CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
V. TRSTENJAK
van 10 juli 2007 (1)
Zaak C‑19/05
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Koninkrijk Denemarken
„Artikel 226 EG – Beroep wegens niet-nakoming – Eigen middelen van Gemeenschappen – Douanerechten die niet geïnd zijn ten gevolge van vergissing van nationale douaneautoriteiten – Financiële aansprakelijkheid van lidstaten – Argument dat stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen niet is benadeeld”
I – Inleiding
1. In deze zaak dient het Hof uitspraak te doen inzake een door de Commissie van de Europese Gemeenschappen (hierna: „Commissie”) tegen het Koninkrijk Denemarken (hierna: „Denemarken”) ingesteld beroep wegens niet-nakoming. De Commissie concludeert daarin dat het het Hof behage vast te stellen dat Denemarken, door na te laten een bedrag van 18 687 475 DKK (ongeveer 2 507 210 EUR), aan eigen middelen, vermeerderd met vertragingsrente vanaf 27 juli 2000, ter beschikking van de Commissie te stellen, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op hem rusten krachtens artikel 10 EG alsmede de artikelen 2 en 8 van besluit 94/728/EG, Euratom van de Raad van 31 oktober 1994 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen, alsmede Denemarken in de kosten te verwijzen.
2. De onderhavige zaak is een vervolg op zaak C‑392/02(2), waarin het Hof het beginsel heeft geponeerd dat de lidstaten financieel verantwoordelijk zijn voor de door hun douaneautoriteiten begane vergissingen die ertoe hebben geleid dat de eigen middelen van de Gemeenschappen zijn verminderd.
II – Rechtskader
3. Artikel 10 EG bepaalt: „De lidstaten treffen alle algemene of bijzondere maatregelen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit dit Verdrag of uit handelingen van de instellingen der Gemeenschap voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. Zij vergemakkelijken de vervulling van haar taak.”
A – Bepalingen inzake eigen middelen
4. Artikel 269, tweede alinea, EG luidt: „De Raad stelt met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, de bepalingen inzake het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschap vast, waarvan hij de aanneming door de lidstaten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen aanbeveelt.”
5. Ofschoon het beroep van de Commissie in de eerste plaats berust op besluit 94/728/EG, Euratom van de Raad van 31 oktober 1994 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen(3) (hierna: „besluit 94/728”), dient eveneens besluit 88/376/EEG, Euratom van de Raad van 24 juni 1988 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen(4) (hierna: „besluit 88/376”), te worden onderzocht, aangezien de feiten van deze zaak voor een deel betrekking hebben op de periode vóór 1 december 1995.
6. Het stelsel van eigen middelen was oorspronkelijk geregeld in besluit 88/376. Dit besluit werd ingetrokken en vervangen door besluit 94/728 dat overeenkomstig artikel 11, lid 1, daarvan met ingang van 1 december 1995 van kracht is.
1. Besluit 88/376
7. Artikel 2, lid 1, van besluit 88/376 bepaalt dat de eigen middelen die op de begroting van de Gemeenschappen worden opgevoerd, bestaan in de ontvangsten uit:
„a) de heffingen, premies, extra bedragen of compenserende bedragen, aanvullende bedragen of aanvullende elementen en de overige door de instellingen van de Gemeenschappen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ingevoerde of in te voeren rechten op het handelsverkeer met niet-lidstaten, alsmede de bijdragen en andere heffingen die in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker zijn vastgesteld;
b) de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief en de overige door de instellingen van de Gemeenschappen ingevoerde of in te voeren rechten op het handelsverkeer met niet-lidstaten, alsmede de douanerechten op de onder het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal vallende producten;
c) de toepassing van een voor alle lidstaten geldend uniform percentage op de BTW-grondslag die op uniforme wijze voor de lidstaten is vastgesteld volgens communautaire voorschriften, met dien verstande dat de voor de doeleinden van dit besluit in aanmerking te nemen grondslag van een lidstaat niet meer dan 55 % van zijn BNP mag bedragen;
d) de toepassing van een, met inachtneming van alle andere ontvangsten, in het kader van de begrotingsprocedure vast te stellen percentage op de som van de BNP’s van alle lidstaten die worden vastgesteld volgens communautaire voorschriften welke zullen worden neergelegd in een op basis van artikel 8, lid 2, van dit besluit aan te nemen richtlijn [...].”
8. Artikel 8, leden 1 en 2, van besluit 88/376 luidt als volgt:
„1. De in artikel 2, lid 1, sub a en b, bedoelde eigen middelen van de Gemeenschappen worden door de lidstaten geïnd overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, die in voorkomend geval aan de communautaire voorschriften worden aangepast. De Commissie onderzoekt regelmatig de nationale bepalingen, waarvan de lidstaten haar in kennis stellen, deelt aan de lidstaten aanpassingen mee die zij noodzakelijk acht om ze in overeenstemming te brengen met de communautaire voorschriften, en brengt verslag uit aan de begrotingsautoriteit. De lidstaten stellen de middelen overeenkomstig artikel 2, lid 1, sub a tot en met d, ter beschikking van de Commissie.
2. Onverminderd het in artikel 206 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap bedoelde onderzoek van de rekeningen en van de wettigheid en de regelmatigheid, waarbij met name de betrouwbaarheid en doelmatigheid van de nationale stelsels en methoden voor de vaststelling van de grondslag voor de eigen middelen uit de BTW en het BNP worden onderzocht, en onverminderd de krachtens artikel 209, sub c, van dat Verdrag georganiseerde controles, stelt de Raad met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, de bepalingen vast die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van dit besluit, alsmede de bepalingen betreffende het toezicht op de inning van de in de artikelen 2 en 5 bedoelde ontvangsten, de wijze waarop deze ter beschikking van de Commissie worden gesteld en de storting ervan.”
2. Besluit 94/728
9. Artikel 2, lid 1, van besluit 94/728 bepaalt dat de op de begroting van de Gemeenschappen opgevoerde eigen middelen met name worden gevormd door de „traditionele middelen” afkomstig uit:
„a) de heffingen, premies, extra bedragen of compenserende bedragen, aanvullende bedragen of aanvullende elementen en de overige door de instellingen van de Gemeenschappen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ingevoerde of in te voeren rechten op het handelsverkeer met niet-lidstaten [...];
b) de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief en de overige door de instellingen van de Gemeenschap ingevoerde of in te voeren rechten op het handelsverkeer met niet-lidstaten [...];
c) de toepassing van een voor alle lidstaten geldend uniform percentage op de BTW-grondslag [...];
d) de toepassing van een, met inachtneming van alle andere ontvangsten, in het kader van de begrotingsprocedure vast te stellen percentage op de som van de BNP’s van alle lidstaten [...].”
10. Ingevolge artikel 2, lid 3, van besluit 94/728 houden de lidstaten 10 % van de overeenkomstig lid 1, sub a en b, over te maken bedragen in als inningskosten. Krachtens artikel 2, lid 3, van besluit 2000/597/EG, Euratom van de Raad van 29 september 2000 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen(5), is dit percentage verhoogd tot 25 % van de na 31 december 2000 vastgestelde bedragen.
11. Artikel 8 van besluit 94/728 bepaalt:
„1. De in artikel 2, lid 1, sub a en b, bedoelde eigen middelen van de Gemeenschappen worden door de lidstaten geïnd overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, die in voorkomend geval aan de communautaire voorschriften worden aangepast. De Commissie onderzoekt regelmatig de nationale bepalingen waarvan de lidstaten haar in kennis stellen, deelt aan de lidstaten aanpassingen mee die zij noodzakelijk acht om deze bepalingen in overeenstemming te brengen met de communautaire voorschriften, en brengt verslag uit aan de begrotingsautoriteit. De lidstaten stellen de in artikel 2, lid 1, sub a tot en met d, bedoelde middelen ter beschikking van de Commissie.
2. [...] [D]e Raad [stelt] met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, de bepalingen vast die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van dit besluit, alsmede de bepalingen betreffende het toezicht op de inning van de in de artikelen 2 en 5 bedoelde ontvangsten, de wijze waarop deze ter beschikking van de Commissie worden gesteld en de storting ervan.”
3. Bepalingen bestemd om de controle op de inning te verzekeren
12. Toen de feiten die aan de onderhavige zaak ten grondslag liggen zich voordeden, waren de bepalingen bestemd om het toezicht op de inning te verzekeren, neergelegd in verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG (hierna: „verordening nr. 1552/89”).(6) Deze verordening werd gewijzigd bij verordening (Euratom, EG) nr. 1355/96 van de Raad van 8 juli 1996(7), die op 14 juli 1996 in werking is getreden. Verordening nr. 1552/89 werd met haar wijzigingen geconsolideerd en vervangen door verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen.(8)
13. De tweede overweging van de considerans van verordening nr. 1552/89 bepaalt dat „de Gemeenschap onder optimale voorwaarden moet kunnen beschikken over de in artikel 2 van besluit 88/376/EEG, Euratom bedoelde eigen middelen en dat met het oog daarop de wijze dient te worden vastgesteld waarop de lidstaten de aan de Gemeenschappen toegekende eigen middelen ter beschikking stellen van de Commissie”.
