Zaak T‑376/04
Polyelectrolyte Producers Group
tegen
Raad van de Europese Unie en Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Beroep tot nietigverklaring – Besluit van Raad houdende standpuntbepaling van Gemeenschap – Besluit van Gemengd comité van EER – Exceptie van niet-ontvankelijkheid – Handeling waartegen kan worden opgekomen – Procesbevoegdheid – Niet-ontvankelijkheid”
Beschikking van het Gerecht (Tweede kamer) van 22 juli 2005
Samenvatting van de beschikking
1. Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke of rechtspersonen – Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken – Beroep ingesteld door Europees economisch samenwerkingsverband – Niet-ontvankelijkheid
(Art. 230, vierde alinea, EG)
2. Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke of rechtspersonen – Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken – Rechtstreeks geraakt worden – Criteria – Besluit van Raad houdende goedkeuring van ontwerp-besluit van Gemengd comité van EER – Rechtstreeks geraakt worden van Europees economisch samenwerkingsverband – Niet
(Art. 230, vierde alinea, EG; EER-Overeenkomst, bijlage II, zoals gewijzigd bij besluit nr. 59/2004 van het Gemengd comité van de EER)
3. Exceptie van onwettigheid – Incident – Beroep ten principale niet-ontvankelijk – Niet-ontvankelijkheid van exceptie
(Art. 241 EG)
4. Procedure – Inleidend verzoekschrift – Vormvereisten – Vaststelling van voorwerp van geschil – Summiere uiteenzetting van aangevoerde middelen – Beroep tot vergoeding van door gemeenschapsinstelling veroorzaakte schade
(Statuut van het Hof van Justitie, art. 21; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 44, lid 1, sub c)
1. Een vereniging die is opgericht om de collectieve belangen van een groep rechtssubjecten te behartigen, kan niet kan worden geacht individueel te worden geraakt door een handeling die de algemene belangen van deze groep rechtssubjecten raakt, wanneer deze rechtssubjecten niet individueel worden geraakt. Dit geldt ook in het geval van een Europees economisch samenwerkingsverband dat is opgericht om de belangen van een groep ondernemingen te vertegenwoordigen en te behartigen en waarvan de rol dus vergelijkbaar is met die van een vereniging. Weliswaar kan het beroep van een vereniging waarvan de leden door de betrokken handeling niet rechtstreeks en individueel worden geraakt, wegens het bestaan van bijzondere omstandigheden, zoals de rol die een vereniging heeft gespeeld in het kader van een procedure die tot de vaststelling van een handeling in de zin van artikel 230 EG heeft geleid, ontvankelijk zijn, inzonderheid wanneer de positie van de vereniging als onderhandelaarster door die handeling is aangetast. Dit is echter niet het geval wanneer de verzoekende vereniging niet de rol van onderhandelaarster heeft gespeeld en de betrokken regeling haar geen enkel procedureel recht toekent.
(cf. punten 38, 40)
2. Een gemeenschapshandeling raakt een particulier alleen dan rechtstreeks in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG, wanneer zij rechtstreeks gevolgen heeft voor de rechtspositie van de betrokkene en de uitvoering ervan zuiver automatisch is en uitsluitend op de grondslag van de communautaire regeling plaatsvindt, zonder toepassing van nadere regels. Wanneer de lidstaat echter niet over een eigen beoordelingsvrijheid beschikt, wordt de rechtstreekse band tussen de gemeenschapshandeling en de verzoeker nog niet verbroken en in bepaalde gevallen leidt de toepassing van nationale maatregelen ter uitvoering van een gemeenschapshandeling niet noodzakelijkerwijze tot een verbreking van deze rechtstreekse band, wanneer deze handeling de lidstaat enkel een bevoegdheid in die zin verleent.
Dienaangaande kan de Raad door de goedkeuring van ontwerp-besluit nr. 59/2004 van het Gemengd comité houdende wijziging van bijlage II bij de EER-Overeenkomst door invoering van een afwijking van artikel 30 van richtlijn 67/548 voor acrylamide ten gunste van Noorwegen, niet worden beschouwd als degene die de afwijking heeft verleend, maar alleen als een van de deelnemers aan het besluit van het Gemengd comité. Dit besluit van de Raad kan een Europees economisch samenwerkingsverband dat de producenten van synthetische coagulanten en floculanten vertegenwoordigt, dus niet rechtstreeks raken. Op het tijdstip van de vaststelling van het besluit van de Raad was het juridisch namelijk geenszins zeker of het besluit van het Gemengd comité, een tussenmaatregel die de schakel vormde tussen dit besluit van de Raad en de Noorse bepalingen, zou worden vastgesteld, aangezien de overwogen afwijkingsregeling evengoed bij de stemming door de vertegenwoordigers van de overeenkomstsluitende partijen in het Comité had kunnen worden verworpen. Bovendien bleef Noorwegen volledig vrij in de keuze, al dan niet gebruik te maken van de afwijkingsmogelijkheid die het besluit van het Gemengd comité eventueel zou bieden. Bijgevolg is de rechtstreekse band tussen het besluit van de Raad en de Noorse maatregelen verbroken.
(cf. punten 43, 45)
3. De door artikel 241 EG gecreëerde mogelijkheid om de onwettigheid in te roepen van een maatregel die de rechtsgrondslag van de bestreden handeling is, vormt geen autonoom vorderingsrecht en kan slechts incidenteel worden benut, zodat niet-ontvankelijkheid van de vordering ten principale tot niet-ontvankelijkheid van de exceptie van onwettigheid leidt.
