CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
D. RUIZ-JARABO COLOMER
van 9 februari 2006 (1)
Gevoegde zaken C‑7/05 tot en met C‑9/05
Saatgut-Treuhandverwaltungs GmbH
tegen
Erfgenamen van Dieter Deppe
[Ulrich Deppe; Hanne-Rose Deppe;
Thomas Deppe; Matthias Deppe;
Christine Urban (geboren Deppe)];
Saatgut-Treuhandverwaltungs GmbH
tegen
Siegfried Hennings
en
Saatgut-Treuhandverwaltungs GmbH
tegen
Hartmut Lübbe
[Verzoeken van het Bundesgerichtshof (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Kweekproducten – Hoogte van de billijke vergoeding voor houder van communautair kwekersrecht”
I – Inleiding
1. Het Hof van Justitie heeft zich bij verschillende gelegenheden(2) uitgesproken over de gemeenschapsbepalingen met betrekking tot kweekproducten(3), hoewel de onderwerpen die tot nu toe aan de orde zijn gekomen gingen over de te verschaffen informatie of over het recht van de houder [van het kwekersrecht] om die in te winnen om de vergoeding te berekenen voor het gebruik van de zogenoemde afwijking ten gunste van landbouwers of het landbouwersvoorrecht.
2. De vijf prejudiciële vragen die het Bundesgerichtshof krachtens artikel 234 EG heeft opgeworpen gaan niet over de verbazingwekkende composities die een maniëristische schilder op het doek heeft gezet, waarin de optische illusie van een portret wordt gewekt door het weergeven van allerlei bloemen, fruit en groente(4), maar over de billijke vergoeding die voor het gebruik van dat voorrecht verschuldigd is aan de kweker van een ras dat door communautair recht is beschermd.
3. Op het door het hoogste Duitse rechtsorgaan gedane verzoek om een prejudiciële beslissing is van invloed geweest, dat de lagere rechters van dat land bij beslissingen in dergelijke geschillen verschillend hebben geoordeeld.
II – Het rechtskader
4. Het „landbouwersvoorrecht” is ingesteld bij verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht (hierna: „basisverordening”).(5)
5. Onder het opschrift „Afwijking van het communautaire kwekersrecht”, wordt in artikel 14, lid 1, gesteld:
„1. Onverminderd artikel 13, lid 2, worden landbouwers met het oog op de bescherming van de landbouwproductie gemachtigd om voor vermeerderingsdoeleinden in het veld, op hun eigen bedrijf het product te gebruiken van de oogst die zij hebben verkregen door aanplanting op hun eigen bedrijf van teeltmateriaal van een ras, hybriden of kunstmatig verkregen rassen uitgezonderd, dat onder een communautair kwekersrecht valt.”
6. Lid 2 beperkt de toepassing van die regel tot bepaalde soorten voedergewassen zoals bijvoorbeeld kikkererwten, gele lupine of luzerne, sommige graansoorten, aardappelen en bepaalde oliehoudende gewassen zoals koolzaad, raapzaad of lijnzaad.(6)
7. De uitvoering van die afwijking wordt als volgt geregeld in lid 3 van het artikel:
„Om uitvoering te geven aan de in lid 1 bedoelde afwijking en om de rechtmatige belangen van de kweker en van de landbouwer te beschermen, worden vóór de inwerkingtreding van deze verordening, in krachtens artikel 114 op te stellen uitvoeringsbepalingen, voorwaarden vastgelegd aan de hand van de volgende criteria:
[...]
– het oogstproduct mag door de landbouwer zelf of via voor hem verrichte diensten worden verwerkt voor aanplanting, onverminderd bepaalde beperkingen die de lidstaten inzake de organisatie van de verwerking van het oogstproduct kunnen opleggen, met name om ervoor te zorgen dat het product vóór verwerking identiek is aan het product na verwerking;
– kleine landbouwers hoeven geen vergoeding aan de houder te betalen; [...]
– andere landbouwers moeten aan de houder een billijke vergoeding betalen die aanmerkelijk lager is dan het bedrag dat in rekening wordt gebracht voor het in licentie produceren van teeltmateriaal van hetzelfde ras in hetzelfde gebied; deze billijke vergoeding kan in de loop van de tijd in hoogte variëren, waarbij rekening wordt gehouden met de mate waarin voor het betrokken ras gebruik wordt gemaakt van de afwijking bedoeld in lid 1;
– [...]”
8. De structuur van dit recht is gewijzigd in verordening (EG) nr. 1768/95 van de Commissie van 24 juli 1995 houdende vaststelling, overeenkomstig artikel 14, lid 3, van verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad inzake het communautaire kwekersrecht, van uitvoeringsbepalingen betreffende de afwijking ten gunste van landbouwers (hierna: „uitvoeringsverordening”).(7) Binnen hoofdstuk 3 van die verordening spreekt artikel 5 in de volgende termen over die vergoeding:
„1. De hoogte van de billijke vergoeding die overeenkomstig artikel 14, lid 3, vierde streepje, van de [basisverordening] aan de houder moet worden betaald, kan worden vastgesteld bij overeenkomst tussen de houder en de betrokken landbouwer.
2. Wanneer geen dergelijke overeenkomst is gesloten of wanneer ze niet van toepassing is, moet de vergoeding aanmerkelijk lager zijn dan het bedrag dat in rekening wordt gebracht voor het in hetzelfde gebied in licentie produceren van teeltmateriaal van de laagste categorie van hetzelfde ras die voor officiële certificering in aanmerking komt.