14. Artikel 2, leden 1 en 1 bis, van verordening nr. 1552/89 poneert de voorwaarden voor het ontstaan van het recht van de Gemeenschap op eigen middelen uit douanerechten:
„1. Voor de toepassing van deze verordening geldt een recht van de Gemeenschappen op de in artikel 2, lid 1, sub a en b, van besluit 88/376/EEG, Euratom genoemde eigen middelen als vastgesteld, zodra is voldaan aan de voorwaarden van de douanevoorschriften voor wat betreft de boeking van het bedrag van het recht en de kennisgeving daarvan aan de belastingschuldige.
1 bis. Het voor de in lid 1 bedoelde vaststelling in aanmerking te nemen tijdstip is het tijdstip van de boeking, bedoeld in de douanevoorschriften.”
15. Artikel 9, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 1552/89 bepaalt dat „[o]p de in artikel 10 aangegeven wijze [...] iedere lidstaat de eigen middelen [boekt] op het credit van de rekening welke daartoe op naam van de Commissie bij zijn schatkist of bij het orgaan dat de lidstaat aanwijst, is geopend”.
16. Artikel 11 van verordening nr. 1552/89 luidt als volgt:
„Elke te late boeking op de in artikel 9, lid 1, bedoelde rekening, verplicht de betrokken lidstaat tot het betalen van rente tegen de op de vervaldag op de geldmarkt van deze lidstaat geldende rentevoet voor kortetermijnfinanciering, vermeerderd met twee punten. Deze rente wordt met 0,25 punt per maand vertraging verhoogd. De aldus verhoogde rente geldt voor de gehele periode van de vertraging.”
17. Artikel 17, leden 1 en 2, van die verordening bepaalt:
„1. De lidstaten zijn verplicht alle nodige maatregelen te treffen opdat de bedragen van de overeenkomstig artikel 2 vastgestelde rechten ter beschikking van de Commissie worden gesteld op de in deze verordening vastgestelde wijze.
2. De lidstaten behoeven de bedragen van de vastgestelde rechten slechts dan niet ter beschikking van de Commissie te stellen, indien door overmacht geen inning heeft kunnen plaatsvinden. Bovendien is het de lidstaten in bijzondere gevallen toegestaan deze bedragen niet ter beschikking van de Commissie te stellen wanneer na een diepgaand onderzoek van alle relevante gegevens van het betrokken geval blijkt dat de inning om redenen onafhankelijk van hun wil definitief onmogelijk is. [...]”
B – Douanevoorschriften
1. Douanewetboek
18. Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek(9) (hierna: „douanewetboek”), bepaalt in artikel 9, lid 1:
„1. Een voor de belanghebbende gunstige beschikking wordt ingetrokken of gewijzigd indien, in andere dan de in artikel 8 genoemde gevallen, aan een of meer daaraan verbonden voorwaarden niet is of niet meer wordt voldaan.”
19. Artikel 20 van het douanewetboek luidt:
„1. De bij het ontstaan van een douaneschuld wettelijk verschuldigde rechten zijn op het douanetarief van de Europese Gemeenschappen gebaseerd.
[...]
3. Het douanetarief van de Europese Gemeenschappen omvat:
a) de gecombineerde nomenclatuur van de goederen;
[...]
f) de autonome schorsingsmaatregelen waarbij voor bepaalde goederen in een verlaging of een vrijstelling van de rechten bij invoer is voorzien;
[...]
4. Onverminderd de voorschriften met betrekking tot de forfaitaire heffing, treden de in lid 3, sub d, e en f, bedoelde maatregelen op verzoek van de aangever in de plaats van de sub c genoemde, wanneer de betrokken goederen aan de in de eerstgenoemde maatregelen vervatte voorwaarden voldoen. Het verzoek kan achteraf worden ingediend zolang aan de voorwaarden ter zake is voldaan.
[...]”
20. Artikel 82, lid 1, van het douanewetboek bepaalt:
„1. Indien goederen, uit hoofde van het gebruik ervan voor bijzondere doeleinden, onder toepassing van een verlaagd recht of van een nulrecht bij invoer in het vrije verkeer worden gebracht, blijven zij onder douanetoezicht. Het douanetoezicht eindigt wanneer de voor toekenning van het verlaagde recht of van het nulrecht vastgestelde voorwaarden niet meer van toepassing zijn, wanneer de goederen worden uitgevoerd of vernietigd, dan wel wanneer tegen betaling van de verschuldigde rechten wordt toegestaan dat de goederen worden gebruikt voor andere doeleinden dan die welke zijn voorgeschreven voor de toepassing van het verlaagde recht bij invoer of van het nulrecht.”
21. Artikel 204, leden 1 en 2, van het douanewetboek luidt als volgt:
„1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat:
a) indien niet wordt voldaan aan een van de verplichtingen welke ten aanzien van aan rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit de tijdelijke opslag van deze goederen of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder zij zijn geplaatst, of
b) indien een van de voorwaarden die voor de plaatsing van de goederen onder deze regeling of voor de toekenning van een verlaagd recht bij invoer of van een nulrecht uit hoofde van de bijzondere bestemming van de goederen zijn gesteld, niet in acht is genomen,
in andere gevallen dan die bedoeld in artikel 203, tenzij vaststaat dat dit verzuim zonder werkelijke gevolgen is gebleven voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of de betrokken douaneregeling.
2. De douaneschuld ontstaat, hetzij op het tijdstip waarop niet meer wordt voldaan aan de verplichting waarvan de niet-nakoming de douaneschuld doet ontstaan, hetzij op het tijdstip waarop de goederen onder de betrokken douaneregeling werden geplaatst, wanneer achteraf blijkt dat aan een van de voorwaarden voor de plaatsing van de genoemde goederen onder deze regeling of voor de toekenning van een verlaagd recht bij invoer of van een nulrecht uit hoofde van de bijzondere bestemming van de goederen, niet is voldaan.”
22. Artikel 220 van het douanewetboek bepaalt:
„1. Indien het bedrag aan rechten dat voortvloeit uit een douaneschuld, niet is geboekt overeenkomstig de artikelen 218 en 219 of wanneer een lager bedrag is geboekt dan het wettelijk verschuldigde bedrag, dient de boeking van het in te vorderen of aanvullend in te vorderen bedrag aan rechten te geschieden binnen een termijn van twee dagen te rekenen vanaf de datum waarop de douaneautoriteiten deze situatie hebben vastgesteld en het wettelijk verschuldigde bedrag kunnen berekenen en zij de schuldenaar kunnen aanwijzen (boeking achteraf). Deze termijn kan overeenkomstig artikel 219 worden verlengd.
2. Behalve in de gevallen als bedoeld in artikel 217, lid 1, tweede en derde alinea, wordt niet tot boeking achteraf overgegaan wanneer:
[...]
b) het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet was geboekt, ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan;
[...]”
23. Artikel 239 van het douanewetboek luidt:
„1. Tot terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer of van de rechten bij uitvoer kan ook worden overgegaan in de gevallen andere dan bedoeld in de artikelen 236, 237 en 238
– welke volgens de procedure van het Comité worden vastgesteld;
– welke het gevolg zijn van omstandigheden die van de zijde van de belanghebbende geen frauduleuze handeling noch klaarblijkelijke nalatigheid inhouden. De gevallen waarin op deze bepaling een beroep kan worden gedaan en de te dien einde toe te passen procedures, worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité. Aan de terugbetaling of de kwijtschelding kunnen bijzondere voorwaarden worden verbonden.
2. Terugbetaling of kwijtschelding van de rechten om de in lid 1 genoemde redenen wordt toegestaan indien bij het betrokken douanekantoor vóór het verstrijken van een termijn van twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop genoemde rechten aan de schuldenaar zijn medegedeeld, een daartoe strekkend verzoek wordt ingediend.
De douaneautoriteiten kunnen evenwel in naar behoren aangetoonde uitzonderingsgevallen toestaan dat deze termijn wordt overschreden.”
2. Bepalingen voor de tenuitvoerlegging van het douanewetboek
24. Artikel 291 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek(10), dat bij verordening (EG) nr. 1602/2000 van de Commissie van 24 juli 2000 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek(11), werd ingetrokken, bepaalde:
„1. Het in het vrije verkeer brengen van goederen met toepassing van een schriftelijke gunstige tariefregeling uit hoofde van hun bijzondere bestemming is afhankelijk van de verlening van een schriftelijke vergunning aan degene die de goederen voor het vrije verkeer invoert of doet invoeren.
