29.3.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 79/2
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 31 januari 2008 [verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Stato (Italië)] — Centro Europa 7 Srl/Ministero delle Comunicazioni e Autorità per le garanzie nelle comunicazioni, Direzione generale per le concessioni e le autorizzazioni del Ministero delle Comunicazioni
(Zaak C-380/05) (1)
(Vrij verrichten van diensten - Elektronische communicatie - Televisieomroepactiviteiten - Nieuw gemeenschappelijk regelgevingskader - Toewijzing van radiozendfrequenties)
(2008/C 79/02)
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Consiglio di Stato
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Centro Europa 7 Srl
Verwerende partijen: Ministero delle Comunicazioni e Autorità per le garanzie nelle comunicazioni, Direzione generale per le concessioni e le autorizzazioni del Ministero delle Comunicazioni
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Consiglio di Stato — Uitlegging van richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (machtigingsrichtlijn) (PB L 108, blz. 21) en richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn) (PB L 108, blz. 33) — Uitlegging van artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens — Verplichting van lidstaten om in sector van televisieomroepactiviteiten toegang tot netwerken en handhaving van pluraliteit van ondernemingen op de markt te verzekeren — Nationale regeling op grond waarvan individuele rechten mogen worden verleend aan ondernemingen die niet zijn gemachtigd volgens nationaal plan dat bepaalt wie concessiehouders van televisieomroepdiensten zijn, en op grond waarvan een volgens het nationale plan wel gemachtigde onderneming wordt belet haar activiteit te verrichten
Dictum
Artikel 49 EG en, vanaf de toepasselijkheid ervan, artikel 9, lid 1, van richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (Kaderrichtlijn), de artikelen 5, leden 1 en 2, tweede alinea, en 7, lid 3, van richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (Machtigingsrichtlijn), alsook artikel 4 van richtlijn 2002/77/EG van de Commissie van 16 september 2002 betreffende de mededinging op de markten voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten dienen aldus te worden uitgelegd dat zij, op het gebied van de televisieomroep, in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling waarvan de toepassing ertoe leidt dat een exploitant die een vergunning heeft, niet kan uitzenden bij ontbreken van aan de hand van objectieve, doorzichtige, niet-discriminerende en proportionele criteria toegewezen radiozendfrequenties.
(1) PB C 10 van 14.1.2006.
Full & Egal Universal Law Academy