(cf. punt 49)
4. Volgens artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering dient het verzoekschrift onder meer het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen te bevatten. Om aan dit vereiste te voldoen, moet een verzoekschrift strekkende tot vergoeding van de door een gemeenschapsinstelling veroorzaakte schade bevatten: de gegevens waardoor kan worden bepaald welke gedraging de verzoeker aan de instelling verwijt, de redenen waarom de verzoeker meent dat er tussen die gedraging en de gestelde schade een causaal verband bestaat, en de aard en de omvang van die schade. Een vordering tot toekenning van een niet nader gespecificeerde schadevergoeding mist voldoende bepaaldheid en moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.
Een verzoeker hoeft het bedrag van de gestelde schade weliswaar niet te becijferen, zolang hij maar duidelijke gegevens ter beoordeling van de aard en de omvang van de schade verstrekt, zodat de verweerder in staat is zich te verdedigen. In dergelijke omstandigheden tast het gebrek aan cijfergegevens in het verzoekschrift de rechten van de verdediging van de wederpartij niet aan.
(cf. punten 54‑55)
BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Tweede kamer)
22 juli 2005 (*)
„Beroep tot nietigverklaring – Besluit van Raad betreffende standpunt van Gemeenschap – Besluit van Gemengd Comité van EER – Exceptie van niet-ontvankelijkheid – Voor beroep vatbare handeling – Procesbevoegdheid – Niet-ontvankelijkheid”
In zaak T‑376/04,
Polyelectrolyte Producers Group, gevestigd te Brussel (België), vertegenwoordigd door K. Van Maldegem en C. Mereu, advocaten,
verzoeker,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J.‑P. Hix en B. Hoff-Nielsen als gemachtigden,
en
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Forman en M. Wilderspin als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerders,
betreffende de nietigverklaring van de in besluit nr. 59/2004 van het Gemengd Comité van de EER van 26 april 2004 tot wijziging van bijlage II (Technische voorschriften, normen, keuring en certificatie) bij de EER-Overeenkomst (PB L 277, blz. 30) vervatte handelingen van verweerders, die het Koninkrijk Noorwegen toestaan strengere concentratiegrenzen voor acrylamide voor te schrijven dan in de Europese Gemeenschap gelden, alsmede nietigverklaring van het standpunt van de Gemeenschap betreffende dit besluit,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: J. Pirrung, kamerpresident, N. J. Forwood en S. Papasavvas, rechters,
griffier: H. Jung,
de navolgende
Beschikking
Rechtskader
Gemeenschapsregeling
1 Richtlijn 67/548/EEG van de Raad van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PB 1967, 196, blz. 1), in de versie van de zevende wijziging bij richtlijn 92/32/EEG van de Raad van 30 april 1992 (PB L 154, blz. 1), stelt regels vast voor het in de handel brengen van bepaalde „stoffen”, die worden gedefinieerd als „chemische elementen en hun verbindingen, zoals zij voorkomen in natuurlijke toestand of bij de productie ontstaan, met inbegrip van alle additieven die nodig zijn voor het behoud van de stabiliteit van het product en alle onzuiverheden ten gevolge van het productieprocédé, doch met uitzondering van elk oplosmiddel dat kan worden afgescheiden zonder dat de stabiliteit van de stof wordt aangetast of de samenstelling ervan wordt gewijzigd”.
2 Richtlijn 67/548 is sinds haar vaststelling meermaals gewijzigd, laatstelijk bij richtlijn 2004/73/EG van de Commissie van 29 april 2004 tot negenentwintigste aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van richtlijn 67/548 (PB L 152, blz. 1). Volgens artikel 4 van richtlijn 67/548, zoals gewijzigd, worden de stoffen op basis van hun intrinsieke eigenschappen ingedeeld in de in artikel 2, lid 2, gedefinieerde categorieën. Bijlage I bij richtlijn 67/548 bevat een lijst van gevaarlijke stoffen alsook specificaties inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen. Acrylamide is in bijlage I bij deze richtlijn geclassificeerd als een kankerverwekkende stof van categorie 2, een mutagene substantie van categorie 2 en een giftige stof, zonder dat een concentratiegrens is aangegeven.
3 Chemische preparaten, die als mengsels van chemische stoffen worden gedefinieerd, worden geregeld in richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PB L 200, blz. 1). Deze richtlijn vervangt richtlijn 88/379/EEG van de Raad van 7 juni 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PB L 187, blz. 14). Bijlage II, deel A, punt 7.1, bij richtlijn 1999/45 stelt een concentratiegrens van 0,1 % voor kankerverwekkende stoffen van categorie 2 vast.
4 Uit richtlijn 67/548, zoals gewijzigd, volgt dat acrylamide is beschouwd als kankerverwekkende stof van categorie 2, waarvan de gevaarlijkheid tot gemiddelde bezorgdheid aanleiding geeft, zonder dat een specifieke concentratiegrens hoeft te worden vastgesteld.
