BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)
5 maart 2007
Zaak T‑455/04
Derya Beyatli en Armagan Candan
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Ambtenaren – Algemeen vergelijkend onderzoek – Aankondiging van vergelijkend onderzoek – Termijnen – Klacht – Niet-ontvankelijkheid”
Betreft: Beroep tot nietigverklaring van het besluit van de voorzitter van de jury van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/1/03 van 5 mei 2004 waarbij verzoekers wordt meegedeeld dat zij niet zijn geslaagd voor het schriftelijk examen.
Beslissing: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard. Elke partij zal haar eigen kosten dragen.
Samenvatting
Ambtenaren – Beroep – Voorafgaande administratieve klacht – Begrip
(Ambtenarenstatuut, art. 90, lid 2; besluit 2002/620 van het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Rekenkamer, het Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio’s en de Ombudsman, art. 4)
Een brief van een kandidaat die niet is geslaagd voor het examen van een door het Bureau voor personeelsselectie van de Europese Gemeenschappen (EPSO) georganiseerd interinstitutioneel vergelijkend onderzoek, die uitsluitend is gericht tot het hoofd van delegatie van de Commissie in de lidstaat van de kandidaat, waarin in algemene bewoordingen wordt opgekomen tegen de discriminatie naar taal waarvan een aantal kandidaten het slachtoffer zou zijn geworden en de overtuiging tot uitdrukking wordt gebracht dat de Europese Unie het nodige zal doen om dat probleem op te lossen, maar geen nauwkeurig verzoek met betrekking tot het besluit van de jury van het vergelijkend onderzoek wordt geformuleerd, kan niet worden gekwalificeerd als een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut. Een dergelijk schrijven, dat voldoende nauwkeurigheid mist opdat de administratie het als een klacht kan opvatten, vormt een politieke demarche van de kandidaat opdat de Europese Unie de nodige maatregelen neemt om de gestelde discriminatie te doen beëindigen.
Het feit dat die brief die, indien hij als een klacht was bedoeld, overeenkomstig artikel 4 van besluit 2002/620 betreffende de oprichting van EPSO, tot EPSO had moeten worden gericht, aan EPSO kan worden bezorgd door het hoofd van delegatie van de Commissie, is niet relevant voor de kwalificatie ervan, die afhangt van zijn inhoud en niet van de eventuele bezorging ervan, door zijn adressaat, aan andere personen of instanties.
(cf. punten 45, 46, 48, 50 en 58)
Referentie: Hof 29 juni 2000, Politi/Europese Stichting voor opleiding, C‑154/99 P, Jurispr. blz. I‑509, punt 16
Full & Egal Universal Law Academy