2. Deze vergunning wordt op schriftelijk verzoek van de belanghebbende verleend door de douaneautoriteiten van de lidstaat waar de goederen voor het vrije verkeer worden aangegeven.
[...]”
25. Artikel 869 van verordening nr. 2454/93 bepaalt:
„De douaneautoriteiten beslissen zelf om niet over te gaan tot boeking achteraf van niet geïnde rechten:
[...]
b) wanneer zij van oordeel zijn dat aan alle in artikel 220, lid 2, onder b), van het Wetboek bedoelde voorwaarden is voldaan en voor zover het ten gevolge van eenzelfde vergissing van de betreffende belanghebbende niet geïnde bedrag, dat in voorkomend geval uit verscheidene invoer‑ of uitvoerverrichtingen voortvloeit, lager is dan 2 000 [EUR];
[...]”
26. Artikel 871 van diezelfde verordening luidt als volgt:
„Wanneer de douaneautoriteiten, in andere dan de in artikel 869 bedoelde gevallen, van oordeel zijn dat aan de in artikel 220, lid 2, sub b, van het Wetboek bedoelde voorwaarden is voldaan of twijfels hebben omtrent de toepasbaarheid van de criteria van deze bepaling op het betreffende geval, leggen zij dit geval aan de Commissie voor opdat het wordt behandeld overeenkomstig de procedure bedoeld in de artikelen 872 tot en met 876. Het aan de Commissie toegezonden dossier dient alle voor een volledig onderzoek van het voorgelegde geval noodzakelijke gegevens te bevatten.
De Commissie bevestigt onverwijld de ontvangst van dit dossier aan de betrokken lidstaat.
Wanneer blijkt dat de door de lidstaat medegedeelde gegevens voor de Commissie ontoereikend zijn om haar in staat te stellen met kennis van zaken uitspraak te doen over het haar voorgelegde geval, kan zij om toezending van aanvullende informatie verzoeken.”
3. Bepalingen betreffende de gecombineerde nomenclatuur
27. De gecombineerde nomenclatuur (hierna: „GN”) is gepubliceerd in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief‑ en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief.(12) Deze verordening is gebaseerd op het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen, uitgewerkt door de Internationale Douaneraad, thans de Wereld Douane Organisatie, en ingevoerd bij het op 14 juni 1983 te Brussel gesloten Internationaal Verdrag en namens de Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 87/369/EEG van de Raad van 7 april 1987 inzake de sluiting van het Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen, alsmede van het daarbij behorende protocol van wijziging.(13) Deze verordening is laatstelijk gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1789/2003 van de Commissie van 11 september 2003 tot wijziging van bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief‑ en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief.(14)
28. Bijlage I, titel II, bij verordening nr. 2658/87 bepaalt onder meer dat de heffing van invoerrechten wordt geschorst voor de producten die bestemd zijn voor de bouw, de reparatie, het onderhoud of de verbouwing van de aldaar in een tabel aangegeven schepen, alsmede voor de producten die bestemd zijn voor de uitrusting van deze schepen.
29. De lijst waarnaar deze bijlage verwijst, omvatte ook onderverdeling 8901 90 10 GN, die betrekking heeft op andere schepen voor het vervoer van goederen en op andere schepen voor het vervoer van personen en goederen.
30. De laadkisten en containers met inbegrip van tankcontainers die speciaal zijn ingericht en uitgerust voor het vervoer met ongeacht welk vervoermiddel, zijn genoemd in onderverdeling 8609 00 90 GN in bijlage I bij verordening nr. 2658/87.
III – Feiten
31. Een tot een consortium behorende Deense onderneming (hierna: „importeur”) heeft in 1990 een verzoek ingediend om uit hoofde van actieve veredeling van invoerrechten te worden vrijgesteld. De importeur baseerde dit verzoek op het argument dat de ingevoerde goederen (hout en synthetisch materiaal) waren bestemd voor de bouw van zeecontainers, die vervolgens zouden worden ingebouwd in de containerschepen van het consortium.
32. De Deense douaneautoriteiten zijn met de invoer akkoord gegaan en hebben geen invoerrechten geheven op de goederen (hout en synthetisch materiaal), die zij hebben ingedeeld in onderverdeling 8901 90 10 GN, als genoemd in bijlage I bij verordening nr. 2658/87. Zij hebben deze goederen behandeld volgens de regeling bijzondere bestemming (end-use)(15), die van toepassing is op goederen die in schepen worden ingebouwd of op goederen bestemd voor de uitrusting van schepen. De Deense autoriteiten hebben de importeur er ook op gewezen dat de regeling actieve veredeling op deze zaak niet van toepassing was.
33. De vertegenwoordigers van de Commissie hebben tussen 25 en 29 maart 1996 de inning van de eigen middelen van de Gemeenschappen gecontroleerd en daarover verslag nr. 96-1-1 uitgebracht. Zij hebben daarin geconstateerd dat de Deense autoriteiten het gemeenschapsrecht hadden geschonden door de importeur toe te staan zonder betaling van invoerrechten goederen te importeren die bestemd waren voor de bouw van gewone vrachtcontainers die niet behoorden tot de uitrusting van de schepen. Voor een juiste toepassing van de regeling bijzondere bestemming hadden deze containers rechtstreeks in de schepen moeten zijn ingebouwd of tot de uitrusting van die schepen moeten behoren. Tegelijkertijd hebben de vertegenwoordigers van de Commissie ten gevolge van deze onregelmatigheid een ongeoorloofde vermindering van de eigen middelen van de Gemeenschap geconstateerd. De Commissie was eveneens van mening dat de Deense autoriteiten financieel aansprakelijk waren voor de sedert 1 januari 1994 begane vergissingen bij de toepassing van de regeling bijzondere bestemming. In het kader van die controle is het verslag opgesteld dat op 12 juni 1996 aan de Deense autoriteiten is toegezonden.
34. Denemarken heeft het verslag van de Commissie bij brief van 12 februari 1997 bestreden en zijn standpunt herhaald in een vergadering van het Raadgevend Comité voor de eigen middelen van 6 juni 1997. In die vergadering heeft Denemarken de bevoegdheid van dit comité bestreden en verzocht dat de zaak zou worden beslist door het directoraat-generaal Fiscaliteit en douane-unie van de Commissie. De Commissie heeft in die vergadering uiteengezet dat zij de uitlegging van de douanevoorschriften door Denemarken niet deelde.
35. Op 25 november 1997 heeft Denemarken verzocht dat de zaak zou worden behandeld door de voor tariefvoordelen bevoegde sectie van het Comité douanewetboek, aangezien volgens hem geen douaneschuld was ontstaan en de eigen middelen van de Gemeenschap geen enkel verlies hebben geleden.
36. Op 30 december 1997 hebben de Deense douaneautoriteiten (douanecentrum van Zuid-Jutland) aan de importeur het standpunt van de Commissie aangaande de invoervergunning met vrijstelling van invoerrechten meegedeeld – zonder overigens die opvatting te delen – en hem ervan op de hoogte gesteld dat zij de invoerrechten met ingang van 1 januari 1998 zouden innen. De invoervergunning uit hoofde van de bijzondere bestemming trad voor de importeur op 31 december 1997 buiten werking. De importeur heeft op 3 februari 1998 een verzoek ingediend op grond van actieve veredeling. De desbetreffende invoervergunning is op 21 april 1998, maar met terugwerkende kracht tot 3 februari 1998, verleend. De Commissie heeft niet van de Deense regering verlangd dat het bedrag van de invoerrechten voor de periode van 1 januari tot en met 3 februari 1998 zou worden overgemaakt.
37. Op 9 november 1998 heeft de Commissie Denemarken verzocht de over het tijdvak van 1 januari 1994 tot en met 31 december 1997 te innen invoerrechten ten bedrage van 18 687 475 DKK zonder rente aan haar over te maken. Denemarken zou met ingang van 1 januari 1994 in financieel opzicht aansprakelijk zijn voor alle invoeren van de importeur, aangezien zij de regeling bijzondere bestemming verkeerd zou hebben toegepast. De douaneautoriteiten hebben op 10 maart 1999 gereageerd door aan de Commissie een overzicht te zenden van de invoerrechten die tussen 1 januari 1994 tot en met 31 december 1997 niet waren geïnd, zulks onder betwisting dat de Gemeenschap daardoor financieel zou zijn geschaad.
38. Op 31 januari 2002 heeft de Commissie aan Denemarken een aanmaningsbrief gestuurd waarin zij nogmaals de fouten bij de tariefindeling van de goederen van de importeur vermeldt en de lidstaat sommeert het bedrag van 18 687 475 DKK over te maken.