Bepalingen van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
5 De op 2 mei 1992 door de lidstaten van de Europese Gemeenschap en de lidstaten van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) ondertekende Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (PB 1994, L 1, blz. 3; hierna: „EER-Overeenkomst”) voorziet in de mogelijkheid af te wijken van de richtlijnen 67/548 en 88/379. Hoofdstuk XV, punt 1, van bijlage II bij de EER-Overeenkomst bepaalt namelijk dat de overeenkomstsluitende partijen „[instemmen] met de doelstelling dat de communautaire wetgeving voor gevaarlijke stoffen en preparaten uiterlijk op 1 januari 1995 in werking moet treden” en dat „[i]n het kader van de samenwerking die na de ondertekening van deze Overeenkomst van start gaat ten einde de resterende problemen op te lossen, [...] de situatie [zal] worden geëvalueerd [...]. Indien een EVA-staat concludeert een uitzondering op de communautaire wetgeving inzake de indeling en etikettering te moeten maken, dan wordt deze wetgeving niet toegepast, tenzij het EER-Comité een andere oplossing vindt.”
6 Het Gemengd Comité van de EER (hierna: „Gemengd Comité”), dat in het kader van de EER-Overeenkomst is ingesteld, is samengesteld uit vertegenwoordigers van de overeenkomstsluitende partijen en verzekert krachtens artikel 92, lid 1, van de EER-Overeenkomst de daadwerkelijke tenuitvoerlegging en werking van de Overeenkomst.
7 Volgens artikel 93, lid 2, van de EER-Overeenkomst geeft het Gemengd Comité beschikkingen op basis van overeenstemming tussen de Gemeenschap enerzijds en de met één stem sprekende EVA-Staten anderzijds. De Gemeenschap bepaalt haar standpunt overeenkomstig verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad van 28 november 1994 houdende bepaalde wijzen van toepassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (PB L 305, blz. 6).
8 Volgens artikel 1, lid 2, van deze verordening wordt het standpunt van de Gemeenschap over besluiten van het Gemengd Comité van de EER die alleen een uitbreiding van communautaire rechtsinstrumenten tot de EER behelzen, met eventuele technische aanpassingen, vastgesteld door de Commissie. Ingevolge artikel 1, lid 3, van verordening nr. 2894/94 wordt voor de overige besluiten van het Gemengd Comité het standpunt van de Gemeenschap door de Raad op voorstel van de Commissie vastgesteld, onder de volgende voorwaarden:
„a) Voor het bepalen van het standpunt van de Gemeenschap over besluiten van het Gemengd Comité [...] die een uitbreiding van een communautair rechtsinstrument tot de EER behelzen via wijzigingen die verder gaan dan technische aanpassingen, besluit de Raad met de meerderheid die is voorgeschreven in de bepaling die als rechtsgrond voor genoemd instrument is gekozen;
b) Voor het bepalen van het standpunt van de Gemeenschap over andere besluiten van het Gemengd Comité [...] dan die welke een uitbreiding van communautaire rechtsinstrumenten tot de EER behelzen, besluit de Raad:
– met eenvoudige meerderheid van stemmen, wanneer het overwogen besluit van het Gemengd Comité [...] betrekking heeft op zijn Reglement van orde of op een procedurekwestie,
– met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, wanneer het door het Gemengd Comité [...] overwogen besluit betrekking heeft op een sector waar voor de aanneming van interne voorschriften een zelfde meerderheid vereist is,
– in de overige gevallen met eenparigheid van stemmen.”
9 Volgens artikel 104 van de EER-Overeenkomst zijn door het Gemengd Comité genomen besluiten, tenzij daarin anders wordt bepaald, verbindend voor de overeenkomstsluitende partijen, die de nodige maatregelen nemen om hun tenuitvoerlegging en toepassing te verzekeren.
10 Op basis van de gemeenschappelijke verklaring van het Gemengd Comité van 1995 betreffende de aanpassingsbesluiten inzake gevaarlijke stoffen vermeld in hoofdstuk XV van bijlage II bij de EER-Overeenkomst (PB 1996, C 6, blz. 7) is het Koninkrijk Noorwegen gemachtigd af te wijken van richtlijn 67/548. Blijkens bijlage II bij de gemeenschappelijke verklaring van 1995 kan het Koninkrijk Noorwegen het gebruik van een verschillende indeling, etikettering en/of specifieke concentratiegrenzen voorschrijven voor de in punt 1, sub a, i, genoemde stoffen, en bepalen dat de criteria voor het indelen en etiketteren van de in bijlage VI, onderverdeling 4.2.1, bij richtlijn 67/548 genoemde carcinogene stoffen niet van toepassing zijn op het Koninkrijk Noorwegen, dat andere indelingscriteria kan gebruiken. Acrylamide wordt niet genoemd onder de stoffen waarvoor het Koninkrijk Noorwegen kan afwijken van richtlijn 67/548.
11 De gemeenschappelijke verklaring, aangenomen op de 62e vergadering van het Gemengd Comité van de EER van 26 maart 1999, (PB C 185, blz. 6), heeft de gemeenschappelijke verklaring van 1995 vervangen. De lijst van de in punt 1, sub a, ii, van bijlage II bij de gemeenschappelijke verklaring van 1995 genoemde stoffen is aangepast, doch acrylamide is niet opgenomen in de lijst van stoffen waarvoor het Koninkrijk Noorwegen andere concentratiegrenzen kan stellen dan gelden in de Gemeenschap. Aangezien de gemeenschappelijke verklaring van 1999 het Koninkrijk Noorwegen evenwel toestond andere bepalingen inzake onzuiverheden vast te stellen, is de werkingssfeer van de in de gemeenschappelijke verklaring genoemde afwijkingen van 1995 verruimd, zodat deze staat lagere grenzen voor acrylamide als onzuiverheid kon vaststellen. Het Koninkrijk Noorwegen was dus bevoegd om polyacrylamide als cancerogeen in te delen, wanneer de concentratie acrylamide hoger dan of gelijk was aan de door de Noorse wetgeving voorgeschreven concentratiegrenzen, dat wil zeggen in casu 0,01 % van het gewicht.
