken hebben (zie in die zin arrest Hof van 10 april 2003, Commissie/Nederlandse Antillen, C‑142/00 P, Jurispr. blz. I‑3483, punt 77).
56 Voorts is de verwijzing van Lorte naar de arresten Mulder en von Deetzen, aangehaald in punt 30, irrelevant in het kader van een beroep krachtens artikel 230, lid 4, EG als het onderhavige, daar het Hof in deze arresten een prejudiciële vraag moest beantwoorden.
57 In deze arresten waarin het Hof de geldigheid van een gemeenschapsverordening inzake de extra heffing op melk moest beoordelen, achtte het Hof het vertrouwensbeginsel geschonden doordat de instelling die de betrokken handeling had verricht, van de daarbij ingestelde nieuwe regeling bepaalde melkproducenten had uitgesloten die geen melk hadden geproduceerd in de voor de toekenning van een referentiehoeveelheid vastgestelde periode. Deze producenten hadden in de referentieperiode geen melk geproduceerd, omdat zij zich er voorheen krachtens een gemeenschapshandeling toe hadden verbonden om gedurende een bepaalde periode in het algemeen belang en tegen betaling van een premie het product niet in de handel te brengen.
58 Volgens het Hof bracht de verordening waarvan de geldigheid in het geding was, voor bepaalde melkproducenten een beperking mee, bestaande in uitsluiting van de nieuwe extraheffingregeling, die deze producenten op specifieke wijze trof juist omdat zij gebruik hadden gemaakt van de mogelijkheid van de vorige gemeenschapsregeling die hun tot tijdelijke staking van de productie van het betrokken product had aangespoord.
59 Het is duidelijk dat dergelijke overwegingen tot het onderzoek ten gronde behoren en voor de beoordeling van de vraag of Lorte individueel wordt geraakt, irrelevant zijn (zie in die zin beschikking Gonnelli en AIFO/Commissie, aangehaald in punt 37, punt 43).
60 Ook indien het juist zou zijn dat de bestreden bepalingen uiteenlopende gevolgen hebben zoals Lorte tracht te stellen, dient te worden opgemerkt dat deze omstandigheid, anders dan het geval was bij de handelingen waarvan de rechtmatigheid in de aangehaalde zaken in het geding was, niet haar oorsprong in een gemeenschapshandeling vindt.
61 Hoe dan ook heeft Lorte niet aangetoond in hoeverre de bestreden bepalingen haar anders treffen dan de andere leden van de „gesloten en beperkte kring” van olijfolieproducenten die om biologische en botanische redenen verband houdend met de olijfbomen, en wegens de referentieperiode geen olijfolie hadden geproduceerd.
62 Ook wanneer het juist zou zijn dat de Raad vóór de vaststelling van de bestreden bepalingen de situatie van verzoeksters via de bevoegde nationale autoriteiten en de Commissie kende, kan dit Lorte niet individualiseren ten opzichte van deze bepalingen. Lorte heeft namelijk niet aangevoerd en nog minder aangetoond dat de Raad krachtens een gemeenschapsrechtelijke bepaling verplicht zou zijn in het kader van de voorwaarden voor verlening van de „ontkoppelde steun” in de olijfoliesector rekening te houden met de precieze situatie van bepaalde olijfolieproducenten (zie in die zin arresten Hof van 17 januari 1985, Piraiki‑Patraiki e.a./Commissie, 11/82, Jurispr. blz. 207, punten 21 en 28, 26 juni 1990, Sofrimport/Commissie, C‑152/88, Jurispr. blz. I‑2477, punt 11; arrest Gerecht van 8 juli 1999, Eridania e.a./Raad, T‑158/95, Jurispr. blz. II‑2219, punten 58 en 59, en beschikking Gerecht van 10 mei 2004, Bundesverband der Nahrungsmittel- und Speiseresteverwertung en Kloh/Parlement en Raad, T‑391/02, Jurispr. blz. II‑1447, punt 55).
63 Derhalve heeft Lorte niet aangetoond dat zij door de bestreden bepalingen wordt geraakt uit hoofde van een bepaalde bijzondere hoedanigheid of van een feitelijke situatie die haar ten opzichte van iedere andere marktdeelnemer karakteriseert. Zij kan dus door de bestreden bepalingen niet individueel worden geraakt.