39. Op 2 april 2002 heeft de Deense regering de aanmaningsbrief beantwoord en erkend dat bijlage I, titel II, van verordening nr. 2658/87 die de gecombineerde nomenclatuur bevat, niet zo strikt kan worden uitgelegd dat goederen gebruikt voor de fabricage van producten bestemd voor de uitrusting van schepen, van invoerrechten worden vrijgesteld.
40. Op 6 mei 2002 heeft de Deense regering parallel aan de onderhavige niet-nakomingsprocedure aan de Commissie een brief gestuurd waarin zij op grond van artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek verzocht niet tot boeking achteraf te hoeven overgaan, aangezien de uit hoofde van de bijzondere bestemming verleende vergunning te wijten was aan een vergissing van de douaneautoriteiten die de belastingplichtige niet kon ontdekken.
41. Aangezien het antwoord van Denemarken op de aanmaningsbrief de Commissie niet heeft overtuigd, heeft zij op 31 oktober 2002 aan Denemarken een met redenen omkleed advies gezonden, waarin de lidstaat werd verzocht binnen twee maanden na ontvangst van het advies alle nodige maatregelen te treffen. Op 28 februari 2003 heeft Denemarken hierop gereageerd.
42. Op 19 april 2004 heeft de werkgroep van het Comité douanewetboek in de vergadering die plaatsvond in het kader van de procedure tot vaststelling van besluit REC 12/03 geconstateerd dat de importeur al in 1990 voldeed aan de voorwaarden voor de verlening van een vrijstelling van de betaling van invoerrechten uit hoofde van actieve veredeling. Indien de importeur een dergelijke vergunning in 1990 had aangevraagd, zou deze hem moeten zijn verleend. Bovendien heeft de werkgroep in deze vergadering geconstateerd dat de vergissingen van de Deense douaneautoriteiten geen gevolgen hebben gehad voor de communautaire begroting. Op grond van deze vergadering van de werkgroep heeft de Commissie op 19 mei 2004 besluit REC 12/03 aangenomen.(16) In dit besluit heeft zij vastgesteld dat moest worden overgegaan tot boeking achteraf van het bedrag van de door de importeur verschuldigde invoerrechten en dat het verzoek van de importeur om vrijstelling van de betaling van de invoerrechten op goede gronden berustte. De Commissie heeft Denemarken bij brief van 21 februari 2005 meegedeeld dat zij niet meer financieel aansprakelijk werd gehouden voor het niet overmaken van de eigen middelen van de Gemeenschappen in de periode van 1 januari 1998 tot en met 3 februari 1998.
43. Aangezien Denemarken niet is ingegaan op het met redenen omkleed advies, heeft de Commissie op 20 januari 2005 op grond van artikel 226 EG beroep ingesteld.
44. De Commissie concludeert dat het het Hof behage:
– vast te stellen dat het Koninkrijk Denemarken, door na te laten een bedrag van 18 687 475 DKK, vermeerderd met vertragingsrente vanaf 27 juli 2000, ter beschikking van de Commissie te stellen, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op hem rusten krachtens het gemeenschapsrecht, inzonderheid artikel 10 EG alsmede de artikelen 2 en 8 van besluit 94/728/EG, Euratom van de Raad van 31 oktober 1994 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen;
– het Koninkrijk Denemarken in de kosten te verwijzen.
45. Het Koninkrijk Denemarken concludeert dat het het Hof behage:
– het beroep te verwerpen;
– de Commissie in de kosten te verwijzen.
IV – Argumenten van partijen
46. De Commissie is van mening dat Denemarken ten onrechte de invoer van goederen bestemd voor de fabricage van containers met vrijstelling van invoerrechten heeft toegestaan, ofschoon de Deense autoriteiten ervoor waren gewaarschuwd dat een dergelijke handelwijze onjuist was. Het gebruik van onderverdeling 8609 00 90 GN is onjuist omdat de goederen zijn gebruikt voor de fabricage van gewone containers en laadkisten die niets bijzonders hadden. Die containers, waarvoor Denemarken de invoer van de goederen had toegestaan, kunnen niet in een schip worden ingebouwd omdat zij daarvoor niet geschikt zijn en maken evenmin deel uit van de uitrusting van het schip. Zij vervangen niet een onderdeel van het schip waarop de goederen worden geladen en maken geen deel uit van de uitrusting van het schip aangezien zij niet worden gebruikt voor de exploitatie van het schip. Zij hebben derhalve geen bijzondere bestemming.
47. Volgens de Commissie mochten de Deense autoriteiten de invoervergunning voor de goederen niet verlenen op grond van de bijzondere bestemming. De Deense autoriteiten hadden de verleende vergunning na ontvangst van de mededeling van de Commissie terstond – dat wil zeggen op grond van artikel 220, lid 1, van het douanewetboek, binnen twee dagen – moeten herroepen. Denemarken is de verplichtingen die krachtens de artikelen 9 en 20 van het douanewetboek, alsmede verordening nr. 2658/87, op hem rusten, niet nagekomen. Daardoor zijn de eigen middelen van de Gemeenschap verminderd. De Commissie wijst er bovendien op dat de eigen middelen uit douanerechten ontstaan bij de vaststelling van de douaneschuld.
48. Op de ingevoerde goederen mocht de regeling actieve veredeling niet worden toegepast. Het is echter onmogelijk achteraf vast te stellen of aan de in artikel 117, sub b, van het douanewetboek gestelde voorwaarden voor de regeling actieve veredeling is voldaan.
49. De Commissie wijst erop dat de Deense autoriteiten haar uitlegging van de betrokken bepalingen hebben ontvangen maar desondanks de douaneschuld niet achteraf hebben geboekt, omdat zij van mening waren dat aan de voorwaarden van artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek was voldaan. Zij zijn derhalve hun verplichtingen krachtens artikel 871 van verordening nr. 2454/93 niet nagekomen. De Commissie is van mening dat de Deense autoriteiten op eigen verantwoordelijkheid hebben gehandeld, omdat zij zich aan hun eigen uitlegging hebben vastgeklampt, zelfs nadat de Commissie in 1996 Denemarken had gewezen op de onregelmatigheden in de toepassing van de regeling bijzondere bestemming op grond waarvan de invoer tegen het nultarief kon plaatsvinden. Omdat de Deense autoriteiten de Commissie niet hebben geïnformeerd over de – door de Commissie aan de orde gestelde – problemen en onregelmatigheden bij de toepassing van deze regeling, hebben zij haar belet zich uit te spreken over een eventuele toepassing van artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek.
50. De Commissie is van mening dat de Deense autoriteiten bij het verlenen van de invoervergunning met vrijstelling van invoerrecht niet met de nodige zorgvuldigheid hebben gehandeld. Het heeft hun eveneens aan zorgvuldigheid ontbroken omdat zij achteraf niet de douaneschuld hebben geboekt onder toepassing van artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek en artikel 871 van verordening nr. 2454/93. Denemarken heeft derhalve niet de eigen middelen van de Gemeenschappen vastgesteld en is derhalve financieel aansprakelijk voor het verlies van eigen middelen, hetgeen een niet-nakoming van artikel 8 van besluit 94/728 vormt. Zij moet derhalve naar de communautaire begroting het bedrag van 18 687 475 DKK overmaken, dat verschuldigd is wegens de begane vergissingen en de onzorgvuldigheid. De Gemeenschap heeft schade geleden omdat dit bedrag niet is overgemaakt. Voor zover Denemarken weigert dit bedrag te betalen, voldoet het niet aan de krachtens de artikelen 2 en 8 van besluit 94/728 alsmede artikel 10 EG op hem rustende verplichtingen.
51. Wat de periode van 1 januari 1994 tot en met 31 december 1997 betreft, meent de Commissie dat de feiten in de onderhavige zaak niet veel verschillen van die in zaak C‑392/02, Commissie/Denemarken.(17)
52. Ten slotte is de Commissie van mening dat Denemarken krachtens artikel 11 van verordening nr. 1552/89 eveneens rente moet betalen.
53. De Deense regering betwist dat de Gemeenschap een financieel nadeel heeft geleden wegens het niet overmaken van de eigen middelen. De door de Deense autoriteiten begane vergissingen hebben geen negatieve invloed gehad op de communautaire begroting aangezien de importeur al vanaf de indiening van het verzoek in 1990 voldeed aan de voorwaarden voor de behandeling krachtens de regeling actieve veredeling, een omstandigheid die uit besluit REC 12/03 zou blijken. Bijgevolg zou geen enkele douaneschuld zijn ontstaan. Het Comité heeft bovendien in de vergadering van 19 april 2004 vastgesteld dat, wat de periode van 1 januari 1998 tot en met 3 februari 1998 betreft, de Gemeenschap wegens de vrijstelling van invoerrechten geen financieel nadeel heeft geleden.