Voorgeschiedenis
12 Op 24 februari 2004 heeft de Commissie bij de Raad een voorstel tot goedkeuring van het ontwerp-besluit van het Gemengd Comité tot wijziging van bijlage II bij de EER-Overeenkomst ingediend. De Raad keurde dit voorstel goed op 1 april 2004. Dit ontwerp van gemeenschappelijk standpunt wijzigt de in hoofdstuk XV van bijlage II bij de EER-Overeenkomst opgenomen tekst met betrekking tot richtlijn 67/548. Het definitieve standpunt van de Gemeenschap is op 23 april 2004 bij het Gemengd Comité ingediend. Het Gemengd Comité heeft op 26 april 2004 besluit nr. 59/2004 tot wijziging van bijlage II (Technische voorschriften, normen, keuring en certificatie) bij de EER-Overeenkomst (PB L 277, blz. 30) vastgesteld.
13 Dit besluit voert een uitdrukkelijke afwijking van artikel 30 van richtlijn 67/548 in wat de vereisten inzake indeling, etikettering en/of specifieke concentratiegrenzen voor acrylamide betreft. Punt 1.2, sub d, i, van bijlage I bij het besluit bepaalt:
„[D]e volgende bepalingen zijn niet van toepassing op Noorwegen:
i) artikel 30 in samenhang met de artikelen 4 en 5 met betrekking tot de vereisten inzake indeling, etikettering en/of specifieke concentratiegrenzen voor stoffen of stoffencategorieën vermeld in bijlage I van de richtlijn [...]; Noorwegen kan voor deze stoffen de toepassing van een verschillende indeling, etikettering en/of specifieke concentratiegrenzen voorschrijven [...]”
14 Acrylamide behoort tot de stoffen waarvoor Noorwegen van deze bepalingen mag afwijken.
Procesverloop en conclusies van partijen
15 Bij op 17 september 2004 ter griffie van het Gerecht ingeschreven verzoekschrift heeft verzoeker, een Europees economisch samenwerkingsverband dat de producenten vertegenwoordigt van synthetische coagulanten en floculanten met als hoofdbestanddeel polyacrylamide, een polymeer op basis van acrylamide, het onderhavige beroep ingesteld.
16 Bij op 22 november 2004 respectievelijk 13 december 2004 ter griffie van het Gerecht neergelegde akten hebben de Commissie en de Raad krachtens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep opgeworpen.
17 Bij op 11 januari 2005 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft het Koninkrijk Noorwegen verzocht om toelating tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie en de Raad.
18 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
– nietig te verklaren de in besluit nr. 59/2004 van het Gemengd Comité vervatte handelingen van verweerders, die het Koninkrijk Noorwegen toestaan strengere concentratiegrenzen voor acrylamide voor te schrijven dan in de Europese Gemeenschap gelden, alsmede het standpunt van de Gemeenschap betreffende dat besluit;
– de gemeenschappelijke verklaring van het Gemengd Comité van 26 maart 1999 onwettig en buiten toepassing te verklaren wat verzoeker betreft;
– verweerders te veroordelen tot betaling van een voorlopig bedrag van één euro ter vergoeding van de schade.
19 De Commissie en de Raad concluderen dat het het Gerecht behage:
– het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
– verzoeker te verwijzen in de kosten.
De ontvankelijkheid van de vordering tot nietigverklaring
Argumenten van partijen
20 Volgens de Commissie en de Raad betreft het beroep geen voor beroep vatbare handelingen in de zin van artikel 230, eerste alinea, EG en worden verzoeker noch zijn leden rechtstreeks en individueel door de betrokken maatregelen geraakt. Bovendien is het beroep te laat ingesteld.
21 In antwoord op verzoekers argument dat hij bij niet-ontvankelijkverklaring van het onderhavige beroep over geen enkele beroepsmogelijkheid beschikt, wijzen de Commissie en de Raad erop dat het Gerecht zijn bevoegdheid in het kader van de toetsing van de rechtmatigheid van gemeenschapshandelingen overschrijdt indien niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 230, vierde alinea, EG (arrest Hof van 1 april 2004, Commissie/Jégo-Quéré, C‑263/02 P, Jurispr. blz. I‑3425).
22 Volgens verzoeker is het Gerecht bevoegd om zich krachtens artikel 230 EG uit te spreken over de rechtmatigheid van het standpunt van de Gemeenschap, dat in het vooruitzicht van het besluit van het Gemengd Comité was bepaald.
23 Verzoeker is van mening dat het door de Raad op voorstel van de Commissie bepaalde standpunt van de Gemeenschap, dat blijkt uit besluit nr. 59/2004, definitieve rechtsgevolgen voor de lidstaten teweegbrengt. Ter ondersteuning van zijn betoog beroept verzoeker zich op het arrest van het Hof van 9 augustus 1994, Frankrijk/Commissie (C‑327/91, Jurispr. blz. I‑3641). Hierin is aanvaard dat de handeling waarbij de Commissie een internationale overeenkomst heeft willen sluiten, vatbaar moet zijn voor een beroep tot nietigverklaring, daar de uitoefening van de bevoegdheden die aan de gemeenschapsinstellingen op internationaal gebied zijn toevertrouwd, niet aan de in artikel 230 EG voorziene rechtmatigheidstoetsing mag blijven onttrokken. Dienaangaande herinnert verzoeker eraan dat een besluit van het Gemengd Comité volgens het EVA-Hof is gelijk te stellen met een internationale overeenkomst in vereenvoudigde vorm (arrest EVA-Hof van 9 oktober 2002, CIBA Speciality Chemicals Water Treatment Ltd/Noorwegen, E‑6/01, Report of EFTA Court, blz. 281).