64 In de tweede plaats, met betrekking tot de beroepen van Oleo Unión en Unaproliva, dient eraan te worden herinnerd dat beroepen tot nietigverklaring ingesteld door verenigingen, in drie gevallen ontvankelijk kunnen zijn: 1) wanneer een wettelijke bepaling uitdrukkelijk een aantal procedurele bevoegdheden aan beroepsverenigingen toekent; 2) wanneer de vereniging de belangen vertegenwoordigt van ondernemingen die zelf bevoegd zouden zijn beroep in te stellen, en 3) wanneer de vereniging wordt geïndividualiseerd wegens een aantasting van haar eigen belangen als vereniging, met name doordat haar positie als onderhandelingspartner door de voor nietigverklaring voorgedragen handeling is aangetast (beschikkingen Gerecht Federolio/Commissie, aangehaald in punt 36, punt 61; 8 december 1998, ANB e.a./Raad, T‑38/98, Jurispr. blz. II‑4191, punt 25; Unión de Pequeños Agricultores/Raad, aangehaald in punt 36, punt 47, en 10 december 2004, EFfCI/Parlement en Raad, T‑196/03, Jurispr. blz. II‑4263, punt 42).
65 In casu bevinden Oleo Unión en Unaproliva zich in geen van deze drie situaties die de ontvankelijkheid van hun beroep tot nietigverklaring zouden rechtvaardigen.
66 In de eerste plaats beroepen deze verzoeksters zich niet op enig procedureel recht dat het gemeenschapsrecht inzake de gemeenschappelijke marktordening voor olijfolie hen zou toekennen.
67 De tweede situatie waarin de ontvankelijkheid van een beroep kan worden aanvaard, is evenmin aan de orde. Een vereniging die is opgericht ter behartiging van de collectieve belangen van een groep justitiabelen, wordt volgens vaste rechtspraak niet individueel geraakt wanneer haar leden niet individueel worden geraakt (beschikking Hof van 18 december 1997, Sveriges Betodlares en Henrikson/Commissie, C‑409/96 P, Jurispr. blz. I‑7531, punt 45, en beschikking Gerecht van 29 april 1999, Unione provinciale degli agricoltori di Firenze e.a./Commissie, T‑78/98, Jurispr. blz. II‑1377, punten 36 en 37).
68 Oleo Unión en Unaproliva hebben niet aangetoond dat hun leden door de bestreden bepalingen worden geraakt uit hoofde van een bepaalde bijzondere hoedanigheid of van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van iedere andere marktdeelnemer karakteriseert.
69 Wat de derde situatie betreft, wettigt niets in het dossier de conclusie dat deze verzoeksters ten opzichte van de bestreden bepalingen worden geïndividualiseerd doordat hun eigen belangen, zoals bijvoorbeeld hun positie als onderhandelingspartner, door de bestreden bepalingen worden aangetast.
70 Oleo Unión en Unaproliva kunnen dus niet individueel geraakt worden geacht.
71 Wat voorts verzoeksters’ stelling betreft dat zij een effectieve rechtsbescherming zouden ontberen indien de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de Raad slaagde, wijst het Gerecht erop dat het EG-Verdrag in zijn artikelen 230 EG en 241 EG enerzijds en artikel 234 EG anderzijds een volledig stelsel van rechtsmiddelen en procedures voor het toezicht op de wettigheid van de handelingen van de instellingen in het leven heeft geroepen, dat aan de gemeenschapsrechter is opgedragen. In dit stelsel kunnen natuurlijke of rechtspersonen die wegens de ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 230, vierde alinea, EG, geen rechtstreeks beroep kunnen instellen tegen gemeenschapshandelingen van algemene strekking, naar gelang van het geval de ongeldigheid van dergelijke handelingen inroepen, hetzij incidenteel voor de gemeenschapsrechter krachtens artikel 241 EG, hetzij voor de nationale rechter, die weliswaar niet bevoegd is om zelf de ongeldigheid van deze handelingen vast te stellen, maar die ertoe kan worden gebracht daarover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof (arrest Unión de Pequeños Agricultores/Raad, aangehaald in punt 48, punt 40).