54. De Deense regering voert aan dat niet duidelijk is of de ingevoerde goederen niet onder de regeling bijzondere bestemming konden worden ingevoerd. De vraag of de containers voor de uitrusting van schepen bestemde goederen zijn, is derhalve van fundamentele betekenis voor de onderhavige zaak. Het Hof heeft immers in zaak 148/87(18) uitspraak gedaan over visnetten die blijvend aan schepen worden bevestigd. De status van goederen die in schepen worden ingebouwd, is niet duidelijk. Daarom heeft de Deense regering voorgesteld dat de status van de goederen zou worden vastgesteld door het bevoegde comité van de Commissie, hetgeen tot dusverre niet is gebeurd.
55. Met verwijzing naar besluit REC 12/03 en het verslag van de vergadering van de sectie van 19 april 2004, voert de Deense regering aan dat uit deze stukken blijkt dat sedert 1990 aan de voorwaarden voor de verlening van de goedkeuring voor de toepassing van de regeling actieve veredeling zou zijn voldaan en dat de communautaire begroting geen schade zou hebben geleden. Aangezien de Commissie reeds in haar memorie van repliek heeft uiteengezet dat deze constatering geldt voor de periode van 1 januari 1998 tot en met 3 februari 1998, kan het besluit aldus worden gelezen dat evenmin vóór 1 januari 1998 schade is ontstaan. Uit het besluit volgt bovendien dat geen enkele schade is geleden, aangezien de rechtsgrond voor de actieve veredeling had moeten worden toegepast, die eveneens voorziet in een nultarief. Derhalve dient artikel 239 van het douanewetboek te worden toegepast. Aangezien de regeling actieve veredeling van toepassing is op identieke feiten ná 1 januari 1998, is er geen enkele reden waarom deze regeling niet eveneens zou kunnen worden toegepast op de periode vóór 1 januari 1998.
56. De Deense regering betoogt dat de Deense autoriteiten hun standpunt over de toepassing van de regeling bijzondere bestemming zo laat hebben gewijzigd wegens de handelwijze van de Commissie, waarvan de voor tariefvoordelen bevoegde sectie van het Comité douanewetboek deze kwestie niet ter discussie heeft genomen. Zij hebben hun standpunt gewijzigd in het kader van de voorbereiding van het antwoord op de aanmaningsbrief, toen zij telefonisch contact hebben gezocht met een niet met name genoemde ambtenaar van het directoraat-generaal Fiscaliteit en douane-unie, die erop heeft gewezen dat Denemarken de regeling actieve veredeling had moeten toepassen in plaats van de regeling bijzondere bestemming.
57. De Deense regering betwist eveneens uitdrukkelijk de bewering van de Commissie dat zij laatstgenoemde niet ervan op de hoogte heeft gebracht dat zij niet van plan was de belastingschuld achteraf te boeken, aangezien zij dat wel degelijk heeft gedaan in haar brief aan de Commissie van 6 mei 2002.
V – Beoordeling door de advocaat-generaal
A – Aansprakelijkheid van de lidstaten jegens de Commissie op het gebied van de eigen middelen
58. Artikel 2, lid 1, sub b, van besluit 94/728 bepaalt dat de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief en de overige douanerechten die de Gemeenschap ontvangt in het kader van de handel met niet-lidstaten, eigen middelen van de Gemeenschap vormen.(19) Het gebruik van de douanerechten als eigen middelen van de Gemeenschap op de communautaire begroting is het gevolg van het feit dat in het kader van de douane-unie(20) de staat die de overmaking van de douanerechten gelast, niet noodzakelijkerwijs de staat is waarin de goederen worden gebruikt.(21)
59. Volgens artikel 2 van verordening nr. 1552/89 geldt het recht van de Gemeenschappen op de eigen middelen als vastgesteld zodra is voldaan aan de voorwaarden van de douanevoorschriften wat betreft de boeking van het bedrag van het recht en de kennisgeving daarvan aan de belastingschuldige. Uit de bewoordingen van deze bepaling volgt, dat de verplichting van de lidstaten om een recht van de Gemeenschappen op de eigen middelen vast te stellen, ontstaat zodra is voldaan aan bovengenoemde voorwaarden van de douanevoorschriften, en het dus niet nodig is dat de boeking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.(22) De lidstaten „zijn derhalve verplicht een recht van de Gemeenschappen op de eigen middelen vast te stellen, zodra hun douaneautoriteiten in staat zijn om het bedrag van de uit een douaneschuld voortvloeiende rechten te berekenen en zij de belastingschuldige kunnen aanwijzen”.(23)
60. De rechtspraak van het Hof met betrekking tot de douanerechten als eigen middelen van de Gemeenschappen gaat uit van het beginsel dat „de lidstaten gehouden [zijn], het recht van de Gemeenschappen op de eigen middelen vast te stellen zodra hun douaneautoriteiten over de nodige gegevens beschikken en dus in staat zijn om het bedrag van de uit een douaneschuld voortvloeiende rechten te berekenen en de schuldenaar aan te wijzen, en dit los van de vraag of is voldaan aan de criteria voor toepassing van artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek en of dus al dan niet tot boeking en navordering van de betrokken douanerechten kan worden overgegaan. In die omstandigheden komt een lidstaat die verzuimt het recht van de Gemeenschappen op eigen middelen vast te stellen en het overeenkomstige bedrag ter beschikking van de Commissie te stellen, zonder dat is voldaan aan een van de voorwaarden van artikel 17, lid 2, van verordening nr. 1552/89, de verplichting niet na die op hem rusten krachtens het gemeenschapsrecht, inzonderheid de artikelen 2 en 8 van besluit 94/728.”(24)
B – Ontslaat de onduidelijkheid van de communautaire bepalingen de lidstaten van de verplichting de eigen middelen van de Gemeenschap vast te stellen?
61. De Deense regering kan zich niet beroepen op gestelde onnauwkeurigheden in de bewoordingen van bijlage I bij verordening nr. 2658/87. Deze onnauwkeurigheden ontslaan de lidstaten niet van het overmaken van de eigen middelen van de Gemeenschappen krachtens besluit 94/728. Uit het bovengenoemde arrest Commissie/Denemarken (C‑392/02) blijkt namelijk dat „ook indien een door de douaneautoriteiten van een lidstaat begane vergissing tot gevolg heeft dat de belastingschuldige de betrokken rechten niet hoeft te betalen, zulks niet [kan] afdoen aan de verplichting van de betrokken lidstaat, in het kader van de terbeschikkingstelling van eigen middelen vertragingsrente en de rechten die hadden moeten worden vastgesteld te betalen”.(25) Krachtens het beginsel van de indirecte administratie(26) zijn de lidstaten bevoegd de communautaire douanebepalingen uit te voeren.
62. Wanneer bepaalde douanevoorschriften niet duidelijk zijn, ontslaat het gebrek aan duidelijkheid de lidstaten niet van hun verplichting de eigen middelen van de Gemeenschappen over te maken. Het is een beginsel van het gemeenschapsrecht, dat in het algemeen de lidstaten niet op eigen houtje eventuele onnauwkeurigheden in de communautaire voorschriften mogen uitleggen. Indien zij dat zouden doen, zouden zij daardoor artikel 220 EG schenden.(27) De bewering van de Deense regering, dat het wegens de onnauwkeurigheden van bijlage I bij verordening nr. 2658/87 onduidelijk zou zijn of een douaneschuld is ontstaan, is bijgevolg ongegrond. Zelfs wanneer een lidstaat het bestaan van een douaneschuld betwist, moet hij de eigen middelen van de Gemeenschap vaststellen.(28) Artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1552/89 dient aldus te worden uitgelegd dat de lidstaten zich er niet van mogen onthouden vorderingen vast te stellen, zelfs niet indien zij ze betwisten, omdat anders het financiële evenwicht van de Gemeenschap zou worden verstoord.(29)
C – Verplichting van Denemarken de eigen middelen van de Gemeenschap ter beschikking te stellen
63. Ik moet er om te beginnen op wijzen dat de Deense regering in haar brief van 2 april 2002 heeft erkend dat zij de communautaire douanevoorschriften verkeerd had toegepast. De Deense regering heeft eveneens in haar verweerschrift erkend dat zij de regeling bijzondere bestemming verkeerd had toegepast en dat zij de importeur had meegedeeld dat de regeling actieve veredeling in casu niet kon worden toegepast. Zij betwist niettemin dat het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschap is geschaad, aangezien een andere douaneregeling, de regeling actieve veredeling, waarvoor het nulrecht geldt, had kunnen worden toegepast.