24 Voorts wijst verzoeker erop dat het Hof zich bevoegd heeft verklaard om de EER-Overeenkomst bij wege van prejudiciële beslissing uit te leggen (arrest Hof van 15 juni 1999, Andersson en Wåkerås-Andersson, C‑321/97, Jurispr. blz. I‑3551). Verzoeker wijst er ook op dat het Hof zich in het arrest van 20 september 1990, Sevince (C‑192/89, Jurispr. blz. I‑3461) bevoegd heeft verklaard om zich bij prejudiciële beslissing uit te spreken niet alleen over de door de Gemeenschap gesloten internationale overeenkomsten, maar ook over de besluiten van de instantie die door de overeenkomst is ingesteld en met de uitvoering ervan is belast.
25 Verzoeker wijst erop dat hij bevoegd is om voor het Gerecht te procederen. Als in België gevestigd Europees economisch samenwerkingsverband heeft hij namelijk rechtspersoonlijkheid en kan hij dus in rechte optreden. Bovendien zijn zijn leden procesbevoegd en kunnen zij dus beroep tot nietigverklaring instellen. Verzoeker meent derhalve beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230, vierde alinea, EG te kunnen instellen, aangezien hij zich in zoverre in de plaats stelt van zijn leden, die zelf een dergelijk beroep kunnen instellen (arrest Gerecht van 6 juli 1995, AITEC e.a./Commissie, T‑447/93–T‑449/93, Jurispr. blz. II‑1971).
26 Voorts wijst verzoeker erop dat hem geen enkel ander rechtsmiddel ten dienste staat. Hij kan geen vordering bij een nationale rechter van de Europese Unie instellen, daar een dergelijke rechter zich niet kan uitspreken over door een EVA-lidstaat genomen maatregelen. Ook kan hij niet bij een Noorse rechter opkomen tegen het besluit van het Gemengd Comité met het doel een prejudiciële beslissing uit te lokken, daar alleen de nationale rechters van de Europese Unie daartoe bevoegd zijn. Evenmin is het EVA-Hof, gesteld dat de bevoegde Noorse rechter het om een advies over deze vraag zou verzoeken, bevoegd om zich uit te spreken over de bevoegdheid van de Gemeenschap om deel te nemen aan het besluit van het Gemengd Comité.
27 Ten slotte, aldus verzoeker, zou de niet-ontvankelijkheid van zijn beroep zijn fundamenteel recht op een effectieve rechtsbescherming schenden, dat voortvloeit uit de constitutionele traditie die de lidstaten gemeen hebben, en dat bovendien is vastgelegd in de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden alsook in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat op 7 december 2000 te Nice is afgekondigd (PB 2000, C 364, blz. 1).
Beoordeling door het Gerecht
28 Ingevolge artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, indien een partij hierom verzoekt, uitspraak doen over de niet-ontvankelijkheid zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan. Overeenkomstig lid 3 van dit artikel geschiedt de verdere behandeling van de exceptie van niet-ontvankelijkheid mondeling, tenzij het Gerecht anders beslist. In casu acht het Gerecht zich door de stukken van het dossier voldoende ingelicht om zonder mondelinge behandeling te kunnen beslissen.
29 Verzoeker vecht in het onderhavige geding drie handelingen aan: het voorstel van de Commissie voor een standpunt van de Gemeenschap, het besluit van de Raad tot goedkeuring van dit standpunt, en het besluit van het Gemengd Comité, ook al blijkt niet duidelijk uit verzoekers memories of hij dit laatste besluit daadwerkelijk wil betwisten.
30 De bevoegdheden van het Gerecht zijn opgesomd in artikel 225 EG en artikel 140 A EGA en nader bepaald in artikel 51 van het Statuut van het Hof van Justitie. Krachtens deze bepalingen is het Gerecht enkel bevoegd om kennis te nemen van beroepen krachtens artikel 230 EG of artikel 146 EGA tegen gemeenschapsinstellingen en ‑instanties die bij de Verdragen of de ter uitvoering ervan vastgestelde handelingen zijn opgericht.
31 Het Gerecht is dus niet bevoegd om zich uit te spreken over het besluit van het Gemengd Comité, aangezien dit laatste geen gemeenschapsinstelling of ‑instantie is.
32 Wat de in casu bestreden standpuntbepaling van de Gemeenschap betreft, stelt het Gerecht vast dat zij enerzijds uit een bij de Raad ingediend voorstel van de Commissie voor een standpunt van de Gemeenschap, en anderzijds uit de vaststelling ervan door de Raad voortvloeit.
33 Wat in de eerste plaats het voorstel van de Commissie voor een standpunt van de Gemeenschap betreft, blijkt uit vaste rechtspraak dat tegen voorlopige maatregelen of zuiver voorbereidende maatregelen geen beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld (zie in die zin beschikking Gerecht van 15 mei 1997, Berthu/Commissie, T‑175/96, Jurispr. blz. II‑811, punten 19 en 20).