Wanneer in het gebied waar het bedrijf van de landbouwer zich bevindt, geen productie in licentie van teeltmateriaal van het betrokken ras heeft plaatsgevonden en wanneer de hoogte van voornoemd bedrag niet in de gehele Gemeenschap gelijk is, moet de vergoeding aanmerkelijk lager zijn dan het bedrag dat normaliter voor voornoemd doel wordt begrepen in de prijs waartegen teeltmateriaal van de laagste categorie van dat ras die voor officiële certificering in aanmerking komt, in dat gebied wordt verkocht, met dien verstande dat ze niet hoger mag zijn dan voornoemd bedrag dat in rekening wordt gebracht in het gebied waar dat teeltmateriaal is geproduceerd.
3. De vergoeding wordt overeenkomstig het bepaalde in lid 2 als aanmerkelijk lager in de zin van artikel 14, lid 3, vierde streepje, van [de basisverordening] beschouwd, indien ze niet hoger is dan noodzakelijk om, als economische factor die bepaalt in welke mate van de afwijking gebruik wordt gemaakt, een redelijk evenwichtige verhouding tot stand te brengen of in stand te houden tussen het gebruik van in licentie geproduceerd teeltmateriaal en de aanplanting van het oogstproduct van de verschillende rassen waarvoor een communautair kwekersrecht is verleend. Deze verhouding wordt als redelijk evenwichtig beschouwd, indien daardoor wordt gewaarborgd dat de houder over het geheel genomen een passende beloning voor het totale gebruik van zijn ras ontvangt.”
9. Verordening (EG) nr. 2605/98 (hierna: „derde verordening”)(8) heeft aan dat artikel vier leden toegevoegd, waarvan hier alleen lid 4 en 5 van belang zijn, die als volgt luiden:
„4. Wanneer in het in lid 2 bedoelde geval de hoogte van de vergoeding is vastgelegd in overeenkomsten tussen organisaties van houders en organisaties van landbouwers of loonwerkers, die in de Gemeenschap op communautair, nationaal of regionaal niveau zijn opgericht, dient de overeengekomen hoogte van de vergoedingen als richtsnoer voor het bepalen van de vergoeding die in het betrokken gebied en voor de betrokken soort moet worden betaald, op voorwaarde dat de hoogte van deze vergoedingen en de desbetreffende voorwaarden door gemachtigde vertegenwoordigers van de betrokken organisaties schriftelijk ter kennis van de Commissie zijn gebracht, en op grond daarvan de overeengekomen hoogte van de vergoedingen en de desbetreffende voorwaarden in het ‚Mededelingenblad’ van het Communautair Bureau voor Plantenrassen zijn gepubliceerd.
5. Wanneer in het in lid 2 bedoelde geval geen overeenkomst als bedoeld in lid 4 geldt, moet een vergoeding worden betaald die gelijk is aan 50 % van de bedragen die worden aangerekend voor het in licentie produceren van teeltmateriaal, als bedoeld in lid 2.
Indien een lidstaat de Commissie evenwel vóór 1 januari 1999 heeft meegedeeld dat in de zeer nabije toekomst op nationaal of regionaal niveau een overeenkomst als bedoeld in lid 4 tussen de betrokken organisaties zal worden gesloten, moet in het betrokken gebied en voor de betrokken soort slechts een vergoeding van 40 %, in plaats van vorenvermelde 50 % worden betaald, indien vóór de inwerkingtreding van een dergelijke overeenkomst en uiterlijk 1 april 1999 gebruik is gemaakt van de afwijking ten gunste van landbouwers.”
10. Om te kunnen antwoorden op de vragen die door het Bundesgerichtshof zijn gesteld moeten ook de vijfde en zesde overweging van de considerans van de derde verordening worden aangehaald, waarin het heet
„[...]
[dat] het zaak is de overeenkomsten te laten dienen als communautair richtsnoer voor wat betreft de hoogte van de vergoeding voor de respectieve gebieden en de respectieve soorten;” en
„[dat] in gebieden en voor soorten waarvoor geen dergelijke overeenkomsten zijn gesloten, de vergoeding die moet worden betaald in principe gelijk moet zijn aan 50 % van de bedragen die worden aangerekend voor het in licentie produceren van teeltmateriaal, gedifferentieerd volgens een adequate glijdende schaal, indien voor de respectieve nationale kwekersrechten een dergelijke schaal is vastgesteld;
[...]”
III – De feiten en de prejudiciële vragen
11. Bij het Bundesgerichtshof zijn vier procedures aanhangig over de vraag of een vergoeding die betaald moet worden voor het aanplanten van zaad dat op grond van het communautair kwekersrecht is beschermd, billijk is.
12. De eiseres in drie van deze vier procedures is een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid waarin houders van kwekersrechten zich hebben georganiseerd, die belast is met de bescherming van die rechten, in het bijzonder met het uitoefenen van de rechten op informatie en op betaling.