72 Voorts heeft het Hof uitgemaakt dat de lidstaten moeten voorzien in een stelsel van rechtsmiddelen en procedures waarmee het recht op een effectieve rechtsbescherming kan worden gegarandeerd, en mogen de ontvankelijkheidsregels van artikel 230 EG niet aldus worden uitgelegd dat het beroep tot nietigverklaring ontvankelijk zou moeten worden verklaard, wanneer na een concreet onderzoek van de nationale procesregels door de gemeenschapsrechter blijkt dat deze regels een particulier niet toestaan om een beroep in te stellen waarmee hij de geldigheid van de betwiste gemeenschapshandeling kan aanvechten (arrest Unión de Pequeños Agricultores/Raad, aangehaald in punt 48, punt 43). Een rechtstreeks beroep tot nietigverklaring bij de gemeenschapsrechter staat zelfs niet open, indien na een concreet onderzoek van de nationale regels van procesrecht door deze rechter zou blijken dat deze regels de particulier niet toestaan om een beroep in te stellen waarmee hij de geldigheid van de betwiste gemeenschapshandeling kan aanvechten. In een dergelijk stelsel zou de communautaire rechter immers in elk concreet geval het nationale procesrecht moeten onderzoeken en uitleggen, hetgeen de grenzen van zijn bevoegdheid in het kader van het toezicht op de wettigheid van de gemeenschapshandelingen te buiten zou gaan (beschikking Bactria/Commissie, aangehaald in punt 47, punt 58).
73 Het Hof heeft hoe dan ook duidelijk verklaard dat de door artikel 230, vierde alinea, EG gestelde voorwaarde van individuele geraaktheid, weliswaar moet worden uitgelegd in het licht van het beginsel van effectieve rechtsbescherming, rekening houdend met de verschillende omstandigheden die een verzoeker kunnen individualiseren, maar dat een dergelijke uitlegging deze voorwaarde, die uitdrukkelijk door het Verdrag wordt gesteld, niet tot een dode letter mag maken, omdat anders de grenzen van de door het Verdrag aan de gemeenschapsrechter verleende bevoegdheden zouden worden overschreden (arrest Unión de Pequeños Agricultores/Raad, aangehaald in punt 48, punt 44).
74 Weliswaar is een ander stelsel van toezicht op de wettigheid van de gemeenschapshandelingen van algemene strekking denkbaar dan het stelsel dat in het oorspronkelijke Verdrag is vastgelegd en waarvan de beginselen sindsdien nooit zijn gewijzigd, doch, in voorkomend geval, staat het aan de lidstaten om het thans geldende stelsel te herzien overeenkomstig artikel 48 EU (arrest Unión de Pequeños Agricultores/Raad, aangehaald in punt 48, punt 45).
75 Verzoeksters kunnen dus niet stellen dat zij bij niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tot nietigverklaring geen enkele mogelijkheid zouden hebben om voor hun rechten op te komen voor een rechterlijke instantie, hetgeen zij overigens niet hebben bewezen (zie in die zin beschikking Gonnelli en AIFO/Commissie, aangehaald in punt 37, punten 52‑56).
76 Het vereiste van effectieve rechtsbescherming doet dus niet af aan de conclusie dat verzoeksters niet individueel worden geraakt door de bestreden bepalingen. Het beroep moet dus niet-ontvankelijk worden verklaard.
77 Voorts is het Gerecht van oordeel dat niet hoeft te worden beslist op het interventieverzoek van de Commissie (zie in die zin arrest Hof van 5 juli 2001, Conseil national des professions de l’automobile e.a./Commissie, C‑341/00 P, Jurispr. blz. I‑5263, punten 35‑37).
Kosten
78 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij overeenkomstig de vordering van de Raad in de kosten worden verwezen, met inbegrip van die van de Raad.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Verzoeksters worden in hun eigen kosten en in die van de Raad verwezen.
3) Op het interventieverzoek van de Commissie behoeft niet te worden beslist.
Luxemburg, 8 september 2005.
De griffier
De president van de Derde kamer
H. Jung
M. Jaeger
* Procestaal: Spaans.
Full & Egal Universal Law Academy