64. De Gemeenschap heeft recht op de eigen middelen wanneer aan de materiële voorwaarden voor het ontstaan van de douaneschuld is voldaan.(30) De verplichting van de lidstaten, vast te stellen dat de Gemeenschap recht heeft op de eigen middelen, ontstaat volgens het reeds aangehaalde arrest in de zaak C‑392/02, Commissie/Denemarken, zodra aan de voorwaarden van de douaneregeling, dat wil zeggen de douanevoorschriften, is voldaan.
65. Of aan de voorwaarden voor de vaststelling van de eigen middelen van de Gemeenschap is voldaan, hangt niet af van de vraag hoe de schuldenaar van deze douaneschuld krachtens het douanerecht moet worden behandeld, aangezien dit verschillende rechtsverhoudingen zijn. „De [voorschriften over de eigen middelen beheersen] de rechtsverhouding tussen de Gemeenschap en de lidstaten wat betreft de vaststelling en overdracht van de eigen middelen. De [douanevoorschriften beheersen] de rechtsverhoudingen tussen de lidstaten en ondernemingen bij de aangifte, oplegging en inning van in‑ en uitvoerrechten.”(31) Derhalve is het met het oog op de verhoudingen tussen de Gemeenschap en Denemarken aangaande de eigen middelen van de Gemeenschap, niet van belang of de Deense autoriteiten niet alleen de invoervergunning met toepassing van een nultarief hadden moeten herroepen, maar ook hadden moeten nagaan of een andere douaneregeling, te weten de regeling actieve veredeling, juist zou zijn geweest.
66. Het communautaire douanerecht voorziet voor een reeks van producten in een vermindering van de invoerrechten of zelfs in een nultarief, wanneer de goederen gebruikt worden voor een bijzonder doel (regeling bijzondere bestemming). De toepassing van een verminderd invoerrecht berust in het algemeen op de gecombineerde nomenclatuur, vervat in bijlage I, titel II, bij verordening nr. 2658/87, het ratione temporis van toepassing zijnde recht. De verordening bepaalde dat de heffing van invoerrechten wordt geschorst voor goederen die bij de bouw, de reparatie, het onderhoud alsmede bij de verbouwing van de in de verordening opgesomde schepen worden ingebouwd, alsmede voor goederen die voor de uitrusting van die schepen zijn bestemd.
67. De Deense douaneautoriteiten hebben de ingevoerde goederen behandeld alsof zij behoorden tot onderverdeling 8901 90 10 GN. Deze had betrekking op andere schepen voor het vervoer van goederen en andere schepen die zowel bestemd zijn voor het vervoer van personen als van goederen. Zij hebben de toepassing van deze onderverdeling gemotiveerd door erop te wijzen dat het Hof in zaak 148/87, waarin het over visnetten had geoordeeld, had bevestigd dat het niet nodig was dat de in een schip ingebouwde goederen blijvend worden ingebouwd. Denemarken kan zich niet op het arrest in zaak 148/87 beroepen, omdat het Hof in die zaak niet over in een schip ingebouwde goederen heeft geoordeeld. Het arrest in zaak 148/87 bevat geen enkel element op grond waarvan containers tot onderverdeling 8901 90 10 GN kunnen behoren.
68. Het is evident dat gewone containers geen goederen zijn die in schepen worden ingebouwd. Dit kunnen alleen voorwerpen zijn die duurzaam of ten minste voor een langdurig gebruik in een schip worden ingebouwd. Op gewone containers had onderverdeling 8609 00 90 GN moeten worden toegepast, zoals de Commissie terecht heeft aangevoerd.
69. Aangaande de bewering van de Deense regering, dat de vergissing van de douaneautoriteiten de eigen middelen van de Gemeenschap niet heeft benadeeld, moet er met nadruk op worden gewezen dat de importeur in 1990 om vrijstelling heeft verzocht op grond van actieve veredeling. De vergissing van de Deense autoriteiten bestond erin, dat zij de regeling bijzondere bestemming hebben toegepast in plaats van de regeling actieve veredeling. Ofschoon een verzoek om vrijstelling uit hoofde van actieve veredeling was ingediend, betekent deze omstandigheid op zichzelf niet dat op grond van dat verzoek een invoervergunning met vrijstelling van invoerrechten zou zijn verleend.
70. Bij actieve veredeling gaat het erom dat invoer plaatsvindt met het oog op uitvoer. Artikel 114, lid 1, sub a, van het douanewetboek noemt bijvoorbeeld een vorm van actieve veredeling waarbij ingevoerde goederen uit een derde land bestemd zijn om in de vorm van veredelingsproducten uit het douanegebied van de Gemeenschap te worden wederuitgevoerd. De Deense regering heeft er in haar verschillende memories op gewezen dat de litigieuze containers op containerschepen worden geplaatst, zodat zij met de schepen worden uitgevoerd. Daarmee heeft Denemarken willen aangeven dat de litigieuze containers deel uitmaken van de uitrusting van de schepen en dus samen hiermee worden uitgevoerd. Zoals supra opgemerkt, zijn de ter discussie staande containers gewone containers. Ervan uitgaande dat de argumenten van de Deense regering juist zijn, rijst de vraag wat eigenlijk werd uitgevoerd.
71. Wanneer de containers eigendom blijven van de onderneming voor zeevervoer kan moeilijk worden gesproken van uitvoer. Partijen hebben deze kwestie echter in hun memories niet nader toegelicht. Het argument van Denemarken betreffende het telefoongesprek met een niet met name genoemde ambtenaar van de Commissie, dat op zichzelf door de Commissie niet wordt ontkend, en in de loop waarvan de Deense regering de verzekering heeft gekregen dat zij de bepalingen betreffende de actieve veredeling kon toepassen, betekent op zichzelf nog niet dat deze bepalingen inderdaad op de importeur kunnen worden toegepast. Ongefundeerd zijn eveneens de argumenten van de Deense regering volgens welke haar tijdens dit onderhoud zou zijn uiteengezet dat de bepalingen inzake de actieve veredeling in combinatie met de tijdelijke invoer krachtens artikel 4, lid 16, sub f, van het douanewetboek van toepassing zouden zijn. Artikel 137 van het douanewetboek bepaalt dat de regeling tijdelijke invoer het mogelijk maakt om in het douanegebied van de Gemeenschap met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de rechten bij invoer, niet-communautaire goederen te gebruiken die bestemd zijn om te worden wederuitgevoerd zonder wijzigingen te hebben ondergaan, met uitzondering van hun normale waardevermindering ten gevolge van het gebruik dat ervan is gemaakt.(32) In de onderhavige zaak zijn de ingevoerde goederen evenwel getransformeerd in gewone containers. Daarom is in casu van tijdelijke invoer geen sprake.
72. Ook de bewering van de Deense regering, dat het standpunt van de Commissie in besluit REC 12/03 op de onderhavige zaak van toepassing zou zijn, is ongegrond. In besluit REC 12/03 wordt duidelijk gesteld dat de regeling actieve veredeling slechts kan worden toegepast voor de periode van 1 januari 1998 tot en met 3 februari 1998. De stelling betreffende de toepassing van dat besluit op de periode vóór 1 januari 1998 is derhalve ongegrond.
73. Gelet op het bovenstaande, heeft de Commissie terecht vastgesteld dat de toepassing van de regeling bijzondere bestemming op de laadkisten en containers in het onderhavige geval onjuist was. Denemarken heeft de verkeerde douaneregeling toegepast.
74. De lidstaten moeten „ingevolge artikel 17, leden 1 en 2, van verordening nr. 1552/89 [...] alle nodige maatregelen [...] treffen opdat de bedragen van de overeenkomstig artikel 2 van deze verordening vastgestelde rechten ter beschikking van de Commissie worden gesteld. De lidstaten zijn van deze verplichting slechts ontslagen indien door overmacht geen inning heeft kunnen plaatsvinden of wanneer blijkt dat de inning om redenen onafhankelijk van hun wil definitief onmogelijk is.”(33)
75. Het Hof heeft al te kennen gegeven dat niet behoeft „te worden onderscheiden tussen het geval waarin de lidstaat de eigen middelen heeft vastgesteld zonder ze af te dragen en het geval waarin hij ten onrechte heeft nagelaten de eigen middelen vast te stellen, ook al is er geen sprake van een dwingende termijn”.(34) In de onderhavige zaak betekent de onjuiste toepassing van de regeling bijzondere bestemming dat Denemarken de eigen middelen van de Gemeenschap niet heeft vastgesteld.