13. Deze organisatie vordert de betaling van de vergoeding voor het aanplanten van de volgende plantenrassen die op grond van het gemeenschapsrecht zijn beschermd:
– wintergerst „Theresa” en wintertarwe van het ras „Bandit”, „Contur” en „Titmo”, in het verkoopseizoen 1998/1999 aangeplant door de heer Deppe, die oorspronkelijk in de zaak C‑7/05 de verwerende partij was, maar die tijdens de procedure is overleden, zodat zijn erfgenamen nu gesubrogeerd zijn in zijn processuele positie;
– aardappelen van het ras „Solara”, gepoot in de periode 1999/2000 door de heer Hennings, verweerder in zaak C‑8/05;
– aardappelen van datzelfde ras, wintergerst van de rassen „Theresa” en „Duet”, alsmede tarwe van het ras „Ritmo”, aangeplant in het veld van de heer Lübbe, in de zaak C‑9/05, in het seizoen 1998/1999.
14. De drie landbouwers informeerden de verzoekende partij in de hoofdgedingen over het gebruik van dat zaaigoed en weigerden zich aan te sluiten bij de samenwerkingsovereenkomst ter zake van landbouw en plantenteelt (Kooperationsabkommen Landwirtschaft und Pflanzenzüchtung; hierna: „samenwerkingsovereenkomst 1996”), die op 3 juni van dat jaar tussen de Duitse boerenbond (Deutscher Bauernverband e.V.) en de Duitse plantenkwekerbond (Bundesverband Deutscher Pflanzenzüchter e.V.) was gesloten, en die op 16 augustus 1999 was gepubliceerd in het Mededelingenblad van het Communautair Bureau voor Plantenrassen. In het jaar 2000 sloten die beroepsorganisaties een nieuwe overeenkomst die zou gelden in de periode vanaf de oogst van 2001 en die voorzag in een vergoeding tot 60 % van het licentierecht voor gecertificeerd zaad (hierna: „C-rechten”). Bij de daarop volgende actualiseringen is de gevraagde vergoeding in sommige gevallen slechts 45 %.
15. De betrokken houders van kwekersrechten hebben eiseres gemachtigd om de vergoeding te vorderen. Eiseres stelde voor het verkoopseizoen 1998/1999 de vergoeding die verschuldigd was door landbouwers die geen overeenkomst tot het aanplanten van oogstmateriaal hadden gesloten, vast op 80 % van de C-rechten.
16. Toen de drie landbouwers weigerden de bedragen te betalen die daarvoor in rekening werden gebracht, heeft Saatgut-Treuhandverwaltung zich gewend tot het Landgericht Braunschweig (rechtbank van eerst aanleg), dat haar vorderingen grotendeels toewees.
17. Het Oberlandesgericht Braunschweig wees echter de door de eiseres ingestelde hoger beroepen af(9), waarin deze de betaling vorderde van de bedragen die berekend waren op basis van 80 % van de eerdergenoemde C-rechten.(10)
18. Nadat cassatieberoep was ingesteld heeft het Bundesgerichtshof, dat van oordeel was dat de beslissing over het geschil afhing van de uitlegging van het gemeenschapsrecht en in het bijzonder van artikel 5, leden 2, 4 en 5, van de uitvoeringsverordening, besloten de procedure te schorsen en overeenkomstig artikel 234 EG het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen om een prejudiciële beslissing te verzoeken over de volgende vragen:
„1) Wordt ook dan voldaan aan het vereiste van artikel 5, lid 2, van de [uitvoerings]verordening dat een voor het aanplanten van oogstmateriaal vastgestelde vergoeding ‚aanmerkelijk lager’ is dan het bedrag dat in rekening wordt gebracht voor het in hetzelfde gebied in licentie produceren van teeltmateriaal, wanneer deze vergoeding forfaitair wordt vastgesteld op 80 % van dit bedrag?
2) Bevat artikel 5, leden 4 en 5, van die verordening een waardebepaling met betrekking tot de hoogte van de vergoeding voor het aanplanten van oogstmateriaal ingeval deze vergoeding bij wet wordt vastgesteld?
Zo ja: geldt deze waardebepaling, als uitdrukking van een algemeen beginsel, ook voor het geval van aanplanten van oogstmateriaal dat vóór de inwerkingtreding van de [derde] verordening plaatsvond?
3) Impliceert de richtsnoerfunctie van een overeenkomst tussen organisaties van houders en van landbouwers in de zin van artikel 5, lid 4, van de uitvoeringsverordening, dat ingeval de vergoeding bij wet wordt vastgesteld, de essentiële elementen van deze overeenkomst (parameters voor de berekening) ook worden overgenomen wanneer de houder bij de berekening van de wettelijke vergoeding niet beschikt over alle de aanplanter betreffende parameters die nodig zijn voor de berekening op grond van de overeenkomst, en hij dienaangaande ook niet kan eisen dat deze landbouwer hem de betreffende gegevens meedeelt?
Zo ja: dient voor de geldigheid van een dergelijke overeenkomst, voorzover zij als richtsnoer in deze zin moet fungeren, ook dan te zijn voldaan aan de eis van het genoemde artikel 5, lid 4, wanneer die overeenkomst vóór de inwerkingtreding van de [derde] verordening is gesloten?
4. Stelt artikel 5, lid 5, van de uitvoeringsverordening een bovengrens voor de vergoeding in geval van een contractuele en/of wettelijke vergoedingsregeling?
5. Kan een overeenkomst tussen beroepsorganisaties als richtsnoer in de zin van artikel 5, lid 4, van die verordening fungeren, wanneer daarin het in artikel 5, lid 5, van diezelfde verordening vastgestelde vergoedingstarief van 50 % wordt overschreden?”