34 In casu is het standpunt van de Gemeenschap over het besluit van het Gemengd Comité door de Raad op voorstel van de Commissie vastgesteld overeenkomstig artikel 1, lid 3, van verordening nr. 2894/94. Dit voorstel is een voorbereidingshandeling waartegen geen beroep tot nietigverklaring openstaat.
35 Wat in de tweede plaats het besluit van de Raad houdende vaststelling van het standpunt van de Gemeenschap betreft, dient te worden opgemerkt dat het besluit van het Gemengd Comité niet kan worden gelijkgesteld met een internationale overeenkomst in de zin van het arrest Frankrijk/Commissie, reeds aangehaald. In die zaak ging het om een besluit van de Commissie om een internationale overeenkomst met de regering van de Verenigde Staten van Amerika te sluiten, zodat de omstandigheden die tot dat arrest hebben geleid, naar hun aard verschillen van die van de onderhavige zaak.
36 Het Gerecht is hoe dan ook van oordeel dat geen uitspraak hoeft te worden gedaan over de juridische kwalificatie van het besluit van het Gemengd Comité, daar verzoeker door het besluit van de Raad niet individueel en rechtstreeks kan worden geraakt en dus niet procesbevoegd is.
37 Volgens artikel 230, vierde alinea, EG kan iedere natuurlijke of rechtspersoon beroep tot nietigverklaring instellen tegen tot hem gerichte beschikkingen alsmede tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raken (arresten Hof van 5 mei 1998, Glencore Grain/Commissie, C‑403/96 P, Jurispr. blz. I‑2405, punt 40, en Gerecht van 25 februari 2003, Strabag Benelux/Raad, T‑183/00, Jurispr. blz. II‑135, punt 27).
38 Wat in de eerste plaats de vraag betreft of verzoeker individueel wordt geraakt, dient eraan te worden herinnerd dat een vereniging die is opgericht om de collectieve belangen van een groep rechtssubjecten te behartigen, niet kan worden geacht individueel te worden geraakt door een handeling die de algemene belangen van deze groep rechtssubjecten raakt, wanneer deze rechtssubjecten niet individueel worden geraakt (beschikkingen Gerecht van 11 juli 2000, Fédération nationale d’agriculture biologique des régions de France e.a./Raad, T‑268/99, Jurispr. blz. II‑2893, punt 44, en 2 april 2004, Gonnelli en AIFO/Commissie, T‑231/02, Jurispr. blz. II‑1051, punt 48). Dit geldt ook in het geval van een Europees economisch samenwerkingsverband dat, zoals verzoeker, is opgericht om de belangen van een groep ondernemingen te vertegenwoordigen en te behartigen en waarvan de rol dus vergelijkbaar is met die van een vereniging.
39 In casu toont verzoeker niet aan dat zijn leden door het besluit van de Raad worden geraakt uit hoofde van bepaalde bijzondere hoedanigheden die zij bezitten, of van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert (arrest Hof van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, Jurispr. blz. 197). Dit besluit kan voor hen slechts gevolgen hebben voorzover zij producten vervaardigen die polyacrylamide bevatten, zodat het hen op gelijke wijze als de andere fabrikanten van dergelijke producten raakt. Het besluit van de Raad treft hen dus slechts wegens een objectieve feitelijke situatie en niet wegens een specifieke en bijzondere hoedanigheid die zij bezitten.
40 Weliswaar kan het beroep van een vereniging waarvan de leden door de betrokken handeling niet rechtstreeks en individueel worden geraakt, wegens het bestaan van bijzondere omstandigheden, zoals de rol die een vereniging heeft gespeeld in het kader van een procedure die tot de vaststelling van een handeling in de zin van artikel 230 EG heeft geleid, ontvankelijk zijn, inzonderheid wanneer haar positie als onderhandelaarster door die handeling is aangetast. Dit is echter niet het geval wanneer de verzoekende vereniging niet de rol van onderhandelaarster heeft gespeeld en de betrokken regeling haar geen enkel procedureel recht toekent (zie in die zin beschikking Gerecht van 8 juli 1999, Area Cova e.a./Raad en Commissie, T‑12/96, Jurispr. blz. II‑2301, punt 73).
41 Om te beginnen verleent geen enkele bepaling verzoeker procedurele rechten en heeft verzoeker geen rol gespeeld bij de totstandkoming van het litigieuze besluit van de Raad. Evenmin heeft hij aangetoond dat zijn rol van onderhandelaar, als Europees economisch samenwerkingsverband, door dit besluit is aangetast.