76. Het verweermiddel van Denemarken, dat van schade geen sprake is, kan aan het beroep van de Commissie niet elke gegrondheid ontnemen. De doctrine rangschikt dergelijke verweermiddelen van de lidstaten, te weten dat van schade geen sprake is, in de categorie van de de‑minimisexcepties(35) en zij benadrukt dat de niet-nakoming door een lidstaat losstaat van de omvang daarvan.(36) Dit is de reden waarom op het gebied van de bepalingen betreffende het functioneren van de interne markt het argument van een lidstaat, dat een niet-nakoming geen nadelige invloed heeft gehad op de werking van de gemeenschappelijke markt, niet kan slagen.(37) Voor het bestaan van een niet-nakoming is geen schade vereist.(38) Dezelfde redenering dient te worden toegepast op het gebied van de eigen middelen van de Gemeenschap. De doelstelling van de procedure van artikel 226 EG is namelijk niet de vaststelling of de Gemeenschap schade heeft geleden, maar uitsluitend de vaststelling of een lidstaat de krachtens het gemeenschapsrecht op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.(39) Het verweermiddel van Denemarken, dat de Gemeenschap geen schade zou hebben geleden als gevolg van de door de Deense douaneautoriteiten begane vergissingen, kan derhalve niet slagen. De vraag of het gedrag van de Deense autoriteiten al dan niet foutief was, speelt in de onderhavige zaak evenmin een rol.(40)
77. Het gemeenschapsrecht eist namelijk dat de lidstaten de douanevoorschriften juist toepassen. „[D]e lidstaten [zijn] gehouden, het recht van de Gemeenschappen op de eigen middelen vast te stellen zodra hun douaneautoriteiten over de nodige gegevens beschikken en dus in staat zijn om het bedrag van de uit een douaneschuld voortvloeiende rechten te berekenen en de schuldenaar aan te wijzen, en dit los van de vraag of is voldaan aan de criteria voor toepassing van artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek en of dus al dan niet tot boeking en navordering van de betrokken douanerechten kan worden overgegaan.”(41)
78. Een lidstaat die verzuimt het recht van de Gemeenschappen op de eigen middelen vast te stellen en het overeenkomstige bedrag ter beschikking van de Commissie te stellen, zonder dat is voldaan aan een van de voorwaarden van artikel 17, lid 2, van verordening nr. 1552/89, komt de verplichtingen niet na die op hem rusten krachtens het gemeenschapsrecht en inzonderheid de artikelen 2 en 8 van besluit 94/728.(42) Denemarken is derhalve gehouden de eigen middelen ter beschikking te stellen.
D – Niet-nakoming van artikel 871 van verordening nr. 2454/93
79. De Commissie stelt dat de Deense autoriteiten haar uitlegging van de douanebepalingen hebben ontvangen, maar dat zij desondanks achteraf de douaneschuld niet hebben geboekt omdat zij van mening waren dat aan de voorwaarden van artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek was voldaan. Zij zijn derhalve de krachtens artikel 871 van verordening nr. 2454/93 op hen rustende verplichtingen niet nagekomen en hebben de Commissie belet zich over een eventuele toepassing van artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek uit te spreken.
80. Artikel 871 van verordening nr. 2454/93 bepaalt dat wanneer de douaneautoriteiten van oordeel zijn dat aan de in artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek bedoelde voorwaarden is voldaan, of twijfels hebben omtrent de toepasbaarheid van de criteria van deze bepaling op het betreffende geval, zij dit geval aan de Commissie moeten voorleggen opdat het wordt behandeld overeenkomstig de procedure bedoeld in de artikelen 872 tot en met 876. Het aan de Commissie toegezonden dossier dient alle voor een volledig onderzoek van het voorgelegde geval noodzakelijke gegevens te bevatten.
81. Het Hof heeft al beslist dat de procedure van de artikelen 871 en 873 van verordening nr. 2454/93 „geen betrekking heeft op de verplichting van de lidstaten om het recht van de Gemeenschappen op eigen middelen vast te stellen. De artikelen 871 en 873 van verordening nr. 2454/93 beogen immers een uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht te verzekeren.”(43)
82. Niet wordt betwist dat de Deense regering in haar brief van 6 mei 2002 de Commissie heeft verzocht, haar krachtens artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek toe te staan af te zien van de boeking achteraf, omdat de vergunning verleend op grond van de bijzondere bestemming een vergissing van de douaneautoriteiten was die door de belastingplichtige niet kon worden ontdekt.
83. Partijen hebben zelfs niet aangevoerd dat de Commissie reeds over het verzoek van Denemarken had beslist.
84. Het middel gebaseerd op schending van artikel 871 van verordening nr. 2454/93 is derhalve ongegrond.
E – Niet-nakoming van artikel 10 EG
85. In zijn rechtspraak betreffende een gelijktijdige schending van artikel 10 EG en besluit 94/728 heeft het Hof al geoordeeld dat gezien de vastgestelde schendingen van dit besluit „er geen termen aanwezig [zijn] om niet-nakoming [door het Koninkrijk Denemarken] van de in [artikel 10 EG] neergelegde algemene verplichtingen vast te stellen”.(44)
86. De ratio van dit oordeel van het Hof, is dat artikel 10 EG ten aanzien van besluit 94/728 een algemene bepaling is. Wanneer een schending van een specifieke bepaling wordt vastgesteld, behoeft daarnaast niet nog eens een schending van een algemene bepaling te worden vastgesteld. Krachtens het beginsel specialia generalibus derogant omvat een schending van een specifieke norm namelijk eveneens een schending van een algemene bepaling.
F – Vertragingsrente
87. Volgens de rechtspraak van het Hof „bestaat er een onlosmakelijk verband tussen de verplichting de eigen middelen van de Gemeenschappen vast te stellen, de verplichting die middelen binnen de gestelde termijn op de rekening van de Commissie te boeken en de verplichting vertragingsrente te betalen”.(45)
88. Gelet op het bovenstaande, is het beroep van de Commissie, voor zover betrekking hebbende op de geldende vertragingsrente vanaf 27 juli 2000, gegrond.
89. Ik moet er ten slotte op wijzen dat wanneer de Gemeenschap als eigen middelen inkomsten ontvangt waarop zij evenwel geen recht heeft, het financiële evenwicht van de Gemeenschap ten nadele van de lidstaten wordt gewijzigd. In een dergelijk geval zou sprake kunnen zijn van een vermogensoverdracht ten gunste van de Gemeenschap, zonder dat daarvoor een rechtsgrondslag bestaat. De vraag naar een eventuele ongegronde verrijking van de Gemeenschap hoort echter niet thuis in een procedure wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG.
90. Derhalve moet worden vastgesteld dat het Koninkrijk Denemarken, doordat zijn autoriteiten het bedrag van 18 687 475 DKK aan eigen middelen vermeerderd met de vertragingsrente vanaf 27 juli 2000 niet ter beschikking van de Commissie hebben gesteld, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op hem rusten krachtens het gemeenschapsrecht, en inzonderheid geen rekening heeft gehouden met de artikelen 2 en 8 van besluit 94/728/EG, Euratom van de Raad van 31 oktober 1994 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen.
VI – Kosten
91. Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien het Koninkrijk Denemarken in het ongelijk is gesteld, dient het overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
VII – Conclusie
92. Mitsdien geef ik het Hof in overweging te oordelen als volgt:
„1) Doordat zijn autoriteiten het bedrag van 18 687 475 DKK aan eigen middelen vermeerderd met de vertragingsrente vanaf 27 juli 2000 niet ter beschikking van de Commissie hebben gesteld, heeft het Koninkrijk Denemarken niet voldaan aan de verplichtingen die op hem rusten krachtens het gemeenschapsrecht, en inzonderheid geen rekening gehouden met de artikelen 2 en 8 van besluit 94/728/EG, Euratom van de Raad van 31 oktober 1994 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen.
2) Het Koninkrijk Denemarken wordt in de kosten verwezen.”
1 – Oorspronkelijke taal: Sloveens.
2 – Arrest van 15 november 2005, Commissie/Denemarken (C‑392/02, Jurispr. blz. I‑9811).
3 – PB L 293, blz. 9.
4 – PB L 185, blz. 24.
5 – PB L 253, blz. 42.
6 – PB L 155, blz. 1.
7 – PB L 175, blz. 3.
8 – PB L 130, blz. 1.
9 – PB L 302, blz. 1.
10 – PB L 253, blz. 1.
11 – PB L 188, blz. 1.
12 – PB L 256, blz. 1.
13 – PB L 198, blz. 1.
14 – PB L 281, blz. 1.
15 – Noot zonder belang voor de Nederlandse versie.
16 – Dit besluit is niet gepubliceerd in het Publicatieblad.
17 – Zie arrest Commissie/Denemarken, aangehaald in voetnoot 2.
18 – Arrest van 22 september 1988, Pedersen/Commissie (148/87, Jurispr. blz. 4993).