IV – Procesverloop voor het Hof van Justitie
19. De drie beslissingen tot verwijzing door het Bundesgerichtshof, gewezen op 11 oktober 2004, zijn ter griffie van het Hof van Justitie geregistreerd op 14 januari 2005, en werden bij beschikking van 26 januari 2005 wegens verknochtheid gevoegd.
20. Binnen de in artikel 20 van het Statuut-EG van het Hof van Justitie vastgestelde termijn hebben Saatgut-Treuhandverwaltungs GmbH, de erven van de heer Deppe, de heer Hennings, de heer Lübbe, de Duitse regering en de Commissie schriftelijke opmerkingen ingediend.
21. Ter terechtzitting van 12 januari 2005 zijn de vertegenwoordigers van de partijen in het hoofdgeding en van de Commissie verschenen.
V – Analyse van de prejudiciële vragen
A – Voorafgaande feiten
22. De regelgeving over het landbouwersvoorrecht vormt een volmaakte weerspiegeling van het evenwicht in een debat dat gevoed wordt door twee tegengestelde standpunten. Aan de ene kant staat de visie van de landbouwpolitiek van de Gemeenschap, waarin nog de idee van de vermeerdering van de productie als voornaamste doel prevaleerde(11), wat duidelijk naar voren komt in artikel 14, lid 1, van de basisverordening, waarin landbouwers gemachtigd worden om van dat exclusieve recht gebruik te maken met het oog op „[...] de bescherming van de landbouwproductie [...]”.
23. Aan de andere kant staat de visie van de kwekers, ingegeven door het industriebeleid, het onderzoeks‑ en het ontwikkelingsbeleid, die ernaar streven een goede wettelijke regeling te verkrijgen om hun activiteiten binnen de Unie te bevorderen. In die context is het niet te verwonderen dat de strijd heftig was en dat het verkregen compromis acceptabel werd geacht.(12)
24. Men kan zich afvragen of, bij de latere ontwikkeling van de regeling voor de markt voor landbouw en veeteelt, die meer gericht is op vrije concurrentie(13), zo’n voorrecht zou zijn opgenomen; in ieder geval moet de derde verordening worden gezien als een bescheiden stap in die richting door een grotere rol toe te delen aan overeenkomsten tussen organisaties van producenten en van kwekers van nieuwe rassen.
B – De billijke vergoeding (eerste vraag)
25. De verwijzende rechter wil weten of een vergoeding van 80 % van de C-rechten voldoet aan de eis van artikel 5, lid 2, van de uitvoeringsverordening, dat een voor het aanplanten van oogstmateriaal in rekening gebrachte vergoeding „aanmerkelijk lager” moet zijn dan het bedrag dat in rekening wordt gebracht voor het in licentie produceren van teeltmateriaal.
26. Alvorens verder te gaan is het dienstig om een korte schets te geven van het huidige systeem zoals dat door de drie verordeningen is geregeld. Deze structureren het vergoedingssysteem van de kweker rondom drie mogelijkheden: de overeenkomst tussen degene die het ras heeft gekweekt en de landbouwer(14); de overeenkomsten tussen de organisaties van de ene en van de andere partij(15); tenslotte wordt, als subsidiaire vorm ten opzichte van de bovengenoemde oplossingen, de hoogte van de vergoeding vastgesteld op grond van bepaalde richtingen die in de verordeningen worden aangegeven.(16) Nu het vaststaat dat de heren Deppe, Hennings en Lübbe geen individuele overeenkomst hadden gesloten met een kweker, en zich evenmin bij een overeenkomst hadden aangesloten, moet de oplossing worden gezocht in de derde mogelijkheid.
27. Het criterium dat door artikel 14, lid 3, vierde streepje, van de basisverordening aan de communautaire wetgever wordt opgelegd voor de beoordeling van de billijkheid van een vergoeding, is dat deze „aanmerkelijk lager” moet zijn dan het bedrag dat in rekening wordt gebracht voor het in licentie produceren van C-rechten, en ook de uitvoeringsverordening legt de nadruk op dat aspect in artikel 5, lid 2, waarin wordt herhaald dat die vergoeding „aanmerkelijk lager” moet zijn dan dat bedrag; bovendien wordt in de derde verordening het percentage voor de productie in licentie van beschermd zaaigoed vastgesteld op 50 %.(17)
28. Ook moet worden opgemerkt dat dit criterium wordt toegepast op „de laagste categorie van dat ras die voor officiële certificering in aanmerking komt, in dat gebied”, volgens artikel 5, lid 2, van de uitvoeringsverordening, waar lid 5 van datzelfde artikel naar verwijst. Met betrekking tot die categorie kan alleen die worden bedoeld die lagere kosten voor de landbouwer oplevert.
29. Uit deze premissen valt af te leiden dat de vergoedingen die op grond van de uitzonderingsregel aan de houder van het kwekersrecht van het ras voldaan moeten worden, op een niveau moeten liggen dat werkelijk lager is dan de C-rechten.
30. Een vergoeding ter hoogte van 80 % lijkt dus niet adequaat, hoewel, zoals de Commissie in haar opmerkingen stelt, onderscheid moet worden gemaakt tussen de gevallen vóór of na de inwerkingtreding van de derde verordening. Omdat er een concrete regeling bestaat voor die laatste gevallen, is het relevant die als eerste te onderzoeken.
31. Artikel 5, lid 5, van de uitvoeringsverordening introduceerde, onder bepaalde omstandigheden, de tijdelijke geldigheid van een vergoeding van 40 % van de C-rechten. Na een korte periode(18) geldt opnieuw de 50 % van lid 4. Overweging negen van de considerans van de genoemde verordening legt deze bepaling uit als een behoefte om het sluiten van overeenkomsten tussen organisaties van kwekers en van landbouwers te stimuleren, door een percentage vast te stellen dat nog lager is dan normaal.
32. Men kan hieruit twee conclusies trekken: ten eerste, dat er een voorkeur bestaat voor oplossingen door middel van overeenkomsten en dat men om dat te bereiken druk uitoefent op een van de partijen; ten tweede, dat de vergoeding waardoor de houder van het kwekersrecht een passende beloning krijgt, als er geen overeenkomst is gesloten, rond de 50 % fluctueert, hoewel wordt gesuggereerd dat in het belang van een van de partijen dat percentage licht zou kunnen stijgen in het kader van de onderhandelingen. In die zin moet de overeenkomst worden verstaan die in het jaar 2000 tussen de beroepsorganisaties van landbouwers en van kwekers is gesloten, waarin werd uitgegaan van een vergoeding van maximaal 60 % van die rechten.
33. Het stelsel met betrekking tot het gebruik maken van de afwijking voordat de derde verordening van kracht was, wordt bepaald door artikel 14 van de basisverordening en artikel 5, leden 1 tot en met 3, van de uitvoeringsverordening. Volgens dit laatstgenoemde lid wordt de vergoeding alleen dan als aanmerkelijk lager beschouwd, indien zij niet hoger dan noodzakelijk is om een redelijk evenwichtige verhouding tot stand te brengen of in stand te houden tussen het gebruik van in licentie geproduceerd teeltmateriaal en de aanplanting van het oogstproduct, en wanneer daardoor wordt gewaarborgd dat de houder een passende beloning voor het gebruik van zijn ras ontvangt.
34. Naar mijn mening moet nog met andere omstandigheden rekening worden gehouden. Zo wordt een korting van 20 %, al lijkt die in het bedrijfsleven royaal, minder interessant in het kader van de afwijking ten gunste van landbouwers, die in feite de vruchten van hun eigen werk en inspanning verbouwen en deze verrijken met de eigenschappen van hun grond.(19) Bovendien heeft de aanplanter geen enkele invloed op een ander element, de C-rechten, voor de berekening van de uiteindelijke prijs, omdat hij niet is aangesloten bij een overeenkomst voor het in licentie produceren van teeltmateriaal, zodat de prijs die aan de kweker, die wél een grote invloed uitoefent, moet worden betaald, uiteindelijk afhankelijk is van externe factoren.
35. De verweerders in de hoofdgedingen hebben aangevoerd dat door het marktmonopolie van Saatgut-Treuhandverwaltung GmbH de vrije concurrentie wordt verstoord en dat bovendien de criteria die in de verordeningen worden genoemd om te beoordelen of een vergoeding billijk is, maken dat rekening moet worden gehouden met lokale, regionale of nationale factoren.
36. Al die factoren die invloed hebben op de billijkheid van de „aanmerkelijk lagere” vergoeding voor het gebruik maken van het landbouwersvoorrecht, zijn dus afhankelijk van de omstandigheden van elk apart geval en moeten door de bevoegde rechterlijke instantie worden beoordeeld.(20)
37. In het licht van de bovenstaande overwegingen geef ik in overweging, op de eerste vraag te antwoorden dat een vergoeding van 80 % voor de gebruikmaking van de afwijking ten gunste van landbouwers van artikel 14, lid 3, van de basisverordening niet voldoet aan de voorwaarde dat die vergoeding „aanmerkelijk lager” moet zijn dan het bedrag dat in rekening wordt gebracht voor het in licentie produceren van teeltmateriaal, in de zin van artikel 5, lid 2, van de uitvoeringsverordening, onverminderd de beoordeling door de nationale rechter van de overige in het respectieve hoofdgeding relevante omstandigheden.
C – De criteria voor de vaststelling van het bedrag van de vergoeding (de tweede vraag)
38. Het eerste deel van de tweede vraag houdt in of voor het bepalen van de rechten van de kweker de leden 4 en 5 van artikel 5 van de uitvoeringsverordening de regels bevatten om het bedrag van de vergoeding te beoordelen.
39. Uit de strekking van die bepalingen is, met betrekking tot lid 4, duidelijk af te lezen dat die regels moeten voorkomen in de overeenkomsten tussen de organisaties van houders en die van landbouwers die als richtlijnen dienen wanneer aan de andere vereisten van dat lid en aan de eisen van de leden 2 en 3 van dat artikel is voldaan.
40. Lid 5 van artikel 5 bepaalt echter het percentage voor de vergoeding voor het gebruik van het landbouwersvoorrecht op 50 %, met als enige uitzondering de eventuele differentiatie volgens een nationale glijdende schaal, conform de zevende overweging van de considerans van de derde verordening.
41. Het tweede deel van de vraag refereert aan de mogelijke toepassing van dat percentage met terugwerkende kracht, als uiting van een algemeen concept, op de aanplanten die vóór de inwerkingtreding van die verordening zijn verricht.
42. In verhouding tot het stelsel dat gold voordat de verordening was aangenomen, vormen de genoemde leden 4 en 5 een aanvulling die nieuwe elementen inhoudt, namelijk de richtsnoerfunctie van de overeenkomsten tussen de betrokken beroepsgroepen, alsmede het genoemde percentage. Volgens de Commissie zou het in strijd zijn met de rechtszekerheid om de derde verordening met terugwerkende kracht toe te passen op transacties van dat type die zijn aangegaan in perioden voordat die artikelen golden. De Commissie heeft echter geen gelijk met haar opvatting dat artikel 5, lid 5, van de uitvoeringsverordening een regime instelt dat geheel anders is dan de oorspronkelijke versie.
43. Zo blijkt uit de twee in artikel 5 opgenomen verwijzingen naar lid 2 van dat artikel dat het de bedoeling was die bepaling te verbeteren en te verfijnen. Daarom, ook al moet een terugwerkende kracht van die bepaling op eerder vastgelegde situaties worden uitgesloten, dient deze als richtsnoer om de hoogte van de vergoeding te bepalen.
44. Naar aanleiding van deze uiteenzettingen geef ik het Hof van Justitie in overweging, op de tweede prejudiciële vraag te antwoorden dat de criteria om het bedrag van de vergoeding voor de kweker te bepalen te vinden zijn in artikel 5, lid 5, van de uitvoeringsverordening, en dat deze geen terugwerkende kracht hebben, maar wel als richtsnoer kunnen dienen voor de beoordeling van de berekening van de vergoeding voor aanplantingen die gedaan zijn vóór het inwerkingtreden van dat lid.
D – De richtsnoerfunctie van overeenkomsten tussen organisaties van kwekers en van landbouwers (de derde en de vijfde vraag)
45. In het eerste deel van de derde vraag informeert de verwijzende rechter naar de reikwijdte van een overeenkomst tussen organisaties van houders van kwekersrechten van plantenrassen en die van landbouwers, wanneer de hoogte van de vergoeding niet vaststaat, of wanneer het niet mogelijk is alle informatie te vergaren die nodig is om het bedrag van een billijke vergoeding voor het gebruik van de uitzonderingsregeling te berekenen, terwijl in het tweede deel gevraagd wordt naar de formele vereisten voor die overeenkomsten. Deze formele aspecten dienen eerst te worden behandeld.
46. Uit artikel 5, lid 4, van de uitvoeringsverordening is af te leiden dat de richtsnoerfunctie van dergelijke overeenkomsten afhangt van de vraag of de hoogte van de vergoeding en de voorwaarden daarvan zijn medegedeeld aan de Commissie en gepubliceerd zijn in het Mededelingenblad van het Communautair Bureau voor Plantenrassen.
47. Uit het karakter sine qua non van die eisen, alsmede uit het feit dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen de overeenkomsten die vóór of na de inwerkingtreding van de derde verordening zijn gesloten, moet worden opgemaakt dat het tijdstip van de overeenkomst geen enkele invloed uitoefent, en dat het voldoende is als aan die twee eisen is voldaan.
48. Zo gezien, geldt de uitvoeringsverordening voor alle landbouwers die onder het genoemde stelsel vallen in het gebied waar de overeenkomst geldt. Het antwoord op het eerste deel van de derde vraag gaat van deze fundamentele premisse uit.
49. Ik heb al aangegeven dat de reden om zoveel macht te geven aan de overeenkomsten tussen de genoemde organisaties is gelegen in de wens om die te stimuleren, met het onderliggende doel hinderlijke transacties te voorkomen. Ik wil er bovendien op wijzen dat deze functie van lichtend baken juist moet dienen voor die landbouwers die niet zijn aangesloten bij overeenkomsten tussen organisaties, want het is bedoeld om onwillige landbouwers, die zich liever houden aan een officiële berekening vanwege de lagere kosten, ertoe te bewegen zich bij een overeenkomst aan te sluiten, omdat verondersteld mag worden dat de organisatie waartoe zij behoren, naast een percentage dat rechtvaardig is voor hun belangen, andere voordelen in de tekst van haar overeenkomst heeft kunnen opnemen.
50. Elk criterium voor de berekening levert daarom inspiratie op bij de bepaling van een vergoeding voor landbouwers die zich bij geen enkele overeenkomst hebben aangesloten. Juist door hun karakter van richtsnoer, worden die criteria echter niet zonder meer toegepast, en worden de overwegingen weer belangrijker die bij de behandeling van de eerste vraag zijn geformuleerd, wanneer de richtwaarde van een percentage wordt aangevochten, omdat dat percentage excessief hoog lijkt.
51. Tenslotte moet met betrekking tot de vijfde vraag worden verduidelijkt dat artikel 5, lid 5, van de uitvoeringsverordening de billijke vergoeding voor de kweker vaststelt op 50 %, mits er geen overeenkomst van toepassing is van het type dat beschreven wordt in lid 4. Uit de systematiek van beide bepalingen blijkt dat de tweede subsidiair is aan de eerste. Krachtens het principe van de wils-autonomie bindt het overeengekomen percentage degenen die erin hebben toegestemd zich te binden, en functioneert het als richtsnoer voor degenen die niet bij een overeenkomst zijn aangesloten. Als er geen overeenkomst is gesloten geldt lid 5, dat, zoals gezegd, als richtsnoer dient voor de bepaling of een vergoeding billijk is, wanneer deze wordt aangevochten; een situatie waarin alleen een landbouwer kan verkeren die geen enkele overeenkomst heeft gesloten.
52. Op grond van de bovenstaande opmerkingen geef ik het Hof van Justitie in overweging op de derde en de vijfde vraag te antwoorden dat de richtinggevende functie van de overeenkomsten tussen organisaties van houders van kwekersrechten en van landbouwers, waarnaar in artikel 5, lid 4, van de uitvoeringsverordening wordt verwezen, inhoudt dat bij de beoordeling van een billijke vergoeding de criteria voor de berekening als richtsnoer gelden wanneer die ter kennis van de Commissie zijn gebracht en zijn gepubliceerd in het Mededelingenblad van het Communautair Bureau voor Plantenrassen, waarbij zij aangetekend dat daarop alleen een beroep kan worden gedaan in het kader van het genoemde lid, maar niet in het kader van lid 5.
E – De reikwijdte van het percentage van 50 % van artikel 5, lid 5, van de uitvoeringsverordening (de vierde vraag)
53. Het Bundesgerichtshof verzoekt om verduidelijking of dit percentage een bovengrens vormt voor het bepalen van de vergoeding op grond van een overeenkomst, of op de wijze zoals voorzien in de uitvoeringsverordening.
54. In de eerste plaats regelt de omstreden bepaling geen contractuele situaties, zodat die vraag hier niet relevant is.
55. In de tweede plaats volgt uit de tekst zelf van deze bepaling dat het genoemde percentage bindend is, en niet louter een boven‑ of benedengrens vormt. Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door het feit dat de gemeenschapswetgever in de tweede zin van deze bepaling een uitzondering heeft opgenomen, omdat deze uitzondering, zoals blijkt uit de considerans van de derde verordening, slechts voor een beperkte periode van toepassing is, en bedoeld is om de organisaties van kwekers en van landbouwers ertoe te bewegen snel nieuwe overeenkomsten te sluiten vóór een bepaalde datum.
56. Op grond van die overwegingen geef ik in overweging op de vierde vraag te antwoorden dat artikel 5, lid 5, van de uitvoeringsverordening een onveranderlijk percentage van de vergoeding aangeeft, en niet een bovengrens, als die vergoeding overeenkomstig artikel 5, lid 5, moet worden vastgesteld wanneer er geen overeenkomst bestaat tussen de houder van het kwekersrecht en de landbouwer.
VI – Conclusie
57. In het licht van alles wat hier is aangevoerd geef ik het Hof van Justitie in overweging de door het Bundesgerichtshof gestelde prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden:
„1) Een percentage van 80 % als vergoeding bij toepassing van de afwijking ten gunste van landbouwers, zoals die is vastgesteld in artikel 14, lid 3, van de verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht, voldoet niet aan het vereiste dat deze ‚aanmerkelijk lager’ is dan het bedrag dat in rekening wordt gebracht voor het in licentie produceren van teeltmateriaal, in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening (EG) nr. 1768/95 van de Commissie van 24 juli 1995 houdende vaststelling, conform artikel 14, lid 3, van verordening nr. 2100/94, van uitvoeringsbepalingen betreffende de afwijking ten gunste van landbouwers, onverminderd de beoordeling door de nationale rechter van de overige omstandigheden die in het respectieve hoofdgeding relevant zijn voor de berekening.
2) De criteria om het bedrag van de vergoeding voor de houder te bepalen zijn vastgesteld in artikel 5, lid 5, van verordening nr. 1768/95, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2605/98 van de Commissie van 3 december 1998. Deze criteria bezitten geen terugwerkende kracht, maar kunnen dienen als richtsnoer bij de berekening van de vergoeding voor aanplantingen die vóór de inwerkingtreding van dat lid hebben plaatsgevonden.
3) De richtsnoerfunctie van de overeenkomsten tussen organisaties van houders van kwekersrechten en van landbouwers, in de zin van artikel 5, lid 4, houdt in dat de criteria voor de berekening kunnen worden toegepast bij een beoordeling van de billijkheid van de vergoeding, mits deze ter kennis van de Commissie zijn gebracht en in het Mededelingenblad van het Communautair Bureau voor Plantenrassen zijn gepubliceerd. Hierbij zij aangetekend dat deze slechts kunnen worden ingeroepen in het kader van het genoemde lid, maar niet in het kader van lid 5.
4) Artikel 5, lid 5, van verordening nr. 1768/95, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2605/98, bepaalt als vergoeding een onveranderlijk percentage, niet een bovengrens, als de vergoeding volgens de regels van dat lid moet worden vastgesteld wanneer er geen overeenkomst bestaat tussen de houder van het kwekersrecht en de landbouwer.”
1 – Oorspronkelijke taal: Spaans.
2 – Arrest van 10 april 2003, Schulin (C‑305/00, Jurispr. blz. I‑3525), met mijn conclusie van 21 maart 2002; arrest van 11 maart 2004, Saatgut-Treuhandverwaltungsgesellschaft (C‑182/01, Jurispr. blz. I‑2263), met mijn conclusie van 7 november 2002; en arrest van 14 oktober 2004, Brangewitz (C‑336/02, Jurispr. blz. I‑9801), met mijn conclusie van 17 februari 2004.
3 – Zie hierna, onder II. Voor de voorgeschiedenis van de rechtsbescherming van kweekproducten verwijs ik naar de conclusie bij de zaak C‑305/00, Schulin, genoemd in de vorige voetnoot.
4 – In het bijzonder in de reeks schilderijen De seizoenen en De elementen van de Milanese kunstenaar Giuseppe Arcimboldo (1527-1593); ook maakte hij composities van objecten die qua thema verwant waren aan de titel van het werk, zoals bijvoorbeeld bij De bibliothecaris of De jurist, om dat resultaat te bereiken.
5 – PB L 227, blz. 1.
6 – Impliciet worden bloemen dus uitgezonderd. In de literatuur doet Oscar Wilde in zijn verhaal „The Nightingale and the Rose”, Spaanse vertaling „El ruiseñor y la rosa” (De nachtegaal en de roos), in El ruiseñor y la rosa y otros cuentos – Poemas en prosa, Espasa-Calpe, Austral, 12e druk, Madrid, 1976, blz. 9 en volgende, verslag van een enigszins wrede procedure om rode rozen te verkrijgen: de nachtegaal gaat naar een witte rozenstruik, drukt daar zijn borst tegen de doornen om zo de struik met zijn bloed te besproeien, om haar bleke bloemblaadjes karmijnrood te kleuren; zo kan de student die eigenaar is van de rozenstruik zijn geliefde die rode bloem aanbieden die zij van hem had verlangd om de hele nacht met hem te dansen.
7 – PB L 173, blz. 14.
8 – Verordening van de Commissie van 3 december 1998 tot wijziging van verordening nr. 1768/95 (PB L 328, blz. 6).
9 – In het geval van de heer Hennings verhoogde het Oberlandesgericht de door de landbouwer verschuldigde bedragen met 55,73 EUR, plus rente, maar wees het de eis af voor de rest van de 668,55 EUR die hij vorderde.
10 – De vorderingen in cassatie van de drie procedures bedragen 181,41 EUR in zaak C‑7/05, 612,82 EUR in zaak C‑8/05 en 605,86 EUR in zaak C‑9/05.
11 – Borchardt, K.‑D., „Die Reform der Gemeinsamen Agrarpolitik – Perspektiven und Herausforderungen für Landwirte und Juristen”, in Europa und seine Verfassung – Festschrift für Manfred Zuleeg zum siebzigsten Geburtstag, Nomos, Baden-Baden, 2005, blz. 473 e.v., in het bijzonder 475‑477. Ook Leidwein, A., Europäisches Agrarrecht, 2e ed., NWM, Wenen, 2004, blz. 76 e.v.
12 – Kiewiet, B., „Régime de protection communautaire des obtentions végétales”, in Comptes rendus de l'Académie d'agriculture de France, deel 83 (1997), nr. 2, blz. 5 e.v., in het bijzonder blz. 9.
13 – Over de hervorming van de GLP: Blumann, C., „La réforme de la politique agricole commune”, in Cahiers de droit européen, nr. 3 en 4 van 2004, blz. 297 e.v.; ook Bianchi, D., „Y a-t-il encore quelque chose de „commun” dans la nouvelle Politique agricole commune?”, in Revue trimestrielle de droit européen, nr. 3, juli-september 2005, blz. 623 e.v.
14 – Artikel 5, lid 1, van de uitvoeringsverordening.
15 – Artikel 5, lid 4, van dezelfde verordening, welk lid is toegevoegd krachtens artikel 1 van de derde verordening.
16 – Artikel 5, lid 2, van de uitvoeringsverordening als er geen individuele overeenkomst is, en lid 5, als er geen overeenkomst tussen de beroepsorganisaties is gesloten.
17 – Lid 5 dient gelezen te worden in combinatie met de zevende overweging van de considerans van die verordening, waarin de stelligheid wat wordt verzacht door de formulering dat „de vergoeding [...] in principe gelijk moet zijn aan 50 % van de bedragen [...]”, hetgeen echter niet betekent dat het genoemde percentage daardoor minder belangrijk zou worden.
18 – Tussen de gebruikmaking van de afwijking ten gunste van landbouwers vóór de toepassing van een overeenkomst tussen de beroepsorganisaties, en 1 april 1999.
19 – Ik weet niet of er gesproken kan worden van tegenstrijdige belangen, want kennelijk heeft iedereen baat bij variëteit in de plantenwereld; het is afkeurenswaardig om te profiteren van je vrienden en van andermans werk, zoals wordt getoond in de fabel van Aesopus, „De bok en de wijnstok”, in het Spaans „El macho cabrío y la vid” in Fábulas, Alianza Editorial, Madrid, 1998, blz. 167 en 168, waarin het volgende wordt verteld: „een bok at een mals blaadje van een wijnstok, die hem daarop vroeg: ‚Waarom doe je me pijn? Is er geen gras? Wanneer ze jou offeren zal ik alle wijn leveren die ze nodig hebben’”. De wereld zou veel meer schakeringen bezitten als er planten van dat type zouden bestaan, of als ze zouden kunnen spreken, zoals de ijdele roos die de Kleine Prins in zijn tuin verzorgt, A. de Saint-Exupéry, „De Kleine Prins”, in het Spaans „El Principito”, MC editores S.A., Buenos Aires, 1969, vertaling Bonifacio del Carril, hoofdstuk 8, blz. 33, hoewel de hoofdpersoon antwoordt: „[...] je moet nooit naar bloemen luisteren. Je moet naar ze kijken en hun geur inademen. Mijn roos gaf geur aan mijn planeet, maar ik kon er niet van genieten”.
20 – Vandaar het feit dat de verschillen tussen de uitspraken van de Duitse rechterlijke instanties die aan het begin van deze conclusie worden genoemd, worden geweten aan de eventuele regionale verschillen; dit feit doet echter niets af aan mijn overtuiging dat de vaststelling van een vergoeding van 80 % de redelijkheid overschrijdt en excessief is.
Full & Egal Universal Law Academy