42 Verzoeker wordt dus door het besluit van de Raad niet individueel geraakt.
43 Wat vervolgens de vraag betreft of verzoeker door de litigieuze handelingen rechtstreeks wordt geraakt, blijkt uit vaste rechtspraak dat een gemeenschapshandeling een particulier alleen dan rechtstreeks raakt, wanneer zij rechtstreeks gevolgen heeft voor de rechtspositie van de betrokkene en de uitvoering ervan automatisch is en uitsluitend op de grondslag van de communautaire regeling plaatsvindt, zonder toepassing van nadere regels (zie arrest Gerecht van 12 juli 2001, Comafrica en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie, T‑198/95, T‑171/96, T‑230/97, T‑174/98 en T‑225/99, Jurispr. blz. II‑1975, punt 96, en aldaar aangehaalde rechtspraak). De verzoeker wordt dus niet rechtstreeks geraakt in de zin van artikel 230 EG, wanneer hij wordt geraakt door maatregelen van een lidstaat, die deze krachtens een gemeenschapsbepaling heeft genomen (zie in die zin arrest Hof van 18 januari 1979, Usines de Beaufort e.a./Raad, 103/78-109/78, Jurispr. blz. 17, punten 21 en 22). Wanneer de lidstaat echter niet over een eigen beoordelingsbevoegdheid beschikt, wordt de rechtstreekse band tussen de gemeenschapshandeling en de verzoeker daardoor echter niet verbroken (zie in die zin arrest Gerecht van 12 januari 1995, Branco/Commissie, T‑85/94, Jurispr. blz. II‑45, punt 27, en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bovendien heeft het Hof reeds verklaard dat in bepaalde gevallen de toepassing van nationale maatregelen ter uitvoering van een gemeenschapshandeling niet noodzakelijkerwijze tot een verbreking van de rechtstreekse band tussen de gemeenschapsmaatregel en de verzoeker leidt, wanneer deze handeling de lidstaat enkel een bevoegdheid in die zin verleent (zie in die zin arrest Hof van 17 januari 1985, Piraiki-Patraiki e.a./Commissie, 11/82, Jurispr. blz. 207, punten 7-9).
44 In casu wordt de voor verzoeker eventueel bezwarende handeling gevormd door de Noorse maatregelen, die zonder het besluit van het Gemengd Comité niet hadden kunnen worden vastgesteld.
45 De uit het arrest Piraiki-Patraiki e.a./Commissie, reeds aangehaald, voortvloeiende rechtspraak kan evenwel slechts van toepassing zijn met betrekking tot het besluit van het Gemengd Comité en niet met betrekking tot dat van de Raad. De Raad kan namelijk niet worden beschouwd als degene die de afwijking heeft verleend, maar enkel als een van de deelnemers aan dit besluit. Bovendien was het op het tijdstip van de vaststelling van het besluit van de Raad juridisch geenszins zeker of het besluit van het Gemengd Comité, een tussenmaatregel die de schakel vormde tussen het besluit van de Raad en de Noorse bepalingen, zou worden vastgesteld, aangezien de overwogen afwijkingsregeling evengoed bij de stemming door de vertegenwoordigers van de overeenkomstsluitende partijen in het Comité had kunnen worden verworpen. Bovendien bleef Noorwegen volledig vrij in de keuze, al dan niet gebruik te maken van de afwijkingsmogelijkheid die dat besluit eventueel zou bieden. Bijgevolg is de rechtstreekse band tussen het besluit van de Raad en de Noorse maatregelen verbroken. Verzoeker wordt dus niet rechtstreeks geraakt door het besluit van de Raad.
46 Het beroep tot nietigverklaring moet dus niet-ontvankelijk worden verklaard zonder dat het Gerecht zich hoeft uit te spreken over de vraag of het beroep eventueel te laat is ingesteld.
De exceptie van onwettigheid
Argumenten van partijen
47 De Commissie en de Raad achten de tegen de gemeenschappelijke verklaring van 1999 opgeworpen exceptie van onwettigheid niet-ontvankelijk, aangezien artikel 241 EG niet van toepassing kan zijn op een dergelijke verklaring en de principale vordering niet-ontvankelijk is.
48 Volgens verzoeker is de tegen de gemeenschappelijke verklaring van 1999 opgeworpen exceptie van onwettigheid ontvankelijk, omdat deze verklaring kan worden gelijkgesteld met een internationale overeenkomst in vereenvoudigde vorm, die voortvloeit uit een handeling van een gemeenschapsinstelling en derhalve deel uitmaakt van de Europese rechtsorde.
Beoordeling door het Gerecht
49 Volgens vaste rechtspraak vormt de door artikel 241 EG gecreëerde mogelijkheid om de onwettigheid in te roepen van een maatregel die de rechtsgrondslag van de bestreden handeling is, geen autonoom vorderingsrecht en kan zij slechts incidenteel worden benut, zodat niet-ontvankelijkheid van de principale vordering tot de niet-ontvankelijkheid van de exceptie van onwettigheid leidt (zie in die zin arrest Hof van 16 juli 1981, Albini/Raad en Commissie, 33/80, Jurispr. blz. 2141, punt 17, en beschikking Hof van 16 november 2000, Schiocchet/Commissie, C‑289/99 P, Jurispr. blz. I‑10279, punten 11 en 25).
50 Gelet op de niet-ontvankelijkheid van de vordering tot nietigverklaring is de exceptie van onwettigheid van de gemeenschappelijke verklaring van 1999 derhalve niet-ontvankelijk.
De ontvankelijkheid van de schadevordering
Argumenten van partijen
51 Volgens de Commissie had haar optreden geen rechtsgevolgen, zodat verzoeker er niet door kan zijn geschaad. Bovendien moet de schade in het kader van een beroep tot schadevergoeding worden gespecificeerd. In casu stelt verzoeker ter zake evenwel alleen extra kosten voor de aanpassing van zijn etikettering en het verlies van marktaandeel. Verzoeker heeft dus niet bewezen schade te hebben geleden.
52 De Raad acht de schadevordering niet-ontvankelijk omdat het verzoekschrift geen bewijs bevat, dat de Raad zich onrechtmatig zou hebben gedragen. Bovendien zijn de aard en de omvang van de schade alsook het causaal verband tussen het gedrag van de Raad en de schade niet aangetoond.
