23.2.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 51/8
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 11 december 2007 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Raad van State — Nederland) — Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie/R. N. G. Eind
(Zaak C-291/05) (1)
(Vrij verkeer van personen - Werknemers - Recht van verblijf van gezinslid met nationaliteit van derde land - Terugkeer van werknemer naar lidstaat waarvan hij nationaliteit bezit - Verplichting van lidstaat van herkomst van werknemer om gezinslid verblijfsrecht te verlenen - Bestaan van deze verplichting wanneer die werknemer geen reële en daadwerkelijke arbeid verricht)
(2008/C 51/14)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Raad van State
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie
Verwerende partij: R. N. G. Eind
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Nederlandse Raad van State — Uitlegging van artikel 10 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 2) en van richtlijn 90/364/EEG van de Raad van 28 juni 1990 betreffende het verblijfsrecht (PB L 180, blz. 26) — Uitlegging van artikel 18 EG — Verblijfsrecht van een gezinslid met de nationaliteit van een derde land — Bestaan van dit recht wanneer de werknemer geen reële en daadwerkelijke arbeid verricht — Terugkeer van de werknemer naar zijn staat van herkomst — Geen verblijfsrecht voor het gezinslid in die staat
Dictum
1)
In geval van terugkeer van een communautaire werknemer naar de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit, verplicht het gemeenschapsrecht de autoriteiten van die lidstaat niet om aan een persoon met de nationaliteit van een derde land die gezinslid van die werknemer is, een recht van binnenkomst en verblijf te verlenen, alleen op grond van het feit dat die persoon in de gastlidstaat waar die werknemer betaald werk heeft verricht, beschikte over een nog geldige verblijfsvergunning, afgegeven op basis van artikel 10 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2434/92 van de Raad van 27 juli 1992.
2)
Bij de terugkeer van een werknemer naar de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit nadat hij betaald werk heeft verricht in een andere lidstaat, heeft een tot het gezin van die werknemer behorende persoon met de nationaliteit van een derde land op grond van artikel 10, lid 1, sub a, van verordening nr. 1612/68, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2434/92, welke bepaling naar analogie wordt toegepast, een recht van verblijf in de lidstaat waarvan de werknemer de nationaliteit bezit, ook indien deze laatste aldaar geen reële en daadwerkelijke economische activiteit verricht. Dat een persoon met de nationaliteit van een derde land die gezinslid is van een communautaire werknemer, voorafgaand aan het verblijf in de lidstaat waar de werknemer betaald werk heeft verricht, naar nationaal recht geen verblijfsrecht had in de lidstaat waarvan die werknemer de nationaliteit bezit, is voor de beoordeling van het recht van deze persoon op verblijf in laatstgenoemde lidstaat van geen belang.
(1) PB C 296 van 26.11.2005.
Full & Egal Universal Law Academy