19 – Het stelsel van de eigen middelen is een fundamentele karakteristiek van de Europese Gemeenschappen in vergelijking met andere internationale en bilaterale organisaties. Volgens de doctrine vormen de eigen middelen van de Gemeenschap een kenmerk van de Europese integratie op budgettair gebied; zij worden voor de financiering van haar begroting gedefinieerd als belastingontvangsten die van rechtswege aan de Gemeenschap ter beschikking staan, zonder dat voor hun ontstaan en overmaking een nadere beslissing van de nationale autoriteiten van de lidstaten nodig is (Van Raepenbusch, Sean, Droit institutionnel de l’Union européenne, 4e druk, Brussel, 2005, blz. 293).
20 – Eerste overweging van de considerans van het douanewetboek.
21 – Bieber, Roland, in Von den Groeben/Schwarze, artikel 269, punt 29. De auteur is derhalve van mening dat de douanerechten en de heffingen op nationaal niveau niet nauwkeurig kunnen worden vastgesteld.
22 – Zie arrest Commissie/Denemarken, aangehaald in voetnoot 2, punt 58.
23 – Zie arrest Commissie/Denemarken, aangehaald in voetnoot 2, punt 61.
24 – Zie arrest Commissie/Denemarken, aangehaald in voetnoot 2, punt 68.
25 – Zie arrest Commissie/Denemarken, aangehaald in voetnoot 2, punt 63. In die zaak stelde de Deense regering dat artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek de inning van de douanerechten niet toestaat en dat Denemarken derhalve niet wegens de door zijn autoriteiten bij de toepassing van het douanewetboek begane fouten aansprakelijk kan zijn voor de vermindering van de eigen middelen. In zijn conclusie in deze zaak (C‑392/02, Jurispr. blz. I‑2613, punten 62 en 63), heeft advocaat-generaal L. A. Geelhoed op dit verweermiddel geantwoord dat de bepalingen betreffende de eigen middelen de rechtsverhouding tussen de Gemeenschap en de lidstaten wat betreft de vaststelling en overdracht van de eigen middelen beheersen. De douanevoorschriften beheersen daarentegen de rechtsverhoudingen tussen de lidstaten en de ondernemingen bij de aangifte, oplegging en inning van in‑ en uitvoerrechten. De eventualiteiten die zich in de relatie tussen douaneautoriteiten en belastingplichtigen kunnen voordoen, werken in beginsel niet door in de afwikkeling tussen de Gemeenschap en de lidstaten van de eigen middelen, waaronder eveneens douanerechten die hadden moeten zijn geconstateerd. Ware het anders, dan zou de afwikkeling tussen de lidstaten en de Gemeenschap van de desbetreffende eigen middelen afhankelijk worden van de risico’s die aan de administratieve afwikkeling van het douaneverkeer inherent zijn.
26 – Aangaande de uitvoering van het gemeenschapsrecht kent de doctrine het fundamentele onderscheid tussen de directe administratie die tot de bevoegdheid van de communautaire instellingen en andere organen behoort, en de indirecte administratie die tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort. Bij de indirecte administratie voert de overheid van de lidstaten het gemeenschapsrecht uit. Bij de indirecte administratie kennen wij evenwel de directe uitvoering van het gemeenschapsrecht, wanneer de overheid besluiten, verordeningen en rechtstreeks van toepassing zijnde bepalingen van het primaire recht toepast, en de indirecte uitvoering van het gemeenschapsrecht, wanneer de nationale autoriteiten bepalingen toepassen die zij in nationaal recht moeten omzetten (bijvoorbeeld richtlijnen) (Jacqué, Jean-Paul, Droit institutionnel de l’Union européenne, 3e druk, Parijs, 2004, blz. 446; Ziller, Jacques, L’autorité administrative dans l’Union européenne, EUI Working Paper Law nr. 2004/14, Florence: European University Institute, 2004, blz. 11; Fischer, Hans Georg, Europarecht, blz. 131 en 132, München, 2001; Öhlinger, Theo, en Potacs, Michael, Gemeinschaftsrecht und staatliches Recht, 3e aanvullende druk, Wenen, 2006, blz. 108, 137 en 138).
27 – Het Hof is als enige bevoegd te oordelen over de geldigheid van de handelingen van afgeleid gemeenschapsrecht (arrest van 22 oktober 1987, Foto-Frost, 314/85, Jurispr. blz. 4199, punten 13‑17). Ditzelfde geldt krachtens artikel 220 EG voor de uitlegging van het primaire en afgeleide gemeenschapsrecht. De ratio legis van de uitsluitende bevoegdheid is de uniformiteit van de uitlegging van het recht, die een specifieke vorm is van het beginsel van gelijke behandeling.
28 – Arrest van 16 mei 1991, Commissie/Nederland (C‑96/89, Jurispr. blz. I‑2461, punt 38).
29 – Zie in deze zin arrest Commissie/Nederland, aangehaald in voetnoot 28, punt 37, alsmede arrest van 15 juni 2000, Commissie/Duitsland (C‑348/97, Jurispr. blz. I‑4429, punt 64).
30 – Zie in deze zin arrest Commissie/Denemarken, aangehaald in voetnoot 2, punt 61.
31 – Conclusie van advocaat-generaal L. A. Geelhoed in de zaak Commissie-Denemarken (aangehaald in voetnoot 25, punt 62).
32 – Witte, Peter, Wolfgang, Hans-Michael, en Bleihauer, Hans-Jürgen, Lehrbuch des Europäischen Zollrechts, 5e druk, Herne, 2006, blz. 272. De auteurs bevestigen dat het typische voorbeeld van de regeling tijdelijke invoer bestaat in de invoer van goederen die op beurzen worden tentoongesteld.
33 – Zie arrest Commissie/Denemarken, aangehaald in voetnoot 2, punt 66.
34 – Zie arrest Commissie/Denemarken, aangehaald in voetnoot 2, punt 67.
35 – Van Raepenbusch, Droit institutionnel de l’Union européenne, blz. 603 en 606. De auteur wijst erop dat de de‑minimisexceptie behoort tot de groep van excepties die het Hof systematisch verwerpt. De Latijnse woorden de minimis vormen een afkorting van het algemene rechtsbeginsel de minimis non curat praetor.
36 – Rideau, Joël, en Picod, Fabrice, Code des procédures juridictionnelles de l’Union européenne, 2e druk, Parijs, 2002, blz. 167.
37 – Arrest van 11 april 1978, Commissie/Nederland (95/77, Jurispr. blz. 863, punt 13). In dit arrest verwierp het Hof de exceptie van Nederland, dat de niet-toepassing van richtlijn 71/347/EEG van de Raad van 12 oktober 1971 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de meting van het natuurgewicht van granen (PB L 239, blz. 1), geen enkel negatief gevolg heeft gehad voor het functioneren van de interne markt. Volgens het Hof beantwoordt een dergelijke tegenwerping niet aan de doelstelling van richtlijn 71/347.
38 – Van Raepenbusch, Droit institutionnel de l’Union européenne, blz. 606.
39 – Lenaerts, Koen, Arts, Dirk, en Maselis, Ignace, Procedural Law of the European Union, 2e druk, Londen, 2006, blz. 128. Deze auteurs verwijzen naar het arrest van 29 maart 2001, Commissie/Frankrijk (C‑404/99, Jurispr. blz. I‑2667, punt 51). Het Hof heeft in dit arrest geconstateerd dat “een niet-nakomingsprocedure een objectieve procedure [is]. Derhalve is de niet-nakoming van verplichtingen die krachtens het Verdrag of het afgeleide recht op de lidstaten rust een feit, ongeacht hoe vaak en in welke omvang de gewraakte situatie zich voordoet.”
40 – Met verwijzing naar arresten van 18 november 1970, Commissie/Italië (8/70, Jurispr. blz. 961), en 26 februari 1976, Commissie/Italië (52/75, Jurispr. blz. 277), benadrukt de doctrine dat in een procedure wegens niet-nakoming het verweer van een niet-foutief gedrag niet relevant is als reden voor een vrijstelling. In een procedure wegens niet-nakoming gaat het om de vaststelling van een juridische situatie die niet overeenkomstig het gemeenschapsrecht is. De vraag of de lidstaat foutief heeft gehandeld is dus in het algemeen niet van belang. [Burgi, Martin, Vertragsverletzungsverfahren, in Rengeling, Hans-Werner, Middeke, Andreas, en Gellermann, Martin (ed.), Handbuch des Rechtsschutzes in der Europäischen Union, 2e aanvullende druk, München, 2003, blz. 80].
41 – Zie arrest Commissie/Denemarken, aangehaald in voetnoot 2, punt 68.
42 – Ibidem.
43 – Zie arrest Commissie/Denemarken, aangehaald in voetnoot 2, punt 64.
44 – Zie arrest Commissie/Denemarken, aangehaald in voetnoot 2, punt 69.
45 – Zie arrest Commissie/Denemarken, aangehaald in voetnoot 2, punt 67.
Full & Egal Universal Law Academy