53 Verzoeker acht het gedrag van de Commissie en de Raad, dat tot het besluit van het Gemengd Comité en tot de gemeenschappelijke verklaring van 1999 heeft geleid, onrechtmatig. Volgens verzoeker is de geleden schade onmiddellijk en onherstelbaar, aangezien de etikettering van de in Noorwegen verkochte polyacrylamide moest worden gewijzigd, wat extra kosten tot gevolg had. Aangezien het bedrag van de schade nog niet vastgesteld en definitief is, verzoekt verzoeker verweerders te veroordelen een voorlopig bedrag van een euro te betalen, welk bedrag in de loop van de procedure zal worden verhoogd (arrest Hof van 14 mei 1975, CNTA/Commissie, 74/74, Jurispr. blz. 533). Bovendien stelt verzoeker ook immateriële schade te hebben geleden wegens de slechte naam die de indeling van polyacrylamide met meer dan 0,01 % acrylamide heeft gekregen, waardoor hij marktaandeel heeft verloren. Wat het causaal verband betreft, wijst verzoeker erop dat de geleden schade het gevolg is van het besluit van het Gemengd Comité.
Beoordeling door het Gerecht
54 Volgens artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering dient het verzoekschrift onder meer het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen te bevatten. Om aan dit vereiste te voldoen, moet een verzoekschrift strekkende tot vergoeding van de door een gemeenschapsinstelling veroorzaakte schade bevatten: de gegevens waardoor kan worden bepaald welke gedraging de verzoeker aan de instelling verwijt, de redenen waarom de verzoeker meent dat er tussen die gedraging en de gestelde schade een causaal verband bestaat, en de aard en de omvang van die schade (arresten Gerecht van 18 september 1996, Asia Motor France e.a./Commissie, T‑387/94, Jurispr. blz. II‑961, punten 106 en 107, en 6 mei 1997, Guérin automobiles/Commissie, T‑195/95, Jurispr. blz. II‑679, punten 20 en 21). Een vordering tot toekenning van een niet nader gespecificeerde schadevergoeding mist daarentegen voldoende bepaaldheid en moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard (arrest Hof van 2 december 1971, Aktien-Zuckerfabrik Schöppenstedt/Raad, 5/71, Jurispr. blz. 975, punt 9, en arrest Gerecht van 8 juni 2000, Camar en Tico/Commissie en Raad, T‑79/96, T‑260/97 en T‑117/98, Jurispr. blz. II‑2193, punt 181).
55 Een verzoeker hoeft het bedrag van de gestelde schade weliswaar nog niet te hebben becijferd, zolang hij maar wel duidelijke gegevens ter beoordeling van de aard en omvang van de schade verschaft, zodat de verweerder in staat is zich te verdedigen. In dergelijke omstandigheden tast het gebrek aan cijfergegevens in het verzoekschrift de rechten van de verdediging van de wederpartij niet aan.
56 In casu verduidelijkt verzoeker de aard van de schade niet en blijft hij vaag over een eventuele kwantificering ervan. Volgens verzoeker bestaat de geleden schade namelijk enerzijds in de extra kosten verband houdend met de wijziging van de etikettering van de door zijn leden in Noorwegen verkochte producten en de waarschuwingen over de gevaren van de producten met acrylamide, en anderzijds in het verlies van marktaandeel door de negatieve reclame voor de door zijn leden verkochte producten. Wat het gestelde verlies van marktaandeel betreft, bevat het verzoekschrift geen gegevens over de definitie van de markt. Voorts wordt de waarde en de omvang van de schade als gevolg van de wijziging van de etikettering onvoldoende toegelicht. Er wordt namelijk geen enkel cijfer genoemd om deze schade, al was het maar bij benadering, te kwantificeren. Evenmin blijkt duidelijk uit het verzoekschrift wie, het Europees economisch samenwerkingsverband of de leden ervan, de schade heeft geleden. Derhalve beperkt verzoekers betoog zich tot een loutere stelling, niet gesteund op relevante bewijsmiddelen die het Gerecht in staat zouden stellen de aard en omvang van deze schade te beoordelen.
57 Wegens het ontbreken van enerzijds een duidelijke omschrijving van de aard van de schade en anderzijds een approximatieve kwantificering ervan is de schadevordering derhalve niet-ontvankelijk.
Het ontbreken van beroepsmogelijkheden
58 Met betrekking tot verzoekers argument inzake het ontbreken van beroepsmogelijkheden dient te worden opgemerkt dat alleen de maatregelen die de Noorse autoriteiten ten vervolge op het besluit van het Gemengd Comité hebben genomen om uitvoering te geven aan de afwijkingen betreffende de concentratiegrenzen voor acrylamide, bezwarend kunnen zijn voor verzoeker of zijn leden. Het is dus de taak van de Noorse rechter, de rechtsbescherming van de justitiabelen tegen deze maatregelen te verzekeren. Bovendien kan het ontbreken van een beroepsmogelijkheid op gemeenschapsniveau niet leiden tot een wijziging van het in het EG-Verdrag neergelegde stelsel van beroepsmogelijkheden en procedures (zie in die zin arrest Commissie/Jégo-Quéré, reeds aangehaald).
Het interventieverzoek
59 In deze omstandigheden hoeft het Gerecht niet te beslissen op het interventieverzoek van het Koninkrijk Noorwegen ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie en Raad.
Kosten
60 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien verzoeker in het ongelijk is gesteld, dient hij te worden verwezen in de kosten van de Commissie en Raad.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Verzoeker zal zijn eigen kosten en die van de Commissie en de Raad dragen.
Luxemburg, 22 juli 2005.
De griffier
De president van de Tweede kamer
H. Jung
J. Pirrung
* Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy